Ligue de l'Enseignement

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

vereniging, gesticht op 26 december 1864 te Brussel vanuit de progessieve kringen van de Brusselse vrijmetselarij en de vrijdenkersbond Libre- Pensée.

Doel was de bevordering en verbetering van het volksonderwijs en de instelling en verdediging van een officieel, 'neutraal' onderwijsnet. De stichters van de Ligue vonden voor de oprichting hun inspiratie bij een gelijkaardige organisatie, de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Bovengenoemde basisdoeleinden bleven ook na diverse statutenveranderingen en reorganisaties dezelfde.

De vereniging bestond in 1864 uit evenveel Franstalige als Nederlandstalige vertegenwoordigers en steunde expliciet de Vlaamse taalgrieven inzake onderwijs. Wat het lager onderwijs betreft eiste zij principieel onderricht in de moedertaal tijdens de eerste drie jaar en tweetaligheid vanaf het vierde jaar. Dit standpunt was niet zozeer ingegeven door culturele, maar door politieke motieven. De in de Ligue actieve jonge progressieve liberalen zagen het onderwijs immers als een belangrijk instrument voor de opvoeding en ontvoogding van het Vlaamse volk, dat zich aan de katholieke greep moest onttrekken.

In de algemene raad van de Ligue zetelden verschillende flaminganten, allemaal oud-leden van Vlamingen Vooruit: Karel Buls, Raymond Dedeyn, F. van Meenen, Frans de Cort, Michiel van der Voort, Eugène van Bemmel en Charles Potvin. Er werden 5 secties opgericht: lager onderwijs, middelbaar en hoger onderwijs, beroeps- en technisch onderwijs, meisjesonderwijs en ten slotte de vijfde sectie onder leiding van Van der Voort over de Vlaamse taalbelangen. Secretarissen van de diverse secties waren onder meer de Vlaamsgezinden Jan van Droogenbroeck, Alfons Willems, Geeraard-Jan Dodd en Emanuel Hiel.

Met veel energie en enthousiasme stak Van der Voort met de vijfde sectie van wal (25 juni 1865), maar reeds in september 1866 nam hij ontslag uit protest tegen het gebrek aan belangstelling. Ook verscheidene andere leden zoals Jacob F. Heremans, Bauduin en De Cort trokken zich terug. Terwijl de plaatselijke afdelingen in het Franstalige landsgedeelte veel dynamisme aan de dag legden, kon de Ligue in Vlaanderen nauwelijks voet aan de grond krijgen. Mogelijke oorzaken waren het Vlaamse provincialisme en het feit dat in Vlaanderen reeds een netwerk van literaire en culturele verenigingen aanwezig was. Voorts konden de laïciseringsplannen voor het onderwijs en de antiklerikale ideeën van de Ligue op weinig sympathie rekenen in het katholieke Vlaanderen. Ook inzake de bescherming van de onderwijzers, een tweede aspect van de activiteiten van de Ligue, moest de vereniging het in Vlaanderen afleggen tegen de sterk ingeplante, apolitieke Onderwijzersbond.

Een op 25 december 1871 bijeengeroepen algemene vergadering van Vlaamse leden kon het tij niet doen keren. Na 1871 werd het dan ook duidelijk dat de Ligue zich niet meer toelegde op activiteiten in Vlaanderen, maar zich concentreerde op Brussel, waar de taalprincipes zoals de Ligue die voorstond werden toegepast in haar Modelschool. Deze school richtte op 17 september 1877 met steun van het Brusselse Willemsfonds een Vlaamse klas in met een dertigtal leerlingen, onderwezen door de Nederlander Van Kalken. Het initiatief had een voorbeeldfunctie voor de latere inrichting van Vlaamse klassen in Brusselse scholen vanaf 1879.

Na 1885 volgde een lange periode van inactiviteit, waaraan een einde kwam toen de Ligue in 1905 werd gereorganiseerd en Buls als nieuwe voorzitter werd aangesteld. Naast de eis van leerplicht en de verdediging van het officiële onderwijsnet, stonden ook de taaleisen opnieuw op de agenda. De Ligue nam de visie van voorzitter Buls over; het behoud van een tweetalig België als uitdrukking van het nationale karakter van het land. Anders dan vroeger richtte de Ligue zich nu hoofdzakelijk op de vorming van de nieuwe Vlaamse socio- economische elite, als instrument in de strijd van deze elite om de verwerving van politieke macht. Ook trachtte men de banden met het Willemsfonds nauwer aan te halen, waarbij de Ligue zich ertoe verbond de Franstaligen op de hoogte te houden van Vlaamse activiteiten.

Na de Eerste Wereldoorlog bleef de Ligue ondanks de veranderde context aanvankelijk het oude idee van een tweetalig België verdedigen, maar vanaf 1928 besprak men de op handen zijnde nieuwe taalwetgeving inzake het onderwijs. Om interne ruzies en breuken te vermijden besloot men zich terug te trekken uit het ideologische debat, afstand te nemen van de V.B. en de taaldiscussies strikt te beperken tot die aspecten die het officiel onderwijs aanbelangden. De Ligue stelde zich nu op het gekende liberale standpunt: de taalkeuze is een vrije beslissing van het gezinshoofd. De nieuwe taalwetgeving op het lager en middelbaar onderwijs van 14 juli 1932 (waarin het principe streektaal = voertaal voorrang kreeg op de vrije keuze van het gezinshoofd) betekende dan ook een nederlaag voor de vereniging.

Ondanks het feit dat de Ligue daarna bleef proberen de banden met Vlaanderen te behouden (bijvoorbeeld door in 1937 een aparte Vlaamse versie van het tijdschrift Bulletin uit te geven), verminderde de toch al geringe invloed van de Ligue in Vlaanderen na 1935 nog meer. Dit werd heel manifest toen Honoré Houvenaghel, een van de belangrijkste Vlaamse krachten binnen de Ligue, zich in april 1939 van de Ligue afscheurde met een aparte Vlaamse federatie. Hoewel er reeds snel middels enkele toegevingen vanwege de Ligue een verzoening plaatshad (Houvenaghel werd vice-president van de Ligue op 14 mei 1939), maakte de Tweede Wereldoorlog een einde aan de nieuwe Vlaamse initiatieven die de Ligue voorbereidde.

Na 1945 werd een samenwerking georganiseerd met het Algemeen Vlaams Verbond tot Bevordering van het Officiële Onderwijs (AVBO), gaf de Ligue tussen 1947 en 1954 een Nederlandstalige versie uit van het tijdschrift Bulletin en bleef ze ook andere propaganda steeds in de twee talen verspreiden. De evolutie die zich binnen de Ligue reeds in de jaren 1930 had afgetekend zette zich echter door; de organisatie mengde zich in de naoorlogse periode niet in de communautaire debatten maar beperkte haar activiteiten tot de strijd om het behoud van het officiel onderwijs in Vlaanderen (schoolstrijd). Het Franstalige profiel van de Ligue werd zo versterkt en het was tekenend voor de organisatie dat tijdens de vieringen van het honderdjarige bestaan (1964) geen enkele allusie gemaakt werd op de oorspronkelijke Vlaamsgezinde standpunten, noch op de Vlaamsgezindheid van velen van de oorspronkelijke stichters.

Literatuur

L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, I, 1977; 
E. Gubin, Bruxelles au XIXe siècle: berceau d'un flamingantisme démocratique (1840 - 1873), 1979; 
Histoire de la Ligue de l'Enseignement et de l'Education Permanente 1864-1989, 1990

Auteur(s)

Nico Wouters