Katholieke Vlaamsche Landsbond (KVL)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

federatie van de Katholieke Vlaamsche Arrondissementsbonden, gesticht op 28 september 1919.

De Landsbond voor 1914

De eerste overkoepelende organisatie van de katholieke flaminganten werd onder de naam Vlaamsche Katholieke Landsbond opgericht in april 1891. Deze Landsbond was bedoeld als een instrument van de Vlaamsgezinde kleine burgerij in haar strijd om erkenning binnen de katholieke partij. Het initiatief was uitgegaan van de Katholieke Vlaamsche Bond van Oudenaarde, waarbij zich vervolgens ook de Vlaamsche Bond van het Arrondissement Brussel, de Vlaamsche Kiezersbond van Gent, het Davidsfonds, de Katholieke Schoolpenning van Gent, de Katholieke Burgersgilde van Brugge en de Oud-hoogstudentenbond van West-Vlaanderen hadden aangesloten. In april 1894 waren er zo'n 100-tal verenigingen aangesloten, waarvan 40 uit West-Vlaanderen. Organisatorisch bleef de Landsbond een los geheel. Niet alleen waren de toetredende verenigingen van zeer diverse aard, maar zij behielden bovendien hun volstrekte autonomie. De Nederduitsche Bond van Antwerpen bleef buiten de Landsbond, omdat hij de voorkeur gaf aan een onpartijdige werking. Dat betekende een ernstige handicap.

Tot het eerste bestuur behoorden Emiel de Visschere (West-Vlaanderen), Adolf de Ceuleneer (Oost-Vlaanderen), Emiel ver Hees (Brabant), August Laporta (Antwerpen) en Byvoet (Limburg). Nadat zowel Joris Helleputte als Alfons Janssens (Sint-Niklaas) het voorzitterschap had geweigerd, trad De Ceuleneer in feite als zodanig op. Secretaris was Kamiel van Caeneghem, na 1897 De Visschere.

De stichting vloeide voor uit de opleving van de V.B. in de jaren 1880, vooral uit de strijd voor de taalwet op de strafrechtspleging (gerecht) en voor de vernederlandsing van het vrij middelbaar onderwijs. Zij hield echter evenzeer verband met de verwachte kiesrechtuitbreiding, die in 1893 met het algemeen meervoudig stemrecht een feit werd, en met de electorale agitatie die deze grondwetsherziening uitlokte. De Landsbond moet verder gekoppeld worden aan de stichting, ongeveer op hetzelfde ogenblik, van de Belgische Boerenbond en de Belgische Volksbond. In de Landsbond bestond een sterke sympathie voor de koppeling van Vlaamse en sociale actie, van V.B. en christen-democratie, gericht tegen het volksvreemde socialisme. Pogingen om met de Volksbond en de Boerenbond een blok te vormen – een "Vlaams- katholieke partij" naar de besluiten van het eerste congres van 1893 te Brugge – tegenover de Fédération des Cercles mislukten echter.

De Landsbond verschrompelde in de volgende jaren doordat zowel leiding als organisatie in het stadium van de improvisatie bleef steken. Dat bleek ook uit de chaotische en soms rumoerige land- en zitdagen, waarvan het verbaal geweld omgekeerd evenredig stond tot de praktische resultaten in de politieke strijd. Omstreeks 1905 was vrijwel iedereen het erover eens dat de Landsbond zichzelf had overleefd. Dat inspireerde de jonge Frans van Cauwelaert tot de volgende commentaar: "Nu staat de Landsbond daar bespottelijk groot en mager gelijk een geraamte, en doet niets." Nochtans onderstreepten hij en vele anderen de noodzaak van een centrale leiding voor de katholieke flaminganten, vooral in hun strijd voor de vernederlandsing van het katholiek middelbaar onderwijs. Op de landdag van augustus 1906 te Brugge bepleitte Emiel Vliebergh een grondige reorganisatie, maar voorlopig kwam daar niets van in huis.

