Nederlandsch Tooneelverbond

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

overkoepelende Noord- en Zuid-Nederlandse toneelorganisatie opgericht rond 1870-1871.

Was een van de vele pogingen uit de vorige eeuw om het toneel te 'verheffen'. Het eigene van dit toneelinitiatief was de samenwerking tussen Noord- en Zuid-Nederland. Het plan werd opgestart op het Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres te Leuven in 1869. De statuten werden in december 1870 vastgelegd; de rechtspersoonlijkheid gold vanaf 16 maart 1871.

De oprichters schoven twee actiemiddelen naar voren: een toneelschool om de kwaliteit van de acteurs te verbeteren en een toneeltijdschrift om het brede publiek op het Nederlandstalige toneel te attenderen. Na een moeizame zoektocht naar geldmiddelen opende de toneelschool in 1874 te Amsterdam haar deuren.

Van 1872 af verscheen het tijdschrift Het Nederlandsch Tooneel, in 1882 omgedoopt tot Het Tooneel, dat nog steeds bestaat als Toneel Theatraal (Amsterdam). Onder anderen Max Rooses (1872-1873, 1886-1887, 1896-1897), Domien Sleeckx (1873, 1874), Julius Vuylsteke (1874) en Jozef van Hoorde (1874-1876) werkten eraan mee.

Niettegenstaande de Zuid-Nederlanders in de ontstaansgeschiedenis een doorslaggevende rol speelden, kwam het Tooneelverbond in Vlaanderen nooit echt van de grond en het evolueerde tot een Noord-Nederlandse organisatie. Het hoofdbestuur telde vanaf 1879 geen Zuid-Nederlanders meer. De enige Zuid-Nederlandse afdeling die ooit heeft gewerkt, was de Gentse. In het bestuur zetelden de voorvechters van het Nationael Tooneel (onder meer Vuylsteke, Rooses en Bruno Block). De afdeling organiseerde een toneelcongres (april 1871) en enkele prijskampen. Haar belangrijkste wapenfeit was het stimuleren van de oprichting van een gesubsidieerd beroepsgezelschap in Gent. In tegenstelling tot het florissante bestaan van Hollandse afdelingen (met honderden leden op het einde van de eeuw) kwijnde de Gentse afdeling al vanaf 1877 weg. In 1896 telde ze nog zes leden.

Het falen van de samenwerking had te maken met Vlaamse lokale belangen en kortzichtigheid. Gezaghebbende Vlaamse toneelfiguren vreesden de Amsterdamse toneelschool omwille van de concurrentie voor de declamatieklassen aan de conservatoria. Een katholiek spreker op het Nederlandsch Congres van 1884 steigerde bij de idee dat Vlaamse jongeren in een protestants bolwerk onderwijs zouden genieten.

In 1897 flakkerde de idee van een overkoepelend Nederlands toneel nog eens op. Het Antwerpse toneeltijdschrift Het Nederlandsch Tooneel smolt één seizoen lang samen met Het Tooneel, als gezamenlijk orgaan van Het Nederlandsch Tooneelverbond en de Zuidnederlandsche Tooneelbond.

Literatuur

C. Tindemans, 'Het Nederlandsch Tooneelverbond', in Ons Erfdeel, jg. 15, nr. 5 (1972), p. 41-58.

Auteur(s)

Hilde Verschaffel