Liberaal Vlaams Verbond (LVV)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

autonome sociaal- progressieve en Vlaamsgezinde vereniging, opgericht onder de naam Verbond van Vlaamsche Liberale Kiezerskorpsen, op 5 oktober 1913 als een direct gevolg van het tweede Liberaal Congres voor de Vlaamse Gewesten.

Reeds in oktober 1913 werd de vereniging omgedoopt tot LVV. Stichters waren enerzijds oudgedienden als Max Rooses, Julius Hoste (sr.), en Paul Fredericq, maar anderzijds ook jonge volksvertegenwoordigers als Leo Augusteyns, Arthur Buysse, Adolf Buyl, en Paul Lamborelle. Eerste voorzitter en secretaris werden respectievelijk Emile de Puydt en Leo van Hoorick.

De stichting van het LVV situeerde zich in een context van verhoogde 'communautaire' spanningen, met op de achtergrond de eis van de vernederlandsing van de Gentse universiteit, de gekende incidenten rond het taalgebruik op de Wereldtentoonstelling van 1913 en Jules Destrées Lettre au Roi sur la séparation de la Wallonie et de la Flandre (1912). Met het LVV wilden de stichters zowel het liberalisme in Vlaanderen als de Vlaamse belangen in België verdedigen. Daarvoor wilde men binnen het LVV de krachten van de regionale Vlaams-liberale verenigingen bundelen. Tot aan de Tweede Wereldoorlog was het LVV dan ook hoofdzakelijk een soort overkoepelend en coördinerend orgaan voor liberale kiesverenigingen, liberale Vlaamse bonden, afdelingen van het Willemsfonds en politiek geëngageerde clubs en groepen (zoals bijvoorbeeld Help U Zelve). De eerste concrete eisen waren het algemeen stemrecht, een sociale verzekering, en de vernederlandsing van de Gentse universiteit (onderwijs).

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam een aantal leidende figuren als Augusteyns en Adriaan Martens terecht in het activisme, zodat na 1918 een nieuwe groep in het LVV naar voren trad, waaronder Louis Franck, vader en zoon Hoste, Jef Mennekens, Edward Pecher, Maurits Sabbe, Herman Teirlinck, Hendrik van Tichelen, en Emmanuel de Veen. Jules Somers werd voorzitter. Ook binnen het Algemeen Vlaamsch Verbond (6 juli 1919) waren de LVV'ers goed vertegenwoordigd via onder meer Sabbe, Van Tichelen, Mennekens, en Hoste. Somers bleef voorzitter tot 1923 en was dat opnieuw van 1934 tot 1940. In de tussenliggende periode waren achtereenvolgens Arthur Vanderpoorten (1923-1926), Jean Sach (1926-1928) en Jules Boedt (1928-1934) voorzitter.

Het sociaal-progressieve en Vlaams-liberale programma van het LVV bracht het niet enkel in botsing met de Franstalige Liberale Associaties (vooral te Brussel en Gent), maar ook met de leiding van de liberale partij. De tegengestelde visies werden in 1920 duidelijk naar aanleiding van de bespreking van het wetsvoorstel aangaande taalgebruik bij openbare besturen op het liberaal congres van 16 oktober 1920. De scheiding der geesten die daar voor iedereen duidelijk werd, leidde bij de parlementsverkiezingen van 20 november 1921 zelfs tot het indienen van aparte LVV-lijsten in Gent en Brussel onder de naam Vlaamsche Liberale Democraten. Gezien de tegenvallende resultaten veranderde het LVV in 1925 van strategie en besloot de vereniging Vlaamsgezinden op liberale lijsten te steunen (zoals Herman Teirlinck, die dat jaar op de Brusselse liberale Kamerlijst stond, zonder evenwel te worden verkozen). Ook het feit dat het LVV amnestie voor sommige activisten verdedigde, leidde in de jaren 1920 tot problemen met de liberale partij. Het LVV onderhield wel goede contacten met het Willemsfonds, dat vanaf 1929 de LVV- eisen (zoals onder meer een eentalig Vlaanderen, de vastlegging van de taalgrens, vernederlandsing van het gerecht, en eentalige legereenheden) ondersteunde. De conflicten met de liberale partij bleven sluimerend aanwezig. Tijdens de behandeling van de taalwetten van 1932 (bestuur en onderwijs) kwamen ze opnieuw aan de oppervlakte. De werkelijke invloed van het LVV op de liberale partij bleef echter steeds zeer beperkt.