De nederlaag van de katholieke flaminganten bij de stemming over het wetsvoorstel-Edward Coremans in 1907 leidde eindelijk tot een heropstanding, waarbij de vijf provinciale oud-hoogstudentenbonden het initiatief in handen namen. In december 1907 zorgden zij voor een nieuwe overkoepelende organisatie, die voortaan Katholieke Vlaamsche Landsbond werd geheten. Het doel was niet alleen leiding geven aan de katholieke V.B., maar zeer uitdrukkelijk macht verwerven in de katholieke partij door de conservatieve kiesverenigingen open te breken en invloed uit te oefenen op het programma en de kandidaten. De flaminganten trokken daarbij lering uit de evolutie van de partijen sedert de invoering van de evenredige vertegenwoordiging in 1899. De lijststem had immers aan de arrondissementele partijbesturen een grotere macht bezorgd bij het samenstellen van de kandidatenlijsten. Om zijn doel te bereiken richtte de Landsbond vertakkingen op in de arrondissementen (negen in 1914), kantons en gemeenten. Tegelijk kwam er een Katholiek Vlaamsch Secretariaat tot stand (februari 1908), dat de dagelijkse strijd moest coördineren en documenteren. Het stond van 1910 tot 1913 onder leiding van de jonge doctor in de Germaanse filologie Ernest Claes en gaf een eigen berichtenblad uit. Stuwende kracht achter het Secretariaat was de Antwerpse geneesheer Alfons van de Perre. Hij was het ook die in 1910 Van Cauwelaert als opvolger van Coremans tot volksvertegenwoordiger in Antwerpen liet verkiezen. De nieuwe dynamiek leidde in de jaren voor de oorlog tot een versterking van de positie van de Vlaamsgezinden in de katholieke partij. Als gevolg hiervan werd in 1912 de Katholieke Vlaamsche Kamergroep opgericht. Hij was echter een kort leven beschoren en viel een jaar later naar aanleiding van de bespreking van de legerwet, al uiteen. Dat alles bleek tenslotte een prelude op de periode na 1918, toen de verdere democratisering en vervlaamsing van de katholieke partij nieuwe kansen schiepen voor een succesrijke fractievorming van flaminganten en christen-democraten.

Ontstaan van de tweede Landsbond in 1918-1919

In 1919, in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van 16 november, ontstond een nieuwe Landsbond. Het ontstaan ervan was nauw verweven met de oprichting van het Algemeen Vlaamsch Verbond, een poging om de actie van Vlaamsgezinden uit alle partijen te bundelen. De Eerste Wereldoorlog had nieuwe impulsen gegeven aan de samenwerking boven de partijen. In Nederland stichtten de katholiek Frans van Cauwelaert en de liberaal Julius Hoste (jr.) in 1917 het Vlaamsch-Belgisch Verbond om de naoorlogse strijd voor Vlaamse rechtsgelijkheid voor te bereiden. Daaruit groeide het Vlaamse minimumprogramma en de idee van een breed Vlaamsch Verbond om dit programma af te dwingen. In Het Laatste Nieuws en De Standaard van respectievelijk 4 en 5 december 1918, verscheen een oproep "gericht tot alle Vlamingen uit het bevrijde gebied, die niet aan activisme hebben gedaan, om mede te werken tot de stichting van een machtig Vlaams verbond van alle Vlaamse verenigingen die het minimumprogramma als gemeenschappelijke en onmiddellijke actie aanvaarden". Dit was de droom van Van Cauwelaert en Hoste: één grote V.B. die, steunend op een brede basis van talrijke verenigingen uit alle milieus en alle partijen, de regering, welke ook haar samenstelling zou zijn, kon dwingen aan de Vlamingen te geven wat koning Albert I uitdrukkelijk beloofd had: "Gelijkheid in rechte en in feite."

Deze oproep vond een enthousiaste respons in katholieke kring. In alle Vlaamse arrondissementen staken de leiders onmiddellijk de hoofden bijeen. Geen vergadering van verenigingen van maatschappelijk of cultureel belang, Volksbond, Werkliedenbond of Burgersbond, Jonge Wacht of Davidsfonds, toneelkring of studiekring had plaats, of er werd over aansluiting bij het Algemeen Vlaamsch Verbond gesproken. De katholieke verenigingen werden per arrondissement samengebracht in zogenaamde Katholieke Vlaamsche Verbonden, om zich dan gezamenlijk aan te sluiten bij het Algemeen Vlaams Verbond. Het voorbeeld werd gegeven door de Limburgers, daarin aangemoedigd door Mgr. Martinus-Hubertus Rutten, bisschop van Luik, die het minimumprogramma goedkeurde, maar voorbehoud maakte bij het neutrale karakter van het Algemeen Vlaams Verbond. De socialistische en liberale respons daarentegen waren gering. August Vermeylen, die als een der meest Vlaamsstrijdende leden van de socialistische partij werd beschouwd, trok zich bovendien uit het Vlaamsch Verbond terug omdat hij de legerbepaling van het minimumprogramma te verregaand vond en strijdig met de Belgische belangen. Het werd de Vlamingen overigens niet gemakkelijk gemaakt. Het Vlaamsch Verbond werd immers door zijn tegenstanders als de voortzetting van het activisme gebrandmerkt.

