Onze Taal (1915-1918)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

"Weekblaadje voor de Vlaamschsprekende krijgsgevangenen"; verscheen tijdens de Eerste Wereldoorlog in het krijgsgevangenenkamp in Göttingen.

Van 3 maart 1915 tot 28 september 1918 verschenen 162 nummers van telkens vier bladzijden, formaat 25 x 20. Tot nummer 57 was het titelblad versierd met illustraties van Duitse dorpen of steden. Vanaf nummer 60 werd het opgefleurd met een door teksten van Guido Gezelle omrand titelvignet, getekend door E. Midy, dat in februari 1918 werd vervangen door een tekening met de kenspreuk "Vlaanderen is groot en oud genoeg".

In de loop van de oorlog verzamelde zich rond het tijdschrift een kern van activistische krijgsgevangenen, die uiteraard de steun genoten van de Duitse kampautoriteiten (activisme). In Göttingen was de protestantse theoloog Carl Stange al sinds september 1914 onbezoldigd bezig met de zorg voor de gevangenen. Kopman van de activistische groep was Godfried Rooms, die ook de politieke ontwikkeling van Onze Taal bepaalde. Hij ondertekende zijn bijdragen meestal met de schuilnaam van Kilo.

In de eerste maanden beleed de redactie een onvoorwaardelijk, zij het flamingantisch getint, Belgisch patriottisme en hemelde zij herhaaldelijk de samenhorigheid van Vlamingen en Walen op. In april 1915 sprak Rooms uitdrukkelijk een bericht tegen in De Vlaamsche Stem, die het kamptijdschrift onvaderlandse bedoelingen had verweten. De activistische ommezwaai vond plaats in de uitgave van 21 juli 1915, waarin de redactie – wellicht in verband met het zogenaamde Bussumer Telegram – voor het eerst opkwam voor bestuurlijke scheiding "voor het hooger heil en den verderen welstand van ons geliefd land: België". Een federalistisch programma in het kader van een principiële loyauteit aan de Belgische staat: dat bleef tot begin 1917 de redactionele lijn van het blad, dat er tenminste in 1915 kennelijk hechte banden op na hield met De Vlaamsche Stem. Het is opvallend dat in heel deze periode rechtstreekse kritiek op de regering in Le Havre achterwege bleef en dat op conflicten zoals de herrie rond Antoon Jacob en René de Clercq in augustus 1915 slechts in omfloerste termen werd gezinspeeld.

In de laatste drie maanden van 1915 zette de redactie een intense voorlichtingscampagne op touw over de Vlaamse kwestie. Bijna elke uitgave van het tijdschrift bevatte nu vurige verheerlijkingen van het Vlaamse volkskarakter, aanvallen op de Belgische taaltoestanden en op de franskiljonse uiteenzettingen over geschiedenis en programma van de V.B.

Vanaf april 1916 bouwden de Duitse autoriteiten Göttingen uit tot het centrale activistische propagandakamp, waar in de volgende maanden ook meer en meer geschikt bevonden gevangenen uit andere kampen samenstroomden. Sindsdien kwam de Vlaamse zaak tot eind 1916 in Onze Taal nog nauwelijks aan bod, wellicht om de nog niet Vlaamsbewuste nieuwkomers niet voor het hoofd te stoten. Een stuk over de economische achterstelling van Vlaanderen in België en een geestdriftig verslag over de opening van de vernederlandste Gentse hogeschool waren de uitzonderingen.

Pas met de stichting van de Raad van Vlaanderen begin 1917 ging de redactie de radicaal activistische toer op. Vinnige aanvallen op de "Fransdolle" regering in Le Havre en eisen voor de vernietiging van het "stiefmoederlijke" België en voor aansluiting van Vlaanderen bij Nederland waren nu schering en inslag. De Vlaamse actie aan het IJzerfront werd aandachtig gevolgd. Het nummer van 18 augustus 1917 bevatte een brief aan kardinaal Désiré Mercier waarin 44 ondertekenaars protesteerden tegen de antiactivistische houding van de kerkelijke overheid. Een speciaal blaadje, toegevoegd aan nummer 130, verkondigde het uitroepen van Vlaanderens zelfstandigheid.

Naast de politieke artikels bevatte het blad ook tal van letterkundige bijdragen en gedichten. De vaste rubriek "Onze werking" was de weerspiegeling van een intens cultureel leven in het kamp.

Literatuur

O. de Smet, De Vlaamsche Bond en zijn voorgangers, 1954; 
W. Dolderer, Deutscher Imperialismus und belgischer Nationalitätenkonflikt (Kasseler Forschungen zur Zeitgeschichte, nr. 7, 1989).

Auteur(s)

Winfried Dolderer