Morgenstar, De

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Brusselse toneelvereniging, opgericht in oktober 1850.

De oprichting van deze toneelvereniging kwam duidelijk tegemoet aan reële behoeften die zich toen in het Brusselse toneelleven lieten voelen. De vooraanstaande rederijkerskamer De Wijngaerd domineerde de Brusselse toneelwereld volledig en beperkte op die manier de kansen van heel wat toneelspelers, terwijl het vrij traditioneel gehouden repertoire kritiek ontlokte van de zijde van een aantal sociaal-progressief-denkende toneelliefhebbers en flaminganten. Een van hen, Emmanuel van Driessche, gaf de impuls tot de oprichting van De Morgenstar, die "eene maetschappij" moest worden, "die met eenen vooruitgaenden volksgeest bezield is, die hare werking over de burgerij uitstrekt en laat voelen, die in het vlaemsch een politiek, een volkselement ziet". De namen van de andere stichters – onder meer Domien Sleeckx, Désiré Delcroix, Lucien Jottrand, Armand de Perceval, Jacob Kats, Karel Ondereet en Emiel Lauwers – leiden tot de conclusie dat deze progressief- Vlaamse geest de vereniging inderdaad aanvankelijk moet bezield hebben. De opvoering van toneelstukken voor werklieden en de organisatie van openbare leergangen bevestigen deze veronderstelling eveneens. Spelers van De Morgenstar participeerden eind de jaren 1850 begin de jaren 1860 trouwens actief in volksopvoeringen, georganiseerd door de Générale ouvrière, een emanatie van het flamingantisch-democratische Vlamingen Vooruit en vormden daartoe het ad-hocgezelschap l'Espérance.

Amper opgericht verleende De Morgenstar in 1851 ook actieve steun aan de Vereenigde Tooneelliefhebbers, een initiatief van Felix vande Sande. Samen met vijf andere grote toneelkringen van Brussel werd De Morgenstar in 1858 lid van het Vlaemsch Tooneelverbond onder leiding van Van Driessche.

Dat het amateurtheater te Brussel niet alleen een grote rol speelde voor het voortbestaan van het Vlaams volkstheater, maar eveneens fungeerde als instrument bij uitstek om flamingantische acties te ondersteunen en dito ideeën te verspreiden, bewijzen onder andere de steun van De Morgenstar aan een petitie van het Centraal Comiteit van 1854 voor het gebruik van het Nederlands in het landbouwonderwijs, haar deelname aan een meeting van het Vlaamsch Verbond naar aanleiding van de zaak-Jacob Karsman in 1864, de participatie van haar leden in politiek-flamingantische organisaties.

De Morgenstar evolueerde vrij spoedig tot een toneelkring van aanzien, getuige de toestemming die ze reeds in 1863 verwierf om het predikaat 'Koninklijk' te voeren, het erevoorzitterschap dat de graaf van Vlaanderen aanvaardde en de succesvolle wedstrijden die ze van 1865 af organiseerde. Dit aanzien behield ze ook in de 20ste eeuw. Koning Albert I was haar hoge beschermheer. Ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag, die ze vierde onder het voorzitterschap van Hendrik Colassin – een man die de vereniging gedurende 35 jaar leidde – schreef ze niet alleen verscheidene wedstrijden uit, maar publiceerde ze ook het werk Het Vlaamsch Tooneel, samengesteld door Maurits Sabbe, Lode Monteyne en Hendrik Coopman. In 1945 werd ze gemachtigd als opvolgster op te treden van de Brusselse rederijkerskamer De Corenbloem, die in de loop der eeuwen verdwenen was. Onder deze naam is ze nog steeds actief.

Literatuur

M. Sabbe, L. Monteyne en H. Coopman, Het Vlaamsch Toneel inzonderheid in de XIXe eeuw, geschreven in opdracht van den Koninklijken toneelkring De Morgenstar van Brussel, 1927; 
A. Demol, 'Honderdjarig bestaan van De Morgenstar', in Het Laatste Nieuws (4 november 1950); 
E. Gubin, Bruxelles au XIXe siècle: berceau d'un flamingantisme démocratique (1840-1873), 1979.

Auteur(s)

Els Witte; Machteld de Metsenaere