Als bovenpartijdige vereniging werd het Algemeen Vlaams Verbond een mislukking. Toen op 6 juli 1919 te Brussel de stichtingsvergadering werd gehouden, bleek het Verbond – dat melding maakte van 300.000 leden – voor meer dan 90% te steunen op de katholieke Vlamingen, die ook het gros van de 300 aanwezige afgevaardigden uitmaakten. Van Cauwelaert trok daar zijn conclusie uit. Op 18 juli 1919 kondigde hij in De Standaard de oprichting aan van een Katholieke Vlaamsche Landsbond (KVL) als federatie van de intussen opgerichte Katholieke Vlaamsche Verbonden. Dat plan leefde al langer bij Van Cauwelaert. Bij de oprichting van de Katholieke Vlaamsche Bond van Limburg had hij te kennen gegeven dat Alfons van de Perre en hijzelf de bedoeling hadden het Katholiek Vlaamsch Secretariaat herop te richten en de katholieke verenigingen te bundelen. Dit zou zich "speciaal toeleggen op de bevordering van de Vlaamse belangen in katholieke middens en bij het steunen van onze Vlaamse eisen tegenover katholieke autoriteiten of in katholieke aangelegenheden". Het falen van het Algemeen Vlaamsch Verbond, maar vooral de nabijheid van de verkiezingen hebben de oprichting van de KVL verhaast. Er trad bovendien een duidelijk gewijzigde doelstelling op. In enkele arrondissementen hadden de Katholieke Vlaamsche Verbonden immers een leidende positie in de politieke strijd veroverd, gesteund door de christen-democraten. Van Cauwelaerts ambitie bestond er dan ook in met de KVL de politieke leiding van de katholieke Vlamingen op zich nemen. Het was in dat opzicht niet zonder betekenis dat hij op 18 juli aankondigde dat de Landsbond op meer democratische leest zou zijn geschoeid dan de vooroorlogse Landsbond, die hoofdzakelijk op de oud- hoogstudentenbonden berustte.

De stichting van de KVL had plaats te Brussel op 28 september 1919. Het dagelijks bestuur bestond uit twee afgevaardigden per provincie en een secretaris: Van Cauwelaert en Van de Perre (Antwerpen), Gustaaf Sap en Lodewijk Scharpé (West-Vlaanderen), Norbert Gijsen en Theodoor van Tichelen (Brabant), priester Clysters en Jules van Caenegem (Limburg), Paul Orban en Edmond Rubbens (Oost-Vlaanderen) plus secretaris Leo de Raedt. Twee elementen onderstreepten de ambitie van de Landsbond om de politieke leiding van de katholieke Vlamingen op te nemen: er werd een voorlopig hoofdbestuur van 60 leden samengesteld, waarin de belangrijkste leiders van de sociale organisaties zitting hadden, en er werd tevens een verkiezingsprogramma opgesteld dat meer bevatte dan het Vlaamse minimumprogramma, maar een "organisch geheel vormde uit de hoofdeisen, welke de verschillende standen tegenwoordig kunnen laten gelden".

De inzet van de parlementsverkiezingen van 16 november 1919 was hoog: het waren de eerste na de oorlog en ook de eerste met het zuiver algemeen mannenstemrecht. De katholieke Vlamingen voelden zeer sterk de behoefte om hun Vlaamse stellingen te bevestigen en hun krachten te bundelen voor de vervlaamsing van de katholieke partij. De strijd om het Vlaamse minimumprogramma bepaalde bijgevolg in grote mate het karakter van de kiescampagne. De Katholieke Vlaamsche Verbonden oefenden duidelijk een dwingende invloed uit op het stellen van Vlaamse kandidaten en slaagden erin het minimumprogramma op te leggen. De oude kiesverenigingen werden in het defensief geduwd.

Leed de katholieke partij een zware nederlaag, dan kwam de katholieke Vlaamse groep versterkt en verjongd uit de verkiezingen. De positie van Van Cauwelaert werd erdoor verstevigd. Onmiddellijk vormde hij een Katholieke Vlaamsche Kamergroep, die niet minder dan 40 leden telde. Daartoe behoorde een aantal nieuw-gekozenen die op het verder verloop van de V.B. hun eigen stempel drukten, onder anderen Van Caenegem, Emiel van Dievoet, Hendrik Heyman, Alfons van Hoeck, Philip van Isacker, Gustaaf Sap en Frans Theelen.

De maanden na de verkiezingen zorgden dan ook voor een zekere euforie, die nog werd versterkt door het succesvolle eerste congres van de Landsbond op Sinksen 1920. Van Cauwelaert, hierin gesteund door verschillende vrienden in de sociale organisaties, zag de KVL uitgroeien tot de katholieke partij in Vlaanderen. Deze op het eerste gezicht verrassende ontwikkeling moet men beoordelen vanuit de toestand van de katholieke partij, die na de oorlog in een chaotische toestand verkeerde. De oude kiesverenigingen, gegroepeerd in de Fédération des Cercles, die traditioneel de leiding hadden opgeëist, en vooral rekruteerden bij de rijke en Franstalige burgerij, waren in Vlaanderen door de democratie in het defensief gedrongen. Daarentegen hadden boeren- en arbeidersorganisaties de wind in de zeilen. Wie kon beter de leiding van deze "Vlaamse christen-democratie" nemen dan de jonge Vlaamsgezinde burgerij, die haar wortels had in de katholieke Vlaamse studentenbeweging en sympathie koesterde voor de standsorganisaties, waarvan zij veel verwachtte voor de vervlaamsing van het partijleven.

