Liberale partij

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Periode 1830-1914

Omdat het liberalisme tot nu toe niet het onderwerp is geweest van een gedetailleerde studie over de partijpolitieke aspecten, kon uit de bestaande literatuur slechts een oppervlakkige en gebrekkige synthese worden gedistilleerd van de rol die de liberale partij in de Beweging heeft gespeeld.

V.B. en partijpolitiek

Een onderzoek naar de relatie tussen de V.B. en één bepaalde partij moet eerst onderzoeken hoe de verhouding tussen de Beweging en het Belgische partijstelsel er in het algemeen uitzag en wat haar evolutie was.

In die evolutiecurve kan men een duidelijke lijn ontdekken. De eerste periode, die de jaren 1830 en 1840 beslaat, werd gekenmerkt door een bijna apathische houding van de Vlaamsgezinden ten opzichte van de bestaande politieke bewegingen van klerikalen en antiklerikalen. De Beweging bezat een zuivere taal- en letterkundige inslag, negeerde de politieke organisaties en miskende hun mogelijkheden. Zij was nog weinig aangetast door de tegenstelling katholiek-liberaal. Met andere woorden: de Vlaamse strijd werd apolitiek beleefd. In het midden van de jaren 1840 kwam hier langzamerhand verandering in. De Beweging kwam tot het inzicht dat er aan de taalrevendicaties een politiek aspect zat, dat er via parlementaire actie iets kon worden bereikt, maar dat ze zich daartoe moest kunnen ontplooien tot een politieke macht. Dit was enkel mogelijk via politieke organisatie, dus via het partijenstelsel. Het beproeven van deze tweede en nieuwe weg ging met tal van experimenten gepaard. Het was een periode van zoeken naar de meest efficiënte vorm. Er werden pogingen ondernomen om tot een derde partij te komen; een zelfstandige organisatie los van de twee bestaande partijapparaten. Ook werd geprobeerd onpartijdige drukkingsgroepen op te richten die hun invloed trachtten te verkopen aan de meestbiedende van de twee partijen. Deze pogingen kenden over het algemeen weinig succes, temeer daar de spanningen tussen klerikale en antiklerikale Vlaamsgezinden steeds duidelijker aan de oppervlakte kwamen en de verbroedering langzaam uiteenviel. Weliswaar gebeurde dit niet overal even snel en was de verwijdering in deze periode niet overal even definitief, maar toch verscheen na verloop van tijd overal hetzelfde patroon. In de jaren 1860 leek de V.B. dan ook haar uiteindelijke houding te hebben bepaald. Deze keuze werd overigens gedicteerd door de omstandigheden. Dat de Beweging bij het cijnskiesstelsel, waarin de Franstaligen de overgrote meerderheid uitmaakten, geen schijn van kans had als zelfstandige partij hadden de flaminganten ondertussen al geconstateerd. Zij beschikten immers niet over de nodige aanhang. Bovendien was de polarisatie rond de tegenstelling klerikaal-antiklerikaal ondertussen zo ver doorgedreven dat ook de V.B. zich er niet langer aan kon onttrekken. Haar ideologie – voor zover we van ideologie kunnen spreken – was onvoldoende sterk om de bestaande antithese te kunnen overbruggen en te verdringen. Een gezamenlijke actie bleek dus onuitvoerbaar, maar afzonderlijke actie binnen elke partij opende wel enige perspectieven. In de tweede helft van de negentiende eeuw immers was de strijd tussen katholieken en liberalen op zijn hoogtepunt: elke stem telde, dus ook de Vlaamse partijstem. Bovendien bestond er een tweepartijenstelsel en konden de Vlaamse taaleisen als oppositiewapen gehanteerd worden. Kortom, er was een tactiek waarmee eventueel concessies konden worden afgedwongen en die dus te beproeven viel. Dit werd voortaan dan ook de politiek van de flaminganten, die zowel door de katholieken als door de liberalen met evenveel ijver beoefend werd.

Liberale partij en V.B.

Een gemakkelijke taak hadden de Vlaamsgezinde liberalen op die manier niet op zich genomen. Ze kregen immers af te rekenen met een partij die volledig gedomineerd werd door Franstaligen. Het kiezerskorps van de liberalen bevond zich toen in hoofdzaak in het economisch sterkere Wallonië, terwijl de verfranste burgerij van enkele Vlaamse steden voor de overige zetels zorgde. Rond de opvatting van beide groepen ten opzichte van het Vlaamse probleem waren er echter vrijwel geen wanklanken te horen. Ze waren het erover eens dat het 'Vlaams' slechts de status van dialect kon bezitten en als zodanig mocht worden gebruikt. Maar het 'Vlaams' opdringen als taal van het onderwijs en van de cultuur was in hun ogen eenvoudig absurd. Het Frans daarentegen was de taal van de beschaving en van het liberalisme. Vlaanderen verfransen betekende dus tegelijkertijd Vlaanderen toegankelijk maken voor de liberale ideeën. Bovendien was het duidelijk dat de Vlaamsgezinde liberalen via het verfransingsproces van Vlaanderen hun eigen machtsposities wilden stabiliseren en uitbreiden. Want machtsposities waren er door de liberale Franstaligen in het negentiende-eeuwse België inderdaad te verdedigen. Niet alleen bevonden Brussel en de meeste grote steden van Wallonië zich in liberale handen, maar ook in Vlaanderen telde de verfranste liberale bourgeoisie verscheidene stedelijke bastions. Ook in het parlement was de situatie overduidelijk. De antiklerikalen vormden er van 1847 tot 1884 verscheidene malen de meerderheid. Tegen het eind van de eeuw ging het bergafwaarts; de slag die het algemeen meervoudig stemrecht hun in 1894 toebracht kwamen ze nooit meer helemaal te boven. Maar dit gebeurde pas zeer laat en doet dus weinig afbreuk aan de bewering dat de Waalse en verfranste liberale burgerij tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw de macht stevig in handen had. Het aandeel van de Franssprekende Vlamingen in deze machtspositie was overigens uitermate gering. Waalse mandatarissen maakten de overgrote meerderheid uit. Het meerderheidskiesstelsel was in Vlaanderen nadelig voor de liberalen. In de periode 1871-1878 zetelden slechts twee liberalen uit Vlaanderen in het parlement en na de verkiezingen van 1886 verdwenen deze helemaal uit de Kamer.

Het kan dus nauwelijks verbazen dat de liberale partij van de negentiende eeuw een anti-Vlaamse stempel droeg. De leiders waren Walen, de partij als machtssysteem was Waals. Al varieerde haar houding tegenover de Vlaamse eisen, aan de grondslag lag telkens weer het antiflamingantisme. Onverschilligheid, stelselmatige moedwil, sarrend en tergend optreden, electorale schijnmanoeuvres, een tot niets verplichtende tegemoetkomende houding, het waren stuk voor stuk varianten op eenzelfde Vlaamsvijandig thema. Dit milieu was weinig aantrekkelijk om er als Vlaming een machtspositie in uit te bouwen. En toch is het die inspanning die de liberale flaminganten in de tweede helft van de negentiende eeuw geleverd hebben.

Het Vlaams liberalisme

Wie waren ze, deze Vlaamsgezinde liberalen? Sociaal bekeken kwamen ze natuurlijk uit hetzelfde milieu als alle andere flaminganten. Ze kwamen dus zeker niet uit de leidende economische kringen, maar wel uit het meer intellectuele milieu van letterkundigen, journalisten, ambtenaren, leraren en professoren. Al woonden bekende liberale Vlaamsgezinden als Julius Vuylsteke, Alfons Prayon-van Zuylen, Max Rooses, Arthur Cornette, Jacob F. Heremans, Julius de Vigne, Willem Rogghé, Jan van Rijswijck, Julius de Geyter, Nikolaas J. Cupérus en Julius Sabbe in Vlaamse steden als Gent, Antwerpen en Brugge, toch mag ook het aandeel van de Brusselse flaminganten niet worden onderschat. De verfranste hoofdstad telde ook heel wat actieve Vlaamsgezinde liberalen, zoals Julius Hoste (sr.), Karel Buls, Eugène van Bemmel en Léon Vanderkindere. Qua politieke opvattingen trof men in hun groep verscheidene nuances aan. Zo bevonden zich onder hen de oude antiklerikale orangisten (orangisme), die in de V.B. de voortzetting van hun orangistische strijd zagen. Iemand als de Gentenaar Karel Vervier is daar een voorbeeld van. Maar het sprak vanzelf dat het recht op zelfbestaan ook bij deze Vlaamse liberalen de determinerende en dominerende rol speelde in hun ideeënwereld. Die eis bezat in hun ogen echter een essentieel liberaal karakter. Wilde de liberale partij haar naam waardig zijn, dan moest ze de V.B. tot de hare maken. Met behulp van de moedertaal zou Vlaanderen immers bevrijd worden van de klerikale druk. Een stelling die zeker niet onbelangrijk was in haar consequenties: ze verschafte aan de V.B. tal van aanhangers voor wie het antiklerikalisme primeerde en die om die reden gingen sympathiseren met het flamingantisme. In de Brusselse milieus bijvoorbeeld deed deze visie heel wat opgeld. Bovendien moet ook de groep Vlaamsgezinden worden vermeld voor wie de Vlaamse strijd een sociale ontvoogdingsstrijd was. Zij stelden zich bijgevolg aan de uiterste linkerzijde van de liberale partij op. Verscheidene flaminganten hoorden dan ook thuis in het kamp der 'avancés', terwijl ze anderzijds ook op heel wat sympathie konden rekenen vanwege hun Franstalige geloofsgenoten. Dit verklaart tevens het geflirt van het Gentse, Brusselse en Antwerpse 'jeune libéralisme' met de V.B.

Het Vlaams liberalisme ten opzichte van de liberale partij voor 1900

Met deze laatste opmerkingen raken we bovendien de kern van de tactiek die de liberale Vlaamsgezinden toepasten. Hun doel was zowel binnen als buiten de partij zoveel mogelijk aanhangers en sympathisanten te winnen om een goed functionerende drukkingsgroep te kunnen vormen binnen de partijstructuren. Op die manier zouden zij hun eisen aan hun Franstalige partijgenoten kunnen opdringen. De argumenten terzake ontbraken niet. De identificatie liberalisme-flamingantisme verschafte immers een aantal voortreffelijke mogelijkheden tot propaganda. De Vlaamse rechtseisen konden de Waalse liberalen als eigen partijbelang worden voorgesteld. Moest de V.B. immers niet dienen om Vlaanderen liberaal te maken? Een typisch voorbeeld: deze argumentatie stelde hen in staat de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs te bestempelen als "de enig waarlijk krachtdadige maatregel die ooit in België is genomen tot verbreiding der liberale denkbeelden". De onverbrekelijke eenheid tussen Vlaams-zijn en liberaal-zijn gaf bovendien ook stof voor dreigementen. Kon immers het schrikbeeld van een totaal verpaapst Vlaanderen niet worden opgeroepen, een toestand waarvoor de anti-Vlaamse houding van de liberale partij verantwoordelijk zou worden gesteld?

De Franstalige partijgenoten zouden hun eigen partij dus een slechte dienst bewijzen, het vertrouwen in de leiders aantasten en het electoraal succes in gevaar brengen. Bovendien zouden de katholieken met de eer gaan strijken. Kortom, via het uitspelen van de tegenstelling liberaal-katholiek probeerden de liberale flaminganten een machtspositie te verwerven in het liberale kamp. Wat kwam er nu terecht van hun pogingen tot vorming van een drukkingsgroep? Hun actie buiten het partijapparaat had natuurlijk ten doel het binnendringen in de partij voor te bereiden en te vergemakkelijken. Deze actie werd duidelijk op twee terreinen: via de pers richtten de flaminganten zich tot de publieke opinie en via het ageren in Vlaamsgezinde verenigingen trachtte men een partij in de partij te vormen. Omdat men de grote werfkracht van de pers kende, streefde men naar de verbreiding van Vlaamse liberale bladen in de grote centra. Gent zag van 1867 af Het Volksbelang verschijnen, met Julius Vuylsteke en later Paul Fredericq als hoofdredacteur. In Antwerpen was van 1863 af De Koophandel het orgaan van de Vlaamse vrijzinnigen. In 1897 werd dit hervormd tot De Nieuwe Gazet. De Brusselse liberale flaminganten hadden van 1869 af De Zweep als spreekbuis, terwijl Brugge eerst het maandblad De Halletoren bezat, tot Julius Sabbe in 1880 startte met de Brugsche Beiaard. Wat actie via verenigingen betreft moet in de eerste plaats gewezen worden op de rol van de liberale studentengenootschappen. Zo vormde het Gentse 't Zal wel gaan de kweekplaats voor de Vlaamsgezinde liberalen die na hun studententijd actief werden in de culturele organisaties waaronder het Willemsfonds. Sinds Vuylstekes machtsgreep in 1862 was dit de flamingantenorganisatie der liberalen bij uitstek, die in de diverse steden actief meehielp aan het ondergraven van de verfranste liberale Associaties. Later vervulde de Geuzenbond in Antwerpen vrijwel dezelfde rol terwijl Vlamingen Vooruit en De Veldbloem de doorbraakpogingen van de Brusselse liberale Vlaamsgezinden trachtten te realiseren. Maar ook de invloed van de vrijmetselarij mag hier geenszins uit het oog verloren worden. Zij vormde immers de drijvende kracht in de liberale partij. Ook vanuit de loges reageerden de Vlaamsgezinden. Niet alleen werd er in die periode ernstig gediscussieerd over het Vlaamse probleem, maar de Brusselse loge Les Amis Philanthropes leverde omstreeks 1876 een zeer positieve bijdrage ten voordele van de vernederlandsing van het Brussels lager onderwijs, terwijl de vrijmetselarij van 1890 af een Vlaams spreekgestoelte bezat in de om die reden gestichte Antwerpse werkplaats Marnix van St.-Aldegonde.

De bestorming van die verfranste bastions werd door één omstandigheid vergemakkelijkt, namelijk door de structuur van het liberale partijapparaat. Ten eerste kende de partij geen sterke nationale centralisatie, maar was ze opgebouwd uit organisatorisch van elkaar gescheiden partijbouwsels met een tamelijk ruime autonomie van de regionale en lokale kiesverenigingen, met het gevolg dat een actie op lokaal vlak reeds voldoende was om zich in het geheel te kunnen inkapselen. Ten tweede heerste er in die lokale organisaties een vrij los systeem van subcomités en centrale bestuurscomités, waardoor minderheden in de partij de kans werd geboden om via die subcomités tot machtsontplooiing te komen. Ze kregen in principe inspraak bij de lijstsamenstelling en hun afgevaardigden mochten in het centrale comité zitting hebben. Voor Vlaamse drukkingsgroepen was er dus, theoretisch althans, een plaats in de partij, zonder dat het daarom in de richting van een scheuring hoefde te gaan.

Uit hetgeen we tevoren reeds opmerkten met betrekking tot de breuk die zich in de samenwerking tussen katholieke en liberale flaminganten voltrok volgt natuurlijk dat de Vlaams-liberale drukkingsgroepen hun ontstaan te danken hadden aan de afsplitsingsneigingen die zich in het eenheidsfront in de jaren 1860 voordeden. Drijvende kracht van die onderneming was de Gentse leidersfiguur Julius Vuylsteke. Gent gaf dan ook het voorbeeld. Reeds in 1861 viel er een afzonderlijke actie te bespeuren in de liberale rijen van het pluralistisch opgevatte Vlaemsch Verbond. Enige tijd daarna trad in het Vlaemsch Verbond een Vlaamsch Liberaal Komiteit op. In juni 1866 werd de samenwerking met de Gentse katholieken definitief opgeheven. Het Komiteit werd ontbonden en in 1867 vervangen door de Vlaamsche Liberale Vereeniging. Dit was een kiesvereniging die onder de vleugels van de Associatie werd geplaatst.

