Kredietbank

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(KB)

Vlaamse bankinstelling, die in haar huidige vorm totstandkwam na moeizame onderhandelingen op 9 februari 1935 door samensmelting van de Algemeene Bankvereeniging en de Bank voor Handel en Nijverheid. Eerstgenoemde was zelf ontstaan uit de fusie van diverse banken waarvan de oudste de Volksbank van Leuven was (opgericht door Joris Helleputte in 1889).

Het ontstaan van deze fusionerende banken was te verklaren door de industrialisatie van Vlaanderen na de Eerste Wereldoorlog en de behoefte aan een eigen Vlaams bankwezen. De fusie zelf was uiteindelijk het gevolg van de moeilijkheden die in de Vlaamse banksector waren ontstaan als gevolg van de economische crisis op het einde van jaren 1920.

Nadat in januari 1935 de Crédit anversois afhaakte tijdens de fusieonderhandelingen, bracht de minister en financieel deskundige Albert-Edouard Janssen het al of niet exclusieve Vlaamse karakter van de nieuwe instelling in het debat. Omdat de Crédit anversois zich had teruggetrokken, zou de nieuwe bank de facto een overwegend Vlaams karakter hebben. De Banque agricole et commerciale de Belgique, de derde en minst belangrijke partner in het geheel, kwam dus over als een vreemde eend in de bijt. Haar aanwezigheid in de fusie belette de nieuwe bank naar voren te treden als een homogeen Vlaamse instelling. Dit was volgens Janssen echter noodzakelijk in het troebel financieel klimaat van de jaren 1930. Alles wat de interne spanningen in België zou kunnen opvoeren moest worden vermeden. Gezien de V.B. toen aan veld won, beseften de onderhandelaars dat het inspelen op het specifiek Vlaams karakter van de nieuwe instelling het vertrouwen bij het publiek zou kunnen versterken. Dit Vlaams karakter zou trouwens tegemoetkomen aan de wensen van de vele Vlaamsgezinde leden van de fusionerende banken. Tijdens een vergadering met minister van financiën Emile Francqui stemde deze in met deze zienswijze. Er werd dan ook gesuggereerd de Banque agricole et commerciale de Belgique buiten de fusie te houden, wat uiteindelijk ook gebeurde.

De eerste voorzitter van de raad van beheer en van het directiecomité was Paul Heymans. Hij werd in 1938 opgevolgd door Fernand Collin. Vanaf 1966 zat Luc Wauters in de voorzittersstoel.

Het karakter van de bank was duidelijk Vlaams. Alle Vlaamse provincies waren in de beheerraad vertegenwoordigd, maar sommige beter dan andere. West-Vlaanderen was oververtegenwoordigd, Antwerpen en Limburg ondervertegenwoordigd. Naast Collin en Gustaaf Sap maakten nog andere flaminganten als Philip van Isacker en Boudewijn Steverlynck deel uit van de raad van bestuur. Verder telde de bank nog prominente Vlamingen zoals Jozef Clottens onder haar personeelsleden.

Tot 1940 kende de KB een gestage groei. Deze was gedeeltelijk te danken aan het economisch herstel na de devaluatie van 1935. Verder speelde de vooral door Collin uitgedachte voorzichtige financiële strategie een belangrijke rol. Rendabiliteit van beleggingen was belangrijk, maar voorlopig ondergeschikt aan een gezonde thesauriepositie. De liquiditeitspolitiek stond in deze periode centraal in het beleid.

De voertaal van de KB was steeds het Nederlands, en de bank zou dat Vlaams karakter niet prijsgeven bij de contacten met de hogere financiële kringen van het land. Nochtans werd het cliënteel geholpen in de taal van zijn keuze. De KB legde zich consequent toe op de ontwikkeling van de Vlaamse economie en zou haar bedrijvigheid beperken tot Noord- en Midden-België. Verscheidene leden van het directiecomité en de raad van beheer gaven deze koers een dynamische impuls. Hier dient bijzonder beheerder Steverlynck te worden vermeld, die in 1934 eveneens voorzitter van het Vlaams Economisch Verbond (VEV) was geworden. Hij vroeg bijvoorbeeld een privé-audiëntie bij koning Leopold III aan om de Vlaamse economische eisen kenbaar te maken.

Dit Vlaamsgezind standpunt leverde vanuit verschillende hoeken tegenkanting op. De Belgische Vereniging der Banken bijvoorbeeld bood verzet toen de KB eiste dat de verslagen van de gewestelijke paritaire comité's van deze vereniging in Vlaanderen in het Nederlands zouden worden opgesteld en in Brussel in beide landstalen. Pas na een aanvankelijke boycot door de KB werd deze eis ingewilligd. De KB heeft zeker bijgedragen tot de vernederlandsing van het zakenleven in het algemeen en het bankwezen in het bijzonder.