Deze optie werd op het einde van 1920 druk bediscussieerd. In oktober 1920 bleek echter dat zowel de Belgische Boerenbond als het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW) in wording de voorkeur gaf aan een standenpartij op nationale basis. Op 7 november 1920 besliste het hoofdbestuur van de KVL, hiertoe speciaal bijeengeroepen, dat de Landsbond niet de belichaming zelf van de katholieke partij moest zijn, maar wel de bezielende kracht ervan. Een jaar later, in 1921, werd de katholieke partij hervormd tot standenpartij en werd de Katholieke Unie opgericht, een confederatie van het ACW, de Boerenbond, de middenstandsorganisatie en de Federatie van Kringen. De KVL bleef daarbuiten.

De KVL in de jaren 1920

De Landsbond werd dus een drukkingsgroep, maar door het falen van de Katholieke Unie toch ook meer dan dat. Doel en programma van de KVL, zoals vervat in de statuten, bestonden erin alle katholieke Vlaamse krachten te verenigen tot eendrachtige samenwerking om het Vlaamse volk in staat te stellen zich volkomen te ontwikkelen, zijn maatschappelijke eenheid door de taalgemeenschap van al zijn standen te bereiken en al zijn geestelijke en stoffelijke krachten ongehinderd te laten werken. In het bijzonder betekende dit: volgens het Vlaams minimumprogramma in België de gelijkheid in rechte en in feite te verwezenlijken.

Naar structuur was de KVL een federatie van arrondissementsbonden, zeer ongelijk van betekenis. Sommige dommelden na de eerste jaren in, andere bleven zeer actief. Zij stuurden hun afgevaardigden naar de algemene vergadering. Pas in 1928 werd gestart met een systeem van individueel lidmaatschap. Verder was er een hoofdraad met drie afgevaardigden per arrondissement, plus toegevoegde leden. Ten slotte was er een dagelijks bestuur, samengesteld uit elf leden: twee uit iedere Vlaamse provincie, en een secretaris.

De voorzitters van de KVL waren Frans van Cauwelaert (1919-1925) en Albert Bouweraerts (1925-1964). De secretarissen waren achtereenvolgens Leo de Raedt (1919-1923), Jan Valvekens (1923-1938) en Gilbert Macharis (na 1947).

Het uitvoerend orgaan van de KVL was het Katholiek Vlaamsch Secretariaat, belast met de dagelijkse leiding, het contact met de aangesloten verenigingen en de leden. Eerst sedert 1919 gevestigd te Antwerpen onder leiding van De Raedt en vanaf 1923 van pater Petrus Claes, verhuisde het secretariaat in 1925 naar Brussel. Het secretariaat was uitgever van Tijdingen uit het Katholiek Vlaamsch Secretariaat van den Katholieken Vlaamschen Landsbond, dat tienmaal per jaar verscheen en voor de eerste keer in januari-februari 1925. Verder beschikte de KVL vanaf 1927 over het Katholiek Vlaamsch Fonds, met als doel de actie van de KVL en haar secretariaat financieel mogelijk te maken.

Het hoogtepunt in het leven van de Landsbond was het jaarlijkse congres, dat telkens ook een hoogtepunt was in het Vlaamse katholieke leven. Het eerste congres, dat van 1920, werd voorgezeten door staatsminister Aloïs van de Vyvere, het volgende door oud-minister Prosper Poullet. Van 1922 tot 1930 trad Van Cauwelaert op als congresvoorzitter, nadien was dat Bouweraerts, die sinds 1925 ook voorzitter van de Landsbond was. De eerste congressen zagen een grote toeloop en grootse betogingen en openluchtvergaderingen waren er het slot van. De V.B. voelde de behoefte zich naar buiten te manifesteren en het volksgevoel wakker te schudden. Latere congressen werden meer studiecongressen waar bepaalde actuele aspecten van de V.B. grondig werden besproken. Een programma werd telkens opgesteld en goedgekeurd door de algemene vergadering. Het was de leidraad voor de actie die door de KVL gedurende het volgende jaar via zijn afdelingen in vele kantonnale en arrondissementele vergaderingen gevoerd zou worden.