Antwerpen kende ongeveer dezelfde evolutie. In 1864 waren er de eerste tekenen van een liberaal wantrouwen ten aanzien van de gemengde Meetingpartij en toen in mei 1866 ook Julius de Geyter besloot om zich uit die beweging terug te trekken, was het hek van de dam. Hij volgde Vuylstekes voorbeeld en stichtte de Liberale Vlaamsche Bond. Vanaf dan had ook Antwerpen een sterke drukkingsgroep in de schoot van de door de Meeting min of meer murw gemaakte Associatie. In Brussel werd pas in 1877 door De Veldbloem een liberaal-Vlaamse bond opgericht. Twee jaar later drongen zijn leden door tot de Associatie waar ze samen met de progressieven oppositie voerden tegen de anti-Vlaamse doctrinairen, tot er in 1885 opnieuw een Liberale Vlaamsche Bond van het arrondissement Brussel verscheen. Over zijn actie is tot nu toe nog weinig bekend. In Brugge ten slotte gingen de voormannen van de Vlaamse cultuurverenigingen in november 1878 over tot de stichting van een Bond die onmiddellijk aan het werk ging om de machtspositie van de verfranste liberale Associatie te ondergraven.

Maar naast deze pogingen om politieke macht op lokaal vlak te verkrijgen, moet ook gewezen worden op de actie die in samenwerkend verband en op nationaal niveau plaatsvond. Zo werd reeds in 1861 de volksvertegenwoordiger Alfons VandenPeereboom door het Gentse liberale comité op de vingers getikt omwille van zijn dubbelzinnige houding in de Kamer. In 1868 stuurde de Vlaamsche Liberale Vereeniging van Gent een petitie aan de Senaat met betrekking tot het gebruik van het Nederlands bij het rechtswezen. In datzelfde jaar zette de Antwerpse bond de Franse Associaties van de andere steden aan tot flamingantisme. De gezamenlijke actie van de verschillende bonden bleek in 1878, toen deze een adres stuurden aan hun Waalse partijgenoten-parlementsleden om hen te bewegen een minder anti-Vlaamse houding aan te nemen. En toen in 1884 bleek dat er geen liberale Vlamingen meer zitting hadden, stichtten de Vlaamse leiders in januari 1885 het Verbond van Vlaamsche liberale Vereenigingen, dat onmiddellijk protest aantekende tegen de anti-Vlaamse verkiezingscampagne die de partij had gevoerd. Eenzelfde scherpe aanklacht tegen het partijbeleid sprak het Verbond uit, toen de wet-Edward Coremans-Juliaan de Vriendt verminkt werd.

Het Vlaams liberalisme in 1900

In de jaren onmiddellijk na de eeuwwisseling kende het Vlaams-liberale kiesverenigingsleven plotseling een bloeiperiode. Met de invoering van de evenredige vertegenwoordiging werd de partij in Vlaanderen nieuw leven ingeblazen. Oude organisaties kregen een nieuwe dosis levenskracht, verenigingen die op het eind van de eeuw op een dood spoor terecht waren gekomen, doken nu weer op en ten slotte deden nieuwe organisaties zich gelden. Deze tendens werd bovendien in de hand gewerkt door de vooruitgang die de V.B. in het algemeen in deze vooroorlogse periode beleefde. In Gent werd dan ook in 1907 de Liberale Volksbond opgericht, de Brusselse liberale Vlamingen stichtten twee jaar later eveneens een Liberale Volksbond, terwijl de Antwerpse Liberale Vlaamsche Bond en de liberaal-progressistische vereniging Help U Zelve eveneens in die jaren aan kracht wonnen. Uit deze periode dateert dan ook het bekende, overkoepelende orgaan het Liberaal Vlaams Verbond (1913), een organisatie die spoedig haar sporen als drukkingsgroep in de partij wist te verdienen.

Balans van de verhouding Liberale Partij-Vlaams liberalisme

Welk resultaat leverde de interactie tussen die Vlaams-liberale drukkingsgroepen aan de ene kant en de verfranste liberale partijleiding aan de andere kant op? Het resultaat is geenszins in verhouding tot de enorme krachtsinspanning die de Vlaamsgezinde liberalen in de periode voor 1914 presteerden. Julius Vuylstekes plan – de verovering van de liberale partij van binnenuit – bleef een fictie. De bonden slaagden er niet in de anti-Vlaamse situatie om te buigen. De partijleiding bleef Frans en verkoos verder de draagster te zijn van het Belgisch nationalisme, dat het 'Vlaams' enkel als regionaal verschijnsel accepteerde. En ook de franskiljonse Vlamingen konden de bonden niet voor het Vlaams-liberale standpunt winnen. De vernederlandsing van de burgerij bleef vooralsnog een utopie, terwijl de strijd tegen het 'establishment' in Brussel al evenmin tot tastbare resultaten of mentaliteitswijzigingen leidde. De leiders, en dus ook de liberale ministers, bleven een anti-Vlaamse koers volgen. Meer zelfs, wilde een Vlaamsvoelende liberaal in die periode minister worden, dan was hij genoodzaakt verraad te plegen aan zijn principe. Zo verloochende de Gentenaar Gustave Rolin-Jaequemyns zijn Vlaamse overtuiging toen hij in het bezit kwam van een portefeuille, en betitelde Alfons Vandenpeereboom de Vlaamse eisen achteraf pour le besoin de la cause als utopisch!

Hoe is nu dit falen te verklaren? Waardoor mislukte de greep naar de macht? We menen dat de oorzaken hoofdzakelijk de drie volgende zijn. In de eerste plaats is er de kwestie van de aanhang. Het belang van de Vlaamse vleugel in de partij was zeker niet van kwantitatieve aard; het katholieke Vlaanderen bleef een onaantrekkelijk electoraal terrein voor de in meerderheid liberale Franstalige gewesten en van die situatie ondervonden de Vlaamse liberalen onwillekeurig de weerslag. Maar in de tweede plaats speelde ook hun positie binnen de partij hun parten. Voortdurend werden ze door hun Franstalige partijgenoten voor de keus gesteld tussen hun plicht als partijlid en hun plicht als Vlaming. Het brandmerk van partijverrader kregen ze immers gauw, en waar stonden ze dan? Het zou hun het verlies kosten van alle invloed en alle hoop ontnemen op vooruitgang in de partij. Dus kozen ze meestal de veiligste weg en dolven op die manier het onderspit. Het partijsysteem zelf ten slotte vormde de derde oorzaak. De Associaties lieten in principe wel toe dat er via subcomités drukkingsgroepen aan het werk gingen, maar ze waakten er zorgvuldig over dat die minderheden zo weinig mogelijk aan bod konden komen. De uiteindelijke poll verliep immers niet volgens het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging; over de definitieve kandidatenlijst besliste de meerderheid. En trouwens, zelfs indien het gevaar van doorbraak in de poll opdoemde, dan nog konden er allerlei tactieken worden toegepast om dat gevaar af te wenden. Dat er in dit verband bedenkelijke praktijken ten nadele van de Vlaamsgezinde kandidaten werden gebruikt hoeft niet te verwonderen. Zo liet men in de poll voor de Gentse verkiezingen van 1872 geautografeerde stembriefjes circuleren waarop de Vlamingen waren geweerd, ondanks het feit dat ze op de voorlopige lijst voorkwamen. In Brussel zette men in november 1873 zelfs een hele omkoopactie op touw, zodat de Vlaming Florimond Kops sneuvelde; in 1892 slaagden de Franstaligen erin Max Rooses via valse beschuldigingen van de Antwerpse kandidatenlijst te houden, terwijl Jozef-Frederik Vercoullie in 1907 het slachtoffer werd van de machinaties van de Gentse franskiljons. Alle middelen waren goed om het Vlaamse opdringen in te dijken.

Rekening houdend met al deze omstandigheden mag men het dan ook verbazingwekkend noemen dat de liberale Vlaamsgezinden toch nog enkele positieve resultaten hebben geboekt. Hun actie op parlementair vlak bijvoorbeeld was uitermate representatief voor de energie waarmee ze te werk gingen. Want is het niet opmerkelijk dat, ondanks de numeriek zwakke positie die ze in het algemeen in de Kamers innam, de liberale partij toch enkele zeer fervente Vlaamse leidersfiguren in het parlement heeft gekend? Gent stuurde reeds in 1867 August de Maere naar Brussel. De Maere had het lef om tegen het liberale ministerie te stemmen. In 1878 nam de lange parlementaire loopbaan van de Gentse voorvechter van de vernederlandsing van het middelbaar onderwijs, Julius de Vigne, een aanvang. In Antwerpen lukte onder meer de doorbraak van de belangrijke leidersfiguur Jan van Rijswijck, die in 1906 werd opgevolgd door Louis Franck, een belangrijke naam in de annalen van de vernederlandsing van de Gentse universiteit. De Brusselse liberale Vlamingen ten slotte konden eveneens bogen op enkele belangrijke afgevaardigden, van wie Léon Vanderkindere en Karel Buls wel de voornaamsten waren.

Op lokaal vlak hadden de Vlaamsgezinde liberalen in veel mindere mate af te rekenen met de algemene constellatie van de partij en konden ze er dus meer gewicht in de schaal leggen. In de stedelijke besturen heeft de strijd tegen de Franstaligen dan ook het grootste succes gehad. In Antwerpen kregen de liberalen tegen het eind van de eeuw zelfs de bovenhand in de Associatie. De Meetingpartij had er het terrein grondig voorbereid, maar in 1887 stuurden de Vlaamsgezinde liberalen verscheidene mandatarissen naar het stadhuis, onder meer Jan van Beers, Nikolaas J. Cupérus en Jan van Rijswijck, terwijl deze laatste het in 1892 zelfs tot burgemeester bracht. Maar ook in de franskiljonse Gentse raad voerde een klein groepje flaminganten een moeizame oppositiestrijd. Dit offensief werd in 1869 ingezet door Julius Vuylsteke. Later namen ook prominenten als Julius de Vigne, Jacob F. Heremans, Willem Rogghé en Paul Fredericq eraan deel. In Brussel was het vooral Karel Buls die het Nederlands een kans gaf, ook toen hij tot burgemeester benoemd werd.

Niettemin veranderden deze positieve resultaten weinig aan de algemene lijn. We dienen trouwens niet uit het oog te verliezen dat ze meestal slechts in ballotages bereikt werden of aan de steun van de progressieven te danken waren. Het ideaal van Vuylsteke werd niet bereikt. In de laatste twintig jaar van de negentiende eeuw en in de vooroorlogse periode schoof de liberale partij, onder druk van de groeiende V.B., weliswaar een heel klein stukje op naar de Vlaamse kant, maar van een echte doorbraak vanwege de flamingantische drukkingsgroepen in de partij is weinig of niets terechtgekomen.

Periode 1914-1995

Evolutie, rol en betekenis van de Liberale Partij, van de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) en van de Vlaamse Liberalen en Democraten (VLD)

De Eerste Wereldoorlog betekende in vele opzichten een breuk in de ontwikkeling van de Liberale Partij in het algemeen, en in de opgang van het Vlaams liberalisme, die zich tussen 1900 en 1914 steeds nadrukkelijker had afgetekend, in het bijzonder. Een van de oorzaken van deze breuk houdt verband met de invoering in 1919 van het algemeen enkelvoudig stemrecht. Hierdoor werd de Liberale Partij, wat de sterkte van haar parlementaire vertegenwoordiging betreft, teruggedrongen naar de derde plaats. Aan deze fundamentele wijziging van de politieke situatie heeft de Liberale Partij zich echter niet aangepast, noch wat haar programma, noch wat haar organisatie betreft. Zij bleef in wezen de elitaire partij van de grote bourgeoisie die zij tot voor de Eerste Wereldoorlog steeds was geweest. De Liberale Partij kon zich, ondanks het immobilisme van haar programma en het conservatisme van haar structuur, en ondanks haar geslonken parlementaire vertegenwoordiging, in het politieke leven tussen beide wereldoorlogen niettemin handhaven en er zelfs een zeer belangrijke rol – geenszins in verhouding tot haar numerieke sterkte – in spelen, doordat zij, zowel in de talrijke regeringen van nationale unie (1918-1921, 1926-1927, 1935-1939, 1939-1945) als in coalitieregeringen (steeds met de katholieken) een onontbeerlijke partner was. De politieke rol van de Liberale Partij werd hierdoor praktisch tot een louter 'tactische' rol beperkt, waardoor zij steeds meer aan politieke duidelijkheid inboette en, bij het uitwerken van de noodzakelijke politieke compromissen, bijna steeds een remmende invloed uitoefende. Die tekende zich vooral op het gebied van de politieke verwezenlijking der Vlaamse eisen duidelijk af. Ook na de Tweede Wereldoorlog heeft zij deze rol in coalitieregeringen (met de socialisten in 1945-1947, 1954-1958; met de katholieken in 1949-1950, 1958-1961, 1966-1968) verder gespeeld, ondanks haar hervorming tot de pluralistische Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (1961) die, op grond van een antitravaillistische doctrinaire vernieuwing, tijdelijk tot een verdubbeling van haar parlementaire vertegenwoordiging leidde (1965, gehandhaafd in 1968), maar niet gevolgd werd door voldoende ingrijpende structurele wijzigingen, vooral niet in Wallonië en Brussel. Dat was er mede oorzaak van dat de PVV in 1971 haar parlementaire vertegenwoordiging in deze gewesten gevoelig zag verzwakken. De PVV heeft immers van 1961 tot 1968 praktisch uitsluitend vertrouwd op het dynamisme van haar enigszins autoritaire stichter-voorzitter Omer Vanaudenhove, die het gebrek aan structuur van de partij door een vrij strakke persoonlijke leiding compenseerde. Toen deze in 1968 wegviel, kon de PVV alleen in Vlaanderen terugvallen op een net van actieve en stabiele liberale verenigingen met meestal sociale inslag (ziekenfondsen, vakverenigingen, Liberaal Vlaams Verbond enzovoort). Die waren bovendien, aldus herinnerend aan de situatie van vóór 1914, meer volks- en Vlaamsgezind, zodat zij een basis vormden voor de medio 1971 totstandgekomen autonome Vlaamse PVV, die zich bij de verkiezingen van 7 november 1971 niet alleen handhaafde, maar zelfs vooruitgang boekte.

In de jaren 1970 nam de PVV, steeds samen met haar Waalse zusterpartij, maar soms zonder de sterk verdeelde Brusselse liberalen, deel aan verschillende regeringen: van 26 januari 1973 tot 19 januari 1974 aan de drieledige regering van de socialist Edmond Leburton, met Willy de Clercq als vice-eerste minister en minister van financiën; van 25 april 1974 tot 18 april 1977 aan de regeringen-Leo Tindemans I en II, samengesteld uit christen-democraten en liberalen en op 11 juni 1974 aangevuld met het Rassemblement Wallon. Onder impuls van deze partij werden, bij ontstentenis van een herziening van de grondwet, voorlopige en adviserende gewestelijke raden opgericht. Na een nederlaag in de verkiezingen van 17 april 1977 belandde de PVV in de oppositie, waar zij zou blijven, ook na de verkiezingen van 17 december 1978, die zij nochtans schitterend won na de mislukking van het Egmontpact twee maanden voordien. Pas in 1980 zou zij voor enkele maanden zitting nemen in de drieledige regering-Wilfried Martens III, waar zij mee de belangrijke wetten op de staatshervorming van 8 en 9 augustus 1980 hielp goedkeuren. Na een korte oppositiekuur, die haar in de verkiezingen van 8 november 1981 een winst van zes zetels en een record aantal stemmen (21,10%) opleverde – terwijl de CVP de grootste nederlaag uit haar geschiedenis leed (van 43,52% naar 32%) – trad de PVV in de christen-democratisch-liberale regering-Martens V (1981-1985). Zij verhoogde nog haar inbreng in de regering-Martens VI (1985-1987), ondanks haar minder goede score bij de verkiezingen van 1985, dankzij de dynamische inzet van oud-PVV-voorzitter Guy Verhofstadt als vice-premier en minister van begroting. Na de door het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW) uitgelokte val van de regering-Martens VI in 1987, die vooral de verwijdering van Verhofstadt op het oog had, belandde de PVV, in 1992 verruimd tot VLD, voor lange tijd in de oppositie. Daar Verhofstadt bij diverse verkiezingen sedertdien er niet in was geslaagd de rooms-rode meerderheid te breken, nam hij in 1995 als VLD-voorzitter ontslag. Bijna de helft van de VLD-leden verkoos Herman de Croo tot voorzitter, in de hoop dat zijn meer gematigd imago de afkeer die het radicalisme van Verhofstadt had opgewekt, zou weten te overwinnen, waardoor de partij misschien opnieuw een kans zou maken om uit de oppositie te stappen, waarin ze in 1995 al acht jaar zat vastgespijkerd.

