Mars(en) op Brussel

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

naam voor twee flamingantische massabetogingen te Brussel (22 oktober 1961 en 14 oktober 1962), bedoeld om de in mei 1961 geïnstalleerde rooms-rode regering-Theo Lefèvre-Paul-Henri Spaak die de pacificatie van de taalproblematiek door aanpassing van de taalwetgeving (bestuurszaken, onderwijs, taalgrens) in haar regeringsverklaring had opgenomen, onder druk te zetten.

De organisatie van de Marsen was in handen van het Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en Taalgrens (VABT), dat 48 Vlaamse culturele verenigingen en drukkingsgroepen verenigde en waarin de Vlaamse Volksbeweging (VVB) zich ontpopte als de belangrijkste motor voor de organisatie van de marsen.

Het eisenpakket bestond uit de afschaffing van de talentellingen, de begrenzing van de Brusselse agglomeratie tot 19 gemeenten, de afschaffing van alle taalfaciliteiten in de Brusselse randgemeenten, de vastlegging van de taalgrens, de uitschakeling van alle uitingen van verfransing in Vlaanderen, de tweetaligheid van Brussel, de vernederlandsing van het bedrijfsleven in Vlaanderen, de eentaligheid in en splitsing van de centrale besturen en een zetelaanpassing in het parlement.

Geruggensteund door het succes van de "Geen Talentelling-dag" in 1959, overhandigde het VABT, na de verklaring van de regering-Lefèvre-Spaak (medio 1961), een memorandum aan de fractieleiders in het parlement, waarin voor oktober 1961 een betoging in Brussel werd aangekondigd.

Er werden een 750-tal plaatselijke actiecomités opgericht, die medewerking verkregen van de gemeentebesturen. Ook de Vlaamse katholieke kranten reageerden zeer positief. De VABT-druk op de Vlaamse Kamerleden en senatoren van de Christelijke Volkspartij (CVP) en de Volksunie (VU) sorteerde eveneens effect; zij verklaarden achter de concrete doeleinden van de betoging te staan. Een delegatie van vijftig CVP-parlementsleden onder leiding van Jos de Saeger alsook de de voltallige VU-fractie zou aan de betoging deelnemen. Er kwam ook steun van het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW). Ondanks het pluralistisch karakter van de VABT, kreeg de Mars geen officiële steun van de Belgische Socialistische Partij (BSP)en van de liberale partij. Het Willemsfonds zag af van officiële deelname maar liet zijn leden vrij. Dit gold niet voor het Liberaal Vlaams Verbond en het Vermeylenfonds.

De betoging ging door onder het motto "tegen verfransing en broodroof", wat de culturele en sociaal-economische eisen van de Vlamingen gebald samenvatte. De eerste Mars op Brussel op 22 oktober 1961 werd een groot succes. De verwachting van het VABT (25.000 betogers), werd ruimschoots overschreden. Volgens het VABT waren er 100.000 betogers, volgens de Rijkswacht 63.400. Geen enkele van de volgende Vlaamsgezinde betogingen in België heeft dit deelnemersaantal benaderd, laat staan overtroffen.

Dit Vlaamse machtsvertoon te Brussel toonde aan dat er daadwerkelijk rekening moest worden gehouden met de Vlaamse eisen. De betoging lag ook aan de basis van een groeiende Vlaamse bewustwording; het versterkte bij vele Vlamingen het vertrouwen in de V.B. De keerzijde was dat er een francofone tegenmobilisatie op gang kwam en dat bijgevolg de sfeer waarin de regering en het parlement dienden te werken de beoogde pacificatie sterk bemoeilijkte.

Na de aankondiging van een tweede Mars op Brussel vond een aantal voorvallen plaats die de gemoederen ophitsten . Allereerst weigerde de Brusselse burgemeester Cooremans aanvankelijk de toestemming voor de betoging te geven uit vrees voor rellen. Zowel het Mouvement populaire wallon als het Front de Défense de Bruxelles had een tegenbetoging aangekondigd. Andere incidenten in de aanloop naar de tweede Mars waren onder meer een bomaanslag op VAB-VTB-lokalen te Antwerpen (21 juli 1962) en enkele relletjes in de Voerstreek (tussen 10 en 15 augustus 1962).

Het VABT riep ook deze keer op tot eendracht onder de Vlamingen, maar dit lukte niet zo goed als bij de eerste Mars. De reden daarvoor was dat verschillende groepen de tweede Mars niet opportuun vonden en wezen op het gevaar van een te uitdagende politiek. Alle grote politieke partijen en de meeste sociale organisaties hielden zich dan ook afzijdig. Zowel de CVP als organisaties zoals het Liberaal Vlaams Verbond en het Vermeylenfonds namen in tegenstelling met de eerste Mars dan ook niet officieel aan deze tweede betoging deel, maar lieten hun leden wel vrij persoonlijk deel te nemen. De BSP veranderde haar standpunt niet en wees ook deze tweede Mars af.

