Kultuurraad voor Vlaanderen (KRV)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

vereniging zonder winstoogmerk opgericht op 21 april 1959, omgevormd tot Interprovinciale Cultuurraad voor Vlaanderen vzw (ICV) op 31 januari 1976 en ontbonden op 25 april 1986.

De stichting van de KRV was het gevolg van het ongenoegen in de Vlaamse culturele en politieke kringen over het uitblijven van de culturele autonomie en over de vruchteloze parlementaire pogingen tot oprichting van cultuurraden (wetsvoorstel-Renaat van Elslande 1954 en wetsontwerp-Collard 1958). Het initiatief ging uit van volksvertegenwoordiger Van Elslande en de Vlaamse gedeputeerden, Paul Knapen (Limburg) en Jozef Storme (West-Vlaanderen). Knapen wist zijn collega's uit de andere provincies te winnen voor dit initiatief, wat bekrachtigd werd door een gemeenschappelijk besluit van de Bestendige Deputaties van de vier Vlaamse provincies en de provincie Brabant. De KRV telde 60 leden: 10 gedeputeerden (2 per provincie), 20 leden benoemd door de Bestendige Deputaties en 30 leden, gecoöpteerd door de 10 gedeputeerden en de 20 provinciale leden. Het ging om leidende personen uit culturele, wetenschappelijke en artistieke sectoren. Knapen werd tot eerste voorzitter gekozen en bleef dit tot in 1976 bij de omvorming van de KRV tot ICV. Ondervoorzitters werden Paul de Keyser en Ger Schmook. In 1970 werden Walter Debrock en Adriaan Verhulst tot ondervoorzitters gekozen. Johan Fleerackers werd in 1959 tot algemeen secretaris benoemd; in 1965 nam Jan Theuwissen deze taak over.

In de statuten had de vereniging zich ten doel gesteld de Nederlandse cultuur in Vlaanderen in al haar uitingen te behartigen en te bevorderen en hiertoe op eigen initiatief of in samenwerking met de openbare besturen of met particuliere organisaties, middelen aan te wenden om de aard en de uitdrukkingswijze van het Vlaamse volksleven te beschermen, te bevestigen en op een hoger peil te brengen (artikels 3 en 4).

Aanvankelijk stootte de KRV, als initiatief van de homogeen CVP-bestuurde provincies, op argwaan en verzet in socialistische partijpolitieke kringen. Het verwijt betrof voornamelijk de benoemingsprocedure. Vooral door het optreden van Schmook nam het ideologisch wantrouwen in linkse kringen af. De samenstelling van de KRV werd in de daaropvolgende jaren steeds aangepast volgens de resultaten van de provinciale verkiezingen. Geleidelijk werd de KRV beschouwd als de officieuze spreekbuis van de Vlaamse provinciebesturen en kon hij zich door zijn representatieve samenstelling spoedig opwerpen als een promotor van Vlaamse culturele belangen. De werking van de KRV werd geschraagd door vaste en ad-hoccommissies met betrekking tot beeldende kunsten, film, letterkunde en bibliotheekwezen, muziek, radio en televisie, cultureel vormingswerk, juridische zaken, hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en opvoedkundige onderwijsproblemen; de voornaamste was wel de commissie nationale problemen.

Een van de eerste daden van de KRV was de stemming van een unanieme motie tot de afschaffing van de talentelling en de afbakening van een taalgrens. In 1962 pleitte de KRV voor het geografisch behoud bij Vlaanderen van gemengde taalgebieden – zoals Komen-Moeskroen – door daar te voorzien in een speciaal statuut. In 1969 bracht de commissie juridische aangelegenheden belangrijke adviezen uit over tal van vraagstukken met betrekking tot de taaltoestanden in de rechtsbedeling in de provincie Limburg, in het arrondissement Brussel, bij het krijgsgerecht en het notariaat. In 1970 klaagde de KRV de voor de Vlamingen vernederende wanverhouding tussen Nederlands- en Franstalige raadsheren, leden van het parket-generaal en advocaten bij het hof van cassatie scherp aan. De KRV was ook zeer actief op het vlak van het onderwijsbeleid, de culturele integratie, het cultuurpatrimonium en de uitstraling van Vlaanderen in het buitenland. Hieronder volgt een overzicht van de ontwikkelde initiatieven op deze actieterreinen.

