Ladeuze, Paulin

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Harvengt 3 juli 1870 – Leuven 10 februari 1940).

Was priester (1892), oriëntalist, exegeet, rector van de Katholieke Universiteit Leuven-KUL (1909) en titelvoerend bisschop van Tiberias (1929). Na studies aan het Klein Seminarie te Bonne-Espérance en het Grootseminarie te Doornik werd Ladeuze in 1892 doctoraatsstudent theologie te Leuven, waar hij in 1898 promoveerde op een proefschrift over het koptische monnikenwezen in de vierde en vijfde eeuw. In hetzelfde jaar volgde hij zijn promotor Adolphe Hebbelynck op, als hoogleraar in de patrologie en in de koptische taal aan de faculteit godgeleerdheid toen die rector werd en werd hij professor exegese aan het Amerikaans college. Vanaf 1900 kreeg hij aan de Schola Maior van de faculteit godgeleerdheid de leerstoel nieuwtestamentische exegese en werd hij president van het Heilige Geestcollege. In 1909 werd hij nogmaals de opvolger – nu als rector – van Hebbelynck, die ontslag had genomen na het incident tijdens de feestelijkheden ter herdenking van het 75-jarige bestaan van de KUL, waar Vlaamse studenten luid "Vlaams op d' hogeschool" hadden geëist (een protest tegen de Instructions collectives van de bisschoppen onder leiding van Désiré Mercier in 1906). Als sterke persoonlijkheid werd Ladeuze van meet af aan – tot aan zijn dood – een krachtige rector die een duidelijk standpunt innam zowel tegenover de Vlaamse eis van meer Nederlandstalige colleges als tegenover de Vlaamse studentenbeweging te Leuven.

In 1911 werd onder druk van de Vlaamse publieke opinie in het parlement een wetsvoorstel ingediend ter vernederlandsing van de Gentse universiteit en doken plannen op voor zowel een openbaar als katholiek Vlaams universitair onderwijs in Antwerpen. Tegen dat laatste in dreef Ladeuze de bisschoppen in de richting van een verdubbeling van enkele colleges in Leuven zelf, die behalve in het Frans ook in het Nederlands zouden worden gegeven. Een volledige verdubbeling achtte hij om wetenschappelijke en praktische redenen onmogelijk. In 1914 waren er zo een 15-tal colleges verdubbeld. Na de oorlog kwam de eis tot een volledige Vlaamse afdeling in Leuven opnieuw op het voorplan, iets waar Ladeuze zich in de zomer 1920 opnieuw vierkant tegen verzette. Toen gaf hij behalve financiële redenen vooral als argument dat dit de weg zou openen naar de uitdrijving van de Franstaligen uit Leuven. Zolang het project van de vernederlandsing van Gent niet of onvolledig werd gerealiseerd, haastte Ladeuze zich zo langzaam mogelijk met de verdere vernederlandsing, ook na de oprichting in 1924 van de Vereniging voor Vlaamse Leergangen die er fondsen voor samenbracht. Vijf jaar later was nog maar een dertigtal cursussen verdubbeld. Het was pas na de complete vernederlandsing van Gent in 1930, dat Ladeuze er echt werk van maakte. Tussen 1931 en 1935 werden nog eens 300 colleges verdubbeld en in 1940 bestonden er naast elkaar twee nagenoeg complete curricula voor alle studierichtingen zowel in het Frans als in het Nederlands. (onderwijs)