Niettemin was de tweede Mars op Brussel op 14 oktober 1962 opnieuw een succes. Het VABT sprak van een verdubbeling van het aantal deelnemers, maar de Rijkswachtgegevens houden het bij 41.000, dit is minder dan de meer dan 60.000 van de eerste Mars. De incidenten waren ditmaal ernstiger. Langs de straten stonden tegenbetogers met bordjes "keer naar uw dorp", er werd Sieg Heil geroepen en de Hitlergroet gebracht. Aan de Beurs bekogelden honderden Franstalige tegenbetogers de betogers met allerlei projectielen. Terwijl de eerste Mars een verrassing voor iedereen was en een duidelijk teken naar de politici toe, noemde het VABT de tweede Mars een mokerslag ten overstaan van de twijfelaars en tegenstanders die aan de Vlaamse eisen wilden voorbijgaan.

Kort na deze tweede Mars werd het wetsontwerp betreffende de vastlegging van de taalgrens (31 oktober 1962) goedgekeurd. Eveneens in oktober trok de regering de bespreking van de taalontwerpen betreffende onderwijs en bestuurszaken naar zich toe. Het akkoord van Hertoginnedal op 5 juli 1963, dat een stelsel van de taalfaciliteiten in Voeren, enkele gemeenten met Duitstalige minderheden, Ronse, Komen-Moeskroen en de zes randgemeenten van Brussel invoerde, werd echter door de Vlaamsgezinde opinie ontvangen als een nederlaag. De aankondiging op 8 juli 1963 van een derde Mars op Brussel door het VABT, gebeurde dan ook in een woedeopwelling tegen de "volksverraders" van het conclaaf van Hertoginnedal.

In deze context vond binnen de V.B. en specifiek het VABT een radicalisering plaats, waarbij niet langer de nieuwe taalwetten, maar federalisme en economische structuurhervormingen als de nieuwe instrumenten voor Vlaamse ontvoogding werden gezien. Deze koersverandering ging gepaard met een ruk naar links, waarbij linkse flaminganten als Antoon Roosens en Staf Verrept binnen het VABT een meer sociaal progressief Vlaams programma naar voren brachten. Dit leidde tot een interne verdeeldheid, waarbij vele organisaties de nieuwe progressieve koers afwezen en vervolgens ook afhaakten; het Vermeylenfonds trok zich terug op 28 augustus 1963, al snel gevolgd door onder meer het Willemsfonds, de Oudledenbond van het Liberaal Vlaams Studentenverbond, het Verbond van het Vlaams Verzet, en het Vlaams Economisch Verbond. Vooral de katholieke Vlaamse pers viel de nieuwe VABT-richting aan en veroordeelde een derde Mars.

Omwille van deze problemen werd de derde Mars afgelast en vervangen door een betoging in Antwerpen op 10 november 1963. De betoging verliep onder het motto "voor een federaal België in een federaal Europa" en "voor grondige politieke en economische structuurhervormingen". Volgens de Rijkswacht bedroeg het aantal deelnemers 25.000 en de incidenten waren miniem. Na de manifestatie constateerden bijna alle kranten, de Vlaamse katholieke dagbladen inbegrepen, dat de betoging, die door hen vrijwel eenstemmig genegeerd en veroordeeld was, op het niveau van de participatie toch geslaagd was.

De twee Marsen op Brussel hadden een impact op zowel de Vlamingen als de Franstaligen. Als machtsargument hebben de Marsen ongetwijfeld de taalwetgeving van de regering-Lefèvre-Spaak bespoedigd. Het voornaamste resultaat was echter van morele en psychologische aard. Op vijf jaar tijd was het VABT erin geslaagd de V.B. te bevrijden van het diskrediet waarin zij door de collaboratie was gebracht. De Vlaamse massabetogingen betekenden een spectaculaire uiting van en een stimulans voor het Vlaams bewustzijn. De uitwerking van de Marsen werd door sommigen echter als negatief voor de Vlaamse positie in de hoofdstad beschouwd. De manifestaties in de hoofdstad sloegen in als een bom en gaven aanleiding tot de tegenmobilisatie van de francofonen. Politiek werd dit vertaald door onder meer de oprichting van het Front démocratique des Francophones (FDF). De tegenstellingen tussen Nederlandstalige en Franstalige politici verscherpten en de communautaire problematiek kreeg een belangrijke plaats op de politieke agenda.

Literatuur

M. Covell, 'Ethnic Conflict and Elite Bargaining: the Case of Belgium', in West European Politics (oktober 1981); 
J. Smits, Inventaris van de betogingen in België (1960-1974), 1982; 
id., Democratie op straat, 1984; 
L. Haagdorens, 'De mobilisatie van het Vlaams Actiecomité voor Brussel en Taalgrens voor de marsen op Brussel (1959-1963)', in Taal en Sociale Integratie, nr. 8 (1986), p. 85-183.

Verwijzingen

zie: bedrijfsleven, Belgisch nationalisme, wetenschapsbeoefening.

Auteur(s)

Lize Haagdorens; Nico Wouters