De KRV en het onderwijsbeleid

In een aan de koning overhandigd memorandum van 31 maart 1961 vestigde de KRV onder meer de aandacht op de stagnerende deelneming van Vlaamse jongeren aan het universitair onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek en eiste hiervoor extra maatregelen. Tien jaar trachtte de regering-Gaston Eyskens door buitengewone budgettaire inspanningen de achterstand geleidelijk weg te werken.

De KRV verspreidde moties over de nood aan een eenvormige spelling in Vlaanderen en Nederland (1961), over de finaliteit in de verschillende onderwijsgraden (1964), over de taalinspectie in de onderwijsinstellingen te Brussel (1965) en over de taalwetgeving in het hoger onderwijs (1966).

De acties van de KRV spitsten zich vooral toe op het hoger onderwijs, in het bijzonder de universitaire expansie, de doorstroming en financiering.

De overheveling van Leuven-Frans werd van nabij gevolgd. Naar aanleiding van het mandement van de bisschoppen was de reactie van de KRV scherp en duidelijk; ze had een opvallende aandacht in de pers en mede daardoor een grote weerklank en invloed.

De standpunten van de KRV met betrekking tot de uitbouw van het hoger onderwijs hadden niet hetzelfde gezag als zijn adviezen in verband met de nationale politieke problemen. Toch slaagden de voortrekkers van de uitbouw van het universitair onderwijs in Limburg (L. Croux) en West-Vlaanderen (Karel Goddeeris) erin om, onder meer via het gezag dat zij als actieve leden van de commissie van de KRV verwierven, hun project te realiseren. Op de uitbouw in Antwerpen is de invloed van de KRV echter niet noemenswaardig geweest. Belangrijke promotors als Paul-Willem Segers en Andries Kinsbergen hadden de steun en visie van de KRV niet nodig.

De KRV en de culturele integratie

De KRV heeft zich van bij zijn oprichting ingezet voor de culturele integratie met Nederland en werd de motor achter dit streven, wat tot uiting kwam door de organisatie van het 36ste (Antwerpen) en 37ste (Rotterdam) Nederlandse Congres. Er groeiden hechte contacten met het Nationaal Overleg voor Gewestelijke Cultuur (de Nederlandse tegenhanger van de KRV) en het Nederlands Cultureel Contact (NCC). Hieruit ontstond de Stichting voor de Culturele Integratie van Noord en Zuid waarbinnen voortdurend gepleit werd voor de oprichting van een Belgisch-Nederlandse Hoge Raad voor de Nederlandse Cultuur. De KRV was in het zuiden de stuwende kracht achter de Belgisch-Nederlandse conferenties voor volksopvoeding, de Stichting Zuid-Nederlandse Ontmoetingen die grensoverschrijdende manifestaties organiseerde, en het Noord-Zuid-Contactcentrum, een samenwerkingsorgaan van Nederlandse en Vlaamse ontwikkelings- en vormingsorganisaties. De KRV lag mede aan de basis van de oprichting van het Noord-Zuid-Jongerencontact, de Stichting Literaire Dagen, de Spektakelbeurs der Nederlanden en andere initiatieven die de contacten tussen Noord en Zuid bevorderden.

De KRV en het cultuurpatrimonium

In het kader van de bekendmaking van het Vlaams cultuurpatrimonium was Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen een initiatief met een spectaculair succes waaraan radio en televisie hun medewerking verleenden. De bedoeling was via een tweemaandelijkse uitgave van reproducties met commentaar en daarbij aansluitende radio- en tv-uitzendingen, kunstwerken uit openbaar bezit meer bekend te maken.

