Katholieke partij

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Christelijke Volkspartij

Bij de behandeling van dit thema moet men zich rekenschap geven van de enorme verandering die de partijen in het algemeen en de katholieke partij in het bijzonder gedurende 150 jaar hebben ondergaan. De ontwikkeling van het kiesstelsel en het regeringssysteem enerzijds en de evolutie van grote maatschappelijke spanningsvelden anderzijds hebben de politieke partijen geleidelijk aan het karakter gegeven van gestroomlijnde, nationaal gestructureerde en gedisciplineerde organisaties, die in de Belgische context een enorme impact hebben verworven in het dagelijkse beleid (particratie). De katholieke partij heeft zeer lang geworsteld met de problemen van tucht en organisatie. Eerst omdat er zich spanningen voordeden tussen Kerk en politici over de oriëntering van de katholieke partij, vervolgens omdat met de voortschrijdende democratisering de heterogeniteit van de katholieke wereld zich ook sterker ging weerspiegelen in het optreden van de katholieke partij en in het algemeen omdat plaatselijke en regionale reflexen lange tijd veel sterker waren dan nationale. Tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog bleef de katholieke partij gekenmerkt door de losse samenhang van de verschillende elementen: de parlementsleden, aangeduid als de rechterzijde, de Kerk, het verenigingsleven in al zijn vormen waarbij vooral de christelijke arbeiders het dichtst de tuchtvolle organisatie van de socialisten benaderden, en de pers. De leiding berustte lange tijd bij de rechterzijde en zelfs bij de katholieke ministers. Een moderne partijorganisatie kwam er pas vanaf 1936 met het Blok der Katholieken van België en definitief in 1945 met de Christelijke Volkspartij. Deze wezenskenmerken zijn belangrijk om te begrijpen hoe de Vlaamse kwestie in de partijen in het algemeen en in de katholieke partij in het bijzonder werd gesteld en opgelost: zij maakten verscheidenheid en tegenstrijdigheid aan standpunten mogelijk. Daaraan moet een ander kapitaal element worden toegevoegd, namelijk de dominantie van de katholieke partij in Vlaanderen en de Vlaamse dominantie in de katholieke partij. Daardoor ontstond al zeer vroeg het beeld van een katholiek Vlaanderen versus een liberaal en socialistisch Wallonië.

Van het unionisme tot aan de katholieke machtsovername in 1884

De eerste flaminganten (Ferdinand A. Snellaert, Jan J. de Laet) toonden grote aarzeling om zich voor een of andere partij uit te spreken, zij verkozen boven of buiten de partijen te staan. Hun voorkeur ging daarom naar de unionistische strekking, die in de jaren 1840 steeds meer vereenzelvigd raakte met de katholieken. Het onderscheid tussen de katholieke en de liberale partij met betrekking tot de Vlaamse kwestie was overigens niet heel groot, hoewel de katholieken – zoals Pierre de Decker en zijn kabinet – meer dan de liberalen geneigd waren aan het Nederlands een plaats(je) toe te kennen. De unionisten of katholieken toonden meer sympathie voor de actie van de flaminganten, zoals blijkt uit de houding van de pers tegenover het Vlaamse petitionnement van 1840, de wet op het middelbaar onderwijs en de wet op het notariaat van 1857. Volgens historicus Lode Wils heeft zich vanaf dat moment een sneeuwbaleffect voorgedaan, waarbij de liberale partij zich meer van de V.B. ging distantiëren omdat ze daarin een klerikaal wapen zag, en de katholieke partij de banden met de V.B. nauwer ging aanhalen. De clerus toonde trouwens bijzondere belangstelling voor de volkstaal, die ook de taal van de predikatie was. Over het algemeen is het moeilijk om de sterkte van de flaminganten in het kiezerspubliek van katholieke en liberale partijen in de cijnsperiode in te schatten.

Na het einde van het unionisme en de vorming van het liberaal ministerie in 1857 moesten de flaminganten kleur bekennen. De katholieke partij van haar kant kon gedurende dertien jaar oppositie de Vlaamse kaart uitspelen. Het doctrinaire beleid van de regering, die bovendien op Wallonië steunde, lokte de vorming van een breed oppositiefront uit waarin de katholieken, de radicalen en de flaminganten elkaar terugvonden. Een leidende rol in deze nieuwe "unie van opposities" was weggelegd voor de Antwerpse Meetingpartij, die in 1862 totstandkwam. Hoewel de Meeting een plaatselijke reactie was op de plannen van de regering die Antwerpen tot militaire vesting wilde uitbouwen en daardoor haar expansie dreigde te beletten, kreeg de idee van een brede Vlaamse en democratische partij ook aanhang elders in Vlaanderen. Naarmate de meeste Antwerpse grieven werden ingewilligd, ging de kleriko-liberale strijd echter als een splijtzwam werken en viel de Meeting geleidelijk samen met de katholieke partij. Voor de katholieke partij had de Meeting-episode wel een blijvende betekenis, namelijk met de integratie van Vlaamsgezinde en vooruitstrevende tendensen. Met De Laet en Edward Coremans bezorgde de Meeting de katholieke partij decennialang de meest strijdbare flaminganten in de Kamer. Uit het initiatief van beide Kamerleden ontstonden de eerste taalwetten (taalwetgeving), op de strafrechtspleging (1873) en op de centrale besturen (1878).

Dertig jaar katholiek bewind

In 1884 kwamen de katholieken voor dertig jaar aan de macht. Onder hun bewind kwam er een beperkte en beheerste democratisering van de instellingen, onder druk van het opkomende socialisme. Opvallend waren de talrijke bestuurlijke en wetgevende maatregelen inzake het taalgebruik (taalwetgeving), zeker in de periode 1884-1900. De regering paste eindelijk de bestuurstaalwet van 1878 toe en versnelde daarmee de vernederlandsing van de gemeentelijke administraties. Munten, bankbiljetten en postzegels kregen Vlaamse opschriften, er kwamen een Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, tweetalige opschriften aan de ministeries en ook het Staatsblad werd tweetalig. De vernederlandsing van het strafgerecht werd verder gezet. Na de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht (1893) werden de twee talen gelijkgesteld (eedformulieren, Gelijkheidswet) en in één geval werd zelfs de eentaligheid van Vlaanderen erkend (Burgerwacht).

Het initiatief voor de wetgeving kwam niet van de regering (het eerste regeringsinitiatief in de taalkwestie dateert van 1929), die integendeel een matigende invloed uitoefende, maar van de parlementsleden. Een actieve rol was weggelegd voor de gekozenen van de Antwerpse Meetingpartij, maar ook voor de Leuvense professor Joris Helleputte, gekozen in Maaseik, en de Kamerleden van de katholieke Vlaamsche Bond van het arrondissement Brussel (onder anderen Juliaan de Vriendt). Dat was mogelijk omdat de regering tot 1900 dankzij het meerderheidssysteem, sedert 1893 gekoppeld aan het algemeen meervoudig stemrecht, over een indrukwekkende overwegend Vlaamse meerderheid beschikte. Parlementaire initiatieven in de taalkwestie brachten het voortbestaan van de regering niet in het gedrang, ook al lokten ze onenigheid uit.

Lode Wils heeft gesproken van een kwalitatieve sprong in de taalwetgeving onder het katholiek bewind. Andere historici wijzen echter vooral op het uitblijven van een wet op de vernederlandsing van het vrij middelbaar onderwijs en op de gebrekkige maatregelen in het leger, twee sectoren die een belangrijke hefboom konden zijn voor gezonde taalverhoudingen. In deze controverse kan men niet heen om de eenvoudige vaststelling dat de katholieke regeringsmeerderheid een grotere belangstelling opbracht voor de volkstaal in Vlaanderen, waar haar politiek steunpunt was gelegen. Ook al deden verschillende regelingen nog denken aan een faciliteitenstelsel voor Fransonkundigen, het taalregime in Vlaanderen steunde meer en meer op de gelijkheid van de talen en ging in de richting van een effectieve tweetaligheid. Door de regering en zelfs door sommige flaminganten werd tweetaligheid trouwens als een ideaal voor heel België, inclusief Wallonië, beschouwd. Dit beleid lokte precies vanwege zijn vervlaamsend effect vanaf 1898 sterker Waals verzet uit. Naarmate de taalwetgeving vorderde werd de vraag naar het – voor elke partij onduidelijke – eindpunt dwingender gesteld en werd de tegenstand tegen elke nieuwe taalwet sterker. Overigens veranderde ook de V.B. zelf tijdens dit proces en zij werd gedwongen haar doelstellingen scherper te formuleren of de bakens te verzetten. Dertig jaar is een lange periode. Zowel de diagnose als de remedies voor de Vlaamse kwestie ondergingen in die jaren belangrijke wijzigingen. Pas aan de vooravond van de oorlog werd de regionale eentaligheid het enige streefdoel.

De katholieke partij onderging in deze periode belangrijke mutaties, die met het oog op een verdere vernederlandsing van groot belang waren. De Fédération des Cercles, het verbond van kiesverenigingen voor de cijnselite, werd geconfronteerd met nieuwe organisaties die op hun beurt de nieuwe kiezers wilden groeperen. Deze organisaties waren de Belgische Boerenbond (1890), de Belgische Volksbond (1891) en de Katholieke Vlaamsche Landsbond (1891). Wils heeft als eerste gewezen op de raakvlakken tussen de V.B. en de opkomende christen-democratie vanaf 1890. Voor de kleinburgerlijke flaminganten was de sociale beweging, met de veralgemening van het kiesrecht in het vooruitzicht, een hefboom in hun strijd tegen de verfranste notabelen. In dit verband moet Helleputte worden vernoemd. Deze flamingant, hoogleraar aan de Leuvense universiteit, was ook stichtend voorzitter van zowel de Boerenbond (1890) als de Volksbond (1891). In het daensisme zou deze vervlechting tot een echte symbiose leiden.

Historicus Van Velthoven heeft de samenwerking tussen de V.B. en de opkomende christen-democratie terecht gerelativeerd: de formule hield grote beloften in, maar kende slechts een onvolkomen verwezenlijking en bleef veeleer een virtuele realiteit. De houding van de Belgische Volksbond, die zich weinig om de Vlaamse kwestie bekommerde, is daar een sprekend bewijs van. Een ander bewijs is de blijvende aantrekkingskracht van de daensistische dissidentie waar die vervlechting zich wel voordeed. De christen-democratie was echter breder dan de Volksbond en voor een genuanceerde appreciatie van haar relatie tot de V.B. is dat een belangrijk gegeven. De Volksbond was weinig meer dan een nationaal comité, een poging tot kanalisering van de christen-democratie van bovenaf, waarbij meer radicale tendensen aan de basis, zowel syndicale als Vlaamsgezinde, werden onderdrukt. Precies omdat de Volksbond zo weinig beantwoordde aan lokale aspiraties werd hij na 1900 steeds meer het mikpunt van contestatie, vooral vanuit Vlaamse hoek.