Van bij zijn benoeming was de Vlaamse studentenbeweging te Leuven al wantrouwig tegenover Ladeuze, wat in 1910 leidde tot een eerste grotendeels op misverstand berustend conflict, met een – later weer ingetrokken – consilium abeundi voor Ons Leven-redacteur Ernest Claes en een verbod aan de studenten nog met Ons Leven mee te werken. Vanaf 1911 verbeterde de sfeer toen de rector de sancties tegen Ons Leven ophief en in 1912 zijn goodwill toonde door de deelnemers aan het derde Groot-Nederlandse Studentencongres officieel te ontvangen. Hij herhaalde dat gebaar in 1920 tijdens het zogenaamde Zoldercongres niet, al wilde hij ook niet het congres zelf verbieden. Vanaf toen kwam hij doorheen de jaren 1920 op gespannen voet te staan met de Vlaamse studentenbeweging te Leuven die zich snel in Vlaams- nationalistische richting radicaliseerde en feitelijk het vertrouwen in de kerkelijke autoriteiten opzegde. Anti-Belgische en pro-activistische manifestaties (activisme) leidden tot botsingen met Belgischgezinde Franstalige studenten, waarbij in mei 1924 zelfs een Vlaams student werd neergeschoten. Ladeuze verbood daarop alle politieke manifestaties, wat door de Vlaams-nationalisten als tegen hen gericht werd aangevoeld, waarna het conflict escaleerde. Ondanks wegzending van Vlaamse studentenleiders (onder meer Paul-Felix Beeckman en Gerard Romsée) duurde het conflict het volgende academiejaar voort tot het in 1925-1926 een hoogtepunt bereikte toen het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) opriep de geldomhalingen in de kerken voor de KUL te boycotten. Ladeuze suggereerde de bisschoppen in een collectief schrijven van op de kansel de Leuvense studenten te veroordelen, wat ook gebeurde en het begin werd van een hard optreden tegen de Vlaams- nationalistische strekking zowel in Leuven als in de vanuit Leuven geleide bonden van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond. In maart 1925 ontbond de rector het KVHV dat dit besluit naast zich neerlegde en in de volgende jaren een koude oorlog tussen Vlaamse studenten en rector bleef voeden. Ladeuze gaf in 1929 KVHV-voorzitter Seppe Coene het consilium abeundi wegens deelname aan een anti- Belgische manifestatie na de Bormsverkiezing. Toen in 1929 de Franstalige E. Lousse hoogleraar geschiedenis werd in plaats van de Vlaams-nationalistische Hendrik Elias, vergrootte dat verder de kloof tussen Vlaamse studenten en de rector, al had die Elias aan de bisschoppen voorgedragen. Pas in de jaren 1930 verbeterde de gespannen relatie met de Vlaamse studenten, onder meer doordat de nieuwe vice-rectoren Karel Cruysberghs (1931-1936) en Honoré van Waeyenbergh (1936-1940) weer hun vertrouwen wisten te winnen en omdat er een nieuwe studentengeneratie aantrad die meer door de Katholieke Actie-geest was beïnvloed, en daardoor loyaal stond tegenover het kerkelijk gezag. In januari 1937 ontving Ladeuze voor het eerst sinds meer dan een decennium opnieuw de KVHV-leiding officieel, bij de viering van het vijfendertigjarige bestaan van haar vereniging. In november 1937 stond Ladeuze toe dat de Universiteit een eredoctoraat verleende aan twee Vlaamse en twee Nederlandse auteurs (G. Brom, Anton van Duinkerken, Stijn Streuvels en Cyriel Verschaeve) ter gelegenheid van het eeuwfeest van Met Tijd en Vlijt. De verzoening werd bezegeld bij de begrafenis van Ladeuze toen KVHV-preses Herman Wagemans een lijkrede uitsprak.

Werken

Etude sur le Cénobitisme pakhômien pendant le IVe siècle et la première partie du Ve (Dissertationes ad Gradum doctoris in Sacra Facultate theologica consequendum sconscriptae, reeks I, dl. XLVIII, 1898); verscheidene openingsredevoeringen bij het begin van het academiejaar onder meer gebundeld in La vie universitaire, 2 dln. 1931.

Literatuur

J. Coppens, 'Paulin Ladeuze. Orëntalist en exegeet. 1870-1940. Een bijdrage tot de geschiedenis van de bijbelwetenschap in het begin van de XXe eeuw', in Verslagen en Mededeelingen KVAWLSKB, klasse der Letteren en der Moreele en Staatkundige wetenschappen, jg. 111, nr. 1 (1941); 
L. Gevers, 'De Vlaamse studentenbeweging te Leuven (1836-1914)', in Onze Alma Mater, 29 (1975), p. 109-142; 
P.F. Beeckman, De studentenrevolte van 1924-25 te Leuven, 1975; 
A.L. Descamps, 'Ladeuze (Paulin-Pierre- Jean-Marie - Joseph)', in BN, XXXIX, supplément tome XI (fascicule 1er) (1976), p. 543-563; 
L. Vos, 'Ideologie en idealisme. De Katholieke Vlaamse Studentenbeweging te Leuven in de periode tussen de twee wereldoorlogen', in BTNG, jg. 8, nr. 1-2 (1977), p. 207-235; 
id., 'Het "Zoldercongres". Perikelen rond het VIe Grootnederlands studentencongres. Leuven 20-23 maart 1920', in WT, jg. 40, nr. 2 (1981), kol. 65-84; 
id., Bloei en ondergang van het AKVS, 2 dln., 1982; 
id., 'Twee Leuvense studentenrevoltes (1924/25 
1968). Een vergelijking', in Liber Amicorum Dr. J. Scheerder, 1987.

Auteur(s)

Louis Vos