Karsman, Jacob

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Antwerpen 22 januari 1818 – Berchem 20 juli 1886).

Had als Vlaamsgezinde zakenman en medestichter van de Commissie der 5de wijk en door het verspreiden van veel ophitsende gedichten een aandeel in de Antwerpse beweging van verzet tegen de geplande uitbouw van de stad tot een vesting. Karsmans antimilitaristisch gedicht De vergrooting van Antwerpen of het bouwverbod der vyfde wyk, was een aanval op zowel de katholieken als de liberalen en kondigde reeds een antimilitaristische partij aan.

In 1863 werd Karsman de hoofdfiguur in een sensationeel incident dat, net als de zaak-Jan Coucke en Pieter Goethals en de zaak-Jozef Schoep, de aandacht vestigde op de achteruitstelling van de Nederlandstaligen in het gerecht en in de openbare besturen van België (bestuur). Het incident vormde de inzet van de strijd voor een wet op het taalgebruik bij het gerecht.

In april 1863 had Karsman in Antwerpen een dichtstukje uitgegeven: Aan de nieuwe Gemeenteraad van Antwerpen, waar geen drukkersnaam op voorkwam, wat in strijd was met de wet. Dit leverde hem een boete van 5 frank op. Karsman tekende protest aan bij het hof van beroep in Brussel en koos de liberale Vlaamsgezinde voorman Julius Vuylsteke en L.G. Brack als advocaat. Toen de verdediger liet weten, dat hij in het Nederlands wilde pleiten, kreeg hij daarvoor geen toestemming. Het hof vaardigde een arrest uit dat hem verplichtte het Frans te gebruiken. Het motiveerde dit arrest met artikel 23 van de Belgische grondwet, dat de taalvrijheid regelt. Deze vrijheid werd dus alleen voor de rechters ingeroepen, niet voor de beschuldigde. Karsman verliet de zaal, waarna hij bij verstek werd veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf. Dit alles lokte felle polemieken uit. In de grote steden werden meetings belegd waarop flaminganten als Jan J. de Laet, Eugeen van Oye en Jan-Baptist David het woord voerden. Talrijke bekende namen steunden een oproep om de krachten van katholieke en liberale Vlaamsgezinden te bundelen. Van de zijde van de magistratuur werd scherp gereageerd, onder meer door Mathieu Leclercq, procureur-generaal bij het hof van cassatie, en door Charles de Bavay, procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel. Op 27 november 1864 zond een landdag van de Nederduitsche Bond van Antwerpen een vertoogschrift naar de Kamer van Volksvertegenwoordigers, teneinde het taalgebruik op voet van gelijkheid door een wet te laten regelen.

Ook na zijn gevangenschap bleef Karsman openlijk de Vlaamse zaak verdedigen in de vorm van Oproepen aan de Vlamingen. Hierin pleitte hij voor een Vlaamse Volkspartij boven de bestaande klerikale en liberale partijen.

Werken

Mijn oordeel over de voorgestelde liberale kamerleden, z.j.; 
De heilige Katrina van Zweden, 1843; 
Dichtruiker, 1844; 
Zangloover, 1854; - - Rymtuil, 1853; 
Lierblaadjes, 1855; 
Luitgalmen, 1856; 
Harpklanken, 1857; 
De vergrooting van Antwerpen of het bouwverbod der vyfde wyk, 1858; 
Aan het volk, 1865; 
IJ-Schelde en Amsteltonen, 1863-1866; 
Gedichten, 1867-1876; 
Volledige Werken, 1867-1877; 
Jan van Ryswyck of De onschuldig veroordeelde, treurspel in één bedryf, 1877; 
Dichtbloemenkroon, 1884; 
Gedichten, 1884.

Literatuur

P. Fredericq, Schets eener geschiedenis der Vlaamsche Beweging, I, 1906; 
L. Wils, Het ontstaan van de Meetingpartij te Antwerpen en haar invloed op de Belgische politiek, 1963; 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, III, 19712; 
H. van Goethem, De taaltoestanden in het Vlaams-Belgisch gerecht 1795-1935 (Verhandelingen van de KAWLSKB, klasse der letteren, jg. 52, nr. 134, 1990).

Auteur(s)

Gaston Durnez