Een tweede initiatief (1969) was "Luister van de muziek in Vlaanderen". Het was de bedoeling muziek van eigen bodem bekend te maken via grammofoonplaten. De Belgische Radio en Televisieomroep verleende ook hieraan zijn medewerking. Per jaargang verschenen vier LP's. Door de plots verzwaarde fiscale druk zag de KRV zich verplicht dit initiatief stop te zetten, ondanks de zeer gunstige weerklank die het kende.

Daarnaast gaf de KRV adviezen met betrekking tot de bescherming van het cultuurpatrimonium, de inventarisatie van het provinciaal kunstbezit (1960 en 1967), de oprichting van een Nationaal Filminstituut (1964), de bevordering van de exploitatie van cultureel hoogstaande films (1966), het wetsontwerp op de bescherming van het cultuurbezit (1967), de kunstversiering in en aan openbare gebouwen (1967), het Belgisch filmfestival (1970), de uitbating en verspreiding van waardevolle Vlaamse films (1971). De KRV lag mede aan de basis van de oprichting van het Ballet van Vlaanderen (1969), het Theatercentrum (1966), en de Kamer voor Nederlandstalige Jeugdtheaters (1974). Zij hadden in hun eerste bestaansjaren hun zetel bij de KRV, die bij de werking en uitbouw nauw betrokken bleef.

De KRV en de internationale uitstraling

Samen met de Economische Raad voor Vlaanderen en het Vlaams Economisch Verbond richtte de KRV het Instituut voor Voorlichting (INVO) op. Ten behoeve van buitenlandse journalisten (dagelijks van 1966 tot 1971, vervolgens wekelijks tot 1973) gaf INVO een Flemish Press Review uit, waarin de belangrijkste commentaren uit de Nederlandstalige Belgische pers in het Engels verschenen. Met de steun van INVO publiceerde de KRV in 1975 Le mouvement flamand en Belgique en The Flemish Movement in Belgium van de hand van Maurits de Vroede. De KRV besloot ook een vijfjaarlijkse prijs in te stellen die telkens aan een landgenoot en een buitenlander zou worden toegekend voor hun verdiensten met betrekking tot de uitstraling van de Nederlandse cultuur in het buitenland; in 1964 ging de prijs naar professor Pierre Brachin (Parijs) en Julien Kuypers (Brussel) en in 1969 naar professor E. Schillebeeckx (Nijmegen) en Alfred Toepfer (Hamburg).

De KRV en de reorganisatie van de cultuurpolitiek

In november 1959 wees de KRV het regeerontwerp inzake de nationale cultuurraden af wegens de te beperkte bevoegdheden en het ontbreken van elk publiekrechtelijk statuut. De Kultuurraad was van mening dat de invoering van de culturele autonomie moest worden voorafgegaan door de splitsing van de administratieve diensten en van de begroting van het ministerie van onderwijs. De KRV stelde zelf een schema op dat later tot voorbeeld strekte bij de splitsing van dat ministerie in 1964 (voltooid in 1969). De Kultuurraad eiste ook voor het eerst een rechtmatige verdeling van cultuurkredieten op basis van de demografische behoeften van de beide cultuurgemeenschappen. Dit vraagstuk zou tot in de jaren 1970 in de schoot van de regering tot grote moeilijkheden leiden.