Omstreeks 1900 kwam de taalwetgeving tot stilstand. Men moet wachten tot 1907 vooraleer het parlement zich over een nieuw voorstel van taalwet dient uit te spreken. Sommige historici zoals Wils hebben deze vertraging toegeschreven aan het effect van de evenredige vertegenwoordiging op de samenstelling van het parlement, meer bepaald aan de machtsvermindering van de katholieke Vlamingen als steunpilaar van de regeringsmeerderheid. Anderen, waaronder Van Velthoven, hebben gewezen op het effect van de evenredige vertegenwoordiging op de werking van de partijen, meer bepaald op het feit dat door de invoering van de lijststem de partijbesturen meer greep kregen op de lijstsamenstelling en protest van ontevreden kiezers en pressiegroepen werd uitgeschakeld.

Hoe het ook zij, de katholieke regering en haar meerderheid hebben tien jaar lang geworsteld met het wetsvoorstel-Coremans op de vernederlandsing van het vrij middelbaar onderwijs. Deze kwestie belangde dan toch de katholieken zelf aan, hoewel niet helemaal vermits in het ontwerp ook de Waalse afdelingen van de athenea werden geviseerd. Het verzet kwam vooral van sommige onderwijscongregaties en van de bisschoppen, die vanaf 1906 geleid werden door de nieuwe Mechelse en Fransgezinde aartsbisschop Désiré Mercier. Dat de oppositie van de bisschoppen onder het bewind van een katholieke regering werd overwonnen, was echter ook weer een feit van betekenis.

Na 1906 traden enkele belangrijke verschuivingen op die voor de toekomst van de V.B. van groot belang waren. De dreigende nederlaag inzake het wetsvoorstel-Coremans – dat pas in 1910 werd goedgekeurd – en de kieswetgeving sedert de invoering van de evenredige vertegenwoordiging, dwongen de katholieke flaminganten tot een betere organisatie. In 1907 namen de oud-hoogstudentenbonden het initiatief tot de herstichting van de Katholieke Vlaamsche Landsbond (KVL). Het was de bedoeling de strijd aan te binden met de oude kiesverenigingen. In het verlengde hiervan kwam in 1912 de weliswaar kortstondige Katholieke Vlaamsche Kamergroep tot stand. Daarnaast kwam een christelijke arbeidersbeweging tot ontwikkeling, deels buiten en zelfs tegen de Belgische Volksbond. Zij streefde naar meer autonomie, ook op het politieke vlak, en putte haar elan voor een deel uit Vlaamsgezind ongenoegen. Ten slotte werd de brug tussen V.B. en sociale beweging, die reeds circa 1890 was gelegd, maar vrij zwak was gebleven, versterkt door de ontwikkeling van een sociaal-economische fundering voor de V.B. De katholieke Vlaamse studenten- en oud-studentenbeweging legde na 1900 steeds meer de klemtoon op de sociale aspecten van de Vlaamse strijd. Zo konden jonge burgerlijke intellectuelen en leiders van de groeiende arbeidersbeweging elkaar vinden in een gemeenschappelijk programma van 'volksontwikkeling'. Toonaangevend voor die nieuwe generatie waren Frans van Cauwelaert aan de ene zijde en Hendrik Heyman aan de andere zijde. Zij zouden hun kansen pas ten volle krijgen door de schok van de oorlog. De samenwerking tussen beide groepen zou intiemer worden tijdens de Eerste Wereldoorlog, in confrontatie met het activisme, waarin het katholieke aandeel overigens relatief klein was. Op het eind van de oorlog formuleerde Van Cauwelaert samen met de liberale flamingant Julius Hoste (jr.) zijn bekende Vlaamse minimumprogramma, dat onmiddellijk op de steun van de christen-democraten kon rekenen. Het voorzag de integrale vernederlandsing van het bestuur, het onderwijs, het gerecht en het leger in Vlaanderen.

Het interbellum

Het einde van de "Grote Oorlog" leidde tot fundamentele veranderingen in de Belgische politiek. Door de overeenkomst van Loppem werden liberalen en socialisten als volwaardige partners opgenomen in een regering van nationale unie. Met de invoering van het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht werd een nieuwe en beslissende stap gezet in de democratisering van het openbare leven. De weerslag ervan was sterk voelbaar in de katholieke partij. Ten eerste verloor zij na meer dan dertig jaar de volstrekte meerderheid in het parlement, hoewel zij tussen de twee wereldoorlogen met uitzondering van 1936 de grootste nationale partij bleef. Zoals tevoren bleef haar positie beduidend sterker in Vlaanderen dan in Wallonië, waar zij slechts de tweede plaats bekleedde na de socialisten. Ten tweede versterkten arbeiders, boeren en flaminganten hun positie. De arbeiders maakten zich los uit het vooroorlogse paternalisme, wezen de Belgische Volksbond af en stichtten in 1921 het Algemeen Christelijk Werknemersverbond (ACW), waarvan het zwaartepunt eveneens in Vlaanderen lag. Ten derde zorgde de schoolvrede voor toenemende interne spanningen met betrekking tot de Vlaamse en de sociale kwestie. Dat zou bij verkiezingen herhaaldelijk aanleiding geven tot het optreden van concurrerende katholieke lijsten.

De tegenstellingen binnen de katholieke partij waren behoorlijk scherp doordat de samenwerking tussen christen-democratie en V.B., die voor 1914 virtueel aanwezig was, nu een realiteit werd. Hier was een leidende rol weggelegd voor Frans van Cauwelaert. Hij streefde naar een bundeling van de standsorganisaties en de Vlaamsgezinde burgerij in een Vlaams-katholieke partij. Zijn instrumenten waren het nieuwe dagblad De Standaard, dat begon te verschijnen vanaf 4 december 1918, de Katholieke Vlaamsche Landsbond (KVL) en de Katholieke Vlaamsche Kamergroep, die beide werden heropgericht respectievelijk voor en na de parlementsverkiezingen van 16 november 1919. Het optreden van Van Cauwelaert kon evenwel niet verhinderen dat de Vlaamse frontbeweging zich na de oorlog voortzette in een eigen partij, Het Vlaamsche Front, dat opkwam voor zelfbestuur.

Tegenover de Vlaams-democratische krachten bevond de oude Fédération des Cercles zich in het defensief. Na 1918 werd zij in Vlaanderen zwaar teruggeslagen door de gecombineerde kracht van christen-democratie en V.B. Haar zwaartepunt lag voortaan in Brussel en Wallonië, hoewel zij ook steunpunten behield in de grote Vlaamse steden, vooral in Antwerpen en Gent, maar ook in Kortrijk, Brugge, Mechelen, Leuven en Hasselt. Haar voorzitter van 1919 tot 1936 was trouwens een Antwerpenaar, oud-minister Paul Segers. Met hem kon de Federatie tot 1936 de schijn ophouden een echte nationale organisatie te zijn. Met betrekking tot de Vlaamse kwestie heeft de Federatie zonder twijfel een remmende rol gespeeld, hoewel men in haar schoot tevergeefs zal zoeken naar de wallingantische reflexen die men wel bij de Waalse liberalen en socialisten terugvond.

De democratisering en de daaraan gekoppelde vervlaamsing lieten zich vooral voelen bij de eerste twee parlementsverkiezingen na de oorlog. In november 1919 traden de kersverse Katholieke Vlaamse Verbonden – die aan de vooravond van de verkiezingen werden gebundeld in de vernieuwde KVL – krachtig op om het Vlaamse minimumprogramma op te leggen aan de uittredende parlementsleden of om eigen kandidaten naar voren te schuiven. Zij werden gesteund door de organisaties van arbeiders en boeren. Hun actie leidde samen met de schok van de oorlog tot een grondige wijziging in de samenstelling van de katholieke Kamerfractie. Een veertigtal katholieke Vlamingen trad op uitnodiging van Van Cauwelaert toe tot de Katholieke Vlaamsche Kamergroep, die in een deels overlappende, deels concurrerende, positie tegenover de rechterzijde kwam te staan. De vernieuwingstendens werd verder gezet bij de verkiezingen van november 1921, door de veralgemeende toepassing van de standenvertegenwoordiging. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van april 1921 – de eerste sedert 1911 – hadden de Vlaamse katholieken intussen ook hun posities in de plaatselijke besturen versterkt.

In 1921 hadden de Fransgezinde conservatieven in Vlaanderen zich van de eerste schok hersteld. Zij probeerden hun krachten te bundelen en weerwerk te leveren. De strijd concentreerde zich te Antwerpen, waar het duel Van Cauwelaert-Segers een voor Vlaanderen symbolisch karakter kreeg. Na de gemeenteraadsverkiezingen van april scheurde de katholieke partij er in tweeën: de groep-Van Cauwelaert vormde met de socialisten het schepencollege, de groep-Segers kwam met de liberalen in de oppositie terecht. De conservatieven probeerden de benoeming van Van Cauwelaert tot burgemeester van Antwerpen nog tegen te houden maar de regering moest wijken voor de druk van de katholieke Vlamingen, die hiermee een belangrijke morele overwinning boekten. Segers reageerde met een eigen "nationaal-katholieke" lijst bij de parlementsverkiezingen van november, hierin nagevolgd door gelijkgezinden in vele andere Vlaamse arrondissementen. Hij hoopte vooral dat de katholieke kiezers Van Cauwelaerts coalitie met de socialisten zouden afstraffen. De strijd werd echter beslecht in het voordeel van Van Cauwelaert. Hiermee was de politieke rol van het katholieke franskiljonisme in Vlaanderen grotendeels uitgespeeld.

Christen-democratie en V.B. vielen echter ook na 1918 niet volledig samen en dat bleek uit de keuze van de arbeiders en de boeren voor een nationale partijstructuur, het Katholiek Verbond van België of de zogenaamde Katholieke Unie. Dit verbond, dat in augustus 1921 werd opgericht, berustte op het principe van de standenvertegenwoordiging en stelde een nationaal contactorgaan in tussen de Fédération des Cercles, het ACW, de Boerenbond en de middenstandsorganisatie. Voor de KVL van Van Cauwelaert was hierin geen plaats. In de praktijk zou de Katholieke Unie echter nooit een groot gezag uitstralen. Ook al werd de katholieke partij op basis van het standenprincipe georganiseerd, toch werd zij in de tussenoorlogse periode en vooral in de jaren 1920 gekenmerkt door een tegenstelling tussen een Vlaamsgezinde en democratische vleugel met als steunpunt Vlaanderen enerzijds en een conservatieve en veeleer Fransgezinde vleugel met als steunpunten Brussel en Wallonië anderzijds. In feite was deze tegenstelling veel bepalender voor de gang van zaken in de katholieke partij dan de tegenstellingen tussen de zogenaamde standen. In dat opzicht moet men zich hoeden voor het anachronisme de katholieke partij voor 1936 als een unitair-Belgische partij te bestempelen. In feite liet de zwak gearticuleerde partijstructuur juist toe dat de verschillende groepen en regio's een grote mate van autonomie konden verwerven. Het gebrek aan partijtucht gaf ruime vrijheid aan de fracties binnen de partij en ook aan de Vlaams-Waalse fractievorming. Pogingen van de Katholieke Unie, in 1933, om een reëel gezag te verwerven botsten trouwens op deze Vlaams-Waalse dualiteit. Deze zou ten slotte in 1936 een institutionele erkenning krijgen. Dat alles gaf uiteraard aan de katholieke partij in deze periode een vrij chaotisch karakter. De katholieke partij bleef in wezen een confessionele formatie, die politiek gesproken alleen kon overleven door een verregaande soepelheid in haar structuur en programma te accepteren. De bisschoppen bleven zo'n confessionele bundeling aanprijzen. Maar hun verdeeldheid over het Vlaamse vraagstuk belette hen om in de eerste naoorlogse jaren openlijk tussen te komen.