De Liberale Partij en haar opvolgers (PVV en VLD) in Vlaanderen

De breuk die vooral de Eerste Wereldoorlog in de ontwikkeling van de Liberale Partij in Vlaanderen teweegbracht, werd grotendeels veroorzaakt door de geestesgesteldheid die met name tijdens de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog in België heerste. Deze was gekenmerkt door een overspannen sympathie voor Frankrijk en de Franse taal, die als de zuiverste uitdrukking gold van het toenmalig Belgisch patriottisme. Politiek uitte dat zich onder meer in de ondertekening van het Frans-Belgisch Militair Akkoord (1920).

De Liberale Partij, beheerst door haar Brusselse leiders, in het bijzonder door minister van buitenlandse zaken Paul Hymans, hierin gesteund door de verfranste burgerij in Vlaanderen, die nog steeds de lokale partijafdelingen ("associaties") in handen had, was de kampioen van deze politiek. Indien deze situatie zich niet had voorgedaan en indien de normale politieke ontwikkeling die zich vóór de Eerste Wereldoorlog aftekende, hierdoor niet was verstoord, had men kunnen verwachten dat de jarenlange pogingen van de Vlaamsgezindlaamsgezinde liberalen om de Liberale Partij in Vlaanderen van binnenuit te veroveren, geslaagd zouden zijn. Met de verwezenlijking van het algemeen enkelvoudig stemrecht in het verschiet lag het immers in de lijn van de verwachtingen dat de Vlaamsgezinde liberalen, steunend op goedgeorganiseerde, democratische en volksgezinde plaatselijke organisaties die tussen 1900 en 1914 in vele grote en kleine steden waren ontstaan, vroeg of laat de verfranste hogere burgerij uit haar machtsposities in de lokale "associaties" van de Liberale Partij zouden hebben verdreven. Dat dit in de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog niet is gebeurd, moet onder meer worden verklaard uit de hierboven uiteengezette omstandigheid dat de Liberale Partij na 1918 haar programma en structuur niet heeft aangepast aan de wijzigingen die voortvloeiden uit de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht. Maar ook en vooral was daar het feit dat de verfranste burgerij van de naoorlogse anti-Vlaamse geestesgesteldheid gebruik heeft gemaakt en het de Vlaamsgezinde liberale kiesverenigingen en sociale organisaties door het stellen van anti-Vlaamse eisen en voorwaarden onmogelijk heeft gemaakt medezeggenschap te verwerven in de door haar beheerste lokale "associaties", die alleen bevoegd waren om de plaatselijke kandidatenlijsten samen te stellen. Dit antidemocratisch en anti-Vlaams optreden van de plaatselijke liberale "associaties" is bovendien mogelijk geweest door een zekere verdeeldheid in de Vlaamsgezinde liberale gelederen zelf. Een aantal jonge, vooruitstrevende en Vlaamsgezinde liberalen die zich vóór de Eerste Wereldoorlog als toekomstige leidende figuren van het Vlaams liberalisme hadden doen opmerken, was in het activisme terechtgekomen en daardoor na 1918 uitgeschakeld. Ofwel gingen ze over naar de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Een aantal gematigde Vlaamsgezinden van vóór 1914 heeft na 1918, uit opportunisme of uit vreesachtig conformisme, hetzij hun vroegere Vlaamsgezinde opvattingen eenvoudig verloochend, hetzij deze in belangrijke mate verzwakt. Enkele overtuigde Vlaamsgezinde liberale leiders, onder wie Louis Franck, werden door het aanvaarden van een ministerportefeuille geremd in hun bewegingsvrijheid en hebben van 1925 af, na de halfslachtige oplossing van de Gentse Nolf-universiteit (Nolf-barak), geen leidende rol meer gespeeld. Anderen, zoals Julius Hoste (jr.) en enkelen van zijn volgelingen uit het Liberaal Vlaams Verbond en het Willemsfonds, die meestal geen parlementair mandaat uitoefenden, hebben via Het Laatste Nieuws, waarvan Hoste eigenaar was, en via moties en publieke protesten een vrij geïsoleerde en uitzichtloze strijd gevoerd aan de rand van de Liberale Partij, vaak tegen de zin van gematigd Vlaamsgezinde liberale kringen in, die hun de samenwerking met andersdenkende Vlaamsgezinden, onder andere in de schoot van het Algemeen Vlaamsch Verbond, verweten.

De gevolgen van deze situatie en deze verhoudingen zijn zichtbaar in de verkiezingsuitslagen van de Liberale Partij in het Vlaamse land. De vergelijking van het aantal in Vlaanderen door de Liberale Partij veroverde Kamerzetels met de resultaten te Brussel en in Wallonië toont de onmacht aan van de liberale parlementaire vertegenwoordiging in het Vlaamse land tegenover het groeiende Waals-Brussels overwicht. En dan wordt er nog geen rekening gehouden met het feit dat het merendeel der in Vlaanderen gekozen liberale Kamerleden vertegenwoordigers waren van Fransgezinde liberale "associaties". Terwijl in 1919 en 1921 de Liberale Partij in Vlaanderen respectievelijk nog 15 en 14 Kamerzetels op een totaal van respectievelijk 34 en 33 behaalde, waarvan er een aantal door Vlaamsgezinden zoals Franck, A. Theodoor Homans, Paul Lamborelle, Jan Persoons en G. Royers werden bezet, daalde dit cijfer tot 9 op een totaal van 23 bij de verkiezingen van 5 april 1925, de eerste die na de halfslachtige vernederlandsing van de Gentse universiteit gehouden werden. Het verlies van 10 Kamerzetels is voor de helft in Vlaanderen gelokaliseerd. Nog sprekender is het feit dat deze situatie volkomen onveranderd blijft tot de verkiezingen van 1936, en vooral dat de verkiezingen van 1929, die de Liberale Partij voor het hele land een totale winst van 5 Kamerzetels opleverden, in het Vlaamse land geen zetelwinst met zich meebrachten. De verkiezingen van 1929 die, nog onder invloed van de Bormsverkiezing in 1928, grotendeels in het teken van de Vlaamse problemen stonden, leverden immers alleen winst op voor de partijen die extreme standpunten innamen: de Vlaamse nationalisten in Vlaanderen enerzijds, de liberalen in Brussel en Wallonië anderzijds. De status-quo van de Liberale Partij in Vlaanderen tussen 1925 en 1936 is enerzijds het gevolg van haar anti-Vlaamse politiek in die jaren en anderzijds van het feit dat haar parlementaire vertegenwoordiging in Vlaanderen, op twee tot drie Kamerleden na, geheel was samengesteld uit vertegenwoordigers van de verfranste burgerij. Des te opvallender is het dat de Liberale Partij bij de verkiezingen van 1936, waarin ze over het geheel één Kamerzetel verloor door haar achteruitgang te Brussel, in het Vlaamse land nochtans één Kamerzetel won. Men zou dit, mede op grond van andere hieronder vermelde gegevens, als het eerste schuchtere teken van een kentering kunnen interpreteren, ware het niet dat de verkiezingen van 2 april 1939, die aan liberale zijde grotendeels in het teken stonden van de anti-Vlaamse houding van de partij in de zaak-Adriaan Martens, in het Vlaamse land slechts de relatief onbelangrijke vooruitgang van 1 zetel opleverden, hoewel zij aan de Liberale Partij een totale winst opleverden van 10 zetels. Dit wijst erop dat er in de situatie van de Liberale Partij in Vlaanderen sedert 1925 tot op dat ogenblik fundamenteel nog niets gewijzigd was. Integendeel: met 11 Kamerzetels van de 33 stond de partij in Vlaanderen in 1939 opnieuw op het dieptepunt waarop de vertegenwoordiging van het Vlaamse land in de partij zich in 1929 (9 zetels van de 28) bevonden had. Deze cijfers bewijzen dat, telkens wanneer de Liberale Partij bij verkiezingen waarbij, zoals in 1929 en 1939, Vlaamse problemen de inzet vormden, een anti-Vlaams standpunt innam en hierdoor in Brussel en Wallonië winst boekte, dit gebeurde ten koste van de relatieve macht van de volksvertegenwoordiging uit Vlaanderen in het geheel van de partij.

Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef dit nog ten dele het geval, zoals onder meer blijkt uit de verkiezingsuitslagen van 1950. De overwegend anti-leopoldistische houding van de Liberale Partij, ingegeven door haar Brusselse en Waalse leiders tegen de zin in van vooraanstaande Vlaamse liberale leiders, zoals Hoste en Victor Sabbe, had tot gevolg dat op een totaal verlies van 9 Kamerzetels er 5 voor rekening van het Vlaamse land kwamen, een verlies dat bij de verkiezingen van 1954, waarbij de Vlaamse problemen geen rol speelden, grotendeels weer werd goedgemaakt: de partij won in Vlaanderen 4 Kamerzetels terug op een totale winst van 5. Na de hervorming in 1961 van de Liberale Partij tot PVV, waarvan ook de liberalen in Vlaanderen bij de verkiezingen van 1965 profiteerden (van 8 naar 18 Kamerzetels), onder meer dankzij de positieve houding van de Vlaamse liberalen bij de aanneming van de voor de Vlamingen gunstige taalwetten van 1962-1963 en dankzij het verzaken door de PVV aan het traditionele antiklerikalisme, betaalden de Vlaamse liberalen nog eenmaal de historische tol aan het door Brusselaars en Walen geïnspireerde Belgisch nationalisme van de partij. Het overigens geringe zetelverlies van de PVV bij de verkiezingen van 1968, waarin de Vlaamse problemen en onder meer de kwestie-Leuven centraal stonden en die door de PVV gevoerd werden op het thema van het Belgische unitarisme, lokaliseerde zich toen immers in het Vlaamse land (verlies van 1 zetel: 17 in plaats van 18) en te Brussel (verlies van 3 zetels); in Wallonië daarentegen boekte de PVV een winst van 3 zetels. Voor het eerst in de geschiedenis van de Liberale Partij sedert de Eerste Wereldoorlog werd de situatie grondig gewijzigd bij de verkiezingen van 1971. Een autonome Vlaamse PVV kwam met een duidelijk Vlaamsgezind programma voor de kiezer en verhoogde haar aantal Kamerzetels in het Vlaamse land van 17 tot 19 (op een totaal, voor de partij, van 34), terwijl de partij in Brussel en Wallonië een verlies leed van 13 zetels. De Vlaamse liberale volksvertegenwoordiging verwierf aldus een sterk numeriek overwicht in de partij. De vervroegde verkiezingen van 10 maart 1974 brachten geen grote stemmenverschuiving met zich mee. De PVV heroverde de derde plaats onder de grote partijen, ten nadele van de Volksunie (VU), met een vooruitgang van het aantal stemmen van 16,2% naar 17,2%, en een winst van twee Kamerzetels. De voortijdige parlementsverkiezingen van 17 april 1977 deden deze winst weer teniet: de Vlaamse liberalen kregen een electorale afstraffing die hen terugbracht tot 14,4%. Hierdoor nam de VU opnieuw de derde plaats in onder de Vlaamse partijen. Het was de grootste nederlaag van de PVV in Vlaanderen sedert 1965. De verkiezingen van 17 december 1978 maakten anderhalf jaar later dit verlies meer dan goed voor de PVV: de partij klom na een oppositiekuur, tijdens dewelke ze het Egmontpact met succes had bestreden, met een winst van 5 zetels en 2,7% van de stemmen opnieuw tot haar vroegere sterkte van 17,2%. Bij de verkiezingen van 8 november 1981 bereikte de PVV, nu onder leiding van Guy Verhofstadt, een historisch record van 21,1% van de stemmen en een winst van zes Kamerzetels, waardoor ze, na de zwaar geslagen CVP (van 43,5% naar 32%), de tweede grootste partij werd in Vlaanderen. Deze overwinning maakte haar intrede in de regering-Wilfried Martens V mogelijk, waarvan het beleid bij de verkiezingen van 13 oktober 1985 echter niet werd gewaardeerd, zodat de winst van 6 zetels opnieuw verloren ging. In de verkiezingen van 13 december 1987 werd een groot deel van dit verlies opnieuw goedgemaakt, zonder dat echter het historische hoogtepunt van 1981 werd bereikt. De PVV won drie zetels en bezette nu met 18,5% van de stemmen 25 zetels in de Kamer, het hoogste aantal tot dan toe ooit behaald indien men het uitzonderlijke resultaat van 1981 buiten beschouwing laat. Dit was zonder twijfel te danken aan de dynamische inzet van Guy Verhofstadt als vice-premier en minister van begroting in de regering-Martens VI. Tijdens de memorabele verkiezingen van 24 november 1991, die de CVP en de SP tot een historisch dieptepunt deden zakken en de VU deden ineenschrompelen, kon de PVV met een stemmenwinst van 30.000 en de winst van één Kamerzetel als enige Vlaamse traditionele partij standhouden. Maar dit resultaat, evenals de lichte winst van 2,6% bij de verkiezingen van 21 mei 1995, was onvoldoende om de rooms-rode meerderheid te breken en een intrede in de regering te forceren.

Liberale Partij en V.B. vóór de Tweede Wereldoorlog

Hetgeen voorafgaat, biedt een voldoende verklaring voor de standpunten die de Liberale Partij van 1918 tot 1968 op regerings- en parlementair vlak heeft ingenomen ten aanzien van de eisen der V.B. Het afwijkende standpunt dat enkele zeldzame Vlaamsgezinde liberale parlementsleden, (vooral) enkele Vlaamsgezinde liberale leiders buiten het parlement en Vlaamsgezinde liberale organisaties hiertegenover hebben ingenomen, zal verder in het overzicht van het Vlaams liberalisme afzonderlijk behandeld worden.

Van 1918 tot 1930 kan de houding van de Liberale Partij tegenover de Vlaamse eisen het best geschetst worden aan de hand van het standpunt dat zij innam ten aanzien van het probleem van de vernederlandsing van de Gentse universiteit, waarrond zich in die jaren de politieke strijd op Vlaams gebied concentreerde (onderwijs). In zijn troonrede van 22 november 1918 had koning Albert I de oprichting van een Vlaamse universiteit te Gent aangekondigd. Toen eerste minister Léon Delacroix pas zes dagen later, op 28 november 1918, de regeringsverklaring van zijn drieledige regering voorlas, waarin de liberalen Paul Hymans, Louis Franck en Fulgence Masson zetelden, gewaagde hij hierin niet meer uitdrukkelijk van de vernederlandsing der Gentse universiteit, doch slechts vaag van het recht van de Vlamingen op hoger onderwijs in hun eigen taal. Deze verzwakking van de koninklijke belofte in het regeringsprogramma was het gevolg van een interventie van de liberale leiders Hymans en Paul-Emile Janson bij Delacroix, die de betreffende passage van de troonrede alleen had opgesteld. Hymans had zijn deelneming aan de regering van deze verzwakking afhankelijk gemaakt.

Tijdens de discussie over de regeringsverklaring van de tweede regering-Delacroix, die na de verkiezingen van 16 november 1919 werd gevormd en bij de samenstelling waarvan de liberalen hun veto hadden laten horen tegen de door hen van activistische sympathieën verdachte katholiek Prosper Poullet als minister van binnenlandse zaken, gingen de liberalen nog een stap verder door bij monde van hun woordvoerder Albert Devèze waarborgen te eisen voor het voortbestaan van de Franstalige universiteit te Gent. Bij de vorming van de driepartijenregering-Henri Carton de Wiart (20 november 1920) maakten zij hiervan zelfs een voorwaarde voor deelneming aan de regering.