Kenmerkend voor de jaren 1920 was de symbiose tussen de katholieke standsorganisaties en de Landsbond. De congressen vormden meestal een bonte verzameling van het katholieke Vlaanderen, waaraan ook de werklieden-, de boeren- en de middenstandsorganisaties deelnamen. Even kenmerkend was de groeiende kloof, na 1920, tussen het Vlaamsch Verbond en het Het Vlaamsche Front. Tot 1920 was er tussen beide een grote grijze zone en was bij velen het gevoelen aanwezig dat er gezamenlijk opgemarcheerd kon worden. De eerste ontgoochelingen over het Frans-Belgisch Militair Akkoord en vervolgens over de bestuurstaalwet leidden tot een verharding van de standpunten. Minimalisten stonden tegenover maximalisten, belgicisten tegenover nationalisten. In 1923, na de ontgoocheling over de halfslachtige vernederlandsing van de Gentse universiteit, leidde dat tot nationalistische manifestaties op het congres van Brugge. Maar de groei van een uitgesproken katholiek Vlaams-nationalisme (onder andere de evolutie van Lodewijk Dosfel) leidde reeds in 1924 naar aanleiding van het congres te Brussel tot de vraag of de nationalisten die katholiek waren, lid konden zijn van de KVL. Het inrichtend comité, onder leiding van professor Albert Carnoy, antwoordde hierop bevestigend en dit standpunt werd door pater Claes, de bezieler van het Katholiek Vlaamsch Secretariaat, en door de normaalschoolleraar Alfons Verbist, de animator van de Mechelse arrondissementsbond, op het congres van 1924 uiteengezet: de KVL had geen politiek program, slechts een Vlaams actieprogram, wat niet wilde zeggen dat het nationalisme in dit program zou worden opgenomen. Een gesprek hierover kwam niet op gang, integendeel. Ook in 1928, op het congres te Gent, ging het er woelig toe als gevolg van nationalistisch protest. De nationalisten hadden hun leden opgeroepen eraan deel te nemen en te trachten de invloed van de KVL te breken. Van Cauwelaert werd heftig aangevallen, waardoor de algemene vergadering een betoging voor hem werd. Een van de belangrijkste congressen was dat van 1929 te Dendermonde. De KVL kwam met herziene statuten en met een vernieuwde levenskracht. Het is op dit congres dat Van Cauwelaert een van zijn merkwaardigste programmaredes gehouden heeft.

De verhouding van de Landsbond tot de Katholieke Vlaamsche Kamergroep leidde regelmatig tot wrijvingen, zeker na het ontgoochelende jaar 1923 toen een krakkemikkige vernederlandsing van de Gentse universiteit werd doorgevoerd (Nolf-barak). De houding van de KVL tegenover de Katholieke Vlaamse parlementsgroepen kwam herhaaldelijk in discussie en werd dan herzien. In Tijdingen van februari 1928 luidde het verslag: "De Katholieke Vlaamsche Landsbond is de drager der Katholieke Vlaamse gedachte; hij houdt steeds het doel voor ogen en wijst de richting aan voor allen, zowel op het gebied der eigenmachtige actie, als op wetgevend en bestuurlijk gebied. Doch daar op het gebied der politieke verwezenlijkingen andere belangen en groeperingen, die niet specifiek en uitsluitend Vlaams zijn, hun woord hebben mee te spreken, wil of zal de Landsbond hier geen afbrekende of veroordeelende houding aannemen..." Op het 9de congres te Gent werd vastgesteld: "Onze vrienden uit het Parlement hebben hun verantwoordelijkheden te nemen tegenover hun geweten en hun kiezers. De Landsbond stelt geen kandidaten aan en kiest geen volksvertegenwoordigers. Dat heeft ons nooit belet 'onze' verantwoordelijkheid te nemen tegenover onze leden, zowel als tegenover ons katholiek Vlaams geweten. Of de volksvertegenwoordigers het al dan niet wenselijk vinden, wij zullen voor hen blijven: stuwkracht en kontrool. Het programma dat door onze organisatie werd uitgewerkt, hebben zij te verwezenlijken met parlementaire middelen."

De KVL werd in feite steeds aan twee zijden aangevallen. Secretaris Valvekens typeerde het op het congres van 1933 te Antwerpen als volgt: "Onze lotsbestemming blijft een zeer omstreden organisme. De 'elite' noemt de Landsbond la machine de guerre du parti catholique en voor de Vlaamse nationalisten, die over ons willen spreken, heten wij de verraders van het Vlaamse volk."

De KVL in de jaren 1930

Na 1930 veranderde de Landsbond van karakter en voltrok zich geleidelijk een verwijdering met Frans van Cauwelaert en de standsorganisaties. Er waren bepaalde structurele verklaringen voor deze ontwikkeling. Voorheen een federatie van arrondissementsverenigingen, startte de Landsbond vanaf 1929 met een systeem van individuele leden. In dit systeem moest noodzakelijkerwijze de Vlaamsgezinde intelligentsia een grotere rol spelen. Maar bovenal was er de radicalisering van een aankomende generatie Vlaamse intellectuelen, die als studenten in de jaren 1920 zo niet nationalistisch waren geworden, dan toch misprijzen hadden opgevat voor de taalwettenpolitiek van de katholieke partij. Vanaf 1933 kon men in de Landsbond kritiek horen op de politiek van de taalwetten en de eerste pleidooien voor een autonoom politiek statuut voor Vlaanderen.