Opvallend is dat de Vlaamsgezinde en democratische krachten niet onmiddellijk konden doorstoten naar de regering. Hier speelden immers andere toegangs- en selectiemechanismen. Hier hielden de koning, zijn entourage en de oude elites een belangrijke vinger in de pap. In het algemeen kan men stellen dat in contrast met de democratisering van het parlement, de regering in hoofdzaak een conservatieve stempel bleef behouden. De voorkeur ging naar de katholiek-liberale coalitie, met tenoren van de Société Générale in de coulissen. De koning deed zelfs herhaaldelijk een beroep op extra-parlementariërs of zogenaamde technocraten zoals Léon Delacroix, Henri Jaspar, Georges Theunis, Emile Francqui, Camille Gutt, Paul van Zeeland, meestal figuren uit de financiële wereld. Zoals gezegd slaagden de katholieke Vlamingen er aanvankelijk niet in door te stoten tot het regeringsniveau. De regering-Theunis (1921-1925) was een asymmetrische afspiegeling van de katholiek-liberale meerderheid, en dat gold ook nog in zekere mate voor de tweede regering-Jaspar (1927-1931). Enkel de katholiek-socialistische regering-Prosper Poullet-Emile Vandervelde (1925-1926) maakte hierop een uitzondering, maar precies daarom werd zij ook zo krachtig bestreden en viel zij al na elf maanden. Door deze onvolkomen machtsverwerving slaagden de katholieke Vlamingen er niet in een overtuigend succes te boeken op het vlak van de taalwetgeving. De verminkte taalwet op de besturen van 1921 en de halfslachtige vernederlandsing van de Gentse universiteit (Nolf-barak) in 1923 wekten integendeel het beeld van evenzovele nederlagen. Samen met het Frans-Belgisch Militair Akkoord van 1920 zorgden ze voor een grote ontgoocheling. Pas vanaf 1927, en eerst voluit met de regering-Jules Renkin in 1931, slaagden de katholieke Vlamingen erin hun positie in de regering te versterken. Vanaf dan kregen zij hun eigen ministers met figuren als Hendrik Heyman, Albert Carnoy, Emiel van Dievoet, Philip van Isacker, Gustaaf Sap, Jules van Caenegem en Edmond Rubbens. Met uitzondering van Sap en Van Dievoet waren dit allen christen-democraten in de beperkte betekenis die daar toen aan werd gegeven, namelijk vertegenwoordigers van de christelijke arbeidersbeweging. Vanaf dat ogenblik werd het minimumprogramma uitgevoerd. Vermeldenswaard is de rol van de Brusselse katholiek Renkin. Na de val van de regering-Poullet-Vandervelde had hij campagne gevoerd voor het herstel van de katholieke eendracht. Hij wenste het koste wat het kost een nieuwe coalitie tussen de Vlaamse katholieken en de socialisten te vermijden. De conservatieve katholieken moesten volgens hem kiezen voor het minste kwaad, namelijk voor toegevingen aan de christen-democraten en de flaminganten. Onder zijn impuls liet de Fédération des Cercles in 1929 de Franstalige minderheden in Vlaanderen vallen (taalminderheden). Onder zijn regering werd de vernederlandsing van de openbare besturen en het onderwijs in Vlaanderen goedgekeurd.

Het onvermogen van de Vlaamse katholieken om snel het Vlaamse minimumprogramma te realiseren heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van de Frontpartij, hoewel men niet alleen in de taalkwestie de redenen van het succes van deze nieuwe partij moet zoeken. In de opgang van de Frontpartij speelde ook het effect van de schoolvrede en een zeker verzet tegen de langdurige klerikale machtsposities een rol. Aanvankelijk waren de scheidingslijnen tussen zogenaamde minimalisten en maximalisten niet zo scherp. Het onderscheid tussen de vernederlandsing van Vlaanderen, zoals vervat in het minimumprogramma, en het zelfbestuur was voor velen niet wezenlijk, maar slechts gradueel. Bovendien waren katholieken noch Fronters tuchtvol georganiseerd, zodat plaatselijk diverse contacten konden plaatsvinden. Men moet eigenlijk wachten tot in 1925 om klare lijnen te zien trekken; de veroordeling van het Vlaams-nationalisme door het episcopaat heeft daarin een rol gespeeld.

Zonder twijfel heeft de druk van het Vlaams-nationalisme een belangrijke rol gespeeld in het totstandkomen van de taalwetgeving van de jaren 1930. De Bormsverkiezing van december 1928 en het daaropvolgend succes van de Vlaamse nationalisten in mei 1929 verwekten een schok in regeringskringen, vooral bij de liberalen en de Waalse katholieken. De katholieke Vlamingen hebben deze kentering aangewend om het Vlaamse minimumprogramma door te drukken. Tijdens deze episode was het optreden van de christelijke arbeidersbeweging van doorslaggevend belang. Niet alleen vormden haar mandatarissen de meest actieve kern van de Katholieke Vlaamsche Kamergroep, maar het ACW zelf slaagde er in maart 1929 in zowel Vlamingen als Walen achter een zogenoemd taalstatuut te scharen dat de eentaligheid van Vlaanderen, respectievelijk Wallonië erkende. Om tegemoet te komen aan de bekommernis van de Walen werd niet langer vastgehouden aan de noodzaak van tweetalige ambtenaren in de centrale besturen, zoals nog in de taalwet van 1921 was voorzien. In het probleem van de taalminderheden dat vanaf dat ogenblik acuut werd huldigden de katholieke Vlamingen een radicaal standpunt: alleen aan de taalgrens konden die erkenning krijgen.

De taalwetgeving van 1930-1935 was een succes voor de katholieke Vlamingen, maar de overwinning smaakte bitter, omdat zich intussen al veel verzet tegen het zogenaamde minimalisme had opgehoopt. En niet zodra waren de belangrijkste taalwetten uit het interbellum goedgekeurd, of in Vlaanderen werd een belangrijke stroming zichtbaar die verder wilde gaan en de bakens wilde verzetten. Drie elementen bedreigden de positie van Van Cauwelaert. Ten eerste het succes van het Vlaams-nationalisme, dat na een lichte inzinking in 1932 door het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) (1933) nieuw enthousiasme bij de jongeren kon wekken, ten tweede het aantreden van een nieuwe generatie die de taalwettenpolitiek verfoeide zonder zich daarom openlijk nationalistisch te durven noemen, ten derde de contestatie van zijn leiderschap door Sap. Professor Sap had zich na de oorlog aan de zijde van Van Cauwelaert geschaard, maar was aanvankelijk vooral bezig met zijn zakelijke ondernemingen. Pas in 1928, nadat hij aan de leiding van de banken van de Boerenbond opzij was gezet, ging hij zich toespitsen op de politiek. Daarbij leverden precies zijn zakelijke ervaringen met de Boerenbond-groep bijkomende munitie voor zijn kritiek op Van Cauwelaert en diens politiek, die als weinig beginselvast werd bestempeld. Het instrument van Sap werd het dagblad De Standaard, waarover hij op het einde van de jaren 1920 de controle wist te verwerven.

De generatie intellectuelen die in de jaren 1930 aantrad, had zich al in de jaren 1920 aan de universiteit afgekeerd van de taalwettenpolitiek. Deze jonge academici zagen overigens in een verdere en consequente vervlaamsing kansen tot maatschappelijke promotie, zeker nu de reikwijdte van de staat in de economische sfeer toenam. Zij verwierven met het weekblad Nieuw Vlaanderen (1934) en met de heroprichting van het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond (KVOHV) (1936) een eigen spreekbuis en slaagden erin met figuren als Gaston Eyskens en Leo Delwaide greep te krijgen op de KVL. Deze generatie toonde zich voorstander van een publiekrechtelijk statuut voor Vlaanderen, van een of andere vorm van federalisme, en meende hiermee een platform te hebben gevonden om katholieke Vlamingen en katholieke nationalisten te verenigen. Federalisme werd het leidmotief van de beweging voor Vlaamsche Concentratie, die door Nieuw Vlaanderen in augustus 1935 werd gelanceerd. In deze bekommernis speelde niet alleen een Vlaams motief in de traditionele zin van het woord, maar evenzeer de wil om de samenleving op andere grondslagen te hervormen. De taalwettenpolitiek werd in deze milieus evenzeer als in nationalistische kringen gekoppeld aan een achterhaald en fel bekritiseerd 'demo-liberaal' bestel. Volksgemeenschap werd een centraal begrip met alle autoritaire en corporatieve (corporatisme) connotaties die dit in de jaren 1930 inhield.

De strijd tussen de oude en de nieuwe generatie werd aangewakkerd door de voor de katholieken desastreuze parlementsverkiezingen van mei 1936 en de vorming van de tweede regering-Van Zeeland. Nu de socialisten als sterkste partij uit de bus waren gekomen, nu de Waalse katholieken zwaar door Rex waren verslagen, pleitten velen voor een of andere vorm van samenwerking tussen de katholieke Vlamingen en het zegevierende VNV. De inhoud van deze Vlaamsche Concentratie kon sterk variëren, maar veronderstelde op zijn minst een federalisering van de katholieke partij. De malaise werd aangewakkerd door de toetreding van de katholieke partij tot de tweede regering-Van Zeeland, een nieuwe regering van nationale unie, waarin de socialisten als gevolg van de algemene werkstaking van juni 1936 een toonaangevende rol speelden. De groep-Van Cauwelaert, het ACW en de Boerenbond kozen voor deze coalitie omdat die in hun ogen de meeste kansen op politieke stabiliteit bood. Door het VNV, De Standaard en de groep-Nieuw Vlaanderen werd deze coalitie met de socialisten als een keuze tegen Vlaanderen bestempeld. De vrees voor een linkse dominantie leidde trouwens tot een snelle verschuiving van de Vlaamsche Concentratie naar een rechtse of anticommunistische alliantie, waarin ook Rex een plaats kreeg. Dat gebeurde onder de indruk van de linkse verkiezingsoverwinningen in Spanje en Frankrijk. Als zodanig was de Vlaamsche Concentratie slechts de uiting van een algemene polarisatie tussen links en rechts in heel Europa.

Het dreigende succes van het blok Rex-VNV, na het akkoord dat beide partijen in september 1936 afsloten, dwong de Katholieke Unie op 11 oktober 1936 tot een overhaaste hervorming en de erkenning van de Vlaams-Waalse dualiteit. Aan Vlaamse zijde werd de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV) opgericht, aan Franstalige zijde de Parti Catholique Social (PCS). Samen vormden zij het Blok der Katholieken van België. In feite werd alleen een Vlaams en een Franstalig 'directorium' opgericht, zonder dat evenwel de aard van de toekomstige partijstructuur werd vastgelegd. De vaagheid waarin dit gebeurde gaf het Vlaamse directorium de gelegenheid om met het VNV te onderhandelen over een Vlaamsche Concentratie, maar versterkte tegelijk de machtsstrijd tussen oude en nieuwe generatie. Het Beginselakkoord KVV-VNV dat op 8 december 1936 werd ondertekend bleek uiteindelijk niet gedragen door de leidende krachten binnen de twee partijen en werd al snel afgeschoten. Het stond trouwens haaks op de gouvernementele realiteit van dat ogenblik. De groep-Van Cauwelaert, het ACW en de Boerenbond trokken aan het langste eind. Zij kregen een flinke steun in de rug toen de Belgische bisschoppen in hun Kerstbrief van 1936 niet alleen het communisme, maar ook alle autoritaire stromingen veroordeelden. De allianties die naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1938 tussen afdelingen van de KVV, van het VNV en soms van Rex in verschillende Vlaamse steden en gemeenten werden afgesloten, waren slechts gelegenheidsakkoorden, die niet meer de geest van de concentratie weerspiegelden.