Nadat tijdens de debatten van oktober 1922 tot maart 1923 over het uiteindelijk verworpen voorstel van Frans van Cauwelaert en August Huyshauwer tot geleidelijke vernederlandsing van de Gentse universiteit de liberale tegenstanders van dit voorstel de vestiging van een Vlaamse universiteit te Antwerpen of de organisatie van een Vlaamse universiteit te Gent naast de bestaande Franstalige hadden verdedigd, legden zij zich neer bij het door de liberale minister Franck geïnspireerde compromisontwerp van de regering, dat de organisatie van de dubbele en tweetalige zogenaamde Nolf-universiteit te Gent beoogde (Nolf-barak). De liberalen Hymans en François Bovesse zagen hierin niettemin een eerste beslissende aanslag op het door hen zo vurig verdedigde beginsel van een Franstalige universiteit in Vlaanderen.

Toen na de verkiezingen van 29 mei 1929, waarin Vlaamse problemen, waaronder de vernederlandsing van Gent, centraal hadden gestaan, de katholiek-liberale regering-Henri Jaspar onder druk van de radicalisering van de Vlaamse openbare opinie sedert de Bormsverkiezing het wetsontwerp op de integrale vernederlandsing van de Gentse universiteit wilde indienen, weigerden de liberale ministers dit te ondertekenen zonder dat ze als compensatie waarborgen verkregen voor de bescherming van de Franstalige minderheden in het lager en middelbaar onderwijs in Vlaanderen. Zij lokten hierdoor het ontslag uit van de regering (25 november 1929), die na een toegeving aan de liberalen inzake het beginsel van de zogenaamde "vrijheid van de huisvader" opnieuw in het zadel kwam en het regeringsontwerp op de vernederlandsing van Gent door de Kamers deed goedkeuren (maart-april 1930). Een tweede fausse sortie deden de liberalen toen bij ministerieel besluit van 15 oktober 1930 aan de Gentse professoren het verbod werd opgelegd te doceren aan de Ecole des Hautes Etudes te Gent (11-14 november 1930).

De Liberale Partij legde zich nu toe op de strijd voor de door haar geëiste compensaties ten behoeve van de Franstalige minderheden in het lager en middelbaar onderwijs in Vlaanderen. Op 18 december 1930 diende Devèze voorstellen van die strekking in, die door het Willemsfonds krachtdadig werden afgewezen en door het Liberaal Vlaams Verbond slechts werden aanvaard op voorwaarde van een zeer beperkte toepassing ervan. Toen deze kwestie onder de katholiek-liberale regering-Jules Renkin begin 1932 in de Kamer eindelijk in bespreking kwam, diende de regering haar ontslag in vanwege het verzet van een – weliswaar kleiner geworden – aantal liberalen tegen het in het regeringsontwerp gehuldigde beginsel "streektaal = onderwijstaal" (18 mei 1932). Daar een aantal liberale wallinganten onder leiding van Bovesse, die bevreesd waren voor de taalintegriteit van Wallonië, dit beginsel echter steunde, bleef het behouden in het veranderde ontwerp waarmee de licht gewijzigde regering-Renkin op 25 mei 1932 het vertrouwen van de Kamers verkreeg. De liberalen bewerkten evenwel dat de wet eveneens op het vrij onderwijs van toepassing zou zijn. In Vlaanderen zouden bovendien zogenaamde transmutatieklassen blijven bestaan om kinderen wier moedertaal of gebruikelijke taal niet het Nederlands was, geleidelijk naar deze taal te laten overschakelen. Hoewel bepaald was dat de transmutatieklassen bij Koninklijk Besluit geleidelijk aan afgeschaft konden worden, bleven zij als haarden van Franstalig onderwijs in Vlaanderen tot hun wettelijke afschaffing in 1963 voortbestaan.

Nog tweemaal vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zou de Liberale Partij regeringsmoeilijkheden veroorzaken over aangelegenheden van Vlaams belang. Op 11 april 1937 was de Waalse liberale minister van justitie Bovesse verplicht ontslag te nemen uit de driepartijenregering-Paul van Zeeland, omdat hij zonder zijn partij te raadplegen het regeringsvoorstel had ondertekend tot volledige amnestie voor de veroordeelde activisten uit de Eerste Wereldoorlog. Ondanks het verzet van de Liberale Partij, die had laten weten dat zij niet voor het amnestieontwerp zou stemmen, kon eerste minister Van Zeeland partijvoorzitter Emile V. de Laveleye overreden de plaats van Bovesse in te nemen. Toen na een Vlaamse massabetoging op 23 mei 1937 te Brussel, waaraan als enig liberaal parlementslid het Vlaamsgezinde Antwerpse Kamerlid Angel Boeckx deelnam, de amnestiewet ondanks de tegenstand van de meeste liberalen op 11 juni 1937 was goedgekeurd, eiste en verkreeg de Liberale Partij het ontslag van minister De Laveleye uit de regering. De laatste episode vóór de Tweede Wereldoorlog waarin de grote meerderheid van de Liberale Partij blijk gaf van haar latente anti-Vlaamse houding, betrof de zaak van dr. Adriaan Martens. Die was, niettegenstaande hij oud-activist was, onder de driepartijenregering-Paul-Henri Spaak benoemd tot lid van de kort voordien (maart 1938) opgerichte Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde. Dit gaf aanleiding tot een interpellatie door de Brusselse liberaal Leo Mundeleer, waarop de liberale ministers Paul-Emile Janson en Octave Dierckx Spaak op 8 februari 1939 voor de keuze stelden: of de benoeming van Martens intrekken, of een regeringscrisis. Hierop bood Spaak het ontslag van zijn regering aan, daar hij in het parlement de benoeming van Martens verdedigd had. Een aantal vooraanstaande katholieke en socialistische Vlaamsgezinde parlementsleden, onder wie Frans van Cauwelaert en Camille Huysmans, stelden in het zogenaamde Manifest van Antwerpen dat de benoeming van Martens krachtens de amnestiewet mogelijk was geworden en derhalve niet herroepen kon worden, mede doordat volgens hun opvattingen deze benoeming een Vlaamse aangelegenheid was, waarmee de Franstaligen – op grond van de toen in steeds bredere kring aanvaarde gedachte van de culturele autonomie – niets te maken hadden. Daarom was na de weigering van de liberalen om onder die omstandigheden hun medewerking aan de regering te verlenen alleen een katholiek-socialistische regering mogelijk. Die regering was onder leiding van Hubert Pierlot, echter een leven van slechts één week beschoren (21 februari-27 februari 1939), vanwege het socialistische verzet tegen de aangekondigde deflatiepolitiek. Omdat een katholiek-liberale regering wegens de zaak-Martens onmogelijk bleef, raakte het land in het slop en werden op 2 april 1939, in het zicht van een dreigende wereldoorlog, vervroegde verkiezingen gehouden. Zij leverden de Liberale Partij een grote winst van 10 Kamerzetels op, waarvan echter slechts 1 in het Vlaamse land. Dit was tekenend voor de afzondering waarin de Liberale Partij tegenover de Vlaamse openbare opinie nog steeds stond.

Liberale Partij - PVV - VLD en V.B. na de Tweede Wereldoorlog

Na de Tweede Wereldoorlog gaven de Vlaamse problemen pas omstreeks 1960 opnieuw aanleiding tot moeilijkheden op het politieke vlak. De katholiek-liberale regering-Gaston Eyskens-Albert Lilar (1958-1961), die door andere problemen in beslag werd genomen, kon de eerste moeilijkheden die gerezen waren in verband met de in 1960 te houden volkstelling, waaraan een talentelling was gekoppeld, nog ontwijken door haar uit te stellen tot 31 december 1961.

Tijdens de bespreking van de taalwetten van de katholiek-socialistische regering-Theo Lefèvre-Paul-Henri Spaak in 1962 en 1963 zou echter al spoedig blijken dat er zich in de Liberale Partij, die sedert 1961 tot PVV hervormd was, op Vlaams gebied geleidelijk wijzigingen aan het voltrekken waren. Bij de oprichting van de PVV was immers het Liberaal Vlaams Verbond, onder leiding van jonge Vlaamsgezinde parlementsleden als Herman Vanderpoorten, Frans Grootjans en Willy de Clercq, officieel naast haar tegenhanger de Entente Libérale Wallonne door de partij erkend. Hierdoor kregen de Vlaamse liberalen binnen de partij een grotere bewegingsvrijheid dan vroeger. Zij maakten hiervan gebruik door als leden van de oppositie hun steun te verlenen aan de taalwetten van de regering-Lefèvre-Spaak, die voor de Vlamingen over het algemeen gunstige bepalingen inhielden. Deze houding van de Vlaamse liberalen werd echter fel gekritiseerd door de machtige, overwegend Fransgezinde Liberale Federatie van het arrondissement Brussel. Toen na de grote verkiezingsoverwinning van de PVV in 1965 de mogelijkheid van regeringsdeelname door de PVV zich steeds concreter aftekende, trachtte partijvoorzitter Omer Vanaudenhove dan ook door zijn partij vooraf een gemeenschappelijk standpunt inzake de taalvraagstukken te doen aanvaarden. Dat kwam meer bepaald aan de eisen van de Franstalige Brusselse liberalen tegemoet. Dit gebeurde op het congres van de PVV te Luik op 22-23 januari 1966, waar het zogenaamde Taalcompromis van Luik door Vlamingen, Walen en Brusselaars eenparig werd goedgekeurd. Hoofdzakelijk op aansturen van de Waalse en Brusselse PVV-federaties zette het 'compromis' een aantal Vlaamse verworvenheden uit de taalwetgeving van 1962-1963 opnieuw op de helling, al werd in beginsel de homogeniteit van de taalgebieden erkend en al werd de noodzaak van de opbouw van een Nederlandstalige onderwijsorganisatie te Brussel door de Franstalige Brusselaars toegegeven. Zo stond men de terugkeer van de Nederlandstalige Voerstreek naar de provincie Luik voor (Voeren, taalgrens), evenals het opnieuw organiseren van transmutatieklassen in het onderwijs, en er werd een afzwakking van de taalwetgeving op de ondernemingen en een uitbreiding van de Brusselse agglomeratie in het vooruitzicht gesteld. Wat dit laatste punt betreft zouden meer in het bijzonder de zes Brusselse randgemeenten waar in 1963 aan de Franstaligen taalfaciliteiten waren toegestaan, na een periode van vijf jaar, dit is van 1971 af, hun aanhechting bij de tweetalige Brusselse agglomeratie mogen vragen, en verder zou rondom Brussel een zone worden geschapen waarin dertien andere Vlaamse randgemeenten, waaronder Vilvoorde, opgenomen zouden worden met taalfaciliteiten voor de Franstaligen.

Daar een week voordien, op 16 januari 1966, tijdens een buitengewone vergadering van het Liberaal Vlaams Verbond waarop dit taalcompromis door voorzitter Vanderpoorten verdedigd werd, zeer heftige kritiek op dit vergelijk was uitgebracht, vooral door de voorzitter van het Willemsfonds, prof. Adriaan Verhulst, mede sprekend uit naam van de erevoorzitter van deze vereniging, prof. Hans van Werveke, zagen de Vlaamse afgevaardigden op het PVV-congres te Luik bij monde van senator prof. Pieter Lambrechts, gewezen voorzitter van het Willemsfonds, zich verplicht aan hun goedkeuring van het taalcompromis een voorwaardelijk karakter te geven, afhankelijk van de inlossing door de Brusselse Franstalige liberalen van hun belofte "alle maatregelen te treffen waardoor de Vlamingen in staat worden gesteld te Brussel hun eigenheid te bewaren".

Toen enkele weken later, op 16 maart 1966, de PVV in de katholiek-liberale regering-Paul vanden Boeynants-Willy de Clercq trad, oordeelde zij het raadzaam, mede onder druk van de Vlaamse Christelijke Volkspartij (CVP), de taalproblemen gedurende twee jaar te bevriezen. Het onderzoek ervan werd aan een bijzondere, daartoe op 20 oktober 1966 door minister van binnenlandse zaken Vanderpoorten geïnstalleerde en door oud-minister Paul Meyers van de CVP voorgezeten, commissie toevertrouwd. Hierdoor omzeilde de PVV in feite haar te Luik aangegane verbintenis inzake het zogenaamde taalcompromis, zodat een wetsvoorstel van de Franstalige Brusselse PVV-federatie, bedoeld om het vergelijk van Luik in wetteksten om te zetten, en zodat zelfs een wetsvoorstel in die zin van PVV-voorzitter Vanaudenhove, medeondertekend door de nochtans Vlaamsgezinde PVV-senator Karel Poma, rustig aan de zogenaamde Commissie Meyers voor onderzoek toevertrouwd konden worden.

