Mortier, Firmin

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Antwerpen 27 juni 1899 – Antwerpen 26 juli 1972).

Liep school aan het Koninklijk Atheneum van Antwerpen, waar hij bevriend was met Herman van den Reeck. Gedurende de Eerste Wereldoorlog werkte Mortier onder de pseudoniemen van Fritz Mertens en Kamper mee aan het studentenblad De Goedendag, het weekblad Ons Land (voortzetting van Antwerpen Boven) en het activistische dagblad Het Vlaamsche Nieuws. Ook schreef hij gedichten in Vlaamsch Leven. Na de oorlog was hij actief in de Clarté-beweging en schreef hij van december 1919 tot april 1920 geregeld in De Internationale. In zijn artikelen pleitte hij voor de vrijlating van onder meer Antoon Jacob, Herman Vos, August Borms, Lode Craeybeckx en Jef van Extergem. De communisten hadden volgens hem de revolutionaire plicht "op de eerste rangen" van de V.B. te staan. In juni 1920 werd hijzelf voor zijn activistische artikelen opgepakt en veroordeeld tot zeven maanden opsluiting en 500 frank boete. Daarna week hij naar Duitsland uit waar hij meewerkte aan Die Republik van professor Nicolaï en aan Vorwärts. In Berlijn trok hij geregeld met Paul van Ostaijen op. Samen streefden ze ernaar in de avant-gardistische kunstenaarskringen sympathie te wekken voor de V.B. Zo schreef Mortier in Die Republik dat het activisme geen pan-Germaanse of een beperkt nationalistische beweging was, maar de weg naar het socialisme. Bij zijn terugkeer in 1921 sloot hij zich bij Het Vlaamsche Front aan en werd hij tot 1932 journalist bij het dagblad De Schelde. Zijn scherpe en polemische artikelen boden een welkome afwisseling voor de academische stukken van Herman Vos. Mortier trad ook dikwijls op als redenaar bij meetings, maar een politiek mandaat oefende hij nooit uit. Van 1930 tot 1933 was hij betrokken bij de uitgave van het halfmaandelijkse blad Internacia. In maart 1933 verliet hij Het Vlaamsche Front en trad hij toe tot de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Hij vond dat de godsvrede een lege doos was geworden en dat het Vlaams-nationalisme de fascistische toer opging. Van 1934 tot 1937 was hij journalist bij De Dag. Daarna werkte hij tot 1947 voor Volksgazet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ruilde hij doelbewust zijn journalistieke activiteiten in voor een baantje bij de Antwerpse ravitaillering. Na de oorlog nam hij de taak van toneelrecensent Lode Zielens in Volksgazet over en werd hij leraar in de literatuur aan de Academie voor Schone Kunsten en aan het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunde in Antwerpen. Op 27 mei 1947 werd hij benoemd tot directeur van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS) te Antwerpen. Bij gebrek aan praktische ervaring betekende dit voor Mortier een hele uitdaging. Hij stelde zich ten doel met een hoog artistiek niveau een breed publiek te trekken en hij was de bezieler van de honderste verjaardag van de KNS in 1953. Op het einde van zijn leven schreef hij een onvoltooide studie over het Vlaanderen van de 18de eeuw.

Werken

Wat is een liga-militant?, 1933; 
Een gaanderij van zeven slachtoffers. Politieke moorden ongestraft tijdens de Duitsche Bezetting bedreven door Rexisten en andere handlangers van de Nazi's, 1945.

Literatuur

G. Vanschoenbeek, 'Het gloeien van het morgenrood. De lokroep van het communisme anno 1920', in WT, jg. 55 (september 1996), p. 83-108 (colloquiumnummer Herman van den Reeck); 
G. Borgers, Paul van Ostaijen, een documentatie, 2 dln., 1996.

Auteur(s)

Emiel Willekens; Bernard van Causenbroeck