Toch markeerde 1936 een belangrijk keerpunt. Inzake partijorganisatie bleef de dubbelformule KVV-PCS bestaan, met een tweehoofdige leiding. In de KVV werden de laatste restanten van de Fédération des Cercles weggeveegd. Een nieuw Katholiek Vlaamsch Burgersverbond nam haar plaats in. Inzake de Vlaamse problematiek leidde de druk van de federale stroming tot een verdieping van het minimumprogramma in de richting van de culturele autonomie, een begrip dat pour le besoin de la cause met veel nationalistische lyriek werd omgeven. Met dit concept slaagde de KVV erin opnieuw Vlaamse jongeren aan te trekken. De creatie van Jeugdfront, dat trouwens doordrongen bleef van een vage concentratiemystiek, was hiervan het bewijs. Het "steriele anti-Belgicisme" – de uitdrukking is van de Leuvense studentenleider Piet Meuwissen – werd door Jeugdfront verlaten ten voordele van een constructieve Vlaamsgezinde opstelling. Die kentering was mede mogelijk gemaakt door de onafhankelijkheidspolitiek en de krachtige steun hiervoor van Leopold III. Deze jongere generatie zou versterkt uit de oorlog komen.

Aan de vooravond van de oorlog was er een impasse ontstaan.

KVV en VNV, respectievelijk 47 en 17 Kamerleden sterk, stonden als vijanden tegenover elkaar en de concentratie was verder weg dan ooit. Tussenin stonden de KVL, die door de stichting van de KVV zelf veel van zijn bestaansreden had verloren, de oud-studentenbonden met het weekblad Nieuw Vlaanderen en het dagblad De Standaard. De oorlog en de tweede Duitse bezetting zorgden voor een grondige herschikking van de kaarten. Het VNV werd door de collaboratie weggevaagd, de oud-studentenbonden en De Standaard verdwenen voor enkele jaren van het toneel en de KVL vond geen tweede adem meer. De katholieken traden aan met de nieuwe Christelijke Volkspartij (CVP) en realiseerden daarmee een vorm van concentratie, maar dan in omstandigheden die niemand had voorzien, laat staan gewild.

Bezetting

Van 1940 tot 1944 moest de katholieke partij lijdzaam toezien hoe zowel het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) als Rex met de steun van de Duitse bezetter diverse machtsposities veroverden in de oude en de nieuwe instellingen. Het Blok der Katholieken van België, dat in mei 1940 nauwelijks uit de steigers was gekomen, werd door de Duitse bezetter het zwijgen opgelegd. Van een openlijke activiteit van de katholieke partij als zodanig was er gedurende de bezetting dan ook geen sprake. Een eigenlijke clandestiene werking was er evenmin, hoewel natuurlijk op verschillende plaatsen in beslotenheid van gedachten werd gewisseld over de toekomst. De ruggengraat van de katholieke partij werd evenwel intact gehouden door de continuïteit van de standsorganisaties en de Katholieke Actie.

In de zomer van 1940, toen velen ervan overtuigd waren dat de oorlog voorbij was, voelden nochtans ook verschillende katholieke personaliteiten de drang om iets te ondernemen, al was het maar uit reactie tegen initiatieven van de politieke tegenstanders, zoals het beruchte manifest van de leider van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) Hendrik de Man. Ook in katholieke milieus werden plannen gesmeed voor de hervatting van het economische, sociale en politieke leven in het kader van een "Nieuwe Orde". Er was zelfs een doodgeboren poging om een Vlaamsche Concentratie tot stand te brengen. Een ontmoeting tussen een afvaardiging van de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (°1936) (KVV) onder leiding van haar voorzitter Alfons Verbist en personaliteiten van het VNV in juli 1940, bleef zonder gevolgen. Omstreeks dezelfde tijd waren er ook vruchteloze pogingen om de christelijke vakbeweging en Arbeidsorde, de sociale organisatie van het VNV, te versmelten. De Eenheidsbeweging-VNV zou het moeten doen zonder de katholieken.

Collaboratie dekt diverse vormen van landverraad in oorlogstijd, maar was een rekbaar begrip op een ogenblik dat velen van oordeel waren dat de oorlog was afgelopen en dat de krijgsgevangen koning in Laken zelf aanwijzingen gaf voor het hernemen van een zekere activiteit. In 1940-1941 was een belangrijk deel van het Belgische establishment bereid tot zekere toegevingen aan de bezetter. Het is echter duidelijk dat de openlijke wijze waarop het VNV met de Duitsers samenheulde de katholieken afschrikte. Samenwerking met het VNV werd ten strengste afgeraden door kardinaal Ernest-Joseph van Roey. De aartsbisschop was evenals de koning wel voorstander van een aanwezigheidspolitiek, die als een politiek van het "minste kwaad" werd beschouwd. De katholieken mochten zich niet compromitteren, maar zich evenmin laten wegdrukken. Zo werkten Paul-Willem Segers en August Cool, de leiders van de christelijke arbeidersbeweging, mee aan de stichting van een eenheidsvakbeweging (de Unie van Hand- en Geestesarbeiders-UHGA). Zo streefden katholieke ondernemers, zoals Léon Bekaert, naar een plaats in de nieuwe economische ordening. Al deze figuren bleven loyaal aan België en aan Leopold III, maar legden in de gegeven omstandigheden wel een sterke nadruk op de ontplooiingskansen van de 'Vlaamse volksgemeenschap'. Hun prioriteit was echter niet zozeer de verwezenlijking van een Vlaams programma, dan wel de realisatie van een vorm van corporatisme.

Belangrijker dan deze aanwezigheidspolitiek in de coulissen, was het publieke optreden van talrijke katholieke mandatarissen en ambtenaren, die na mei 1940 op post waren gebleven. Het betrof hoge functionarissen, zoals enkele secretarissen-generaal, maar vooral burgemeesters en schepenen. De lokale mandatarissen die zich ondanks de zuivering van de gemeentelijke besturen konden handhaven of aanbleven na de vorming van de agglomeraties van Brussel, Gent, Antwerpen en Brugge, hadden het uiteraard steeds moeilijker om zich niet met de bezetter te compromitteren of de publieke opinie van het tegendeel te overtuigen. Voor sommigen betekende dit na de oorlog, hoe dan ook, het einde van hun politieke loopbaan. Uitzonderlijk was het geval van Leo Vindevogel, die voor de oorlog een opgemerkte rol had gespeeld aan de zijde van Gustaaf Sap. Hij zou wegens zijn optreden als oorlogsburgemeester van Ronse in 1945 worden terechtgesteld. Anderen zouden worden weggezuiverd. Leo Delwaide, oorlogsburgemeester van Groot-Antwerpen, verdween na de bevrijding gedurende enkele jaren van het politieke toneel, maar kwam uiteindelijk terug. Segers ten slotte, schepen van Groot-Antwerpen, kon zich niet zonder moeite handhaven na de bevrijding. Was er hier en daar ongetwijfeld een geval van collaboratie, dan bevonden de meesten van deze mandatarissen zich toch in de grijze zone van de accommodatie. Dit zou de opstelling van de Christelijke Volkspartij (CVP) inzake de repressie en de Koningskwestie beïnvloeden. Er was overigens nog een ander element dat de houding van de CVP, noodgedwongen, zou bepalen, namelijk de diffuse katholieke onderstroom van het VNV en diverse collaborerende groeperingen, zeker in de culturele sfeer.

Naarmate de bezetting vorderde en de krijgskansen keerden nam ook het aantal besloten vergaderingen toe waarin de toekomst van de katholieke partij werd voorbereid. Daarbij oefenden vooral twee factoren een beslissende invloed uit: een herwonnen besef van Belgisch patriottisme en de vrees voor het communisme. Hier groeiden de plannen voor wat in 1945 de CVP zou worden. Een heel eigen plaats bekleedde de beweging van Tony Herbert. De Kortrijkse industrieel Herbert, die reeds op het einde van de jaren 1930 het Vlaams-nationalisme vaarwel had gezegd, kwam al vrij snel na het begin van de bezetting tot de overtuiging dat Duitsland de oorlog zou verliezen. Hij wenste tegenover de collaboratie van het Vlaams-nationalisme een nieuwe synthese tussen Vlaanderen en België tot stand te brengen. Daarbij hield hij evenwel vast aan een autoritair en corporatief maatschappijmodel. Zijn invloed was groot, onder andere op jongeren uit het Jeugdfront, en hij slaagde erin een netwerk van contacten over heel Vlaanderen en zelfs in Wallonië uit te bouwen. Hij en zijn beweging zouden een belangrijke stempel drukken op de CVP in wording. Dit nieuwe patriottisme kon evenwel niet beletten dat zich aan Waalse katholieke zijde uit reactie tegen de Duitse Flamenpolitik en de assertieve houding van de katholieke Vlamingen in het begin van de bezetting een houding van revanche ontwikkelde, die onder andere zou leiden tot de Union démocratique belge.

Van de Tweede Wereldoorlog tot aan het Schoolpact

De Christelijke Volkspartij (CVP), die in 1945 werd opgericht als erfgenaam van de vooroorlogse katholieke partij, was in belangrijke mate schatplichtig aan de jaren 1930. De hervormingsbeweging die toen schuchter begonnen was, werd nu consequent voortgezet. De CVP erkende geen georganiseerde standen meer in haar schoot, wees het confessioneel etiket af en steunde op een uitgewerkt politiek programma met het personalisme als uitgangspunt. Op een punt nochtans stond zij haaks op de ontwikkeling die in de jaren 1930 op gang was gebracht. In tegenstelling met het Blok der Katholieken van België, dat de Vlaams-Waalse dualiteit had erkend, was de CVP nationaal en werd zij geleid door unitaire bestuursorganen (daarom zullen wij ter aanduiding van die partij tot aan de splitsing van 1968 enkel gebruikmaken van de afkorting CVP). In plaats van de tweehoofdige leiding kwam er een nationale voorzitter, August de Schryver. In het nationaal comité, dat de spil van de partij was, waren Vlamingen en Walen nochtans paritair vertegenwoordigd. De Vlamingen verloren hierdoor het voordeel van hun meerderheidspositie in de unitaire partij. De Vlaamse en Waalse 'vleugels' van het nationaal comité – elk met een eigen voorzitter – stelden weinig voor: zij konden apart vergaderen, maar hadden een louter organisatorische taak. Ook de parlementsfracties waren voortaan unitair. Niet alleen de standsgroepen verdwenen maar ook de oude Katholieke Vlaamse Groepen van Kamer en Senaat werden opgeheven. De Vlaamse katholieke opinie verloor hierdoor een uitdrukkingsmiddel, dat gedurende het interbellum een belangrijk instrument van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd was geweest.

