Monteyne, Lode

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Antwerpen 21 juni 1886 – Antwerpen 12 november 1959).

Studeerde in Gent aan de lagere en middelbare normaalscholen, werd in 1905 onderwijzer en in 1907 geaggregeerd leerkracht voor het middelbaar onderwijs. Tot 1938 gaf Monteyne les aan de Middelbare Dagberoepsschool te Antwerpen. Daarna was hij tot 1952 professor in de geschiedenis van het toneel aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium te Antwerpen. Voor de Eerste Wereldoorlog publiceerde Monteyne enkele naturalistische romans, waarna Lode Baekelmans hem voorstelde om voor het tijdschrift Carolus toneelrecensies te schrijven. Tijdens de Eerste Wereldoorlog richtten beiden samen met Klaas van Oyen, Emiel Wildiers en Ary Delen het weekblad Het Tooneel op om de werkloze zetters van De Nieuwe Gazet te behoeden van deportatie naar Duitsland. Monteyne leidde Het Tooneel van 1923 tot 1940. Hij verdiepte zich in de geschiedenis van het toneel, wat onder meer het standaardwerk Het Vlaamsch Tooneel, inzonderheid in de XIXe eeuw opleverde (samen met Maurits Sabbe en Hendrik Coopman). Monteyne bleef toneelrecensies schrijven als redacteur van De Vlaamse Gids (1934-1940), De Nieuwe Gazet (1933-1937) en De Dag (1937-1942) en werkte mee aan talrijke bladen van diverse strekkingen (Het Vlaamsche Land (1919-1926), Nieuw Vlaanderen (1934-1944), Vooruit, De Schelde (1919-1936)). Als toneelkenner stond Monteyne symbool voor het streven naar more brains in het Vlaamse toneelleven. Zo pleitte hij voor een professionalisering van het theater. In februari 1940 werd de Federatie van Vlaamsche Kunstenaars opgericht, in januari 1941 omgevormd tot De Vlaamsche Kunstenaarsgilde. Monteyne was van beide organisaties bestuurslid. Van september 1942 tot juli 1943 was hij directeur van de Antwerpse Koninklijke Nederlandse Schouwburg, waarvoor hij na de oorlog door de repressie even werd lastiggevallen. Daarnaast schreef Monteyne enkele essays, onder meer over het Bretoense nationalisme en de familie Sabbe. Hij was vanaf 1935 lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde en vanaf 1940 lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. Gedurende zijn laatste levensjaren was hij zwaar ziek.

Werken

Romans en essays: De tweede lente van meneer Quistwater, 1914; 
Lode Baekelmans, een inleiding tot zijn werk, 1914; 
Charles de Coster. De Mensch en de Kunstenaar, 1917; 
Maurits Sabbe en zijn werk, 1920; 
Bretoensch Nationalisme en Bretoensche literatuur, 1920; 
De Sabbe's, 1934; Toneelstudies: Kritische bijdragen over tooneel, 1926; 
met M. Sabbe en H. Coopman, Het Vlaamsche tooneel, inzonderheid in de XIXe eeuw, 1927; 
Dr. J.O. de Gruyter als bestuurder van den Koninklijken Nederlandschen Schouwburg te Antwerpen, 1934; 
Een eeuw Vlaamsch tooneelleven, 1936; 
Over den huidigen toestand van ons Vlaamsch tooneelwezen, 1937; 
Drama en Tooneel door de tijden heen, 1949.

Auteur(s)

Bernard van Causenbroeck