Intussen drong de Vlaamse openbare mening, onder andere bij monde van het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen dat intussen door de drie fondsen (Davidsfonds, Willemsfonds, Vermeylenfonds) samen met de Vlaamse Volksbeweging en andere Vlaamsgezinde verenigingen opgericht was en voorgezeten werd door de voorzitter van het Willemsfonds (Adriaan Verhulst), steeds krachtiger aan op de publicatie van de uitvoeringsbesluiten van de taalwetten van 1963, opdat deze na drie jaar eindelijk toegepast zouden kunnen worden. Ondanks hevig verzet van de Brusselse Franstalige PVV-federatie gingen de terzake bevoegde Vlaamsgezinde PVV-ministers Vanderpoorten en Grootjans hier op 30 november 1966 toe over. De Brusselse PVV-federatie achtte dit een schending van het door de regering afgekondigde "taalbestand" en liet duidelijk blijken – onder meer toen minister Grootjans op 2 februari 1967, op basis van het rapport van de Vlaamse liberale socioloog Kint, overging tot de oprichting van tien Nederlandstalige rijkslagere scholen te Brussel – dat zij zich niet wenste te houden aan de belofte die zij op het congres van Luik aan de Vlaamse liberalen in ruil voor hun instemming met het taalcompromis had gedaan. Daar intussen ook het Liberaal Vlaams Verbond, onder leiding van zijn nieuwe voorzitter, de vrij onafhankelijke Vlaamse PVV-volksvertegenwoordiger L. d'Haeseleer, zich steeds meer van het Luikse taalcompromis distantieerde en zelfs de mogelijkheid onder ogen zag van de vorming van een Vlaamse partijvleugel in de PVV (18 december 1966), voelde PVV-voorzitter Vanaudenhove zich verplicht krachtig te reageren om de eenheid in zijn partij te handhaven, mede in het licht van de steeds sterker wordende beroering in het Vlaamse land over het probleem van de overheveling van de Franstalige afdeling van de Katholieke Universiteit Leuven naar Wallonië. Hoewel de Vlaamse PVV'ers op 28 juni 1966 als enige Vlaamse Kamerleden zelfs de inoverwegingneming hadden afgewezen van een wetsvoorstel van de fractievoorzitter van de CVP, Jan Verroken, tot regeling van het taalgebruik in het hoger onderwijs op basis van het beginsel "streektaal = onderwijstaal", werd het in de loop van 1967 steeds duidelijker dat een aantal Vlaamse PVV'ers, onder wie D'Haeseleer en Poma, eigenlijk principieel voor de overheveling van Leuven-Frans naar Wallonië gewonnen waren. Daarom vroeg voorzitter Vanaudenhove op het PVV-congres van 29 september tot 1 oktober 1967 te Knokke volmacht om namens de partij alleen te onderhandelen over de oplossing van de Vlaams-Waalse tegenstellingen. Tevens maakte hij een eind aan de officiële erkenning van het Liberaal Vlaams Verbond en de Entente Libérale Wallonne binnen de partij, neutraliseerde als drukgroepen ook de sociale organisaties binnen de partij en liet het congres resoluut opteren voor een rechtse koers in een nieuw, strak unitair België, waarin de uitvoerende macht versterkt zou worden. Op basis van dit voor een vroegere liberale partij erg autoritair lijkende programma ging de PVV, na de val van de regering-Vanden Boeynants-De Clercq over de kwestie-Leuven op 8 februari 1968, de verkiezingen van 31 maart tegemoet. Het werd, ondanks een geweldige, onder de Belgische driekleur en vooral rond de persoon van Vanaudenhove gevoerde verkiezingspropaganda, een teleurstelling, vooral in Vlaanderen (1 zetel verlies) en te Brussel (3 zetels verlies). Zowel de Vlaamse PVV'ers als de Brusselse Franstalige liberalen hernamen dan ook onmiddellijk hun vrijheid. De grote meerderheid der Vlaamse PVV-parlementsleden wendde haar blikken opnieuw naar het Liberaal Vlaams Verbond, dat op 11-12 mei 1968 te Knokke een congres hield waar niet alleen met de overheveling van Leuven-Frans naar Wallonië werd ingestemd, maar zelfs het hele taalcompromis van Luik verloochend werd en in verband met Brussel nieuwe waarborgen voor de rechten van de Vlamingen werden geëist, zoals een paritaire hoofdstedelijke raad en de beperking van de tweetalige agglomeratie tot de negentien gemeenten. De Franstalige Brusselse liberalen van hun kant reageerden hierop zeer scherp en stootten op 14 mei 1968 de nochtans gematigde Vlaamse liberale Brusselaars uit. Die noemden zich weldra, in navolging van de reeds in 1968 als Rode Leeuwen afgescheiden Vlaamse Brusselse socialisten, Blauwe Leeuwen en richtten op 24 mei 1968 een Verbond der Vlaamse PVV-afdelingen van het Arrondissement Brussel op. De verdeeldheid binnen de PVV openbaarde zich op spectaculaire wijze op het buitengewone congres dat de partij op 21 mei 1968 te Brussel hield om te beraadslagen over de voorstellen die oud-premier Vanden Boeynants aan de partij had gedaan met het oog op de vorming van een driepartijenregering. De Brusselse PVV-federatie weigerde de voorstellen, die onder meer een beperking van de Brusselse agglomeratie tot de negentien gemeenten en de instelling van een paritair cultureel college voor de hoofdstad inhielden, goed te keuren. Deze verdeeldheid had tot gevolg dat de CVP aan Vanden Boeynants opdracht gaf alleen nog met de Belgische Socialistische Partij (BSP) te onderhandelen en dat de PVV dus noodgedwongen in de oppositie ging. Voorzitter Vanaudenhove, moreel zwaar aangeslagen door de gang van zaken in zijn partij, droeg op 13 september 1968 het voorzitterschap over aan een interim-driemanschap, bestaande uit de Brusselse Franstalige senator N. Hougardy, het Luikse Kamerlid E. Jeunehomme en de Vlaamse gewezen vice-premier Willy de Clercq. Na slepende en moeilijke besprekingen werd dan eindelijk op 7 en 8 juni 1969 te Brussel het tiende Congres van de PVV gehouden, waar echter de bespreking van de communautaire en taalproblemen naar een later te houden bijzonder congres werd verwezen. Wel werd overeengekomen dat de Vlaamse respectievelijk Waalse federaties voortaan afzonderlijk zouden kunnen vergaderen en dat in de bestuursorganen van de partij de pariteit tussen Nederlands- en Franstaligen zou worden ingevoerd. Op 18 februari 1970 maakte de katholiek-socialistische regering-Gaston Eyskens aan het parlement haar globaal voorstel bekend tot regeling van de staatshervorming en van de betrekkingen tussen de taalgemeenschappen. Verscheidene belangrijke onderdelen daarvan vereisten echter een tweederde meerderheid van de grondwetgevende Kamers, hetgeen de medewerking van de oppositiepartijen, in de eerste plaats van de PVV, impliceerde. Op 20 en 21 maart 1970 werd, tegen de wil van de Vlaamse leden van het politieke comité van de PVV, die een onmiddellijke vrije bespreking in het parlement verlangden, doch in de minderheid waren, in Brussel een buitengewoon congres van de partij bijeengeroepen om stelling te nemen tegenover de regeringsvoorstellen. Over de voorstellen inzake de culturele autonomie en de indeling van het land in drie economische gewesten bestond een vrij grote eensgezindheid. Inzake het probleem-Brussel kwam echter een scherpe tegenstelling tot uiting tussen de Vlaamse afgevaardigden enerzijds en de Brusselse Franstaligen en Walen anderzijds. Met een meerderheid van 543 tegen 270 stemmen werd een Luiks-Brusselse resolutie goedgekeurd waarin een uitbreiding van de tweetalige Brusselse agglomeratie buiten de negentien gemeenten werd voorgesteld en waarin de oprichting van agglomeratieorganen werd bepleit wier bevoegdheid zich niet alleen zou uitstrekken tot de aldus uitgebreide agglomeratie, doch waarin bovendien de Vlamingen slechts in verhouding tot hun aantal gekozenen vertegenwoordigd zouden zijn. Onmiddellijk na het congres werd een door de Vlaamse PVV'ers Grootjans, De Clercq en Vanderpoorten opgestelde en door zestien andere Vlaamse PVV-parlementsleden ondertekende motie rondgedeeld, die door het congres met 525 tegen 280 stemmen werd verworpen en waarin het standpunt van de Vlaamse PVV'ers met betrekking tot het statuut van Brussel werd geformuleerd. Hierin werden onder meer bepleit: de grondwettelijke beperking van het tweetalig gebied Brussel tot de negentien gemeenten; de toepassing van de taalwet van 1963 met betrekking tot de Brusselse gemeentelijke administraties; de oprichting van een paritair samengesteld agglomeratiecollege; de voorlopige handhaving van de taalverklaring van het gezinshoofd met betrekking tot de onderwijstaal van zijn kinderen; de invoering van een alarmbelprocedure tot bescherming van de Vlaamse minderheid in de agglomeratieraad. In deze motie werd verder verklaard dat de regeringsvoorstellen in ruime mate overeenstemden met het standpunt van de PVV, zodat zij een aanvaardbare basis vormden voor de parlementaire bespreking. In verband met deze bespreking constateerden de Vlaamse PVV'ers dat het congres hun geen imperatief mandaat had opgelegd. Dit betekende met andere woorden dat de Vlaamse PVV'ers bereid waren hun medewerking te verlenen aan de door de regering-Gaston Eyskens voorgestelde grondwetsherziening en dat zij daarbij het algemeen-Vlaamse standpunt met betrekking tot Brussel zouden verdedigen. Hun medewerking was echter niet voldoende om de regering aan een tweederde meerderheid te helpen, toen bleek dat de Volksunie (VU), die in de Senaat voor deze meerderheid had gezorgd door de grondwetsartikelen in verband met Brussel goed te keuren, niet bereid was dit ook in de Kamer te doen (juli 1970). Daar ze hiervoor noch op de Brusselse Franstalige socialisten, noch op de liberalen kon rekenen, zag de regering zich genoodzaakt uit te zien naar de medewerking van een aantal Waalse PVV'ers. Deze stelden als voornaamste voorwaarde het herstel per 1 september 1971 van de zogenaamde vrijheid van het gezinshoofd ten opzichte van het onderwijs te Brussel, hetgeen door de regeringspartijen op 19 november 1970 werd aanvaard en waarmee ook de Vlaamse PVV'ers instemden, zodat op 8 december 1970 de nieuwe grondwet kon worden goedgekeurd.

Intussen had de medewerking van de Vlaamse PVV'ers aan de grondwetsherziening, inzonderheid aan de voor de Vlamingen gunstige artikelen betreffende Brussel, reeds op 10 juni 1970 tot een crisis in de partij geleid. De Franstalige Brusselse PVV-federatie trok haar mandatarissen uit alle bestuursorganen terug, omdat zij weigerde nog langer te zetelen naast Vlaamse partijgenoten die voor de 'afgrendeling' (de zogenaamde 'carcan') van de hoofdstad hadden gestemd. Meteen zochten de meest extreme Franstalige Brusselse liberalen toenadering tot andere verwoede tegenstanders van de 'carcan'. Die behoorden voornamelijk tot het Front démocratique des Francophones (FDF), waarmee zij op 13 mei 1971 een stembusakkoord sloten. Dat leidde in november 1971 tot de opstelling van de hoofdzakelijk uit Franstalige PVV'ers en FDF'ers samengestelde gemeenschappelijke kandidatenlijst van het Rassemblement bruxellois, dat bij de Brusselse agglomeratieraadsverkiezingen van 21 november 1971 de volstrekte meerderheid behaalde. Bij de twee weken voordien gehouden parlementsverkiezingen van 7 november 1971 daarentegen had dezelfde groep Franstalige Brusselse PVV'ers met een eigen lijst van de zogenaamde Parti de la Liberté et du Progrès bruxellois een gevoelige nederlaag geleden tegenover het FDF.

De PVV-leiding had, door de zich sinds juni 1970 voortslepende crisis, een gevolg van het ontslag van de Brusselse mandatarissen, intussen nog steeds geen oplossing gevonden, hoewel tijdens de eerste helft van 1971 door Vlamingen en Walen hervormingsplannen werden uitgewerkt om te komen tot een drieledige structuur van de partij, naar het beeld van de indeling van het land in drie gewesten (Vlaanderen, Wallonië, Brussel). Een moeilijkheid daarbij was dat de PVV'ers uit het Vlaamse land de Vlaamse PVV'ers van het kiesarrondissement Brussel steunden in hun eis om in de toekomstige Brusselse 'vleugel' van de partij op paritaire wijze met de Franstalige Brusselaars vertegenwoordigd te zijn.

Zonder te wachten op de definitieve reorganisatie van de partij in de hierboven geschetste zin en gebruikmakend van de in het vooruitzicht gestelde 'regionalisatie' van de partij, met autonomie voor haar Vlaamse 'vleugel', gingen de Vlaamse PVV'ers op 27 juni 1971 dan ook over tot de oprichting van een "Vlaamse PVV", waarvan oud-vice-premier De Clercq de voorlopige voorzitter werd, in afwachting van een structurering van deze partijvleugel. Op grond van de besluiten van de op 1 en 2 mei 1971 gehouden studiedagen van het Liberaal Vlaams Verbond werd een eigen Vlaams Liberaal Manifest bekendgemaakt, dat vooruitstrevende oplossingen voorstelde op sociaal, economisch, financieel en cultureel gebied. Toen op 24 september 1971 het parlement vrij plotseling en onverwachts werd ontbonden, nam de Waalse PVV, die zich nog niet zo snel en grondig op de evolutie had voorbereid, dit programma, met het oog op de verkiezingen van 7 november 1971, zelfs in grote lijnen over. De Vlaamse PVV voegde daar in oktober 1971 echter een eigen Vlaams 'communautair' hoofdstuk aan toe, dat met betrekking tot de betwiste problemen zeer vooruitstrevend Vlaamsgezind was; het wenste onder meer het behoud van de Voerstreek bij de provincie Limburg, een zestig/veertig-verhouding voor de verdeling van bepaalde begrotingsposten tussen Vlamingen en Walen en de handhaving van de Vlaamse standpunten over de agglomeratie en het gewest Brussel. Op basis van dit programma behaalde de Vlaamse PVV bij de verkiezingen van 7 november 1971 een opgemerkte vooruitgang (zie hierboven). De Waalse PVV daarentegen verscheen slecht voorbereid, slecht georganiseerd en met vrijwel lege handen voor de kiezer. Zij was ontgoocheld door het feit dat ze in ruil voor haar medewerking aan de grondwetsherziening wegens de plotselinge ontbinding van het parlement niet de specifieke Waalse eisen met betrekking tot de losmaking van de Voerstreek uit de provincie Limburg en de indeling van het land in drie economische gewesten had kunnen helpen realiseren. Het zetelverlies van de Waalse PVV bij de verkiezingen van 7 november 1971 was dan ook indrukwekkend en zelfs groter dan verwacht. Mede onder de indruk hiervan sprak de Waalse PVV zich in 1974 uit voor federalisme. Deze koerswijziging bleek echter pas waarachtig en niet louter tactisch te zijn toen enkele vooraanstaande wallinganten als François Périn, Jean Gol en Etienne Knoops op 24 november 1976 uit het door hen gestichte Rassemblement wallon overstapten naar wat op 15 januari 1977 de nieuwe Parti des Réformes et de la Liberté de Wallonie (PRLW) zou worden. Twee jaar later, op 19 mei 1979, kon PRLW-voorzitter Gol de gematigde Franstalige Brusselse liberalen (strekking-Jacques van Offelen), die in 1974 voor de wetgevende verkiezingen nog een kartel hadden gevormd met het FDF en zich daardoor hadden kunnen handhaven, overtuigen samen met hem de nieuwe Waals-Brusselse Parti réformateur libéral (PRL) op te richten. Onder leiding van Gol trad zij samen met de Vlaamse PVV toe tot de regering-Martens III, die uit de drie traditionele politieke families was samengesteld. Deze liet op 8 en 9 augustus 1980 twee wetten op de hervorming der instellingen goedkeuren, terwijl het Brusselse probleem werd bevroren. De hervorming realiseerde na tien jaar eindelijk de drieledige gewestvorming en breidde de bevoegdheden van de twee gemeenschappen met de persoonsgebonden materies uit. Gewesten en gemeenschappen kregen door decreten wetgevende macht op een groot aantal gebieden, en tegelijk eigen, zij het beperkte, fiscale bevoegdheden.

Van 1971 tot 1980 heeft de Vlaamse PVV, die uit de splitsing van de PVV-PLP in 1971-1972 vlugger en meer direct de voordelen van de onafhankelijkheid had gehaald dan haar Waalse tegenhanger, een eigen imago weten op te bouwen, dat haar bij de verkiezingen van 10 maart 1974 stemmenwinst opleverde (van 16,4% naar 17,3%). Sedert 1973 stond de partij onder leiding van Grootjans en nam ze zeer progressieve standpunten inzake ethische problemen in. Misschien heeft dit, samen met het soberheidsbeleid van de regering-Tindemans I, waaraan de PVV deelnam, mee geleid tot haar grootste nederlaag sedert 1965: de PVV viel bij de verkiezingen van 17 april 1977 terug op 14,4% van de stemmen en Grootjans nam ontslag als partijvoorzitter. De PVV belandde in de oppositie van waaruit ze als oppositiepartij de strijd moest aanbinden tegen het globaal gemeenschapsakkoord dat bekend staat onder de naam Egmontpact. Het kwam als onderdeel van het regeerakkoord van de tweede regering-Tindemans, bestaande uit christen-democraten en socialisten (mét het FDF en de VU), in de nacht van 24 op 25 mei 1977 tot stand. De PVV werd hierdoor willens nillens de objectieve bondgenoot van het in de schoot van het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) opgerichte Anti-Egmontkomitee. Drie jaar later, na de mislukking van het Egmontpact op 11 oktober 1978 door het ontslag van eerste minister Leo Tindemans en na de onmacht van de regeringen-Paul vanden Boeynants en -Wilfried Martens I en II om de staatshervorming tot een nieuw en goed einde te brengen, waren de Vlaamse liberalen en was vooral Herman Vanderpoorten, die als vice-premier in de regering-Martens III van 'nationale eenheid' behalve justitie ook de hervorming der instellingen onder zijn bevoegdheid had, niettemin bijzonder blij dat zij de communautaire twisten konden bedaren en – behalve het probleem Brussel – tot een verregaande oplossing brengen. Dat gebeurde door de goedkeuring van de wetten van 8 en 9 augustus 1980. De PVV was onder het voorzitterschap van Willy de Clercq (1978-1981) immers al enkele jaren geleidelijk bezig met een herziening van haar programma op ideologisch en vooral op economisch gebied in de richting van een meer radicaal neoliberalisme. Deze herziening kwam in een stroomversnelling op twee congressen te Kortrijk in oktober 1979 en januari 1980, waar de PVV onder druk van de jongeren, onder leiding van Guy Verhofstadt, een radicaal manifest goedkeurde onder de naam Handvest voor het moderne liberalisme. De radicale stellingname hierin tegen staatsinterventie op diverse terreinen en tegen de staat in het algemeen bezorgde de PVV op 8 november 1981 een verkiezingsoverwinning met een winst van 6 zetels en 21,1% van de stemmen, waardoor ze na de CVP de tweede partij werd in Vlaanderen en haar de deur werd geopend naar de regering-Martens V (1981-1985), waarin ze samen met de christen-democraten en de PRL plaatsnam. Willy de Clercq werd vice-premier en minister van inanciën. Hij maakte door zijn ontslag als partijvoorzitter de weg vrij voor de 28-jarige Guy Verhofstadt, die aldus zijn ideologisch succes op de Kortrijkse congressen kon verzilveren. Daar de regering-Martens V absolute voorrang gaf aan het sociaal-economische en financiële beleid, en communautaire knelpunten als het staaldossier en de kwestie-José Happart (Voeren) in de koelkast stak, kon voorzitter Verhofstadt zich volledig wijden aan de ideologische profilering van zijn partij, waarin Vlaamse of communautaire problemen geen rol speelden. Van 1985 tot 1987 was hij zelf vice-eerste minister en minister van begroting in de tweede christen-democratisch/liberale regering-Martens VI en besteedde hij al zijn aandacht en energie aan het financieel herstelbeleid, zodat ook tijdens die periode de Vlaamse en communautaire problemen nauwelijks een rol speelden, niet in de Belgische politiek en niet in de PVV. Toch werden de kwesties-Voeren en -Happart door tegenstanders van Verhofstadt in de herfst van 1987 van stal gehaald, met de bedoeling de regering te doen vallen en, vooral onder druk van het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW), Verhofstadt uit zijn machtspositie te verwijderen. Dit bleek maar al te duidelijk toen na de overwinning van de PVV bij de verkiezingen van 13 december 1987, die een persoonlijke triomf waren voor Verhofstadt, hij en de liberalen buiten de regering werden gehouden door het ACW, dat de CVP, ondanks haar zware nederlaag in die verkiezingen (een verlies van 6 Kamerzetels), tot een samengaan met de socialisten kon bewegen.

