Mortelmans, Anna

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Borgerhout 17 januari 1893 – Schoten 8 augustus 1957). Echtgenote van Karel Fossey.

Toonde zich reeds tijdens haar studiejaren aan de Rijksnormaalschool te Brugge vrijzinnig en Vlaamsgezind. In augustus 1912 behaalde Mortelmans het diploma van onderwijzeres en twee jaar (maart 1914) later trad ze in dienst van het gemeentelijk onderwijs te Antwerpen waar haar vader adjunct-politiecommissaris was. Als lid van de Vlaamse meisjesstudiekring zou ze pas na rijp beraad kiezen voor het activisme. Zij werd voor Antwerpen wat Roza de Guchtenaere was voor Gent: een vrijzinnig, feministisch boegbeeld voor het activisme waarbij ze vooral op de pacifistische toer ging via het Verbond voor Wereldvrede. Zij stelde de creatie van een zelfstandig Vlaanderen voor als een voorwaarde tot een duurzame vrede. Zij was daarnaast actief in de Jeugdgemeente dat de jonge, vrijzinnige avant-garde vertegenwoordigde met mensen als Lode Craeybeckx, Firmin Mortier en Paul van Ostaijen. Zij voerde het woord op het jeugdcongres van 19 oktober 1918.

Na de Duitse aftocht werd Mortelmans op 25 november 1918 door het gemeentebestuur ontslagen wegens "wangedrag tijdens de bezetting". Reeds in maart 1919 zocht ze contact met de oude leiding om de Jeugdgemeente te doen verrijzen.

Op 4 november verscheen Mortelmans voor de correctionele rechtbank onder beschuldiging van het houden van een twintigtal Vlaams- en vredesgezinde voordrachten, het schrijven van een artikel in Het Vlaamsche Nieuws over de onrechtvaardige behandeling van de Vlaamse frontsoldaten, het na de wapenstilstand spreken op een vergadering, waarin tegen de herverfransing van Gent werd geprotesteerd. Ze verdedigde zichzelf en eiste de volle verantwoordelijkheid voor al haar woorden en daden. Ze kreeg vijf maanden voorwaardelijk. Haar memorie van toelichting werd in februari 1920 in brochurevorm uitgegeven met een aanvulling waarin ze pleitte voor amnestie en de nadruk legde op de volstrekte willekeur in de vonnissen over de activisten (repressie). Ze steunde met briefwisseling, lectuur, pakjes en bezoeken de opgesloten activisten.

Mortelmans trad al heel snel weer naar voren, onder meer via de Frontpartij en schreef bijdragen in De Ploeg. Met de Vlaamsche Meisjesstudiekring (Wij Willen), waarvan ze voorzitster geworden was, nam ze deel aan de dramatische 11 juli-betoging van 1920 op de Grote Markt te Antwerpen waar haar vriend Herman van den Reeck werd neergeschoten. Bij zijn uitvaart sprak ze een afscheidsgroet aan het graf. Op 9 december 1920 verloofde ze zich in de gevangenis te Leuven met Fossey en verzette hemel en aarde om hem vrij te krijgen. Ze organiseerde mee de grote amnestiebetoging van 16 januari 1921 en nam deel aan de tocht van meer dan honderd Vlaamse vrouwen naar het parlement om er een amnestiemanifest te overhandigen. Op 11 februari 1921 stichtte ze het Vrouwenfront. Op de amnestiemeeting van 15 maart sprak ze de historische woorden (in verband met de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen): "Op 11 juli moeten we de Leeuwenvlag laten wapperen op het stadhuis, opdat de vlek die erop kleeft, zij uitgewist." Mortelmans stond als kandidaat op de lijst van de Frontpartij net als mevrouw Constant Gillis, de ziel van het Martelaarsfonds. De jaren nadien zou zij zich verder bezighouden met vormingsactiviteiten voor de jeugd en met de amnestieactie. Op 2 juni 1923 trad ze in het huwelijk met Fossey. Mortelmans werd gemeenteraadslid (28 juli 1924), ter vervanging van Emiel Wildiers. Hendrik Picard vond in haar een ijverige medestandster bij het bepleiten van bestuurlijke amnestie voor de gestrafte gemeenteambtenaren. De eerste rehabilitaties volgden in maart 1925. Ook Mortelmans zou weldra opnieuw in dienst genomen worden (21 december 1925). Op 16 november 1925 nam ze ontslag als gemeenteraadslid. Toen in januari 1926 het weekblad De Ploeg vervangen werd door Ons Vaderland, werd ze opgenomen in de redactie, maar haar politieke bedrijvigheid werd beperkt door de eisen van haar beroep en gezin. Van een openbaar optreden zijn nauwelijks nog sporen te ontdekken. Van 1931-1937 was ze verbonden aan de Meisjesoefenschool. In 1937-1938 was zij directrice in de school in de Lamorinièrestraat en in januari 1943 kreeg ze de leiding van de oefenschool.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte Mortelmans – vooral via haar man – in de collaboratie verstrikt en nam in september 1944 met haar gezin de wijk naar Duitsland. Een tweede maal ontsloeg het gemeentebestuur haar, ditmaal wegens "gebrek aan burgertrouw". Gearresteerd op 28 augustus 1945, bracht ze een jaar in de gevangenis door. Er werd geen proces tegen haar aangespannen. Haar man zou pas op 26 juli 1950 vrijkomen.

Werken

Vlaanderen's herstel, voorwaarde tot een duurzame vrede (8 februari 1918); 
Memorie van toelichting aan de Heeren Rechters der Vierde Kamer van de Correctionele Rechtbank, hebbende te oordelen over de beschuldiging uitgesproken tegen Anna Mortelmans, door deze voorgedragen als pleidooi op 4 november 1919, 1920.

Literatuur

K. Angermille, De lotgevallen van een activist, 1914-1929, 1931; 
L. Vandeweyer, 'Herman Van den Reeck: pacifist in een gewelddadige beweging?', in WT, colloquiumnummer Herman van den Reeck, UFSIA 9 december 1995 (1996), p. 37-69.

Auteur(s)

Vic van den Berghe; Luc Vandeweyer