De KRV legde steeds meer nadruk op de noodzaak van een grondwettelijke erkenning van de cultuurgemeenschappen en van eigen instellingen ten behoeve van een doeltreffend cultuurbeleid. De Kultuurraad werd regelmatig geraadpleegd inzake deze institutionalisering van de culturele autonomie en publiceerde in 1965 een belangrijk memorandum waarin gepleit werd voor het afsluiten van een cultuurpact met het doel de bestaande argwaan tegenover de culturele autonomie weg te nemen. Drie jaar later, op 29 mei 1968, volgde een aanvulling waarin gepleit werd voor werkelijke wetgevende culturele autonomie door de splitsing van de parlementaire vergaderingen naar taalgemeenschap, het aangeven van de culturele domeinen en het uittekenen van structuren op wetgevend, uitvoerend en financieel vlak. Dit voorstel werd het uitgangspunt voor het regeerakkoord van 1968 dat tot de grondwetsherziening van 1971 leidde. Inzake de Brusselse agglomeratie volgde het regeerakkoord van 1968 slechts gedeeltelijk het advies van de KRV: het paritair beheerssysteem werd behouden, maar het beginsel van de subnationaliteit werd niet overgenomen.

De interprovinciale cultuurraad voor Vlaanderen

Met de installatie van de parlementaire cultuurraden op 7 december 1971, zag de KRV zijn belangrijkste doelstelling verwezenlijkt en drong zich een heroriëntering op. Toch pleitte de Kultuurraad voor het behoud van zijn adviesfunctie en verwees hij naar het bestaan van een adviesraad op het economische vlak (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen). De KRV ging zich steeds meer richten op het provinciaal cultuurbeleid, een heet hangijzer gezien bij een aantal provinciale politici die lid waren van de KRV, de vrees bestond dat de KRV de provinciale autonomie zou aantasten. Reeds in de jaren 1965-1966 had de KRV in zijn huisorgaan Kort genoteerd voornamelijk academische studies over het provinciaal cultuurbeleid gepubliceerd. In 1976 publiceerde de KRV een lang en grondig voorbereide studie over het provinciaal cultuurbeleid. Deze studie was de basis voor de omvorming van de KRV tot ICV (31 januari 1976).

De ICV zou de ontwikkeling van een toekomstvisie, gericht op de versterking van het eigen provinciaal profiel, een basisgericht cultuurbeleid en de decentralisatie behartigen.

De stichtende leden waren 10 gedeputeerden en 30 provincieraadsleden, die in mei 1976 25 vertegenwoordigers van de grote culturele organisaties coöpteerden. Deze laatsten dienden de inspraak vanuit de verschillende werksoorten te verzekeren. Er werden ook 2 vertegenwoordigers van het ministerie van Nederlandse cultuur voorzien, wat de band met de rijksoverheid en de doorstroming van ideeën versterkte. De doelstelling van de KRV bleef behouden, maar werd uitgebreid naar overleg en coördinatie tussen de Vlaamse provincies op het vlak van hun cultuurbeleid. De werkzaamheden steunden op commissies: overleg van de gedeputeerden van cultuur en de directeuren van de provinciale diensten, interprovinciaal directeurenoverleg, sociaal-cultureel werk, buitenlands cultuurbeleid, openbaar bibliotheekwerk, samenlevingsopbouw, culturele centra, cultuurpatrimonium. In werkgroepen werden de oprichting van provinciale raden voor cultuur, de studie van het intermediair niveau en van de decentralisatie aangepakt.

De ICV zette een aantal activiteiten van de KRV voort: onder meer Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen, het Theatercentrum, de Kamer voor Nederlandstalige Jeugdtheaters, de Stichting ZNO, de Stichting Literaire Dagen, en de integratie met Nederland. De ontbinding van de ICV, die erg werd aangevochten door de vertegenwoordigers uit de socio-culturele sector, was het gevolg van partijpolitieke onenigheid op provinciaal vlak. De werkzaamheden werden gestaakt in 1984; tot de formele ontbinding kon slechts in 1987 besloten worden.

Literatuur

Interprovinciale Cultuurraad voor Vlaanderen vzw, Documentenmap, 2 dln., z.j.; 
Verslagboeken van de KRV, 1959-1976; 
D. van Assche, De Kultuurraad voor Vlaanderen, 1982; 
Interprovinciaal (1980-1982).

Auteur(s)

Jan Theuwissen