Opnieuw voorzitter van een oppositiepartij bond Verhofstadt de strijd aan tegen de zuilen, die hij niet alleen verantwoordelijk achtte voor zijn eigen val, maar ook voor de steeds geringere deelname van de individuele burger aan de politiek, waarvan deze zelfs een afkeer kreeg. Dit laatste bleek volgens hem duidelijk uit de verkiezingsuitslag van 24 november 1991, die een overwinning werd voor het extreem-rechtse Vlaams Blok (VB) (winst van 10 Kamerzetels) en de PVV niet meer winst opleverde (1 Kamerzetel, 2 rechtstreeks verkozen senatoren) dan de zetels behaald door de nieuwe partij van de financiële illusionist Jean-Pierre van Rossem, die in de gevangenis zat. De geradicaliseerde PVV van Verhofstadt was blijkbaar, naar zijn eigen woorden, geen alternatief gebleken, zodat hij, na een mislukking als formateur van een regering zonder christen-democraten, op 19 december 1991 bekendmaakte dat hij plannen smeedde voor een politieke vernieuwing die veel verder ging dan hetgeen hij tot dan toe had verwezenlijkt of willen verwezenlijken. Meer bepaald zou blijken dat Verhofstadt niet alleen zijn eigen partij door een verruimingsoperatie wilde hervormen, maar dat hij het gehele Vlaamse politieke landschap wilde herschikken door andere partijen en met name de VU in zijn operatie te betrekken. Deze partij was na verschillende verkiezingsnederlagen niet alleen verschrompeld, maar bovendien verdeeld, zoals VU-voorzitter Jaak Gabriëls zelf tegenover Verhofstadt had toegegeven tijdens de discrete gesprekken die beide voorzitters rond Kerstmis en nieuwjaar 1991-1992 waren begonnen. De eerste zet van beiden was de voorstelling op 8 januari 1992 van een gemeenschappelijk onderhandelingsplatform, waarin de staatshervorming op de eerste plaats stond. Vanwege de VU baarde deze prioriteit minder verwondering dan vanwege de PVV, al hadden vooral communautaire gebeurtenissen vóór en na de verkiezingen van 24 november 1991, zoals de Waalse chantage rond de wapenhandel en vooral het optreden van PS-voorzitter Guy Spitaels toen en nadien, de Vlaamse politici en de publieke opinie in Vlaanderen zeer zenuwachtig gemaakt. Mede daarom stelden PVV en VU samen voor om door een dialoog "van gemeenschap tot gemeenschap" een definitieve staatshervorming tot stand te brengen. De PVV ging in de gezamenlijke voorstellen veel verder dan ooit, door bijvoorbeeld voor de gewesten en gemeenschappen volwaardige fiscale en financiële verantwoordelijkheid te voorzien. De CVP en de Socialistische Partij (SP), die samen onder leiding van Jean-Luc Dehaene een regering zonder de liberalen wilden vormen en tegelijk het PVV-VU-initiatief de wind uit de zeilen wilden halen, hadden, om de staatshervorming door te voeren die ook zij wensten, een tweederde meerderheid nodig. Hiertoe moest de VU uit haar gezamenlijk inititatief met de PVV worden gehaald, hetgeen door bepaalde beloften aan deze partij en meer bepaald aan Hugo Schiltz en Paul van Grembergen, onder meer inzake deelneming aan de Vlaamse regering, werd bereikt.

Gabriëls raakte binnen de VU, waar zijn voorzittersmandaat overigens ten einde liep, geïsoleerd, terwijl CVP en SP het oorspronkelijke PVV-VU-plan inzake de staatshervorming bijna volledig overnamen, hetgeen aan dit plan zijn tactische waarde ontnam en de tegenstanders van het samengaan van de PVV en de VU nieuwe argumenten verschafte om aan deze ongewone alliantie een einde te maken. Dit bondgenootschap was echter in de ogen van Verhofstadt en Gabriëls slechts een middel om tot een herschikking van het politieke landschap te komen, een doel waar beiden hardnekkig aan vasthielden. Gabriëls had in de VU immers al sedert enkele jaren gepleit voor een vernieuwing en hieraan eind 1987 concrete uitvoering gegeven door een aantal zogenaamde 'verruimingskandidaten' via verkiesbare plaatsen op de VU-lijsten naar het parlement te sturen. Een eigenlijke vernieuwing was dit echter nog steeds niet, zodat hij eind januari 1992, ook na de intrede van de VU in de Vlaamse regering aan de zijde van CVP en SP, doorging met zijn discrete contacten met Verhofstadt, hoewel een fusie, waaraan de PVV oorspronkelijk had gedacht, in de VU totaal onhaalbaar bleek. Uiteindelijk, eind maart-begin april 1992 namen Vik Anciaux en zijn zoon Bert openlijk het initiatief om Gabriëls en zijn steeds kleinere aanhang te kelderen. Na de verkiezing van Bert Anciaux tot voorzitter van de VU in opvolging van de uittredende Gabriëls werd deze laatste zelfs eind augustus 1992 uit de partij gestoten.

Intussen had Verhofstadt tijdens de eerste helft van 1992, tegelijk met zijn discrete contacten met Gabriëls en de VU, aan een basistekst voor een nieuwe politieke beweging gewerkt. Die stelde hij op 30 juni 1992 voor onder de titel De weg naar politieke vernieuwing. In een hoofdstuk dat volledig aan de Vlaamse problematiek was gewijd, pleitte Verhofstadt voor het eerst voor de omvorming van België tot een echte federale staat, met eigen financiële en fiscale verantwoordelijkheid voor de deelgebieden, onaantastbare grenzen, rechtstreekse verkiezing van de raden van de deelgebieden en een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Vlamingen in de organen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Bovendien vond hij "om het travaillistisch conglomeraat van belangengroepen dat thans aan het bewind is (te) doorbreken, één grote, liberaal geïnspireerde, democratische en (van de belangengroepen) onafhankelijke partij van de burger nodig".

Aan de voorbereiding en bekendmaking van dit manifest waren binnen de PVV maandenlange, zeer discreet gehouden besprekingen voorafgegaan, die het wantrouwen van talrijke oudere, vrijzinnige en belgicistische PVV'ers en van vele basismilitanten moesten wegnemen. Bovendien werden de geheime contacten uitgebreid tot enkele CVP'ers en vooral tot de denkgroep van een aantal conservatieve, katholieke Vlaamsgezinde intellectuelen rond de sinds een tiental jaar politiek dakloos geworden oud-VU-vooraanstaande Lode Claes. Uiteindelijk raakten intern en weldra ook in de kranten de namen bekend van enkele mogelijke 'verruimingskandidaten' uit industriële en universitaire kringen, vaak ook afkomstig uit de CVP en zelfs uit de SP. Hun aanvaarding binnen de PVV werd echter ondergeschikt gemaakt aan het advies van een aantal 'wijzen', onder wie Willy de Clercq, Frans Grootjans en Albert Maertens, vrijzinnigen die aan de wieg van de Vlaamse PVV hadden gestaan.

Een poging van een andere oudgediende van de PVV, Herman de Croo, om de verruimingsoperatie tegen te houden of minstens te onderwerpen aan een referendum, mislukte weliswaar door een harde reactie van het partijbureau, maar had toch tot gevolg dat een aantal mogelijke 'verruimers' gingen twijfelen om de grote stap te doen, terwijl in de liberale organisaties en verenigingen rondom de partij – ziekenfondsen, vakbond, Liberaal Vlaams Verbond, Willemsfonds – het scepticisme en de kritiek bijna openlijk aan de dag traden.

Toch werkte de PVV-top onder leiding van Annemie Neyts verder aan de beginselverklaring voor een nieuwe partij, die op 21 september 1992 aan de pers werd voorgesteld en die met een oproep tot een congres op 12 tot 15 november te Antwerpen, waar de nieuwe partij zou worden opgericht, in alle kranten als advertentie werd geplaatst. Aan dit congres zou immers iedereen die zich ervoor liet inschrijven, ook zonder lid te zijn van de PVV, kunnen deelnemen. Het succes ervan werd stilaan duidelijk, niet alleen door het dagelijks toenemend aantal prominenten van buiten de PVV die hun intentie te kennen gaven toe te treden, maar ook door een massale respons van gewone burgers, van wie er zich 2720 lieten inschrijven; onder hen meer dan een vierde niet-PVV'ers.

Op de eerste avond van het congres, donderdag 12 november 1992, besliste de PVV zichzelf op te heffen en een nieuwe partij te stichten. De critici zwegen of schaarden zich, zoals De Croo, uiteindelijk achter deze beslissing. 's Anderendaags begon – symbolischerwijze in een andere, nabijgelegen zaal – het oprichtingscongres van de nieuwe partij, waarvoor ongeveer 700 verruimingskandidaten zich hadden aangemeld. Onder hen, behalve Gabriëls en een aantal VU-kaderleden, niet zoveel bekende namen – een aantal VU-parlementsleden zou later volgen – tenzij het Brugse SP-Kamerlid en gewezen staatssecretaris Pierre Chevalier, wiens overkomst, mede omdat ze moeizaam was en voor enige suspense had gezorgd, grote indruk maakte.

De discussies over de Beginselverklaring en de 400 amendementen erop waren zeer levendig en duurden lang, vooral in verband met het voorgestelde referendum en de migranten. Wat de staatshervorming betreft, werd de oorspronkelijke tekst, die stelde dat de hele staatshervorming moest worden overgedaan, afgezwakt tot een vaag zinnetje waarin werd gezegd dat ze moest worden "herdacht en vereenvoudigd". Blijkbaar had zelfs bij de verruimers van VU-origine de politieke vernieuwing voorrang op hun vroegere hoofdthema, de staatshervorming. Dat was ook het geval tijdens de drie inhoudelijke congressen die de nieuwe partij, onder de naam "Vlaamse liberalen en democraten. Partij van de burger" inrichtte te Gent (22-24 oktober 1993), Hasselt (18-20 maart 1994) en Antwerpen (17-19 maart 1995). Zij waren respectievelijk gewijd aan de thema's 'Burgerdemocratie', 'De nieuwe sociale zekerheid' en 'Justitie en Veiligheid'. Die gingen bij de publieke opinie in belangstelling zeker voor op de staatshervorming, hoewel deze door het Sint-Michielsakkoord van 29 september 1992 tot nader order grotendeels was afgewerkt.

Liberale Partij, PVV, VLD en V.B. tussen 1918 en 1995: balans

De rol van de Liberale Partij tegenover de V.B. in de periode tussen de twee wereldoorlogen is hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend, negatief geweest. Bij de vernederlandsing van de universiteit van Gent en de taalwetten van 1932 inzake bestuur en onderwijs heeft zij er, meer dan de katholieke en socialistische partijen, toe bijgedragen de verwezenlijking van de Vlaamse eisen te vertragen, te verzwakken of teniet te doen door maatregelen ten voordele van de Franstaligen in Vlaanderen. Deze houding moet voornamelijk verklaard worden door het oligarchische karakter van de partijleiding, die overwegend in Franstalige, inzonderheid Brusselse, handen was, door de numerieke zwakte van de Vlaamse parlementaire vertegenwoordiging in het geheel van de partij enerzijds en door de kwalitatieve samenstelling van deze vertegenwoordiging anderzijds. Zij bestond voor het grootste deel uit leden van de verfranste burgerij in Vlaanderen, waarvan zij niet alleen de economische maar ook de taalkundige belangen en privileges verdedigde. Deze eenzijdige samenstelling van de liberale parlementaire vertegenwoordiging uit Vlaanderen was niet zozeer het gevolg van het bestaan zelf van een verfranste burgerij in Vlaanderen, als wel van een doelbewuste politiek die deze burgerij binnen de Liberale Partij, dankzij de verouderde, conservatieve en weinig democratische structuur van de lokale 'associaties' kon voeren en die erop gericht was het binnendringen in de partij van meer volks- en Vlaamsgezinde elementen te beletten. Dat deze politiek tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bijna overal kon slagen, ligt ook ten dele aan het Vlaams liberalisme zelf, zoals hierna wordt uiteengezet. Dat deze situatie van ongeveer 1960 af grondig veranderde, kan men niet alleen verklaren door de maatschappelijke wijzigingen die vooral van dat jaar af in het Vlaamse land zichtbaar werden, maar ook door het feit dat het Vlaams liberalisme, na enige aarzelingen en toegevingen aan de Brusselse en Waalse krachten in de PVV in de jaren 1966 tot 1968, zich eindelijk bewust werd van zijn eigen macht en mogelijkheden. Sindsdien is elke beslissende stap naar meer Vlaamse autonomie mede dankzij de PVV verwezenlijkt, zelfs als ze in de oppositie stond: de grondwetsherziening van 1971 met de culturele autonomie en het Cultuurpact, de voorlopige gewestvorming in 1974 en de staatshervorming van 1980. Heel wat artikels van het op 29 september 1992 door de meerderheidspartijen – met medewerking en steun van Agalev en de VU, maar zonder de PVV – bereikte Sint-Michielsakkoord werden bij de stemming over de grondwets- en wetswijzigingen die uit dit akkoord voortvloeien, mede door de VLD goedgekeurd, zoals onder meer de rechtstreekse verkiezing van de raden en de splitsing van de provincie Brabant. De VLD bleef echter, bij haar evaluatie van het akkoord, aandringen op een meer radicaal federalisme, met onder meer financiële en fiscale verantwoordelijkheid voor de deelgebieden, de gedeeltelijke federalisering van de openbare schuld en de sociale zekerheid, en de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde.

Het Vlaams Liberalisme: evolutie, rol en betekenis

Om de evolutie van het Vlaams liberalisme, als uitdrukking van de Vlaamse gedachte binnen en aan de rand van de Liberale Partij, tijdens en onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog te begrijpen, moet niet alleen gewezen worden op de hierboven aangestipte bloei van talrijke nieuwe Vlaamsgezinde en liberale sociale organisaties tussen 1900 en 1914 (Liberaal Vlaams Verbond, Help U Zelve, ziekenfondsen enzovoort), maar ook en vooral op de diverse strekkingen, stromingen, generaties en persoonlijkheden die de Vlaamse liberale beweging op een vrij bonte wijze schakeren, zodat hun evolutie tijdens en onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog dan ook vrij verscheiden was.

Omstreeks 1914 is een hele generatie liberale flaminganten uitgestorven: Peter Benoit (1901), Julius Vuylsteke (1903), Julius de Geyter (1905), Jan van Rijswijck (1906), Julius de Vigne (1908), Julius Sabbe (1910), Max Rooses (1914). Tot deze generatie behoorde ook Paul Fredericq (geboren in 1850), die kort na de Eerste Wereldoorlog overleed (1920).

