Moyson, Emiel

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Gent 9 januari 1838 – Luik 1 december 1868).

Werd geboren als Emiel Trossaert. Vader August was landmeter, een man met enig fortuin, die in 1856 zijn naam liet omvormen tot Moyson. Moysons (Waalse) moeder stierf enkele dagen na zijn geboorte, en August Trossaert hertrouwde later met een telg uit het drukkersgeslacht Snoeck, wat aanleiding gaf tot psycho-historische bespiegelingen over een op affectief vlak ongelukkige jeugd (C. Weyns). In 1849 werd Moyson leerling aan het Gentse atheneum, waar onder meer Julius Vuylsteke school liep. Moyson stond er onder invloed van de leraar Jacob F. Heremans. Hij kreeg in 1855 de prijs voor Nederlandse taalkunde en werd in 1856 lid en "geheimschrijver" van 't Zal wel gaan. In dat jaar verliet hij het ouderlijk huis, begon te publiceren in Noord en Zuid (dat later op de pauselijke index werd geplaatst), en schreef zich in aan de Gentse universiteit (geneeskunde). De studie lag hem niet. Hij werd medewerker aan het liberale Antwerpse blad De Schelde en trad op – verkleed als grootinquisiteur – in een studentikoos, 'antipaaps' carnaval.

In juni 1857 woonde Moyson voor het eerst een meeting bij van de Broederlijke Wevers. "Mijnheer Emiel" ontpopte zich al vlug als de eerste "organische intellectueel" van de jonge Gentse arbeidersbeweging. Tevens werd hij lid van het Van Crombrugghe's Genootschap, als lobbyist in het liberale kamp. Hij zegde zijn studies vaarwel, verhuisde naar Sint- Joost-ten-Node, waar hij werk vond bij de uitgever Lacroix (die onder meer de werken van de Franse socialist Proudhon publiceerde). Hij werd lid van Vlamingen Vooruit en de vrijdenkersvereniging Les Solidaires, en zette zich in voor de totstandkoming van een Association générale ouvrière. In december 1858 hield Moyson te Gent een gloedvolle rede aan het graf van zijn vriend Adolf Dufranne wiens burgerlijke begrafenis stof deed opwaaien.

In 1859 erfde Moyson zijn moeders fortuin (20.000 frank) en werd verzekeringsagent. Hij schreef gedichten als Liberalen, denkt gij daaraan en het satirische Colonne du Congès. Hij hield pleidooien voor de opheffing van het coalitieverbod voor arbeidersvakbonden, en engageerde zich – met César de Paepe – in de Grievencommissie. Voor zijn Gentse arbeidersvrienden schreef hij in rijmen pamfletten als Koeivoet (1857) en Brood (1859). In dit laatste nam hij afstand van de romantische ambachtelijke traditie die nog doorwerkte in de jonge arbeidersbeweging, en legde de band met de Vlaamse strijd: "De verbroedering der verdrukten op het praktische gebied is het eenigste middel om ons sedert zoo lang geteisterd Vaderland van de akeligste ellende te verlossen." Het was een duidelijk antikapitalistisch manifest, "tegen de steeds aangroeiende macht van den walgelijken geldadel". In 1860 hielp Moyson te Gent een Maatschappij der Werktuigmakers oprichten, en concretiseerde hij zijn idee voor een interprofessionele arbeidersbeweging in Het Werkverbond. Hij werd bediende bij Remy te Wijgmaal en pendelde tussen Gent en Brussel. In 1860 werd hij lid van de Association démocratique du Peuple (met als blad La tribune du peuple, organe de la démocratie militante).

In 1861 vestigde Moyson zich te Brugge en richtte met Vuylsteke, Heremans en Hippoliet van Peene een liberale afdeling van het Vlaamsch Verbond op, waarvan ook de Gentse weversleider Jan de Ridder lid werd. Een jaar later was hij te Brugge secretaris van de Vlaamsche Broederbond. Aan het begin van de grote katoencrisis (1861) sprak hij op een meeting te Gent, maar werd – samen met Franciscus Bilen en De Ridder – door arbeiders uitgejouwd. De katoencrisis maakte hem reformist 'avant la lettre': hij pleitte voor de oprichting van coöperatieven, wat hem in La tribune du peuple bij monde van Eugène Steens de kritiek opleverde te gematigd te zijn.

In 1863 werd hij boekenverkoper te Blankenberge, waar hij een Werkmanskring oprichtte. In Gent dook hij op bij de inhuldiging van het Arteveldestandbeeld, waar hij andermaal de zieltogende arbeidersbeweging moed insprak. In 1864, aan de vooravond van de verkiezingen die een liberale overwinning zouden opleveren, keerde hij zich met Guido Gezelle, Vuylsteke en Julius de Geyter tegen de Brugse Franstalige liberale kandidaat Paul Devaux. Moyson moest het verwijt incasseren "verkocht te zijn aan de klerikalen". Hij protesteerde en pleitte steeds meer voor democratische hervormingen als algemeen stemrecht, verplicht onderwijs en afschaffing van de loting. Het betekende een breuk met zijn lobbytactiek in het liberale kamp, en leidde rechtstreeks naar zijn engagement in de Internationale Arbeidersassociatie (Londen, 1864).