Het nationale karakter van de CVP was het resultaat van een vernieuwd Belgisch patriottisme. Reeds tijdens de bezetting waren vele Vlaamsgezinden, zelfs in het collaborerende Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), tot de overtuiging gekomen dat België de enige waarborg vormde voor de ontplooiing van Vlaanderen. In deze mentaliteitsverandering speelde de verzetsbeweging van de gewezen Vlaams-nationalist Tony Herbert, die heel wat katholieke jongeren aansprak (Robert Vandekerckhove, Michiel Vandekerckhove, Albert de Clerck, Renaat van Elslande, Jos de Saeger, Theo Lefèvre en anderen), een beslissende rol. Herbert kreeg na de bevrijding een spreekbuis in De Nieuwe Standaard (later De Nieuwe Gids), waarmee hij de toon kon zetten in de CVP en in de V.B. De CVP, die toch in Vlaanderen haar belangrijkste steunpunt vond, werd dus opgericht in een constructieve Belgische geest. In het eerste programmaontwerp dat nog door het Blok der Katholieken einde 1944 werd opgesteld, stond de bevordering van de nationale gemeenschapszin en de toewijding aan het vaderland vooraan. Het contrast met de vooroorlogse tijd was groot. De Vlaamse en Waalse naties werden gereduceerd tot cultuurgemeenschappen; België was het echte vaderland.

Die lijn werd doorgetrokken in het Kerstprogramma van 1945, waarin het Belgische vaderland opnieuw centraal stond. Het federalisme werd principieel veroordeeld. Er werd daarentegen gepleit voor cultureel, sociaal-economisch en politiek regionalisme (de term culturele autonomie was taboe). Op politiek vlak stelde het Kerstprogramma een tweevoudige oplossing voor. Het vroeg op het nationale plan de gelijkwaardige behandeling van Vlamingen en Walen in de centrale besturen en "de aanpassing van het taalregime te Brussel aan de rol, die de hoofdstad daadwerkelijk moet vervullen tegenover de twee landstreken". Verder pleitte het voor deconcentratie (uitbreiding van de beslissingsmacht van de provinciale, gewestelijke en plaatselijke agenten van de centrale overheid) en decentralisatie (uitbreiding der bevoegdheden van de ondergeschikte besturen). Deconcentratie en decentralisatie, die gedurende twee decennia de sleutelwoorden van het CVP-programma zouden blijven, werden gekoppeld aan een herwaardering van de provincies. Het is in de optiek van nationale verzoening dat de Luikse CVP-volksvertegenwoordiger Pierre Harmel in 1946 zijn wetsvoorstel zou neerleggen tot oprichting van een centrum voor de studie van het Vlaams-Waalse vraagstuk. Dit was een reactie op de "nieuwe incivieken" van het Waals congres, die in oktober 1945 hun sympathie voor aanhechting bij Frankrijk hadden gedemonstreerd. Het Centrum-Harmel, dat in 1950 van start ging, zou met zijn conclusies een belangrijke invloed uitoefenen op de taalwetgeving van de jaren 1960.

Het eenheidskarakter van de CVP, zowel op het sociale vlak als in nationaal opzicht, werd verder in de hand gewerkt door de vrees voor het communisme en de polarisatie rond de terugkeer van koning Leopold III. De CVP werd gesticht in augustus 1945 ten tijde van de zogenaamde volksfrontregering, toen de katholieken voor de eerste maal sedert 1884 in de oppositie zaten. In de volgende jaren duwde de Koningskwestie interne meningsverschillen verder naar de achtergrond. Als gevolg van deze polarisatie behaalde de CVP bij de parlementsverkiezingen van februari 1946 een indrukwekkende score: 42,5% van de stemmen en 92 van de 202 zetels in de Kamer. In de Senaat bleef zij slechts één zetel van de volstrekte meerderheid verwijderd. De score van de CVP was uiteraard ook te danken aan de herschikking van het partijpolitieke landschap en meer bepaald aan het verdwijnen van Rex en het VNV. In Vlaanderen haalde de partij een ruime volstrekte meerderheid.

De meeste Vlaamsgezinden rekenden nu op de CVP voor de behartiging van Vlaanderens belangen, ook waar het de repressie betrof. En inderdaad zorgde de CVP-overwinning van 1946 voor een grotere zelfzekerheid aan Vlaamse zijde, zoals bleek uit de reactie op de dynamitering van de IJzertoren in 1946. Dat was nog meer het geval na de vorming van de Belgische Socialistische Partij (BSP)-CVP-regering in maart 1947. De omslag van de internationale conjunctuur door de koude oorlog en het vertrek van de communisten uit de regering schiepen vanaf dat ogenblik trouwens een klimaat dat minder ongunstig was voor traditionele nationale waarden. Desondanks – of misschien precies daardoor – manifesteerde zich vrij snel opnieuw de tweespalt in de V.B. Zij die door de repressie waren getroffen begonnen zich te roeren en vonden de CVP te mak. Belangrijk moment in dit proces was het herverschijnen van het dagblad De Standaard van de familie Sap. In de krant werd niet alleen de repressie aangeklaagd, ook de collaboratie werd vergoelijkt. In dit kader moet de verruimingspolitiek van 1949 begrepen worden. Om te verhinderen dat een nieuwe Vlaams-nationale formatie de meerderheidsstrategie van de CVP in de Koningskwestie zou doorkruisen streefde Paul-Willem Segers, voorzitter van de Vlaamse vleugel, toen naar een politieke verruiming. Hij werd hierin trouwens gesteund door vooraanstaande nationalisten en door De Standaard, die in de CVP de enige waarborg zagen voor Vlaanderens herstel. De CVP was het "schild en zwaard van Vlaanderen", naar een uitdrukking van gewezen VNV-senator Bert d'Haese. Drie gewezen topambtenaren uit de bezettingstijd werden, niet zonder tegenstand van de Walen en ook van vele Vlamingen, in de senaatsfractie opgenomen. Het betrof Victor Leemans, Emiel de Winter en Raf Custers. De laatste was bovendien secretaris geweest van het vooroorlogse Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond (KVOHV), dat het federalisme als streefdoel had gesteld. De verruiming leidde niet tot een Vlaamse radicalisering van de CVP, maar stichtte wel verwarring in Vlaams-nationale milieus, die pas in 1954 met de Volksunie (VU) een afgevaardigde naar het parlement zouden sturen.

In juni 1950 veroverde de CVP de volstrekte meerderheid en kwam zij alleen aan de macht. Zij bracht Leopold III terug op de troon, maar moest ten slotte zwichten voor een linkse en vooral Waalse revolte. De polarisatie rond de Koningskwestie leidde tot een sterke profilering zowel van de Vlaamse als van de Waalse Beweging en bracht het federalisme weer op de voorgrond. De constructieve Belgische opstelling van vele Vlaamsgezinden na de bevrijding kreeg een geweldige opdoffer. In de CVP zelf lokte de Koningskwestie een streven naar meer Vlaamse autonomie uit. De unitaire partij werd door de Vlamingen als een duperie beschouwd. Maar hun roep om meer autonomie leidde slechts tot een beperkte statutenwijziging. Op het CVP-congres van maart 1951 werd de bevoegdheid van de vleugels in het nationaal comité uitgebreid tot het "onderzoek van politieke vraagstukken in het licht van de toestanden die eigen zijn aan hun gebieden, dit met het doel verslag uit te brengen bij het nationaal comité". In feite veranderde er niets. De vleugels hebben van deze politieke bevoegdheid tot 1961 niet gebruikgemaakt.

De CVP kon de Vlaamse verbittering na de afloop van de Koningskwestie min of meer kanaliseren door in het kabinet meer Vlamingen op te nemen. Bovendien probeerde de regering enkele belangrijke taalgrieven op te lossen en de gevolgen van de repressie te verzachten. Maar haar meerderheid was precair. In mei 1952 diende minister van binnenlandse zaken Ludovic Moyersoen in de Senaat een wetsontwerp in dat de herziening beoogde van de bestuurstaalwet van 1932. Hij bracht daarmee een alternatief voor de publicatie van de talentelling. Het ontwerp bakende de taalgrens af en regelde het taalstatuut van de Brusselse agglomeratie, die voortaan negentien in plaats van zestien gemeenten zou omvatten. Hier voerde het een volledige administratieve tweetaligheid in ter vervanging van het stelsel van 1932. Het regeringsontwerp kon niet op de onverdeelde steun van de CVP rekenen. Daarbij lokte de beperkte faciliteitenregeling voor de Franstaligen in de randgemeenten minder protest uit bij de Vlamingen dan de veralgemening van de tweetaligheid in de Brusselse agglomeratie bij de Franstaligen. Bij de stemming in de Senaat op 16 juli 1953 stemden alle Vlaamse CVP-leden voor, maar een meerderheid van de Waalse CVP-leden stemde tegen. Dat legde een hypotheek op de slaagkansen van het ontwerp.

Omstreeks die tijd bracht ook het debat over de grondwetsherziening, dat door de regering in juni 1953 werd ingeleid, de Vlaams-Waalse betrekkingen op de voorgrond. De CVP wees in het parlement en op haar congres van november 1953 het federalisme, dat door sommige Waalse socialisten was voorgesteld, radicaal van de hand en drukte haar gehechtheid uit aan de unitaire structuur van het land. Maar om de eenheid te versterken wenste zij wel een herziening van het statuut van Brussel en maatregelen in de richting van deconcentratie en decentralisatie. In dat laatste perspectief zag zij ook de culturele autonomie, die via een gewoon wetgevend initiatief kon gerealiseerd worden. Een wetsvoorstel in die zin werd in 1954 door de jonge volksvertegenwoordiger Renaat Van Elslande neergelegd.

De balans van de homogene CVP-regering is vlug gemaakt. Het kabinet kwam de nederlaag in de Koningskwestie nooit te boven, was 'veroordeeld om te regeren' en was instabiel. Het boekte geen wezenlijke vorderingen inzake de Vlaams-Waalse betrekkingen. De Vlamingen die het steunpunt van de CVP en dus ook van de regeringsmeerderheid vormden kenden geen nederlagen, maar evenmin overwinningen. Zij konden wel de publicatie van de talentelling van 1947 tegenhouden en de gevolgen van de repressie verzachten.

Na de parlementsverkiezingen van 1954 werd een linkse regering gevormd en kwam de CVP gedurende vier jaar in de oppositie terecht. Hoewel deze periode gedomineerd werd door de schoolstrijd, groeide in CVP-rangen de aandacht voor de Vlaamse problematiek. De verklaring daarvoor lag in de eerste plaats in het ontbreken van een Vlaamse reflex bij de regering-Achille van Acker. Een van de eerste handelingen van de regering was immers de officiële publicatie, op 10 juni 1954, van de resultaten van de talentelling van 1947. Hierdoor werden aan de agglomeratie Brussel drie nieuwe gemeenten toegevoegd – zonder de waarborgen van tweetaligheid uit het wetsontwerp-Moyersoen – en werd een beperkt tweetalig regime, voorzien in de wet van 1932, ingevoerd in vier randgemeenten. Bovendien werd een nieuwe talentelling aangekondigd voor 1957. De groeiende Vlaamse gevoeligheid had verder te maken met het eerste weliswaar geringe succes van de VU, die sedert 1954 één Kamerlid telde. Bij de CVP-leiding leefde immers de vrees voor een Vlaams-nationale zweeppartij.