Deze evolutie leidde tot het belangrijke congres van 1935 te Antwerpen, dat de relatie Vlaanderen-België als thema had. Het dagelijks bestuur van de Landsbond was op dat ogenblik samengesteld als volgt: Albert Bouweraerts, voorzitter; Jan Valvekens, secretaris; E. Bernaerts (Antwerpen), Emile Blavier (Sint-Truiden), Jozef Clottens (Vilvoorde), Leo Delwaide (Antwerpen), Gaston Eyskens (Leuven), A. van Dorpe (Kortrijk), H. van Oeckel (Antwerpen), P. van Steenberge (Ertvelde), J. Wille (Zomergem) en B. Versteylen (Turnhout). De nationalisten waren weer in groot aantal opgekomen om federalisme te eisen en zeer speciaal Van Cauwelaert aan te vallen en zijn invloed te breken: Filip de Pillecyn, Edmond van Dieren, Floris van der Mueren en Hendrik J. van de Wijer voor federalisme en Van Cauwelaert, Louis Kiebooms, A. van Steenberghe tegen. Uiteindelijk kwam men tot het volgende besluit: "De Landsbond aanvaardt de noodzakelijkheid aan de entiteit Vlaamse Gemeenschap publiekrechtelijke structuur te geven, en geeft opdracht aan het Hoofdbestuur een commissie te belasten met het bestuderen van de verschillende vormen van deze publiekrechtelijke structuur, inclusief het federalisme, en binnen de zes maanden daaromtrent verslag uit te brengen." De traditionele slotrede van Van Cauwelaert, die geen moeite deed om zijn ontgoocheling over de gang van zaken te verbergen, was niet in eenklank met de stemming van het congres.

Met het congres van 1935 speelde de Landsbond in feite in op de zogenaamde Vlaamsche Concentratie, een beweging tot hergroepering van Vlamingen uit de katholieke partij en het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). In 1934 was het weekblad Nieuw Vlaanderen opgericht, dat op 17 augustus 1935 zijn bekende oproep deed tot Vlaamsche Concentratie op basis van het federalisme. Hoofdredacteur van het blad was professor Van de Wijer, lid van de arrondissementsbond van Leuven, waar hij sinds de jaren 1920 met professor Van der Mueren pleitte voor een verbreding van de Landsbond naar de nationalisten toe. Tot de groep Nieuw Vlaanderen behoorde ook de Leuvense hoogleraar Eyskens, die sedert 1934 in het bestuur van de Landsbond zetelde. Het was de strekking-Nieuw Vlaanderen die op het congres van 1935 de bovenhand haalde.

In plaats van concentratie schiep de Landsbond nieuwe verdeeldheid. Er werden vragen gesteld bij de representativiteit ervan. De KVL, die nog in 1932 was opgenomen in de hervormde Katholieke Unie, vervreemdde onder andere de christelijke arbeidersbeweging van zich. De reactie van het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW) was ronduit afwijzend. Voor het ACW gold de Landsbond niet langer als "de toonaangevende organisatie" in Vlaamse aangelegenheden, omdat er niet langer overeenstemming was tussen de programma's van de parlementsgroepen en van de Landsbond, die het bovendien niet nodig had geoordeeld vooraf overleg te plegen "met de machtige volksorganisaties". Voor zijn algemeen secretaris Paul-Willem Segers bestond er geen enkel verband meer tusen de Landsbond en de sociale organisaties, zodat het ACW zelf zijn lijn voor de toekomst moest bepalen. Op 11 januari 1936 legde Van Cauwelaert zijn functie van erevoorzitter neer. In een brief aan Bouweraerts stelde hij vast dat de Landsbond "een nieuwe richting" uitgaat, en wenste hij "de leden en leiders niet te hinderen door een erevoorzitterschap dat zij vormelijk misschien zouden dulden maar innerlijk misschien minder aangenaam zouden vinden".

Intussen was de commissie samengesteld, die de publiekrechtelijke structuur moest bestuderen. Daarin zetelden Bouweraerts, Valvekens, Arthur Mulier, Eyskens en Robert Vandeputte. Vlak voor de parlementsverkiezingen van 24 mei 1936 bracht zij verslag uit op een buitengewone algemene vergadering te Brussel. De voorrang van het volksbelang van Vlaanderen werd aanvaard en indien nodig werd aangedrongen op een grondwetsherziening om aan de Vlaamse gemeenschap de publiekrechtelijke structuur te geven die haar het maximum van zelfbeschikking zou geven, verenigbaar met het voortbestaan van België.