In 1865 vond hij terug werk bij Lacroix, werd lid (nummer 37) van Le Peuple, de Belgische afdeling van de Internationale. In Gent kon hij de scheuring bij de Broederlijke Wevers (Vooruit) niet verhinderen, maar bleef de contactpersoon tussen beide. Zijn internationalisme bleek uit sympathiebetuigingen aan het adres van Lincoln en Juarez, zoals eerder voor Garibaldi (1860). In die sympathie stond hij uiteraard loodrecht op de katholieke opinie. In 1865 pleitte hij op een Franstalig congres van blanquistische studenten (aanhangers van Blancqui, een utopisch socialist) voor de erkenning van het Nederlands. Overmand door longtering verhuisde hij naar zijn broer te Haut-Pré (Luik) waar hij een aantal gedichten schreef – later gekenmerkt als "Fransche zonden" – waarin hij zich uitdrukkelijk als socialist manifesteerde (het woord dook op in het gedicht L'actualité). Naar aanleiding van een schietpartij bij een staking in de mijn L'Epine schreef hij een arbeidersmarseillaise, Un chant pour nos frères les houilleurs. Op het derde Belgische congres van de Internationale, 1868, vertegenwoordigde hij de Gentse Klauwaerts, en slaagde erin de beide weversbonden te doen aansluiten. In Brugge werd onder zijn impuls Peper en Zout omgevormd tot Vooruit, blad van de Internationale.

Uitgeput door ziekte en verdovende middelen stierf Moyson in 1868. Tot zijn dubbel politiek testament mogen we de gedichten Het stemrecht voor elkeen (1867) en Finis Flandriae (1868) rekenen. In dit laatste omschreef hij de flaminganten sarcastisch: "een troep verwarmde Vlaamsche knapen (...) door 't edel nat tot Fenians herschapen"; "(...) ware flaminganten, bepalen zich steeds tot alarmgeschreeuw." Het stemrecht voor elkeen eindigt met de 'profetische' woorden: "'t Vlaamsch zelfbestaan zou eenmaal nog herleven door 't stemrecht voor elkeen." Overigens vertoont dit gedicht ook antisemitische trekjes, tegen "een'ge vreemde Joden".

Engagement in de Vlaamse en de arbeidersbewegingen wisselden elkaar af bij Moyson, al naar gelang van de conjunctuur van die bewegingen en de plaatsen waar hij verbleef. Hij probeerde beide te verzoenen in één emancipatieproject. Hij was de bemiddelaar (soms de enige) tussen beide. Daartoe lobbyde hij in het liberale kamp, zeker tot aan de breuk in 1864, toen hij opteerde voor de derde weg, die hij het krachtigst verwoordde in Katholiek en liberaal (1867): die twee "vreemde woorden" zijn, misbruikt door "de logie" (sic) en "de Kerke"; "'t Volk dat steunt op eigen krachten, daar is 't dat de redding is". Daartoe engageerde hij zich ook in Franstalige progressieve en democratische kringen. Na 1864 werd hij van democraat meer en meer socialist, minstens een sociale democraat. Aanvankelijk beïnvloed door Proudhon, formuleerde hij gaandeweg de latere prioritaire thema's van de sociaal- democratie (thema's die van origine radicaal-liberaal zijn): coalitierecht, coöperatieven, algemeen stemrecht, verplicht onderwijs, afschaffing van de loting. In zijn politieke tactiek mag hij als een reformist worden omschreven. Maar als een rode draad loopt door zijn engagement de vrijzinnigheid, van een studentikoos antipapisme al over het lidmaatschap van Les Solidaires tot aan de tragische, vrijzinnige apotheose bij zijn dood.

Na zijn overlijden ontwikkelde zich een Moysoncultus. De bundel gedichten die hij in 1868 voorbereidde verscheen postuum in 1869. In 1874 werd te Robermont een grafmonument onthuld. Het grafschrift vat zijn leven aldus samen: "Hij streed voor vrijheid, recht en taal, voor Vlaming als voor Waal." In 1875 richtten Gentse wevers de Vrijzinnige Ziekenbeurs voor werklieden Emiel Moyson op. De naam en het model werden later door een aantal socialistische mutualiteitsverbonden in Vlaanderen overgenomen. In 1880 publiceerde Edward Anseele zijn sociale roman Voor 't volk geofferd, een historische fantasie over het leven van Moyson. Wevers en spinnersbonden vierden in 1882 hun kwarteeuwfeest te Gent met zijn beeltenis. Zijn portret sierde vele arbeidershuizen, als een alternatieve heilige. Liederen en toneelstukken over Moyson zagen het licht.

