Janssen, Arthur

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Antwerpen 11 februari 1886 – Leuven 4 maart 1979).

Volgde in 1899-1905 middelbaar onderwijs aan het Klein Seminarie van Hoogstraten. Na zijn priesterwijding (24 september 1910) studeerde Janssen theologie aan de Katholieke Universiteit Leuven (KUL). In 1913, onmiddellijk na het behalen van het doctoraat, werd hij aangesteld tot president van het Justus Lipsius-college en benoemd tot lector. Vanaf 1919 bezette hij de leerstoel moraaltheologie aan de theologische faculteit. In andere faculteiten doceerde hij moraalfilosofie, natuurrecht en deontologie. In 1923 was hij een van de stichters van Ephemerides Theologicae Lovanienses, het Leuvense tijdschrift voor theologie en kerkelijk recht waarvan hij meer dan dertig jaar secretaris was.

Reeds van in zijn studententijd was Janssen actief in de V.B., onder meer als lid en later secretaris van de Verlofkring, een bond van Vlaamse studenten te Antwerpen. Als hoogleraar streefde hij ernaar zijn wetenschap in het Nederlands te beoefenen en ze niet enkel binnen het academische milieu maar ook aan het bredere publiek van katholiek Vlaanderen mee te delen. In talrijke boeken en brochures besteedde hij aandacht aan actuele kwesties van de politieke, sociale en medische ethiek. Hij gaf tijdens het interbellum in heel Vlaanderen honderden lezingen over morele onderwerpen, onder meer in de jaarlijkse 'geestelijke voordrachten' in de Sint-Caroluskerk te Antwerpen en tijdens de Vlaamse Sociale Weken. Zodoende oefende hij bij de Vlaamse katholieken een niet te onderschatten invloed uit, die nog groeide nadat hij in 1938 voorzitter van de raad van beheer van de Katholieke Vlaamsche Radio-Omroep en van het Davidsfonds was geworden.

Toen het Davidsfonds bij het begin van de Duitse bezetting tegenover het nieuwe cultuurbestel een strategie diende te zoeken, was Janssen uit bekommernis voor de katholieke identiteit van het Davidsfonds terughoudend om aan de door het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) gestarte Volksbeweging deel te nemen. Begin 1941 besliste het hoofdbestuur niet tot Volk en Kunst toe te treden. Later verklaarde Janssen dat in dit beslissende punt, namelijk het beletten van de culturele collaboratie, wellicht zijn verdienste voor het Davidsfonds was gelegen. Hij zou tot 1966 voorzitter blijven.

Aan de Leuvense universiteit zette Janssen zich ook na zijn emeritaat (1956) in voor de promotie van de Nederlandse taal. Hij was van 1943 tot 1972 voorzitter van de Vliebergh-Sencie-Leergang en was een actief lid van de vereniging Vlaamse Leergangen te Leuven, die sedert 1983 de driejaarlijkse Arthur Janssenprijs toekent aan de beste Nederlandstalige dissertatie over een onderwerp uit de moraaltheologie, voorgelegd aan de KUL. In 1959 werd Janssen lid van de Kultuurraad voor Vlaanderen. Begin 1962 was hij de initiatiefnemer voor de oprichting van de Vereniging van Leuvense Professoren (vanaf 1964 voortgezet als Vereniging van Vlaamse Professoren). Hij was tot in 1965 voorzitter van deze vereniging, die een belangrijke rol speelde in de strijd om de splitsing van de KUL.

Literatuur

Herdenkingsartikelen van J. Coppens, in Ephemerides Theologicae Lovanienses, jg. 55, nr. 2-3 (1979), p. 1-3; 
M. Caudron, in Ephemerides Theologicae Lovanienses, jg. 55, nr. 2-3 (1979), p. 3-4; 
A. Houssiau, in Revue théologique de Louvain, jg. 10 (1979), p. 125-127; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, III, 1989; 
R. Aubert, 'Janssen (Arthur)', in Dictionnaire d'histoire et de géographie ecclésiastiques, XXVI, 1996.

Auteur(s)

Leo Kenis