Kongo

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Door de conferentie van Berlijn erkend op 1 augustus 1885, was de Etat independant du Congo een creatie van de Belgische monarch, Leopold II, daarin geholpen door nationale en internationale financieel-economische milieus. Van de eerste dag af verliep het bestuur er uitsluitend in het Frans. De Vlamingen die aangeworven werden door de Vrijstaat of er als missionaris gingen werken, aanvaardden moeiteloos die toestand, die een afspiegeling was van de toenmalige situatie in België. De overgang van Onafhankelijke Vrijstaat naar een Belgische kolonie in 1908 veranderde niets aan het taalgebruik.

Artikel 3 van de Koloniale Keure bepaalde: "Het gebruik der talen is vrij. Het wordt geregeld door decreten, zodanig dat de rechten der Belgen en der Kongolezen zijn gewaarborgd, en alleen voor de acten van het openbaar gezag en voor de gerechtelijke zaken. Op dat gebied genieten de Belgen in Kongoland een gelijke bescherming als die hun in België verzekerd is. Met dat doel worden decreten uiterlijk binnen vijf jaar na de afkondiging van deze wet uitgevaardigd. Alle decreten en verordeningen van algemene aard worden opgesteld en bekendgemaakt in de Franse en in de Nederlandse taal. Beide teksten zijn officieel." Dat artikel bleef echter de hele duur van het koloniale bewind dode letter.

Lange tijd legden de Vlamingen zich bij de Franse eentaligheid neer, ofschoon vele ambtenaren, kolonisten en de meeste missionarissen en religieuzen Vlamingen waren. Een begin van onvrede met de achterstelling van de Vlaamse koloniale gemeenschap werd pas merkbaar tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen die gemeenschap van 1940 tot 1944 het normale contact met de thuisbasis in het moederland verloor en helemaal overgeleverd werd aan het Franstalige bestuur. Voordien was wel eens gepoogd de schijn op te houden. Zo kreeg de Revue congolaise in 1910 een tegenhanger in het Nederlandstalige tijdschrift Onze Kongo. Maar in feite werd tot in de jaren 1940 de Vlaming in Kongo als een burger van tweede rang behandeld.

Een eerste opvallende uiting van protest en van zelfbevestiging was de stichting in 1942 van het tijdschrift Band dat kon rekenen op de steun van Rik Cornelis, de latere gouverneur-generaal. De redactie legde de basis van een brede culturele bedrijvigheid, die in 1955 nog zou worden verruimd door de publicatie van het driemaandelijkse tijdschrift Zuiderkruis, een initiatief van pater Arthur Verthé en de in Kongo geboren Vlaamse dichter en radiojournalist Walter Geerts. Begin 1960, op de vooravond van de Kongolese onafhankelijkheid, zouden beide publicaties versmelten tot Band en Zuiderkruis dat nog twee jaar in België bleef verschijnen.

Intussen had de Belgische christelijke arbeidersbeweging, die over een bloeiende handelsdrukkerij in Leopoldstad (Kinshasa) beschikte, daar op 1 juli 1951 De Week op de markt gebracht, een voortreffelijk informatieweekblad dat onder de hoofdredactie van Jos Lamote in heel de kolonie gelezen werd en uitgroeide tot de belangrijkste verbindingsschakel onder de Vlamingen. Het blad hield stand tot kort voor de onafhankelijkheid.

In het laatste decennium van het koloniale bewind ontwikkelden de Vlamingen heel wat culturele activiteiten. Van 1948 af ontstonden Davidsfondsafdelingen, die via de moederorganisatie in Vlaanderen er ook op aandrongen dat het Nederlands naast het Frans als officiële taal zou worden gebruikt (Davidsfondscongres van 1950). Vlaamse Vriendenkringen bevorderden het Nederlandse taalgebruik. Zij nodigden bekende letterkundigen, kunstschilders en toneelgroepen uit Vlaanderen uit om lezingen te geven respectievelijk tentoonstellingen en opvoeringen te organiseren. Er kwam een afdeling van de Vlaamse Automobilistenbond. Een grote steun voor de Vlamingen was Radio Belgisch Kongo, de officiële omroep, die onder de Tweede Wereldoorlog met uitzendingen in het Nederlands begon en dat bleef doen tot 7 juli 1960, een week na de Kongolese onafhankelijkheid, toen hij op bevel van de Kongolese minister van informatie uit de ether gehaald werd.