In de Vlaamse vleugel van de CVP was vooral een kern van mensen uit het Algemeen Christelijk Werknemersverbond (ACW)-mensen actief. Na de Vlaamse Sociale Week van 1955, die in het teken stond van de V.B. – toch opmerkelijk in een tijd van schoolstrijd – en op aandringen van oud-minister Gerard van den Daele werd op 14 oktober 1955 een zogenaamde Vlaamse Werkgroep geïnstalleerd, bestaande uit ACW-personaliteiten aangevuld met vooraanstaanden uit de andere christelijke sociale organisaties. Het doel was te komen tot een akkoord over een Vlaams programma en in een later stadium de contacten uit te breiden tot Vlaamsgezinden uit andere partijen.

De CVP werd in Vlaanderen nochtans van langsom meer onder vuur genomen. Zowel haar Vlaams karakter als haar Vlaamse strijdbaarheid werden in twijfel getrokken. De Waalse invloed en overheersing werden aan de kaak gesteld. In september 1956 behandelde het Davidsfonds op zijn congres onder andere de houding van de politieke partijen tegenover de V.B. Het Davidsfonds eiste de reorganisatie van de partijen en in het bijzonder van de CVP op basis van de twee volksgemeenschappen. De CVP bleef echter onwrikbaar wat de unitaire partijstructuur betrof. Aan het Davidsfonds antwoordde de CVP-voorzitter dat "de organisatie van de Christelijke Volkspartij is opgebouwd, onder inachtneming van de noodzakelijkheden op verschillende gebieden. De partij is aldus verplicht, rekening te houden met het feit dat in ons land de linkse partijen meer en meer hun krachten bundelen tot een antiklerikaal eenheidsfront." Intussen was door de contacten in de Vlaamse Werkgroep in het begin van 1957 wel een Vlaamse Kamergroep totstandgekomen.

De scheiding der wegen

De periode 1958-1972 vormt een dynamische eenheid, waarin als gevolg van de confessionele pacificatie en de druk van de nieuwe regionale partijen aan weerszijden van de taalgrens de unitaire Christelijke Volkspartij (CVP) in tweeën scheurde. In vier opeenvolgende verkiezingen verloor de CVP bijna een miljoen kiezers en zakte zij van 46% van de stemmen in 1958 naar 30% in 1971. De CVP-fractie in de Kamer werd gereduceerd van 104 leden in 1958 tot 67 in 1971. Daartegenover stonden toen 21 Kamerleden van de Volksunie (VU) en 24 van het Front démocratique des Francophones (FDF)-Rassemblement wallon (RW).

In de jaren 1958-1961 kwam het probleem van de Vlaams-Waalse betrekkingen in een stroomversnelling. Een eerste belangrijk gegeven was de nieuwe politieke constellatie na de parlementsverkiezingen van 1 juni 1958: zowel een linkse als een rechtse blokvorming was uitgesloten en het Schoolpact dat daarop totstandkwam brak de dwangbuis waarin de partijen sinds decennia gevangenzaten. Een tweede element was de groeiende Waalse onrust ten gevolge van de kolencrisis en de verdere aftakeling van de Waalse economie, onrust die zou uitmonden in de grote staking van de winter 1960-1961 en de stichting van de Mouvement populaire wallon. Ten derde en ten slotte zorgde de nabijheid van de nieuwe talentelling aan Vlaamse kant voor een groeiende nervositeit.

Premier Gaston Eyskens beloofde in zijn regeringsverklaring van 18 november 1958 rekening te zullen houden met een aantal Vlaams-Waalse verzuchtingen. Hij wenste een ruimere autonomie voor de twee volksgemeenschappen na te streven en een aanpassing van het aantal parlementaire zetels aan het werkelijk bevolkingscijfer te realiseren. Het laatste punt botste al onmiddellijk op Waals verzet in de CVP.

Toch was het vooral de talentelling die voor groeiende spanningen in de partij zorgde. Het Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en Taalgrens (VABT) heeft daarbij een cruciale rol gespeeld. Bestaande uit bijna alle Vlaamse cultuur- en strijdverenigingen oefende het door zijn overwegend katholieke samenstelling vooral druk uit op de Vlaamse vleugel van de CVP. De VU, die bij de parlementsverkiezingen van 1958 haar enige Kamerzetel had behouden, was als partij geen lid van het VABT maar er bestond wel een sterke persoonlijke vervlechting via andere samenstellende groeperingen. Dit was een bijkomende pressie op de CVP, die via het VABT in feite geconfronteerd werd met een politieke tegenstrever.

De CVP kampte in eigen schoot met zeer tegengestelde opvattingen. Op 26 mei 1959 interpelleerde de Waalse oud-premier Jean Duvieusart in de Senaat voor de talentelling en op 9 december 1959 volgde de interpellatie van Kamerlid Jan Verroken, die het verzet van de Vlaamse CVP tegen de talentelling vertolkte. De Vlaamse CVP-fractie gaf vertrouwen aan de regering, omdat premier Eyskens beloofde de telling uit te stellen tot er een definitieve taalregeling zou zijn uitgewerkt.

De CVP-besluitvorming liep niet van een leien dakje. Na lange besprekingen in een commissie kwam ten slotte het zogenaamde taalcompromis van de CVP tot stand. Dit vergelijk, waarmee de partij "een einde wilde stellen aan de laatste taalgeschillen", werd na vinnige debatten met 283 stemmen voor, 82 stemmen tegen en 35 onthoudingen op voorstel van het nationaal comité goedgekeurd op het congres van Charleroi van 6 maart 1960. In dit beruchte taalcompromis, dat zowel van Vlaamse als van Waalse kant felle kritieken uitlokte, werden maatregelen voorgesteld betreffende de centrale besturen, de taalgrens, de Brusselse agglomeratie en de randgemeenten. In de centrale besturen zou een tweetalig kader naast twee eentalige kaders opgericht worden. De talentelling zou afgeschaft worden en de taalgrens vastgelegd volgens de besluiten van het Centrum-Harmel met dien verstande dat de zogenaamde allogene gemeenten definitief in het ene of andere taalregime zouden ondergebracht worden met faciliteiten naar buitenuit voor de anderstaligen. Met betrekking tot de negentien gemeenten van de Brusselse agglomeratie werd de tweetaligheid gevraagd van de administratie, zowel naar buiten als naar binnen. In acht Vlaamse randgemeenten en in enkele Waalse randgemeenten zouden faciliteiten voor de anderstaligen ingevoerd worden. Deze bestuurlijke faciliteiten werden nu echter ruimer opgevat dan in het wetsontwerp-Moyersoen en waren dezelfde als voorzien in de taalgrensgemeenten (dit was in feite het gevolg van de publicatie van de talentelling door de regering-Achille van Acker in 1954; sedertdien was in vier randgemeenten immers het beperkt tweetalig stelsel voorzien in de wet van 1932 van kracht) en werden bovendien aangevuld met faciliteiten op onderwijsvlak, namelijk de mogelijkheid van anderstalige lagere scholen.

De oprichting door de Vlaamse CVP-fracties van Kamer en Senaat van een contactcommissie, de zogenaamde Groep der Acht, wees op groeiende spanningen tussen de Waalse en de Vlaamse vleugel en op de vrees van de Vlaamse vleugel voor de druk die uitging van het VABT. Einde 1960 aanvaardde premier Eyskens de talentelling uit te stellen om de steun van de Vlaamse christelijke arbeidersbeweging voor zijn herschikte regering en haar soberheidsprogramma na de Kongo-crisis te winnen. De communautaire verhoudingen werden dan weer aangevuurd door de daaropvolgende staking tegen de eenheidswet.

De parlementsverkiezingen van 1961, met winst voor de VU, de coalitiewissel van de CVP, die met de Belgische Socialistische Partij (BSP) een zogenaamd travaillistisch kabinet vormde, en de groeiende openheid op levensbeschouwelijk vlak schiepen gunstige voorwaarden voor een verdere escalatie van de taalkwestie. De regering-Theo Lefèvre-Paul-Henri Spaak beloofde direct werk te maken van de taalproblemen. Onder druk van de Vlaamse CVP werd het ministerie van cultuur, dat in 1958 was gecreëerd, taalkundig gesplitst, waarmee een bescheiden begin werd gemaakt van culturele autonomie.

De Vlaamse vleugel van het nationaal comité opteerde in de tweede helft van 1961 voor een grotere autonomie bij de behandeling van Vlaams-Waalse problemen en steunde daarvoor op het bewuste artikel van de statuten dat in 1951 was ingelast, maar nooit toegepast. Op de vergadering van 10 juni 1961 besloot de Vlaamse vleugel bovendien om een contactcommissie op te richten met een vertegenwoordiging van Vlaamse senatoren en Kamerleden uit de CVP. Deze commissie functioneerde reeds in de praktijk op initiatief van Vlaamse CVP-parlementsleden. Met deze werkwijze werd het startsein gegeven van een feitelijke verwijdering van de twee taalvleugels van de CVP.

De Vlaamse vleugel van de CVP probeerde zich hiermee zo goed mogelijk te wapenen voor de komende confrontatie in regering en parlement en tegelijk de druk van de buitenparlementaire V.B. op te vangen. Die slaagde erin de massa te mobiliseren voor twee indrukwekkende Marsen op Brussel. De verhouding tussen de CVP en de V.B. werd echter alsmaar problematischer, omdat het VABT steeds meer de spreekbuis werd van de radicalen en dus in feite van de VU. De Vlaamse CVP en ook de Vlaamse katholieke sociale organisaties namen massaal deel aan de eerste Vlaamse mars op Brussel van 22 oktober 1961. Maar de afwijzing van de faciliteiten tijdens de betoging zorgde voor wrevel bij de CVP, daar de partij gebonden was door congresbesluiten terzake. Op het CVP-congres van 1 tot 3 december 1961 te Oostende werden de administratieve faciliteiten in de randgemeenten vooral door de inspanningen van de contactcommissie herleid tot loketfaciliteiten. De onderwijsfaciliteiten bleven behouden ondanks fel Vlaams verzet. De relatie met de buitenparlementaire V.B. bekoelde verder: op de kaderdag van de Vlaamse vleugel van de CVP van 11 maart 1962 hekelde voorzitter Jos de Saeger de houding van de Vlaamse Volksbeweging (VVB), die volgens hem te veel kritiek leverde op de CVP. Om die reden nam de CVP ten slotte afstand van de tweede Vlaamse mars op Brussel, die doorging op 14 oktober 1962. Het is de groeiende kritiek op de CVP voor en vooral na Hertoginnedal die Kamerlid Verroken inspireerde tot het overigens goed gedocumenteerde boekje Twintig jaar Vlaamse weerbaarheid. De Vlaamse CVP leidt de Vlaamse ontvoogdingsbeweging (1965).