Tot de volgende generatie behoorde een aantal Vlaamsgezinden, geboren in de jaren 1860-1880, die al vóór 1914 een zekere plaats in het Vlaams liberalisme verworven hadden, onder meer als parlementslid, en die na 1918 nog gedurende enkele jaren een leidende rol in de liberale rijen zouden spelen, zij het niet altijd meer als Vlaamsgezinde. De voornaamste onder hen was zeker Louis Franck, leider van de Liberale Vlaamsche Bond te Antwerpen en medeondertekenaar met Frans van Cauwelaert van het in 1911 ingediende wetsvoorstel tot vernederlandsing van de Gentse universiteit; naast hem de parlementsleden Leo Augusteyns, leider van de Liberale Volkspartij Help U Zelve te Antwerpen, Arthur Buysse, voorzitter van de Vooruitstrevende Liberale Volksbond te Gent, en verder Paul Lamborelle (Mechelen), Jan Persoons (Lokeren), V. van Cauteren (Dendermonde), Adolf Buyl (Oostende). Naast hen en tot dezelfde generatie behorend stonden enkele intellectuelen die minder rechtstreeks op het politieke vlak bedrijvig waren, zoals te Brussel Julius Hoste (jr.), eigenaar van Het Laatste Nieuws, te Gent prof. Jozef-Frederik Vercoullie, sedert 1919 algemeen voorzitter van het Willemsfonds, en Maurits Sabbe, eveneens actief in het Willemsfonds, eerst te Mechelen, later te Antwerpen. Tot deze groep moeten ook enkele intellectuelen gerekend worden die na 1918 geen rol meer zouden spelen in de Vlaamse liberale beweging, doordat zij tijdens de Eerste Wereldoorlog in het activisme terechtkwamen: Hippoliet Meert, Marten Rudelsheim, dr. Adriaan Martens en, in een zekere mate, Lodewijk de Raet, die echter in 1914 voortijdig overleed. De aanhang van het activisme bij de groep intellectuele liberale flaminganten, vooral bij de jongeren, is relatief belangrijk geweest. Zij waren hoofdzakelijk terug te vinden bij het Willemsfonds, dat hierdoor na 1918 een gevoelige aderlating onderging. Dat verklaart wellicht het opvallende gebrek aan leidende intellectuele persoonlijkheden in de Vlaamse liberale gelederen tussen beide wereldoorlogen, waarin alleen namen als Hoste (jr.), Vercoullie en Sabbe als zodanig genoemd kunnen worden. Dit is zeker een van de belangrijke factoren van verzwakking van het Vlaams liberalisme geweest in die periode, in tegenstelling tot de periode vóór 1914, waarin liberale intellectuelen de V.B. eigenlijk beheersten. Hun plaats werd na 1918 door katholieke intellectuelen ingenomen.

Daarentegen belandde ook aan liberale zijde, met uitzondering van de Antwerpse liberale volksvertegenwoordiger Augusteyns, die in 1916 voorzitter werd van de Bond tot bevordering van de Vlaamsche Hoogeschool te Gent, met als secretarissen de liberalen Meert en Rudelsheim, doch die zich evenals laatstgenoemde in 1917 van de activistische Raad van Vlaanderen distantieerde, geen enkel parlementslid in het activisme. Dit had hun sterkte kunnen zijn na 1918 en dat is het voor enkele krachtige persoonlijkheden, zoals bijvoorbeeld Louis Franck, inderdaad ook geweest. Doch ook hier heeft het Vlaams liberalisme met belangrijke factoren van verzwakking af te rekenen gehad.

In de eerste plaats heeft een aantal van deze parlementsleden, onder druk van de na 1918 overheersende anti-Vlaamse atmosfeer en in verband hiermede soms wellicht uit opportunisme, hun Vlaamsgezindheid van vóór 1914 aanzienlijk verzwakt of soms zelfs verloochend. Typisch voor dit laatste geval is bijvoorbeeld de Gentse volksvertegenwoordiger Arthur Buysse, die, uitgeweken naar Nederland, aldaar in 1915 nog met Hoste (jr.) en Frans van Cauwelaert een Vlaamsgezind manifest van de passivisten in De Vlaamsche Stem medeondertekende. In 1917 echter nam hij op de stichtingsvergadering zelf ontslag uit het door Van Cauwelaert en Hoste opgerichte Vlaamsch-Belgisch Verbond, waarvan hij nochtans de beginselverklaring had ondertekend. Hij deed dat omdat Van Cauwelaert had geweigerd een motie tegen de activisten aan de stemming over de statuten te laten voorafgaan. In 1919 koos Buysse, tegen een nochtans gematigd Vlaamsgezinde als Paul Fredericq in, de zijde van de franskiljonse Gentse liberale associatie, bestreed in de poll aldaar de Vlaamsgezinde vereniging Help U Zelve en ondertekende in 1920 een amendement-Albert Mechelynck op het wetsvoorstel tot vernederlandsing van Gent, dat de instandhouding van de Franstalige universiteit moest waarborgen. Adolf Buyl, sedert 1921 burgemeester van Elsene, volgde dezelfde koers.

Andere parlementsleden, zoals Lamborelle te Mechelen, hoewel trouw aanwezig op de vergadering van het Willemsfonds waar Hoste de radicale vernederlandsing van Gent kwam verdedigen, matigden in 1919 hun houding ten aanzien van dit probleem en verwierpen een radicale oplossing. Nog anderen, zoals senator Nikolaas J. Cupérus, in 1919 op 78-jarige leeftijd tot voorzitter van het Antwerpse Willemsfonds gekozen – wellicht wegens een door het activisme veroorzaakt gebrek aan jonge elementen – of zoals de zeer Vlaamsgezinde dr. Jan Persoons uit Lokeren, verdwenen om leeftijds- of andere redenen respectievelijk in 1919 en 1921 uit het parlement.

Aldus bleef van de vooroorlogse groep liberale Vlaamsgezinde parlementsleden eigenlijk alleen Louis Franck over, toen na 1921 de strijd voor de vernederlandsing van Gent voor de eerste maal in een beslissende fase kwam. Hij had naast zich in het parlement slechts enkele medestanders uit het Antwerpse, zoals G. Royers en A. Homans (Turnhout), en uit Brugge de in 1921 gekozen, evenals Buysse met de zusters Rosalie en Virginie Loveling verwante, Jules Boedt. Franck was daarenboven van 1918 tot 1924 zonder onderbreking minister, hetgeen zijn bewegingsvrijheid als Vlaamsgezind liberaal ten zeerste beperkte. In december 1918 bevestigde hij nog dat hij op het standpunt bleef dat hij vóór 1914 met betrekking tot de vernederlandsing van Gent had verdedigd, doch hij legde reeds de nadruk op de geleidelijkheid waarmee deze verwezenlijkt moest worden. Toen hij op 18 juli 1923 in de senaat de Nolf-wet verdedigde, deed hij dit met de erkenning dat zijn vroeger voorstel beter was, doch dat er "iets" gedaan moest worden. Toen hij in september 1926 benoemd werd tot gouverneur van de Nationale Bank en derhalve het parlement verliet, eindigde niet alleen zijn politieke carrière doch tegelijkertijd die van het Vlaams liberalisme op parlementair vlak.

De verkiezingen van 5 april 1925 hadden immers voor de Vlaamse liberalen een zware nederlaag betekend en in de plaatselijke liberale associaties was er al sedert jaren voor gezorgd dat zo weinig mogelijk Vlaamsgezinden een verkiesbare plaats op de kandidatenlijsten bekleedden. Dit was een derde zwakheid van het Vlaams liberalisme, die op de meest treffende wijze geïllustreerd wordt door de gang van zaken te Gent. Hier had de Liberale Associatie in oktober 1919 beslist dat niemand kandidaat mocht zijn voor de poll, indien hij niet tegen de vernederlandsing van de universiteit gekant was, waarop zelfs de gematigde Fredericq, die als rector van de opnieuw geopende Franstalige Gentse universiteit op 21 janauari 1919 bedekt voor een tweetalig karakter ervan had gepleit, met een afscheuring van de Vlaamse liberalen dreigde. Dankzij deze tussenkomst kon K. Savonie, voorzitter van de Vlaamsgezinde vereniging Help U Zelve, deelnemen aan de poll en kwam hij bij de stemming voor de eerste plaats zelfs in ballotering met de franskiljonse burgemeester Emile Braun. Toen er enkele dagen later opnieuw gestemd werd, verdrongen de franskiljons, met hulp van Buysse, Savonie naar een onverkiesbare zevende plaats. Geen wonder dat voor de daaropvolgende verkiezingen van 1921 een afzonderlijke Vlaamse liberale lijst, aangevoerd door Vercoullie van Help U Zelve, werd ingediend. Met haar 3047 stemmen haalde zij echter geen zetel, evenmin als te Brussel, waar de Liberale Vlaamsche Volksbond afzonderlijk opkwam en 3479 stemmen behaalde. Door deze nederlagen was het politieke Vlaams liberalisme te Gent en te Brussel uitgeschakeld en bij de verkiezingen van 1925 werd het mislukt experiment van 1921 niet herhaald: Herman Teirlinck stelde zich te Brussel met de achtste plaats op de kandidatenlijst voor de Kamer tevreden, haalde 3325 voorkeurstemmen en werd niet verkozen.

Te Antwerpen lagen de zaken voor de Vlaamsgezinden aanvankelijk natuurlijk gunstiger, niet alleen wegens de invloed van Franck, als vertegenwoordiger van de Liberale Vlaamsche Bond steeds eerste kandidaat voor de Kamer, maar ook wegens de numerieke aanhang van andere Vlaamsgezinde liberale verenigingen, zoals de Liberale Volkspartij Help u Zelve (ondanks de overgang van een deel ervan, onder leiding van de gewezen liberale volksvertegenwoordiger en oud-activist Leo Augusteyns, naar de Frontpartij), met Cuperus (eerste plaats Senaat in 1919), Victor Resseler (zesde plaats Kamer in 1919) en Karel Weyler (vierde plaats Kamer in 1921), het Vooruitstrevend Democratisch Verbond met G. Royers (derde plaats Kamer in 1919, eerste plaats Senaat in 1921), het Liberaal Werkersverbond met E. Pecher (vierde plaats Kamer in 1919, derde plaats in 1921). De franskiljonse Liberale Associatie, voorgezeten door de Nederlandsonkundige advocaat Fribourg en de Franstalige burgemeester L. Strauss, slaagde er niettemin in, reeds in 1919 en 1921, telkens de tweede plaats op Kamer- en senaatslijst te bezetten. Dit was mede te danken aan de onrechtstreekse steun, haar verleend door de van anti-activisme en antiklerikalisme bezeten De Nieuwe Gazet, geleid door August Monet, die volgens haar toenmalige aartsvijand Het Laatste Nieuws in feite de Liberale Associatie steunde en er de schuld van was dat de liberale lijst in Antwerpen niet Vlaamsgezinder was. Met deze beschuldiging raken we de vierde zwakke plek in het Vlaams liberalisme, de verdeeldheid en het gebrek aan dynamisme.

Deze verdeeldheid kwam niet alleen tot uiting in de open vijandschap tussen de twee Nederlandstalige liberale kranten Het Laatste Nieuws en De Nieuwe Gazet, die eerstgenoemde krant "het hoofdorgaan der activisten" noemde (1919) en haar directeur Julius Hoste (jr.) een "beschaamde activist". Zij openbaarde zich ook in het feit dat bijvoorbeeld de bovengenoemde Vlaamse liberale verenigingen te Antwerpen er met het oog op de verkiezingen nauwelijks in slaagden een zekere samenwerking tot stand te brengen en in de terughoudendheid van verscheidene Vlaamse liberale verenigingen tegenover het door Frans van Cauwelaert en Hoste in 1919 opgerichte Algemeen Vlaamsch Verbond, een overigens niet geslaagde poging tot groepering van alle Vlaamsgezinde verenigingen op basis van een minimalistisch Vlaams programma (minimumprogramma).

Een uiting van het gebrek aan dynamisme ten slotte was de traagheid waarmee het in 1913 opgerichte Liberaal Vlaams Verbond na 1918 zijn werkzaamheden hervatte: dankzij de stuwkracht van Hoste, die er samen met Maurits Sabbe, Jules Boedt en F. Poot in de eerstvolgende jaren de leidende rol zou spelen, kwam het eindelijk eind augustus 1919 te Brussel voor het eerst opnieuw in congres bijeen. Hetzelfde trage herstel constateert men bij het Willemsfonds, dat zijn eerste algemene vergadering na het eind van de Eerste Wereldoorlog pas op 30 november 1919 te Gent hield. Zekere moeilijkheden ten gevolge van de deelneming aan het activisme door een aantal zijner bestuursleden zijn hieraan wellicht niet vreemd: bewijzen daarover heeft men te Antwerpen in 1918-1919 en zelfs nog op de eerste algemene vergadering te Gent, waar de uitsluiting van gewezen activisten aanleiding gaf tot meningsverschillen. Niettemin waren het Liberaal Vlaams Verbond en het Willemsfonds, met hun plaatselijke afdelingen, de enige liberale verenigingen die een ondubbelzinnig Vlaamsgezind standpunt zouden innemen tijdens de windstilte, de ontmoediging en de machteloosheid die het Vlaams liberalisme van de verkiezingen van 1925 af en het vertrek van Franck uit de politiek in 1926 kenmerkten. Het optreden van beide verenigingen loopt overigens in deze periode opvallend parallel, hetgeen waarschijnlijk toegeschreven mag worden aan de invloed van Hoste in beide verenigingen. Die is na de terugtrekking van Franck, mede dankzij de beschikking over Het Laatste Nieuws, de enige markante leider van een minimalistische doch beginselvaste liberale Vlaamsgezindheid gebleven. De invloed van Hoste, het Liberaal Vlaams Verbond en het Willemsfonds op de liberale partij was overigens gering, daar zij zich meer en meer van deze partij distantieerden, waarin nog alleen de Antwerpenaren Angel Boeckx en L. Joris, en de Bruggeling Jules Boedt als parlementsleden het Vlaams liberalisme vertegenwoordigden en af en toe posities innamen die recht tegen die van de Liberale Partij ingingen, waarvoor zij dan ook telkens door het Liberaal Vlaams Verbond gelukgewenst werden. Dit was het geval in verband met het vraagstuk van de amnestie voor activisten, waarin zowel het Willemsfonds als het Liberaal Vlaams Verbond in 1926-1927 een tegemoetkomend standpunt innamen en waarvoor Boeckx als enig liberaal parlementslid meeliep in de grote Vlaamse betoging van 23 mei 1937 te Brussel. Dit was vooral het geval in verband met de taalkwestie, waarover het Liberaal Vlaams Verbond en het Willemsfonds in 1929 bijna gelijktijdig een haast gelijkluidend standpunt bekendmaakten, waarin de eentaligheid van Vlaanderen werd geëist met als consequenties: de volledige vernederlandsing van de Gentse universiteit, de stichting van Vlaamse academies, de oprichting van eentalige eenheden in het leger, de volledige vernederlandsing van het gerecht, de aanpassing van de centrale besturen aan de eentaligheid van Vlaanderen, de wetenschappelijke vaststelling van de taalgrens enzovoort. Na de goedkeuring in het parlement van de vernederlandsing van de Gentse universiteit in 1930 en van de taalwetten van 1932 hoorde men nog weinig van het Liberaal Vlaams Verbond of het Willemsfonds. Het is zelfs typerend dat het Willemsfonds geen deel uitmaakte van het in maart 1935 opgerichte Verbond van Vlaamsche Cultuurvereenigingen, waarbij het Davidsfonds, het Verbond der Vlaamse Oud-strijders, het Vlaams Economisch Verbond, de Vlaamse Toeristenbond en andere verenigingen aangesloten waren en dat het begin betekende van een nieuw Vlaams offensief waarvan een algemene staatshervorming, met als inzet de culturele autonomie, het hoofdthema werd. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat de V.B. in die jaren meer en meer door rechts-autoritaire en katholieke stromingen werd beheerst, hetgeen wellicht mede de liberale afzijdigheid verklaart.