Parallel met die culturele bedrijvigheid groeide een politieke reactie. Het tijdschrift Band speelde ook hierin een voortrekkersrol. Het publiceerde niet alleen culturele bijdragen, maar zette zich tevens af tegen de hegemonie van het Frans in het koloniale bestuur. Steeds meer Vlaamse ambtenaren revolteerden immers tegen de verplichting als Franstaligen te moeten leven en werken.

Maar die revolte vond nog niet direct een brede weerklank in België. De Vlaamse ministers van koloniën, Albert de Vleeschauwer (1938-1945) en Andre Dequae (1950-1954) erkenden periodiek wel dat er een taalvraagstuk bestond. Zij gaven soms administratieve aanwijzingen aan de gouverneur-generaal betreffende artikel 3 van de Koloniale Keure en lieten door hun ambtenaren ontwerpen van decreet bestuderen. Maar aan de feitelijke eentaligheid van de kolonie werd vrijwel niet geraakt. In het Belgische parlement bestond daar weinig of geen belangstelling voor.

Daarin kwam verandering naar aanleiding van een spectaculair incident. Een Vlaamse magistraat bij de rechtbank van Elisabethstad (Katanga), meester Groothaert, velde in juli 1956, voor de eerste maal in de Kongolese geschiedenis, een vonnis in het Nederlands. Het hof van beroep in Elisabethstad stelde de minister van kolonien, Auguste Buisseret, meteen voor de magistraat ambsthalve te ontslaan. Volgens het arrest van het hof was het Frans de enige officiële taal in de kolonie, omdat de decreten die het taalgebruik krachtens artikel 3 van de Koloniale Keure moesten regelen, nog steeds niet waren uitgevaardigd. Die stelling werd aangevochten aan Vlaamse zijde, waar betoogd werd dat er geen decreten nodig waren om rechtsbedeling en bestuurlijk dienstbetoon in het Nederlands te verlenen aan diegenen die erom verzochten.

Het incident kreeg in België grote ruchtbaarheid, zowel in de Vlaamse pers als in het parlement. Onder leiding van de Antwerpse burgemeester, Lode Craeybeckx, eiste een parlementaire afvaardiging, samengesteld uit leden van de drie grote partijen, van Buisseret dat de Vlamingen in Kongo hun taal zouden mogen gebruiken. Een onderzoek, door de minister bevolen, bleef niet zonder gevolg. Er kwam een decreet (5 februari 1957) dat het gebruik van het Frans en het Nederlands in rechtszaken regelde. Na de publicatie van dit decreet op 27 juni 1957 sprak het hof van cassatie te Brussel zich uit ten gunste van de Vlaamse stelling betreffende de toepassing van de Koloniale Keure. Het gouvernement-generaal herinnerde aan de bepaling inzake de vrije taalkeuze en besliste voortaan ook Nederlandstalige circulaires naar de diensten te sturen. Op 8 mei 1957 benoemde Buisseret een commissie om een ontwerpdecreet op het taalgebruik in bestuurszaken voor te bereiden.