In de parlementaire debatten over de taalontwerpen van minister van binnenlandse zaken Arthur Gilson stelde de Vlaamse CVP zich krachtig op. Het eerste ontwerp, dat de afbakening van de taalgrens regelde (met de overheveling van Komen-Moeskroen naar Wallonië en van de Voerstreek naar Vlaanderen) en uitliep in de wet van 8 november 1962, lokte alles bijeen weinig tegenstand uit. Dat was niet het geval met het tweede ontwerp, dat onder andere de afbakening en het statuut van Brussel regelde. Vooral de randgemeenten zorgden hier voor een moeilijk te doorbreken impasse. Toen de kabinetsraad op 6 juni 1963 een compromisvoorstel uitwerkte, dat onder andere voorzag in de aanhechting van zes Vlaamse randgemeenten bij het tweetalig arrondissement Brussel, stelden de Vlaamse CVP-parlementsfracties, geleid door het contactcomité, hun veto. Na een fausse sortie van het kabinet en een kort conclaaf op Hertoginnedal bereikte de regeringstop op 5 juli 1963 een nieuw compromis. De zes Vlaamse randgemeenten werden ondergebracht in een afzonderlijk administratief arrondissement en kregen een apart faciliteitenregime, dat overigens een beperking inhield van de tweetaligheid die in vier van die bewuste gemeenten krachtens de taalwetgeving van 1932 en de talentelling van 1947 reeds bestond. Dit compromis werd op 12 juli 1963 door de Kamer goedgekeurd. Verroken verdedigde de aanvaarding van het compromis met verwijzing naar de politiek-strategische opstelling van de partij: de val van de regering zou volgens hem geen verbetering van de situatie scheppen. De Saeger gaf de verworvenheden aan Vlaamse zijde aan als reden voor de aanvaarding van het akkoord: onder andere de vernederlandsing van het bedrijfsleven en de versterkte tweetaligheid van de Brusselse agglomeratie.

De nieuwe taalwetgeving vormde slechts het voorspel van een meer omvattende grondwetsherziening waartoe de regering-Lefèvre-Spaak zich had verbonden. Ter voorbereiding op de rondetafelconferentie hierover van januari 1964 congresseerde de CVP van 13 tot 15 december 1963 te Brussel. Zij bereikte eensgezindheid over een aantal grondlijnen van de staatsinrichting. De CVP bleef vasthouden aan de beginselen van de culturele autonomie, de deconcentratie en de decentralisatie en wenste de harmonisatie van de gewestelijke belangen te bekomen in de regering en in het parlement. Aan het principe van de eenheidsstaat werd dus niet geraakt. Om de minorisatievrees van de Walen die naar aanleiding van de aanpassing van het aantal Kamerzetels werd versterkt weg te nemen, aanvaardde de CVP evenwel waarborgen in de grondwet in te schrijven.

De jaren 1965-1972 ten slotte leidden tot de definitieve breuk tussen de beide vleugels van de CVP. De overheveling van de Franstalige afdeling van de katholieke universiteit te Leuven(onderwijs: hoger onderwijs in Leuven) vormde het kristallisatiepunt van de communautaire tegenstellingen, die vervolgens uitmondden in de grondwetsherziening van 1970. De CVP was zwaar onder de indruk van de verkiezingsnederlaag van 1965. Voortaan stond zij niet uitsluitend bloot aan de druk van een Vlaamse concurrent, de VU, maar ondervond zij ook de zweepslag van het Rassemblement wallon in wording. De Waalse Beweging, die tevoren vooral de linkerzijde had beroerd, oefende na 1965 een groeiende aantrekkingskracht uit op de katholieken. Niemand minder dan oud-premier Duvieusart werd voorzitter van het RW.

Zoals in 1936, bracht de zware verkiezingsnederlaag van 1965 de CVP ertoe de autonomie van de vleugels te vergroten. Dat gebeurde op het congres in december te Luik. Voortaan konden beide vleugels nagenoeg alle politieke problemen behandelen. De gevolgen hiervan lieten zich onmiddellijk voelen, precies inzake de Leuvense kwestie, die in het voorjaar van 1966 door het mandement van de bisschoppen in het centrum van de belangstelling kwam. Op 17 mei 1966 legde Verroken, de voorzitter van de Vlaamse CVP-Kamerfractie, een wetsvoorstel neer betreffende het taalgebruik in het hoger onderwijs, waarin het beginsel streektaal-onderwijstaal werd gehuldigd. Op het nationaal comité van 9 juni 1966 hekelden de Franstalige leden deze eenzijdige Vlaamse beslissing, die volgens hen onaanvaardbaar en bovendien in strijd met de nationale statuten van de partij was. In de Kamer stemde op 28 juni 1966 de Franstalige CVP-fractie tegen de in overweging neming van het voorstel van Verroken, waardoor het voorstel werd begraven.

Het taalbestand van twee jaar dat de regering-Paul vanden Boeynants bij haar aantreden had ingesteld om tot taalpolitieke pacificatie te komen, bleek evenmin bestand tegen de Leuvense kwestie. Die veroorzaakte haar val en meteen de breuk in de CVP. Aanleiding vormden, begin 1968, de expansieplannen van de Franstalige afdeling van de raad van beheer van de Leuvense universiteit. Deze plannen voorzagen het behoud van een Franstalige universiteit te Leuven. Op 25 januari 1968 besloten de Vlaamse CVP-parlementsfracties op een afzonderlijke vergadering om de regering over de Leuvense kwestie te interpelleren. Op het nationaal comité diezelfde dag vroeg de Waal Herbiet of bijeenkomsten van het comité nog zin hadden gezien de eenzijdige stellingname van de Vlaamse parlementsleden. Er werden wederzijdse verwijten geformuleerd.

Op 6 februari 1968 interpelleerde Verroken in de Kamer met de bedoeling van de regering een duidelijk standpunt te vernemen over de Leuvense kwestie. Omdat de Vlaamse CVP-ministers geen vrede konden nemen met het ontwijkende antwoord van premier Vanden Boeynants namen zij ontslag, wat meteen de val van het kabinet tot gevolg had. De vergadering van het nationaal comité van 8 februari 1968 verliep woelig. De Franstaligen hekelden nogmaals de unilaterale beslissing van de Vlaamse Kamerleden en noemden die in strijd met de nationale partijstatuten. Het vertrouwen in de Vlaamse vleugel van de CVP was volgens de Franstaligen definitief verbroken. De zitting van 8 februari was de laatste officiële bijeenkomst van het nationaal comité.

Bij de parlementsverkiezingen van 31 maart 1968 trokken de Vlaamse CVP en de Parti Social Chrétien (PSC) afzonderlijk naar de kiezers. Uittredend premier Vanden Boeynants poogde in Brussel nog de eenheid van de partij te bewaren met de tweetalige lijst VDB, maar kon niet verhinderen dat ook in zijn kiesarrondissement een aparte PSC-lijst werd ingediend. De verkiezingsprogramma's van de CVP en de PSC liepen vooral voor wat de communautaire problematiek betreft sterk uiteen. Met name enkele standpunten van de PSC-lijst konden voor de Vlaamse vleugel van de partij niet door de beugel: behoud van de Franstalige afdeling van de Leuvense universiteit te Leuven, terugkeer van de Voerstreek naar de provincie Luik en de uitbreiding van de tweetalige agglomeratie Brussel. Hoewel de CVP en de PSC voluit de communautaire kaart speelden, konden zij een derde opeenvolgende verkiezingsnederlaag niet vermijden, ondanks het succes van de VDB-lijst te Brussel. De versterkte positie van de regionale partijen en de radicalisering van CVP respectievelijk PSC moesten noodgedwongen leiden tot een verdere escalatie van de communautaire problematiek.

Nochtans bleven de christen-democraten zowel in het noorden als het zuiden vasthouden aan de uitgangspunten van 1945. Niettegenstaande de scheuring van 1968 was geen van beide partijen voorstander van het federalisme. Dat bleek uit de regeringsverklaring van premier Eyskens na de verkiezingen van 1968. Daarin waren zowel de provinciale decentralisatie als de culturele autonomie ingeschreven. Weliswaar had de culturele autonomie in de loop van de jaren een zekere verdieping gekregen en moest zij thans gestalte krijgen in cultuurraden met normatieve bevoegdheid, maar in de ogen van de CVP was dit geen federale maatregel. Vanuit het standpunt van de CVP werd de grondwetsherziening van 1970 dan ook beschouwd als een grote operatie decentralisatie. De cultuurautonomie, die grondwettelijk werd vastgelegd, bleef ondergeschikt aan de nationale overheid. Ook de gewestvorming werd vanuit hetzelfde perspectief benaderd. Vanaf het ogenblik dat het principe van de gewesten door de Walen in de commissie van de 28 was gesuggereerd als compensatie voor de cultuurgemeenschappen, had de CVP zich ingespannen om de economische bevoegdheid van deze gewesten binnen het kader van de nationale wetgeving te houden. Er was nochtans een anomalie. De introductie van een aantal beperkingen en procedures, zoals de pariteit Vlamingen-Franstaligen in de ministerraad of de alarmbelprocedures, die door de Vlaamsgezinden als grendels werden beschouwd, waren schatplichtig aan een federaal denken. Zij werden evenwel door de CVP geminimaliseerd.

De zorg voor de eenheid van het land bleek ook uit de lotgevallen van de partij zelf. Velen wilden een definitieve breuk vermijden. Aan weerszijden van de taalgrens was er een duidelijke strekking die de verdediging van de christen-sociale waarden belangrijker achtte dan de communautaire belangen. De ontwikkeling van de CVP en de PSC tussen 1968 en 1972 verliep deels afzonderlijk, deels via een nationale, overkoepelende structuur. CVP en PSC congresseerden voor de eerste maal afzonderlijk respectievelijk in april en in mei 1969. Beide congressen bekrachtigden de autonome werking van hun vleugel, maar wensten tevens een nationale partijstructuur te behouden. Daarom bevestigden ze Robert Houben in zijn mandaat van nationaal voorzitter van de CVP-PSC. Houben bleef tussen 1968 en 1972 een centrale rol spelen, onder andere bij de onderhandelingen over de regeringsvorming. Verder bleven ook het secretariaat en het studiecentrum nationaal. In de loop van 1972 keurden zowel de besturen als de congressen van de CVP en de PSC de oprichting van een vast comité voor politiek overleg goed. Maar de verkiezing van Wilfried Martens tot voorzitter van de CVP en de resolutie van het CVP-congres dat een nieuwe grondwetsherziening nodig was, verscherpten opnieuw de verhoudingen. Toen de regering-Eyskens viel over de Voerstreek en op 24 november 1972 nationaal partijvoorzitter Houben zijn ontslag aanbood, viel de samenwerking in duigen.

De 'onafwendbare' federalisering van het land

Tussen 1970 en 1995 is België op soms chaotische wijze omgevormd tot een federale staat (federalisme). Hoewel de staatshervorming in haar verschillende fasen steeds de goedkeuring vereiste van bijzondere meerderheden, heeft de (Vlaamse) Christelijke Volkspartij (CVP) als grootste Belgische partij, die al die tijd deel uitmaakte van de regering en met uitzondering van het kortstondige kabinet-Edmond Leburton steeds de premier leverde, daarin een belangrijk aandeel gehad. Aan de staatshervorming zijn de namen verbonden van Gaston Eyskens, Leo Tindemans, Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene. In de behandeling van de communautaire problematiek is de CVP vooral opgetreden als beleidspartij en heeft zij gezocht naar de oplossing van hangende problemen waarbij zij de invloed onderging van soms tegengestelde krachten in eigen schoot. Precies daardoor was een coherente filosofie op de nieuwe staatsstructuren weleens zoek.

