Mussche, Achilles

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Gent 12 augustus 1896 – Gent 30 augustus 1974).

Was leraar Nederlands aan de lagere en middelbare Rijksnormaalschool te Gent en daarna tot zijn pensionering in 1956 rijksinspecteur Germaanse talen bij het normaalonderwijs. In 1966 werd Mussche benoemd tot lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.

Reeds als leerling aan de Normaalschool te Gent, waar hij onder anderen met Maurice Roelants en Raymond Herreman het tijdschrift Moderne Kunst stichtte, was hij een overtuigd flamingant en socialist. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij als zovele jonge Vlaamsgezinde intellectuelen die later tot het expressionisme behoorden, opgenomen in de beweging van het activisme. Wegens zijn activisme werd hij in 1918 als leraar geschorst. Mussche was daarna een aantal jaren in de journalistiek werkzaam. Met Wies Moens en Herreman was hij van 1919 tot 1921 redacteur van Ons Vaderland. Met Joris van Severen stichtte hij daarna het tijdschrift Ter Waarheid. Toen Van Severen echter een actieve rol in de politiek begon te spelen, trok Mussche zich uit de redactie van het tijdschrift terug. Toen hij leraar werd aan de Normaalschool te Gent, bleef hij nog publiceren in diverse Zuid- en Noord-Nederlandse kranten en tijdschriften, in het bijzonder als essayist in het tijdschrift De Stem van Dirk Coster en als recensent in het Gentse socialistische dagblad Vooruit.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog behoorde hij te Gent tot de leiders van het verzet en was hij redacteur van Het Belfort, het clandestiene weekblad van het Onafhankelijkheidsfront. Op 14 februari 1971 nam Mussche ontslag uit de redactie van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, waarvan hij sedert de stichting deel uitmaakte, uit protest tegen de publicatie van de Zevende Brief rondom Liefde en Dood (Nieuw Vlaams Tijdschrift, 1970, p. 833-846), gericht tot Pol le Roy, waarin auteur Jef Geeraerts de 1 mei-feesten hekelde en in scherpe bewoordingen schreef over de Tweede Wereldoorlog, de repressie en de naoorlogse toestand van "ontwaarding" in Vlaanderen.

In het onderwijs heeft Mussche een belangrijke taak vervuld door dertig jaar lang te ijveren voor het correct gebruik van zuiver en levend Nederlands in Vlaanderen. Door zijn handboeken over woordenschat, uitspraakleer en taal- en stijlstudie hebben honderdduizenden leerlingen uit het lager en middelbaar onderwijs hun moedertaal beter leren beheersen en hanteren, terwijl zij door zijn bloemlezingen en poëtica werden ingewijd in de schoonheid van de Nederlandse letteren. Doch vooral als scheppend auteur en voorzitter van culturele verenigingen als het Vermeylenfonds, de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen en de Raadgevende Culturele Commissie van Omroep Oost-Vlaanderen heeft hij zijn gezaghebbende stem laten horen in het Vlaamse cultuurleven.

Als dichter evolueerde hij met hymnische verzen in de geest van het humanitaire expressionisme (De twee vaderlanden, 1927) naar een poëzie met klassieke vormgeving (Koraal van den dood, 1938; Langzaam adieu, 1962) en bezinning op zowel het individuele gevoelsleven als de algemeen menselijke existentiële problematiek. Het humanitarisme van zijn poëzie zou hij nog verruimen en verdiepen in zijn scheppend proza: De Broeder van Hamlet (1949), waarin gestreefd wordt naar een synthese van individualisme en socialisme; Aan de Voet van het Belfort (1950), het sociaal-historisch fresco van de Vlaamse wevers; Gedenksteen van Rosa (1961), de geromantiseerde biografie van Rosa Luxemburg.

Zoals uit heel zijn literair oeuvre duidelijk zijn humanistische en socialistische visie tot uiting kwam, zo werd ook zijn flamingantisme door deze levensvisie bepaald. Het Vlaamse probleem was voor hem in de eerste plaats een sociaal-economisch probleem: "Met de geldmuur stort ook de taalmuur ineen." Met de hem eigen hartstochtelijkheid kantte hij zich tegen elk stelsel van taalfaciliteiten en kwam hij op voor een culturele autonomie met wettelijke en structurele waarborgen voor de ideologische minderheden. De bescherming van de Vlaamse gemeenschap tegen een egoïstische franskiljonse klasse, zowel op sociaal-economisch als op cultureel vlak, achtte hij een socialistische plicht waarvoor hij binnen de eigen partij ijverde. Hij was trouwens de voorzitter van het initiatiefcomité (bestaande uit R. de Buck, Willy Calewaert, R. Cliquet, L. de Coninck, Marcel Deneckere, H. de Geest, Jaap Kruithof, F. Lauwers, A. Major, Ernest Mandel, Renaat Merecy, L. de Pauw en F. Polk) dat het Manifest van Vlaamse Socialisten opstelde en op 21 december 1961 verspreidde met een groots opgezette campagne voor ondertekening, met de bedoeling de Vlaamse socialisten en vooral de leiding van de Belgische Socialistische Partij aan te sporen om mee de leiding van de Vlaamse strijd voor gelijkberechtiging en culturele autonomie op zich te nemen (gepubliceerd in Links, 23 december 1961). De culturele autonomie zag hij "als een grote kans, niet om ons op te sluiten en te verlustigen aan folklore, maar om ons te ontplooien en om als wereldburgers deel te hebben aan de universele cultuur, maar met behoud van onze eigen persoonlijkheid". Zoals bij de bewonderde voorman August Vermeylen vormden ook bij Mussche zijn Vlaamsgezinde, socialistische en internationalistische overtuiging een onverbrekelijke eenheid. Vooral als voorzitter van het August Vermeylenfonds (1945-1966) heeft hij zijn idealen ruime weerklank gegeven.

Literatuur

J. Schepens, Achilles Mussche, 1946; 
F. Buyens, Beschouwingen rondom het werk van A. Mussche, 1952; 
M. Grypdonck, 'Achilles Mussche', in Programmabrochure voor de huldiging van A. Mussche als laureaat van de Interprovinciale Prijs voor Letterkunde, 1958; 
J. Florquin, Ten huize van..., II, 1964; 
R. Herreman, Achilles Mussche (Monografieën over Vlaamse Letterkunde, nr. 39, 1966); 
H. van Assche, 'Achilles Mussche (E1896)', in Mededelingen Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, nr. 70 (januari 1972); 
M. Sertijn, 'Achilles Mussche', in Twintig eeuwen Vlaanderen, XIV, 1976, p. 373-376; 
J.E. Daele, 'Een beeld van Achilles Mussche', in Pan, jg. 19, nr. 1 (1972), p. 1-31. Citaten in tekst uit: voordracht gehouden door Achilles Mussche als voorzitter van het Vermeylenfonds op het forum over Hedendaagse Vlaamse Problemen, ingericht door 't Zal wel gaan te Gent op 7 november 1961, in 't Zal Wel Gaan, nr. 2 (1961-1962), p. 14-18.

Auteur(s)

Raymond Vervliet