Vanaf het begin werd steun verleend, onder de vorm van advertenties, toelagen of abonnementen aan talloze flamingantische organisaties, zoals het VEV, Verbond der Vlaamse Oud-strijders, de Vlaamse Toeristenbond, de Vereniging voor Wetenschap, de Vlaamse Ingenieursvereniging, het Davidsfonds, het Vlaams Nationaal Zangfeest enzovoort.

De Tweede Wereldoorlog was voor de KB en haar personeelsleden een moeilijke, maar ook een vruchtbare tijd. De werking raakte weliswaar totaal ontredderd en vele filialen bleken geheel of gedeeltelijk beschadigd, maar vooral onder impuls van Collin, die ook deel uitmaakte van het comité-Galopin, hervatte de bank spoedig haar werking. Door de enorme stijging van het aantal depositorekeningen slaagde de bank erin haar vooroorlogse zwakke financiële situatie aanzienlijk te versterken. De bank kende in de Brusselse regio een groeiend succes door een evenwichtige spreiding van het aantal vestigingen, waardoor in de hele agglomeratie filialen werden gevestigd. Door de snel verminderende economische bedrijvigheid kon de bank echter nog nauwelijks aan commerciële kredietverlening doen, wat de winst enorm drukte.

Door de algemene economische heropleving na de oorlog kende de KB een sterke groei. De bank bleef onafhankelijk voor een onafhankelijk cliënteel met een uitgesproken Vlaams karakter. Dit betekende dat ze haar depositowerving in de eerste plaats op het Vlaamse landsgedeelte bleef richten en ze haar kredietverlening vooral op Vlaamse bedrijven richtte. Daarom werd tijdens de jaren 1950 en 1960 het aantal vestigingen in Vlaanderen fors opgedreven. De KB kon haar cliënteel op het platteland fel uitbreiden door de introductie van het systeem van de rekening- en depositoboekjes: daardoor kon de bank concurreren met het systeem van spaarboekjes van de traditionele spaarkassen.

De KB en voorzitter Collin bleven zich als Vlaamsgezind profileren. Toen Collin in 1964 werd gevraagd om voorzitter te worden van de Belgische Vereniging der Banken, aanvaardde hij de taak op voorwaarde dat hij vanaf het moment van zijn aantreden enkel nog Nederlands zou spreken tijdens vergaderingen en andere bijeenkomsten en dat elke deelnemer zich vrij in zijn moedertaal zou mogen uitdrukken. Deze eis werd ingewilligd en in 1965 kreeg Collin hiervoor de Uilenspiegelprijs van de Brusselse CVP-Jongeren.

De naoorlogse economische expansie in Vlaanderen wijzigde de toestand volkomen en de KB kon niet achterblijven. Vooral de commerciële contacten tussen Vlaanderen en Wallonië werden intensiever. Doordat de KB Wallonië als werkterrein uitsloot, bleef de instelling in de ogen van het buitenland een regionale bank. Daarom werd naar mogelijkheden gezocht om Wallonië beter in de werking te betrekken zonder rechtstreekse vestiging van filialen. Dit resulteerde in een reeks participaties in enkele regionale Waalse banken, wat in 1958 resulteerde in een volwaardige dochterbank in Wallonië, de Crédit général de Belgique. Het Groothertogdom Luxemburg werd betrokken in de werking van de KB door de oprichting in 1949 van de Kredietbank S.A. luxembourgeoise. In de kolonie werd eveneens een dochteronderneming opgericht (1954), die echter reeds in 1966 enkele jaren na de dekolonisatie werd verkocht.

Momenteel behoort de KB tot de topvijf van de Belgische banken. Ze is actief in negen Europese Unie-landen, Oost-Europa en het Verre Oosten.

De KB heeft steeds een belangrijke maatschappelijke rol gespeeld door de financiering van humanitaire en culturele activiteiten en organisaties. De sponsoring van Vlaamsgezinde culturele activiteiten en organisaties, zoals het Vlaams Nationaal Zangfeest, het Davidsfonds en de Vlaamse Toeristenbond, bleef ook na de oorlog een constante in de geschiedenis van de KB, zonder dat de bank ooit een partijpolitiek standpunt heeft ingenomen.

Literatuur

Het Belgische bankwezen ten dienste van de economie 1935-1960, 1960; 
T. Luykx, Veertig jaar V.E.V., 1966; 
Th. Luykx, Bijdrage tot de geschiedenis van de economische bewustwording in Vlaanderen. Veertig jaar Vlaams Economisch Verbond 1926-1966 (met medewerking van M. Lamberty en F. Wildiers), 1967; 
H. van der Wee en M. Verbreyt, Mensen maken geschiedenis. De Kredietbank en de Economische opgang van Vlaanderen 1935-1985, 1985.

Verwijzingen

zie: Jan Breidel.

Auteur(s)

Sam van Clemen