De socialisten ontdekten in hem een Vlaamse Lasalle, maar zetten zijn Vlaamse engagement in mineur. Dat had veel te maken met de wissel van de leidende generaties in de jonge Gentse sociaal-democratie: Paul de Witte, Paul Verbauwen, Paul de Wachter en anderen die hem gekend hadden (en vereerden) trokken eruit; de nieuwe leiders Anseele en Edmond van Beveren hadden hem niet gekend. "De laatste getuige" was Jan de Ridder, die in 1890 als socialist stierf. De nieuwe sociaal-democraten trokken Moysons inspiratie eenduidig door op het louter sociale en politiek-democratische vlak. Illustratief voor die interpretatie is het werk van Avanti (pseudoniem van Oscar Roelandts) die in 1922 de eerste op historisch bronnenonderzoek gebaseerde biografie van Moyson publiceerde. Hij schrijft: "Verflauwde naderhand zijn ijver voor de arbeidersbeweging ten voordele der Vlaamsche beweging, het moet wel meest geweten worden aan de verwijdering uit zijne geboortestad en aan de verzwakking, na enkele jaren, der daar gestichte werkersbonden." Aan zijn levenseind, schrijft Avanti verder, zou Moyson zich bewust worden van het "gemaakte" van de Vlaamse strijd. Latere generaties progressieve Vlaamse intellectuelen (Johan Lefèvre, Leo Picard, Herman Balthazar, Michel Oukhow) 'herontdekten' steeds opnieuw de Vlaamse component in zijn streven.

Werken

Brood!, 1859; 
Denkt gij daaraan?, 1859; 
'Discours de M. Emile Moyson', in Le libre examen et le dogme catholique par Adolphe Dufranne précédé d'une notice biographique et des discours prononcés sur sa tombe par Mm. De Keyser, Descamps, Langlois, Willems, Billen, Moyson, Em. Van Cleemputte et Ch. Potvin, 1859, p. 10-11; 
Aan de Gentsche werklieden, 1860; 
Liedjes en andere verzen van Emiel Moyson, 1869;

Literatuur

E. Anseele, Voor 't volk geofferd, 1880; 
Th. Coopman en V.A. dela Montagne, Onze dichters: eene halve eeuw Vlaamsche Poezie, 1881; 
P. Verbauwen, Eenige bladzijden uit de geschiedenis der Gentsche wevers, 1905; 
J. Lefèvre, 'Voor 't volk geofferd', in Vooruit (11 december 1912); 
Avanti, Emiel Moyson Herdacht, 1922; 
G. Schmook, Het tragisch bestaan van Emiel Moyson, 1952; 
R. van Walle, Emiel Moyson, 1965; 
A. Bracke, 'Emiel Moyson: strijder op twee fronten', in Mens en taak, nr. 1 (1966), p. 10-15; 
Virginie Loveling, Herinneringen, 1967; 
H. Balthazar, 'Flamingant, vrijdenker en socialist: Emiel Moyson', in Vooruit (1968); 
C. Weyns, Emiel Moyson, 1972; - - C. Weyns, 'Moyson Emiel', in NBW, VI, 1974; 
M. Oukhow, 'Emiel Moyson', in Twintig eeuwen Vlaanderen, XIII, 1976, p. 339-342; 
M. Verbeke, Proeve tot typologie van de Vlaamse auteur levend omstreeks 1860, 1979; 
P. Verbruggen, Deelalternatieven voor traditionele godsdienstbeleving in het Gentse socialisme 1870-1914, 1982; 
M. Vermote en G. van Goethem, Inventaris van het archief van Avanti, 1984; 
J. Mertens, 'Emiel Moyson als dichter van de Koeivoet', in AMSAB-Tijdingen, nr. 2 (1985-1986), p. 39-44; 
P. de Witte, Alles is omgekeerd: hoe de werklieden vroeger leefden, 1986; 
L. Pauwels, Recht en plicht. 100 jaar christelijk syndicalisme in de textiel 1886-1986, 1986; 
M. Reynebeau, 'Liberalen, denkt gij daaraan?', in Knack (20 januari 1988), p. 33-34; 
G. Vanschoenbeek, Mijnheer Emiel, de lotgevallen van een intellektueel in de arbeidersbeweging, 1988; 
id., 'Een heer in de arbeidersbeweging: Emiel Moyson (1838-1868), vlaamsgezind en vrijzinnig demokraat', in Raaklijnen, nr. 4 (1993), p. 36-40.

Auteur(s)

Guy Vanschoenbeek