Vanaf 1936 lagen de kaarten aanzienlijk beter voor het LVV toen Vanderpoorten provinciaal senator werd en Julius Hoste (jr.) minister van openbaar onderwijs. In 1939 werd Vanderpoorten zelfs minister van openbare werken en daarna van binnenlandse zaken. Ook het gering aantal stemmen van de liberale partij bij de verkiezingen van 2 april 1939 in Vlaanderen deed een alarmbel bij de Franstalige liberalen rinkelen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag de werking van het LVV noodgedwongen stil.

Na de bevrijding werd de vereniging onder impuls van Hoste jr. en Albert Maertens snel heropgestart, met Victor Sabbe als voorzitter, Louis Boeckx en Hoste jr. als ondervoorzitters en Marcel Stijns als algemeen secretaris. Herman Vanderpoorten volgde in 1957 Sabbe op als voorzitter.

Het orgaan van het LVV werd vanaf 11 augustus 1945 het reeds sinds 1867 bestaande liberale weekblad Het Volksbelang. Hoewel er in tegenstelling tot na de Eerste Wereldoorlog nu weinig figuren wegvielen omwille van een collaboratieverleden, nam het LVV in het naoorlogse anti-Vlaamse klimaat een zeer voorzichtige houding aan. Wel ijverde de vereniging voor de afschaffing van de talentelling van 1947 en eiste ze een betere toepassing van de taalwetten uit de jaren 1930. Tot 1960 pleitte het LVV tegen federalisme, maar voor verregaande decentralisatie.

Het LVV steunde de omvorming van de liberale partij naar de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang/Parti pour la Liberté et le Pogrès (PVV/PLP); het zag deze operatie als toenadering van de liberale partij tot Vlaanderen. Het LVV werd nu zelfs erkend door de partij, zodat LVV-vertegenwoordigers bestuursmandaten in de diverse partij-instanties kregen. In die periode van toenemende communautaire spanningen gebruikte het LVV de nieuwe bewegingsvrijheid echter om meer radicale eisen te stellen. Enkele vooraanstaande LVV-leden als H. Vanderpoorten, Willy de Clercq, en Frans Grootjans brachten binnen de PVV/PLP kritiek uit op onder meer het unitaire beleid van voorzitter Omer Vanaudenhove. Op de LVV-studiedagen van 4 en 5 september 1965 kwam zelfs de mogelijke communautaire splitsing van de liberale partij voor het eerst voorzichtig ter sprake. Deze groeiende Vlaamse druk leidde ertoe dat partijvoorzitter Vanaudenhove het LVV in 1967 uit de partijorganen sloot.