Na de voor de katholieken desastreuze parlementsverkiezingen van 24 mei 1936 nam de Landsbond, in de rug geduwd door Nieuw Vlaanderen, het voortouw in de Vlaamsche Concentratie. Hij pleitte voor de splitsing van de katholieke partij en riep samen met het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond (KVOHV) op tot het congres van de Vlaamsche Concentratie in juli 1936. Dit congres werd in grote mate bijgewoond door het Landsbond-publiek, aangevuld met enkele VNV'ers en Verdinaso-leden. Het congres leidde tot een kortstondige euforie, maar niet tot blijvende resultaten. In de stormachtige ontwikkeling van de volgende maanden kon de Landsbond nauwelijks standhouden.

Het laatste congres voor de oorlog werd op 9 en 10 januari 1937 gehouden te Leuven, waar in grote verwarring over het mislukte Beginselakkoord KVV-VNV werd gediscuteerd. Er waren talrijke Vlaams-nationalisten, Vlaamse rexisten en dinaso's aanwezig, die vooral kritiek uitbrachten op de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV). Op voorstel van Van Dieren en De Pillecyn besloot de Landsbond zichzelf om te vormen tot concentratie-organisme, dat met het VNV zou onderhandelen. In feite kwam hij daardoor tussen twee stoelen terecht. Voorzitter Bouweraerts probeerde in februari 1938 op de hoofdraad een koerswijziging door te voeren en de KVL opnieuw in het spoor van de KVV te brengen, maar zonder succes. Sedert 1935 was de KVL in de greep van een radicale groep, die aanstuurde op een zelfstandige koers. Overigens was de belangrijke rol van de KVL precies door de hervorming van de katholieke partij uitgespeeld. Met de KVV, die definitief werd opgericht op 7 maart 1937, beschikten de Vlaamse katholieken voortaan immers over een eigen stem. Voor wat de partijpolitiek betreft waren de Vlamingen toen baas in eigen huis geworden en de noodzakelijkheid van een drukkingsgroep als de KVL was minder voelbaar. Het Katholiek Vlaamsch Secretariaat volgde nog nauwlettend de toepassing van de bestuurlijke taalwet en vooral het probleem-Brussel. Het 19de congres, aangekondigd voor het najaar 1939, vond geen doorgang.

De KVL na de Tweede Wereldoorlog

In 1947 werd, onder leiding van voorzitter Albert Bouweraerts, getracht de KVL na acht jaar stilstand opnieuw tot leven te brengen. Het eerste naoorlogse congres trok grote belangstelling. Op het podium stonden de Belgische vlag, de leeuwenvlag en het portret van Leopold III, wat meteen de sfeer tekende van het ogenblik. In 1948 werd te Antwerpen het Paascongres van de jonge Vlamingen gehouden. De opkomst was groot, meer dan 1000 jongeren waren aanwezig. Vooral nationalistische jongeren waren opgekomen; de grote Vlaamse jeugdbewegingen hadden hun daadwerkelijke medewerking beloofd, maar waren niet aanwezig. Vooral het debat over de repressie was zeer rumoerig; vele uiteenlopende standpunten werden ingenomen en de sprekers werden door geroep gestoord. Toch werd een jeugdraad opgericht met als voorzitter R. Monballiu en als secretarissen Gaby van de Putte en Marcel Vandewiele. In 1949 hield de KVL zijn 20ste congres. Het zag niet de opkomst van de congressen van voor de Tweede Wereldoorlog, maar er was toch heel wat belangstelling en men kon hopen op een nieuwe en degelijke start. Maar de vernieuwing bleef uit. In 1950 kwam het na lange gesprekken tot een tijdelijk samengaan met de Vlaamse Volksbond (VVB), onder het voorzitterschap van Paul Heymans. De nieuwe organisatie slaagde er niet in uit te groeien tot een massabeweging. De VVB werd in 1951 omgevormd tot de Vlaamse Volksraad, die eind 1953 verdween.

In 1954 werd nog eens getracht de KVL opnieuw op gang te brengen. Leo Lindemans werd als ondervoorzitter aangewezen om Bouweraerts bij te staan. In 1955 werd het laatste congres gehouden te Antwerpen. Bouweraerts was toen reeds ziek en Lindemans werd dienstdoend voorzitter. In een zeer goede geest werden belangwekkende en concrete besluiten genomen, maar de opkomst van de deelnemers was gering. Dit was begrijpelijk, dezelfde Vlaamse problemen waren reeds herhaaldelijk op raadsvergaderingen van de Christelijke Volkspartij (CVP) besproken.

De KVL doofde uit als een kaars. In de jaren 1960 vergaderde alleen nog het arrondissementsverbond van Brussel regelmatig, onder leiding van Lindemans. Vooral het taalprobleem te Brussel bleef een punt van bezorgdheid. In 1965 was het onder invloed van dit verbond, dat na moeizame onderhandelingen de minister van binnenlandse zaken aanvaardde dat inwijkelingen te Brussel hun oorspronkelijke identiteitskaart zouden behouden. Dit schijnbaar kleine gebaar had verstrekkende gevolgen, de Vlaamse identiteitskaart werd het criterium voor het al of niet Vlaams zijn bij de verkiezing voor de agglomeratieraad te Brussel in november 1971.