In de thans geldende finalistische geschiedschrijving wordt de grondwetsherziening van 1970 beschouwd als de eerste in een reeks van hervormingen, die van België een federale staat hebben gemaakt. Nochtans werd deze herziening door velen in de CVP als een operatie decentralisatie beschouwd, als de realisatie van principes die al in 1945 waren vooruitgeschoven en dus in zekere zin als een eindpunt. Maar zoals vaak voordien was dit voor een jongere generatie te weinig en te laat en waren intussen de bakens verzet. In de jaren 1970 evolueerde de CVP langzaam in federalistische richting, hoewel de term federalisme zelf zeer spaarzaam werd gebruikt. Drie factoren waren verantwoordelijk voor die evolutie. Vooreerst de conclusies die sommigen trokken uit de grondwetsherziening van 1970. Professor Raymond Derine, voorzitter van het Davidsfonds, verwoordde die uitstekend in 1975. Als de Vlaamse meerderheid in een unitaire staat niet voluit kon spelen, dan wilden de Vlamingen niet alleen de beperkende effecten ondergaan van in wezen federalistische technieken zoals pariteit in de ministerraad, alarmbelprocedures enzovoort, maar dan eisten zij ook het volle genot van het autonomiebeginsel dat in deze technieken besloten lag. Bovendien kwam er in 1972 een definitief einde aan de nationale structuur van CVP en de Parti Social Chrétien (PSC) (een jaar tevoren was ook de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV)/Parti de la Liberté et du Progrès uit elkaar gevallen). Dat zorgde voor een klimaat van communautair opbod. Ten slotte liet ook de wisseling van generaties zich voelen. Symbolisch hiervoor was de verkiezing, in 1972, van Martens tot voorzitter van de CVP. Tien jaar tevoren had de jonge Martens op een congres van de Vlaamse Volksbeweging (VVB) al het zogenaamde unionistische federalisme verdedigd, een term die nu stilaan ingang zou vinden in de CVP.

Hoever de standpunten al waren opgeschoven, bleek uit de CVP-congresresoluties van 1976. De klemtoon verschoof van twee gemeenschappen naar drie gewesten – met alle consequenties voor Brussel – en van decentralisatie naar federalisme door aan de gewestelijke instellingen autonome bevoegdheid op een groot aantal terreinen toe te kennen. Het Egmontpact, dat in mei 1977 door de voorzitters van de zes regeringspartijen werd afgesloten, weerspiegelde in zekere zin deze opties. Toch stond de CVP verdeeld tegenover dit pact. Voor de tegenstanders bevatte het te veel en te weinig. Te veel voor de traditionele vleugel wegens de feitelijke federalisering van het land (het begrip federalisme werd in de tekst niet gebruikt!), te weinig voor de radicale Vlamingen, wegens de regeling voor Brussel. Hier werden vooral de afbouw van de pariteitsregel en het inschrijvingsrecht voor Franstaligen uit de rand als zeer nadelig geviseerd. In regeringskringen zelf kwam dit verschil tot uiting in de persoon van premier Tindemans zelf en staatssecretaris Ferdinand de Bondt. De werkwijze gevolgd bij het afsluiten van het Egmontpact, dat een toppunt van particratie kan worden genoemd, gaf Tindemans de gelegenheid om het akkoord op te blazen. Op 11 oktober 1978 diende hij in volle Kamerzitting het ontslag van zijn regering in, wat meteen de dood betekende van het Egmontpact. Dat creëerde een diepe malaise in de CVP die nog werd versterkt toen Martens, die zich ver in het pact had geëngageerd, premier werd en Tindemans, die bij de Europese verkiezingen een monsterscore behaalde, voorzitter werd van de partij. Personen en opvattingen stonden tegenover elkaar. Tindemans plaatste zichzelf in de traditie van Frans van Cauwelaert en Eyskens en voelde zich nauw verbonden met de grondwetsherziening van 1970. Martens stond voor een nieuwe generatie, die in een consequent doorgedreven federalisme de enige oplossing voor de communautaire problematiek zag.

De heibel rond het Egmontpact en in het bijzonder rond Brussel leidde tot een ommezwaai in de CVP, die tekenend zou zijn voor de jaren 1980. Vanaf het zogenaamde Heizelcongres van december 1979 kwam weer de tweeledige gemeenschapsvorming centraal te staan; Brussel kon hoogstens een rijksgebied zijn. Pogingen van de regering-Martens III om in het kader van een definitieve gewestvorming ook Brussel te betrekken stootten in het voorjaar van 1980 op het koppig verzet van een groep CVP-senatoren, waaronder De Bondt. De nieuwe regering-Martens IV trok daaruit haar conclusies, stak Brussel in de koelkast, en realiseerde enkel de gewestvorming van Vlaanderen en Wallonië. Conform de lijn die in 1979 was uitgezet opteerde de CVP voor de integratie van het Vlaamse Gewest in de Vlaamse Gemeenschap. De bevoegdheden van de Gemeenschappen zelf werden uitgebreid met de zogenaamde persoonsgebonden materies, een idee dat Robert Vandekerckhove al in 1974 – als eerste voorzitter van de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap – had gelanceerd en waarmee Vlaanderen precies een Brussels bruggenhoofd wou vestigen.

Het economisch herstelbeleid dat na 1981 alle aandacht opslorpte vertraagde de staatshervorming, maar zorgde tegelijk voor verdieping. Immers, ook de economische besluitvorming was communautair beladen vermits de zogenaamde nationale economische sectoren in 1980 buiten de gewestvorming waren gehouden. CVP-Kamerfractievoorzitter Luc van den Brande pleitte al vanaf 1981 voor de regionalisering van deze nationale materies. De CVP in haar geheel opteerde trouwens voor een consequent federalisme, dat nu niet langer taboe was. Dat kwam tot uiting op het congres van 1986 te Oostende, dat tot verrassing van velen, op voorstel van de CVP-Jongeren een resolutie aanvaardde, waarin Vlaanderen en Europa op de voorgrond werden geplaatst en België als een achterhaald bestuursniveau werd bestempeld.

Vanaf 1988 werd dan de voorlopig laatste ronde in de staatshervorming gerealiseerd, die met horten en stoten, leidde tot de nieuwe grondwet van 1993 en de erkenning van België als federale staat. Tussen 1988 en 1991 – onder de laatste regering-Martens – werden belangrijke stappen gezet, zoals de communautarisering van het onderwijs, waarvoor de PSC eindelijk het licht op groen had gezet, en de verdieping van de economische regionalisering. Er kon echter geen overeenstemming worden bereikt over de beslissende stap, die onder andere de rechtstreekse verkiezingen van de raden moest regelen. De politieke manoeuvres die daarop volgden lokten het ontslag van de regering en de parlementsverkiezingen van november 1991 uit. Daarin leden de regeringspartijen in het algemeen en de CVP in het bijzonder zwaar verlies. Het Vlaams Blok daarentegen boekte een spectaculaire overwinning. Ook al speelden bij deze doorbraak andere dan alleen Vlaamse of communautaire motieven, de nieuwe politieke constellatie overtuigde de regering, die opnieuw bestond uit christen-democraten en socialisten, ervan dat de laatste fase in de staatshervorming het koste wat het kost moest worden gerealiseerd. Premier Dehaene slaagde hierin met het Sint-Michielsakkoord van 1992. Tegelijk echter werd het streven naar verdere Vlaamse autonomie beladen met het odium van een extreem nationalisme.

Wie de rol van de katholieke partij en later de CVP in het Vlaamse ontvoogdingsproces ontleedt, zal moeten vaststellen dat die rol kapitaal is geweest, zowel in de realisatie van de eerste taalwetten voor 1914, van de eentaligheid van Vlaanderen in het interbellum, van de culturele autonomie en de relatieve gezondmaking van de Brusselse taaltoestanden na de Tweede Wereldoorlog. Maar telkens zal men ook stoten op een zekere ambiguïteit die inherent is aan een partij die zich enerzijds door haar bijna-permanente regeringsdeelname met de "Belgische staat" heeft geïdentificeerd, en die anderzijds als politieke formatie met steunpunt in Vlaanderen – of na 1968 als grootste partij in Vlaanderen – de Vlaamse verzuchtingen wil vertolken.

Literatuur

L. Wils, De oorsprong van de kristen-demokratie. Het aandeel van de Vlaams-demokratische stroming, 1963; 
id., Het ontstaan van de meetingpartij te Antwerpen en haar invloed op de Belgische politiek, 1963; 
J. Verroken, Twintig jaar Vlaamse weerbaarheid. De Vlaamse CVP leidt de Vlaamse ontvoogdingsbeweging, 1965; 
H. Todts, Hoop en wanhoop der Vlaamsgezinden. Kroniek van de Vlaamse beweging 1944-1965, 2 dln., 1961-1967; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse beweging 1914-1939, 4 dln., 1972; 
L. Wils (ed.), De houding van de politieke partijen tegenover de Vlaamse beweging in de 19de eeuw. Persstudies, 1972; 
id., 'Bormsverkiezing en Compromis des Belges. Het aandeel van regerings- en oppositiepartijen in de taalwetgeving tussen beide wereldoorlogen', in BTNG (1973), p. 265-330; 
id., Flamenpolitik en aktivisme. Vlaanderen tegenover België in de Eerste Wereldoorlog, 1974; 
A.W. Willemsen, De Vlaamse beweging, 2 dln., 1975; 
H. van Velthoven, De Vlaamse kwestie 1830-1914. Macht en onmacht van de Vlaamsgezinden, 1982; 
E. Gerard, De katholieke partij in crisis. Partijpolitiek leven in België 1918-1940, 1985; 
id., 'De katholieken, de Vlaams-Waalse betrekkingen en het probleem Brussel (1944-1961)', in E. Witte (ed.), Het probleem Brussel sinds Hertoginnedal. Acta van het colloquium VUB-CRISP van 20 en 21 oktober 1988 (Taal en sociale integratie, nr. 11, 1989); 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse beweging, 3 dln., 1977-1989; 
E. Gerard (ed.), De christelijke arbeidersbeweging in België, 2 dln., 1991; 
P. Pasture, Kerk, politiek en sociale actie. De unieke positie van de christelijke arbeidersbeweging in België 1944-1973, 1992; 
L. Wils, Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de Lage Landen, 1992; 
G. Durnez, De Standaard. Het levensverhaal van een Vlaamse krant, 2 dln., 1985-1993; 
W. Dewachter (e.a.), Tussen staat en maatschappij 1945-1995. Christen-democratie in België, 1995; 
L. Wils en E. Gerard, 'Het ACW, de katholieke partij en de taalwetgeving, 1929-1932', in WT, jg. 55, nr. 1 (1996), p. 235-255; jg. 56, nr. 1 (1997), p. 3-24.

Verwijzingen

zie: verkiezingen.

Auteur(s)

Emmanuel Gerard