Het voor Vlaanderen nadelige 'taalvergelijk van Luik' dat in januari 1966 door de PVV/PLP werd aangenomen, bezorgde het LVV heel wat interne onenigheid. Dit belette niet dat de LVV- ministers H. Vanderpoorten en Grootjans het voortouw namen bij de verdere uitvoering van de taalwetten van 1962. Vanderpoorten, die binnenlandse zaken beheerde, slaagde er in 1966 na een geladen debat in om de uitvoeringsbesluiten van deze taalwet door het parlement te laten goedkeuren. Grootjans, die bevoegd was voor onderwijs, zorgde intussen voor de oprichting van een aantal Nederlandstalige scholen in Brussel. LVV-voorzitters tijdens deze periode waren Louis d'Haeseleer die Vanderpoorten op 18 december 1966 was opvolgd en Karel Poma (vanaf 27 januari 1968). Het LVV had op haar congres van 11 en 12 mei 1968 voor het laatst de vleugelvorming verdedigd. Toen bleek dat hierop onvoldoende gereageerd werd, schakelde het LVV officieel over naar de eis tot oprichting van een autonome Vlaamse en Franstalige liberale partij. Pas na de tegenvallende verkiezingsresultaten van maart 1968 en de interne conflicten rond de grondwetsherziening van 1971 (staatshervorming) werd de aanzet geven tot de splitsing van de unitaire partij en de oprichting van de Vlaamse PVV. Het LVV had door het uitoefenen van veel druk tijdens de partijcrisis een grote invloed gehad op de officiële oprichting van de Vlaamse PVV-vleugel (27 juni 1971) en -partij (7 mei 1972). Die invloed was ook merkbaar in het stichtingsmanifest van de Vlaamse PVV – dat vele programmapunten overnam die naar voren werden gebracht op de LVV-studiedagen van 1 en 2 mei 1971 – en uiteraard ook in het feit dat een groot deel van de LVV-leiding de leiding van de nieuwe Vlaamse PVV uitmaakte.

Het LVV nam de niet evidente beslissing zichzelf ook na 7 mei 1972 nog in stand te houden. Men oordeelde dat een electoraal onafhankelijke drukkingsgroep noodzakelijk bleef. In 1974 nam Louis Waltniel het voorzitterschap op zich. Het LVV was voorstander van een tweeledige gewestvorming met een speciaal statuut voor Brussel (dat beperkt moest blijven tot de 19 gemeenten). Na de oprichting van de Vlaamse PVV in 1972 volgde een periode waarin het LVV enigszins op zijn lauweren rustte. Een nieuwe verhoging van de LVV-activiteiten kwam er pas tijdens de besprekingen van het Egmontpact, waartegen het LVV zich hevig verzette. Toen daarna de communautaire problemen even naar het achterplan verdwenen, verminderden de activiteiten opnieuw. In 1982 werd Camille Paulus de nieuwe LVV-voorzitter. Hij gaf de organisatie nieuwe impulsen via een verjonging en een inhoudelijke verruiming, door voortaan meer aandacht te schenken aan onder meer cultuur, wetenschap en onderwijs.

In de aanloop naar de verruiming van PVV tot de Vlaamse Liberalen en Democraten was LVV-voorzitter Pauwels nauw betrokken. Tot het stichtingscongres heeft het LVV aangedrongen om de nieuwe partij Vlaamse Liberaal-Democraten te noemen en niet Vlaamse Liberalen en Democraten zoals het geworden is.

Clair Ysebaert, die in oktober 1993 Paulus als voorzitter heeft opgevolgd, meent dat het LVV nog een belangrijke taak te vervullen heeft. Hij wil van het LVV opnieuw een overkoepelende structuur maken, waarin alle liberale groepen terechtkunnen. Het LVV is zo sinds 1972 geëvolueerd van een soort Vlaamse liberale schaduwpartij naar een liberale denktank, die enerzijds fungeert als waakhond wat betreft het progressief liberalisme binnen de partij en anderzijds een functie heeft als ontmoetingscentrum voor alle Vlaamse liberalen.

Literatuur

G. Albert, Vijftig jaar liberalisme in Vlaanderen, 1963; 
P. van Brabant, Momenten uit de geschiedenis van het LVV 1913-1983, 1983; 
T. de Graeve, Vlaamse liberalen en Liberale Partij tegenover de Vlaamse Beweging (1918-1940), RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1985; 
W. Blomme, Het Liberaal Vlaams Verbond van 1945 tot 1972, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1997.

Auteur(s)

Nico Wouters