Op de begrafenis van Bouweraerts in 1964 kon Lindemans wel zeggen: "Men zegt dat deze KVL thans uitgestorven is, dit kan waar zijn wanneer men enkel oog heeft voor het uiterlijke van een vereniging. De gedachte van de KVL leeft echter voort."

Betekenis

De grote jaren van de KVL zijn ongetwijfeld de jaren van het interbellum, toen werd gestreden voor de vernederlandsing van Vlaanderen met het Vlaamse minimumprogramma als leidraad. In de verovering van de taalwetgeving en de vervlaamsing van geheel het maatschappelijk leven heeft de KVL tussen beide wereldoorlogen een vooraanstaande rol gespeeld. Het was onder zijn stuwkracht dat het stugge verzet van het franskiljonisme en de overwegende kracht van het Franssprekende gedeelte van het land in de katholieke partij doorbroken kon worden. In de geschiedenis van de KVL ligt een heel stuk geschiedenis van de V.B. Het verloop van de jaarlijkse congressen geeft het relaas van de verovering door de Vlamingen van hun machtspositie in Vlaanderen. Frans van Cauwelaert mocht terecht op het 15de Congres te Mechelen in 1934 zeggen: "Geen trouwer gids van de Vlaamse beweging dan de congressen van de Katholieke Vlaamsche Landsbond." In de verslagen vindt men ook de tweespalt onder de Vlamingen terug, zoals die tussen beide oorlogen de V.B. tekende. De KVL was tevens de leerschool die vele jonge katholieke Vlamingen naar een politieke toekomst begeleidde. Alfons Verbist hield op het congres in 1921 een rede over godsdienst en lekenmoraal; Albert de Vleeschauwer sprak in 1925 over provinciale en gemeentelijke zelfstandigheid; August de Schryver was op het congres te Gent in 1927 voorzitter van de afdeling der Jonge Wachten, op datzelfde congres sprak Paul-Willem Segers over de christelijke werklieden en de KVL; Leo Delwaide gaf er een uiteenzetting over het wezen en de taak van de Jonge Wachten; in 1933 was Gaston Eyskens reeds aanwezig en sprak over de Vlaamse strijd en het economisch vraagstuk.

Congressen van de KVL

I: 23, 24 mei 1920 (Antwerpen); – II: 18, 19 mei 1921 (Hasselt); – III: 24, 25, 26 juni 1922 (Gent); – IV: 21, 22, 23 juli 1923 (Brugge); – V: 19, 20, 21 juli 1924 (Brussel); - - VI: 25, 26, 27 juli 1925 (Antwerpen); – VII: 3, 4, 5 juli 1926 (Antwerpen); – VIII: 30, 31 juli, 1 augustus 1927 (Sint- Truiden); – IX: 4, 5, 6 augustus 1928 (Gent); – X: 3, 4 augustus 1929 (Dendermonde); – XI: 6, 7 september 1930 (Antwerpen); – XII: 1, 2 augustus 1931 (Brussel); – XIII: 6, 7, 8 augustus 1932 (Brussel); – XIV: 8, 9, 10 juli 1933 (Antwerpen); – XV: 28, 29 juli 1934 (Mechelen); – XVI: 19, 20 oktober 1935 (Antwerpen); – XVII: 2 mei 1936 (Brussel: Verslag Federalisme); – XVIII: 9, 10 januari 1937 (Leuven); - - XIX: 15, 16 november 1947 (Leuven Paascongres Jongeren 1948 - Antwerpen); – XX: 19, 20 januari 1949 (Brussel); – XXI: 12, 13 november 1955 (Antwerpen).

Literatuur

L. Wils, De oorsprong van de christen- demokratie. Het aandeel van de Vlaams-demokratische stroming, 1963; 
M. van Cauwelaert, 'De Katholieke Vlaamsche Landsbond', in Liber Amicorum August De Schryver, minister van staat, 1968; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, 4 dln., 1969; 
M. van Mechelen, Kroniek van Frans van Cauwelaert 1880-1961, 1980; 
E. Gerard, 'Strijd om het Vlaams minimumprogramma in 1919. De Katholieke Vlaamse Bond, Mgr. Rutten en de katholieken en van Limburg', in WT, jg. 40, nr. 2 (1981), p. 98-115; 
H. van Velthoven, De Vlaamse kwestie 1830-1914. Macht en onmacht van de Vlaamsgezinden, 1982; 
E. Gerard, De Katholieke Partij in crisis. Partijpolitiek leven in België (1918-1940), 1985; 
L. Wils, 'De historische verstrengeling tussen de christelijke arbeidersbeweging en de Vlaamse beweging', in E. Gerard en J. Mampuys (ed.), Voor Kerk en werk, 1986, p. 30-34.

Verwijzingen

zie: gerecht.

Auteur(s)

Emmanuel Gerard