In diezelfde jaren daarentegen wordt wel een eerste interne kentering in het Vlaams liberalisme merkbaar. Enkele nieuwe Vlaamse liberale parlementsleden worden in 1936 gekozen, onder wie de Vlaamsgezinden Arthur Vanderpoorten te Lier en F. Desmidt te Brugge. Anderzijds sturen sommige liberale associaties vertegenwoordigers naar het parlement die, hoewel zelf niet Vlaamsgezind, toch meer begrip voor de Vlaamse zaak hadden dan hun voorgangers, zoals Maurice Lippens en A. Mariën te Gent en Adolf van Glabbeke te Oostende. Aan de Gentse universiteit komt naast de franskiljonse "Gé libérale" in 1936 het reeds in 1931 gestichte Liberaal Vlaams Studentenverbond voorgoed van de grond, dat vooral na 1945 enkele vooraanstaande leidende Vlaamse liberale figuren zou leveren. Het belangrijkste en meest kenmerkende feit in deze kentering lijkt ons nochtans de opneming in 1936 in de tweede regering-Paul van Zeeland van Hoste (jr.) als minister van openbaar onderwijs, ondanks het feit dat hij geen parlementair mandaat bekleedde. Maar misschien werd deze benoeming mede bepaald door een combinatie van toevallige factoren bij de kabinetsformatie. Voor het Vlaams liberalisme betekende dit echter niet alleen een erkenning, maar bovendien een grote winst aan prestige in de Liberale Partij. Hetzelfde kan gezegd worden in verband met het ministerschap dat in de tweede regering-Hubert Pierlot (18 april 1939) aan Vanderpoorten werd toegewezen en dat hij, door de tragische meidagen van 1940 heen, tot in de zomer van 1940 bleef waarnemen. In de regering te Londen anderzijds, waarin hij van 1942 af als staatssecretaris was opgenomen, kon Hoste het Vlaams liberalisme opnieuw vertegenwoordigen, hetgeen – samen met de vaderlandse houding van alle Vlaamse liberale voormannen tijdens de Tweede Wereldoorlog – een garantie was voor de heropleving van het Vlaams liberalisme na de bevrijding.

Deze heropleving is nochtans, mede door het algemene politieke klimaat na de Tweede Wereldoorlog, vrij traag op gang gekomen. Hoste werd in de talrijke regeringen waaraan de liberalen deelnamen, geen minister meer, al werd hij in 1949 als derde op de liberale lijst te Brussel voor het eerst tot senator gekozen. Misschien biedt zijn eerder koningsgezinde houding in een periode van overwegend anti-leopoldistische regeringen hiervoor een verklaring. Een andere Vlaamsgezinde liberale oud-minister, Vanderpoorten, was in februari 1945 in het concentratiekamp van Bergen-Belsen overleden. Als Vlaamse liberale ministers vindt men dan ook in deze jaren slechts de namen van Van Glabbeke (Oostende), R. Godding (Antwerpen), P. Kronacker (Leuven), A. Lilar (Antwerpen) en H. Liebaert (Gent), die moeilijk als overtuigde Vlaamsgezinden beschouwd kunnen worden. In vergelijking met de toestand onmiddellijk vóór de Tweede Wereldoorlog had het Vlaams liberalisme dus ongetwijfeld aan invloed op het nationale vlak verloren. De voorzitter van het Liberaal Vlaams Verbond sedert 1945, Victor Sabbe uit Brugge, werd in 1949 voor korte tijd tot Kamerlid gekozen, doch verdween met de nederlaag van de Liberale Partij in Vlaanderen bij de verkiezingen van 4 juni 1950 weer uit het parlement.

In de jaren 1950 veranderde er aan deze situatie weinig, integendeel. Hoste overleed in 1954 en Sabbe in 1958. Pas tegen het eind der jaren 1950 werden de eerste tekenen van een kentering zichtbaar. Enkele jonge Vlaamsgezinde liberalen zoals Herman Vanderpoorten, die in 1957 Sabbe als voorzitter van het Liberaal Vlaams Verbond was opgevolgd, Willy de Clercq, gewezen voorzitter van het Liberaal Vlaams Studentenverbond te Gent, en Frans Grootjans – allen leden van het Liberaal Vlaams Verbond – deden hun intrede in het parlement. De Clercq werd zelfs vrij snel, in 1960, minister-onderstaatssecretaris in de regering-Gaston Eyskens. Het Willemsfonds, dat in 1951 zijn honderdjarig bestaan luisterrijk had gevierd, kreeg met prof. Hans van Werveke een nieuwe en zeer Vlaamsgezinde voorzitter die de samenwerking met andere Vlaamsgezinde verenigingen, zoals het Davidsfonds en het Vermeylenfonds, niet meer schuwde en weldra resoluut stelling koos in de tegen 1960 oplaaiende twisten over het houden van de talentelling en het vastleggen van de taalgrens.

Van het begin van de jaren 1960 af kreeg het Vlaams liberalisme aldus niet alleen kwantitatief en kwalitatief opnieuw een zekere omvang en betekenis, doch weldra speelde het ook in de in 1961 opgerichte PVV een rol die zo belangrijk werd dat van dat ogenblik af de geschiedenis van het Vlaams liberalisme niet meer los van de geschiedenis van de partij behandeld kan worden (zie hierboven).

Balans van de verhouding Liberale Partij, PVV, VLD – Vlaams liberalisme tussen 1918 en 1995

Als men de balans opmaakt van de wederzijdse beïnvloeding van de Liberale Partij en het Vlaams liberalisme sedert 1918 komt men tot de volgende conclusies. In de jaren 1918 tot 1925 is het Vlaams liberalisme nog vrij sterk binnen de partij en slaagt het erin de vernederlandsing van de Gentse universiteit, hoewel in een zeer verminkte vorm, door de partij te doen aanvaarden. De rol van Louis Franck is hierbij determinerend geweest. Tegelijkertijd echter is het Vlaams liberalisme op de terugtocht: zijn aanhang vermindert en het evolueert naar minder radicale standpunten op Vlaams gebied, hoofdzakelijk onder druk van het zegevierende franskiljonisme in de partij. Van 1926 tot 1936 staat het Vlaams liberalisme, nog enkel gedragen door het Liberaal Vlaams Verbond en het Willemsfonds, vrijwel buiten de partij en oefent er bijgevolg weinig of geen invloed meer op uit. Weliswaar hebben in het parlement nog twee tot drie Vlaamsgezinde liberalen zitting die het Liberaal Vlaams Verbond trouw blijven, doch het waren geen leidersfiguren. De enige leidersfiguur van de Vlaamse liberalen in die jaren stond buiten het parlement: Julius Hoste (jr.), die zich met zijn machtig persorgaan Het Laatste Nieuws reeds zeer sterk van de partij had gedistantieerd, meer aandacht besteedde aan de samenwerking van de Vlaamsgezinden buiten het parlement en daardoor in de schaduw bleef van zijn katholieke bondgenoot Frans van Cauwelaert, hetgeen hem zelfs verweten werd door vele Vlaamse, meer aan hun partij gebonden liberalen, wier spreekbuis de Antwerpse De Nieuwe Gazet was. In hem leefde iets voort van het zelfstandig optreden dat de Brusselse Vlaamsgezinde liberalen reeds lang vóór 1914 had gekenmerkt. In 1936 echter, met Hostes benoeming tot extraparlementair minister, kwam zijn erkenning op het politieke vlak. Die straalde af op het Vlaams liberalisme, dat schuchtere tekenen van nieuwe levenskracht begon te vertonen, doch nog steeds niet bij machte was de Liberale Partij van binnenuit daadwerkelijk te beïnvloeden. Deze situatie duurde ook na de Tweede Wereldoorlog nog vrij lang voort, tot tussen de jaren 1950 en 1960 een generatieaflossing in het Vlaams liberalisme plaatsvond, die overigens niet losstond van de ontwikkeling in Vlaanderen in het algemeen en in de V.B. in het bijzonder. Verscheidene nieuwe leidende figuren traden op de voorgrond, zowel binnen als buiten de partij. Er straalde weldra van het Liberaal Vlaams Verbond en van het Willemsfonds een meer radicale Vlaamsgezindheid uit, die gelijke tred hield met de algemene doelstellingen van de V.B. in het begin van de jaren 1960. De dragers van deze ideeën vonden nu ook binnen de tot PVV hervormde vroegere Liberale Partij erkenning en vormden er een steeds breder wordend front van Vlaamsgezinde parlementsleden, dat in het Liberaal Vlaams Verbond verankerd lag en dat zijn voedingsbodem vond in de door het Willemsfonds verdedigde Vlaamse standpunten. Na gedurende enkele jaren met grote vrijheid binnen de partij en in het parlement deze standpunten te hebben verdedigd, worden de meest vooraanstaande parlementsleden van het Liberaal Vlaams Verbond in 1966 minister. In het vooruitzicht daarvan hadden zij echter reeds, onder druk van de om de eensgezindheid van zijn regeringspartij bezorgde partijvoorzitter Omer Vanaudenhove, belangrijke principiële toegevingen aan de Franstalige Brusselaars en Walen in de PVV moeten doen, die zij echter door handig politiek schipperen niet ten uitvoer behoefden te brengen. Zij waren daarentegen wel verplicht, onder druk van de door het Willemsfonds geleide groepering van alle niet-partijpolitieke Vlaamse verenigingen, als minister bepaalde voor de Vlamingen gunstige wettelijke maatregelen ten uitvoer te leggen, hetgeen in de PVV hevige spanningen veroorzaakte, die ten slotte, na de val van de regering in 1968, aan de Vlaamse liberalen hun volle vrijheid op Vlaams gebied teruggaven. Voor het eerst in de geschiedenis van de partij veranderde haar verhouding tot het Vlaams liberalisme grondig, daar dit laatste, in het kader van een zogenaamde regionalisatie van de partij, voortaan ongehinderd de Vlaamsgezinde standpunten kon innemen die in 1971 ook door een autonome Vlaamse PVV gedeeld werden. De identificatie tussen het Vlaams liberalisme en de partij in het Vlaamse land scheen in 1971 niet ver meer af.

Dit betekent niet dat de organisaties en verenigingen die buiten de Liberale Partij en nog gedeeltelijk en tijdelijk buiten de PVV, het Vlaams liberalisme hebben gedragen, in de Vlaamse PVV zijn opgegaan. Hoewel zij op sommige ogenblikken en voor sommige problemen met politieke of ethische inslag samenwerkten met de PVV, bleven het Liberaal Vlaams Verbond, het Willemsfonds en natuurlijk ook de ziekenfondsen en de liberale vakbond onafhankelijk tegenover de partij. Daarbij namen zij vaak kritische en ten opzichte van de partij afwijkende standpunten in. Het minst was dit laatste het geval in het Liberaal Vlaams Verbond, waaruit de Vlaamse PVV grotendeels – en zeker wat de leiding ervan betreft – is voortgekomen. Het Liberaal Vlaams Verbond, dat lange tijd de Vlaamse schaduwpartij van Liberale Partij en zelfs van PVV was geweest, vond met enige moeite een nieuwe rol als denkgroep van de Vlaamse PVV, vooral inzake Vlaamse, levensbeschouwelijke en sociale problemen. Het Willemsfonds vond toenadering tot de partij bij de voorbereiding van het Cultuurpact (1971), in de strijd tegen het Egmontpact (1977-1978) en in het debat over de liberalisering van de abortus (1990). Het nam echter afwijkende standpunten in betreffende de drieledige staatshervorming van 1980, het statuut van de BRT, de schoolpolitiek en de subsidiëring van de volksontwikkeling. Ziekenfondsen en vakbond kregen het moeilijk met de PVV toen PVV-voorzitter Guy Verhofstadt vooral vanaf 1987 naar een grondige politieke vernieuwing streefde, waarbij de rol van deze organisaties in het politieke leven zou worden teruggeschroefd en binnen de partij zelfs uitgeschakeld. Hierin wil de in 1995 nieuw verkozen voorzitter Herman de Croo, uitgaande van een meer sociaal dan radicaal liberalisme, verandering brengen.

Literatuur

T. Coopman en J. Broeckaert, Bibliographie van den vlaamschen taalstrijd, 1787-1886, 10 dln., 1904-1914; 
P. Fredericq, Schets eener geschiedenis der Vlaamsche Beweging, 3 dln., 1906-1909; 
M. Basse, De Vlaamsche Beweging van 1908 tot 1930, 2 dln., 1933; 
L. Picard, Geschiedenis van de Vlaamse en Grootnederlandse Beweging, 2 dln., 1937-1959; 
C.H. Höjer, Le régime parlementaire belge de 1918 à 1940, 1946; 
Gedenkboek Liberaal Vlaams Studentenverbond 1930-1955, 1955; 
G. Albert, Vijftig jaar liberalisme in Vlaanderen, 1963; 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, 4 dln., 1963-1965; 
id., 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, 1969; 
A.W. Willemsen, 'De Vlaamse Beweging', in Twintig Eeuwen Vlaanderen, IV-V, 1974-1975; 
Gedenkboek 125 Jaar Willemsfonds 1851-1976, 1977; 
P. Lefèvre, 'Démocratisation du libéralisme belge: l'example brugeois', in BTNG, jg. 8, nr. 1-2 (1977), p. 185-206; 
E. Witte, De Belgische Vrijdenkersorganisaties (1854-1914), 1977; 
E. Gubin, Bruxelles au XIX siècle: berceau d'un flamingantisme démocratique 1840-1873, 1979; 
H. van Werveke, Paul Fredericq in de spiegel van zijn dagboek, 1979; 
P. Lefèvre, 'Le mouvement libéral flamand à Bruges (1872-1940)', in BTFG, jg. 58, nr. 2 (1980), p. 382-392; 
P. Simon, 'De verfransing van het stedelijk lager onderwijs te Gent: Vlaamsgezinde onderwijzers en het verfranste liberale stadsbestuur (1867-1872)', in WT, jg. 39, nr. 3 (1980), p. 154-165; 
M. Reynebeau, 'Het Vlaams Verbond als politiek experiment (Gent 1861-1862)', in BMGN, jg. 96, nr. 3 (1981), p. 491-508; 
H. van Velthoven, De Vlaamse kwestie 1830-1914. Macht en onmacht van de Vlaamsgezinden, 1982; 
J. Verschaeren, Julius Vuylsteke. Klauwaard en Geus (1863-1903), 1984; 
id., 'La Flandre Libérale en de Vlaamse Beweging (1874-1884)', in WT, jg. 43, nr. 3 (1984), p. 129-141; 
Th. Luykx en M. Platel, Politieke geschiedenis van België van 1789 tot 1985, 19855; 
Karel Buls, Wereldburgers met een hart voor Brussel, 1837-1914, 1987; 
D. Verkinderen, Het Van Crombrugghe's Genootschap van 1857 tot 1875, 1988; 
A. Rydant, Verdeeldheid in de eenheid. Analyse van het besluitvormingsproces in de Liberale Partij en de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (1958-1966), VUB, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1988; 
Vader Hoste, 1989; 
A. Verhulst en H. Hasquin, Het liberalisme in België. Tweehonderd jaar geschiedenis, 1989; 
M. Bots, Beknopte Geschiedenis van de Liberale Partij, 1989; 
I. de Schuyter, Geschiedenis van het Belgisch liberalisme, 1830-1987. Een selectieve bibliografie, 1989; 
Histoire de la Ligue de l'Enseignement, 1990; 
E.C. Coppens, P. Fredericq, 1990; 
V. Adriaens, Liberalisme op het Zuid-Oostvlaamse platteland in de 19de eeuw, 1991; 
J. Bouveroux, De partij van de burger. De verruiming van de Vlaamse liberalen, 1992; 
H. van Velthoven, E. de Laveleye en de Vlaamse kwestie, 1992; 
M. Bots (e.a.), Het Willemsfonds van 1851 tot 1914 (Bijdragen Museum van de Vlaamse Sociale Strijd, nr. 9, 1993); 
L. Hancké, Jan van Rijswijck. Boegbeeld van het sociale liberalisme, 1993; 
J. Tyssens, Strijdpunt of pasmunt? Levensbeschouwelijk links en de schoolkwestie, 1918-1940, 1993; 
S. Govaert, 'Du PLP au VLD', in Courrier hebdomadaire du CRISP, nrs. 1501-1502, 1503-1504 (1995); 
J. Tyssens en E. Witte, De Vrijzinnige traditie in België. Van getolereerde tegencultuur tot erkende levensbeschouwing, 1996.

Auteur(s)

Els Witte; Adriaan Verhulst