Janson, Paul-Emile

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Brussel 30 mei 1872 – Buchenwald 3 maart 1944).

Was de zoon van de progressieve liberaal Paul Janson, die hem bij Jan van Rijswijck stuurde om Nederlands te leren. Janson kreeg de taal niet onder de knie, maar kwam zo in Antwerpen in contact met de V.B. Hij werd advocaat en wierp zich tijdens de Eerste Wereldoorlog op als een van de leidende figuren van het Nationaal Hulp- en Voedingscomité. Op 11 november 1918 maakte hij samen met onder anderen Edward Anseele de eisen van het bezette land bekend aan koning Albert I in Loppem.

Janson was achtereenvolgens volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Doornik-Ath (1910-1912 en 1914-1935) en gecoöpteerd senator (1935-1936). Hij was meermaals minister (landsverdediging, februari-september 1920; justitie, november 1927-juni 1931 en oktober 1932-juni 1934; eerste minister, november 1937-mei 1938; buitenlandse zaken, januari 1939-februari 1939; justitie, april 1939-september 1939 en januari 1940-oktober 1940). In 1931 werd Janson minister van staat. Als liberaal leider volgde hij een onafhankelijke koers die door zijn partij niet werd gewaardeerd. Vooral zijn houding inzake de schoolkwestie, het alcoholprobleem en de Vlaamse kwestie werd hem kwalijk genomen. Zo stond hij bij de Franstalige liberalen bekend als Vlaamsgezind. Door enkele toegevingen aan de Vlamingen meende hij de Belgische eenheid te kunnen versterken.

Janson was in 1920 minister van landsverdediging toen het Frans-Belgisch Militair Akkoord werd getekend. Als minister van justitie verzette hij zich in 1928 tegen volledige amnestie. Na de oorlog had hij Armand Wullus financieel geholpen met zijn publicaties tegen het activisme. Maar Janson nam niettemin, tegen zijn eigen partij in, een welwillende houding aan bij de totstandkoming van de zogenaamde Uitdovingswet (1929). Hij verzette zich in eerste instantie tegen de vernederlandsing van de Gentse universiteit, maar in 1930 veranderde hij van mening. In maart 1930 legde hij in de Kamer een wetsontwerp neer voor de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken. De wet van 1932 op het taalgebruik in het lager en het middelbaar onderwijs verwierp hij met het gekende liberale argument dat de vrijheid van het gezinshoofd werd aangetast. De drieledige regering die hij van november 1937 tot mei 1938 leidde, deed een aantal Vlaamse beloften. Zo werden twee cultuurraden en de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België opgericht. De beloofde taalwet voor het leger werd pas in de volgende regering-Paul-Henri Spaak gestemd. Als lid van de regering-Hubert Pierlot vluchtte Janson in mei 1940 naar Frankrijk. Toen een deel van de regering zich in Londen vestigde, weigerde hij zijn collega's te volgen. In 1943 door de Duitsers gevangengenomen, stierf hij op 3 maart 1944 in het concentratiekamp van Buchenwald.

Literatuur

J. Stengers, 'Paul-Emile Janson', in Académie Royale de Belgique. Bulletin de la Commission des Lettres et Sciences Morales et Politiques, jg. 59, 5de serie (1973-1976), p. 202-281.

Auteur(s)

Bernard van Causenbroeck