Op 26 januari 1958 verwekte de Gentse hoogleraar L.O.J. de Wilde, vooraanstaand lid van de Koloniale Raad, opzien met een lezing voor de Stichting-Lodewijk de Raet te Brussel, waarin hij de balans opmaakte van de taaltoestand in de kolonie. De Wilde stelde dat Vlamingen en Franstaligen op dezelfde manier dienden te worden behandeld inzake taalgebruik en beroepskansen. Hij voerde aan dat 60% van de Belgen in Kongo Vlamingen waren en dat 61% van de geïnvesteerde kapitalen van Vlaamse oorsprong waren, en kwam op voor een paritaire verdeling van de ambten in het koloniale bestuur. Alleen 'het belang van de inlander' zou een afwijking op die regel kunnen vormen. De Wilde pleitte voor een 'gematigde of vrijwillige' tweetaligheid bij de blanke ambtenaren en stelde voor dat alle kinderen, ook de zwarte, vrij konden kiezen tussen Frans en Nederlands als hoofdvak en daarnaast nog een andere rijkstaal zouden leren, naast het Engels en een belangrijke inlandse taal. Wel erkende hij dat het Frans de eerste bestuurstaal diende te blijven.

Over die lezing werd overal druk nagekaart, ook in de Vlaamse pers. De belangstelling voor het taalprobleem in Kongo groeide. Op 28 maart 1958 beloofde de regering een Vlaamse academie voor koloniale wetenschappen op te richten. Op 29 maart 1958 verscheen een memorandum, opgesteld door het Vlaams Economisch Verbond in overleg met de Economische Raad voor Vlaanderen en de belangrijkste Vlaamse cultuurverenigingen, waarin werd gesteld dat de Belgisch-Kongolese gemeenschap slechts duurzaam gevestigd kon worden op een gelijke behandeling van de volksgemeenschappen die erbij betrokken waren. Het memorandum stelde voor dat de Kongolezen op termijn volledig onderwijs in hun inlandse taal zouden krijgen, eerst in de lagere school, daarna in het voortgezet en hoger onderwijs. In het voortgezet onderwijs zouden de Kongolezen ook Frans en Nederlands leren. De bedoeling was dat Kongolezen, tewerkgesteld in de koloniale diensten, de Vlamingen in het Nederlands zouden kunnen te woord staan.

Tegen dat voorstel ontstond onder de inlandse bevolking heftig verzet. De zwarten die reeds het Frans als tweede taal moesten leren, steigerden bij het vooruitzicht ook nog eens Nederlands te moeten kennen om een loopbaan op te bouwen. Hun protest kreeg steun in het milieu van de Franstalige kolonialen. Dat heel wat zwarten zich in de woelige maanden van 1959-1960 gingen opstellen tegen les sales flamands was mede te wijten aan de vrees dat de Vlamingen hun het Nederlands wilden opdringen. De op 12 juli 1958 benoemde gouverneur-generaal Cornelis, een overtuigd Vlaamsgezinde, had in die maanden andere katten te geselen en hield de taalkwestie op afstand.

Na de uitroeping van de onafhankelijkheid op 30 juni 1960 viel die problematiek helemaal weg. Het Frans werd enige bestuurstaal. Het Nederlands verdween uit het officiële circuit. De Vlamingen hadden zich nog enkel zorgen te maken over de instandhouding van Nederlands onderwijs voor hun kinderen. Naarmate de toestand in Zaïre verder verslechterde en het aantal blanken, onder wie de Vlaamse missionarissen, zienderogen verminderde, verschrompelde ook de Vlaamse aanwezigheid in het land.

Literatuur

A. Verthé en B. Henry, Geschiedenis van de Vlaams-Afrikaanse letterkunde, 1961; 
W. Geerts, Binza 10. De eerste tien onafhankelijkheidsjaren van de democratische republiek Kongo, 1970; 
H. Eynikel, Onze Kongo. Portret van een koloniale samenleving, 1983; 
I. Schalbroeck, Belgisch-Kongo. De dekolonisatie van een kolonie, 1986; 
V. Dedeuninck, Een halte te vroeg, 1993; 
J. van Bilsen, Kongo 1945-1965. Het einde van een kolonie, 1993.

Auteur(s)

Walter Geerts; Manu Ruys