Jacob, Antoon

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Boom 8 maart 1889 – Antwerpen 23 februari 1947).

Bezocht het Antwerpse atheneum, waar hij voorzitter was van de leerlingenvereniging Vlaamsche Bond (1903) en secretaris van het tijdschrift De Goedendag. Van 1907 tot 1911 studeerde Jacob Germaanse filologie aan de Rijksuniversiteit Gent (RUG) en was er actief in de studentenvereniging Ter Waarheid. Na zijn studie was hij een tijdlang werkzaam in de Gentse universiteitsbibliotheek (1912-1913) en kreeg nadien een aanstelling aan de Rijksmiddelbare school te Paturages en aan het Gentse atheneum (1913-1914).

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog naar Amsterdam gevlucht, werkte Jacob mee aan De Vlaamsche Stem, waarvan hij vanaf 1 juli 1915 samen met René de Clercq de redactie waarnam. Vanwege de activistische stellingname van het blad werden Jacob en De Clercq, na vergeefse tussenkomsten van Frans van Cauwelaert en Prosper Poullet, bij Koninklijk Besluit van 5 oktober 1915 bij strafmaatregel geschrapt van de lijst van kandidaten voor het leraarschap aan de athenea. Nog vóór eind 1915 naar Antwerpen teruggekeerd, werkte Jacob er mee aan Het Vlaamsche Nieuws en trachtte hij de Antwerpse socialisten voor het activisme te winnen. Zo sprak hij op 9 september 1916 voor de Socialistische Volkshogeschool. Hij was ook betrokken bij de oprichting van het Vlaamsch Verbond, dat alle Antwerpse activisten rond de federalistische eis wenste te verenigen. Op 14 oktober 1916 werd Jacob benoemd tot docent in de Nederlandse en algemene letterkunde aan de vernederlandste universiteit te Gent. Als gematigd activist (Jong-Belg) en met enig wantrouwen tegenover de Duitsers en hun plannen maakte hij sinds februari 1917 deel uit van de unionistische fractie van de Raad van Vlaanderen (unionisten), maar hij verliet die in januari 1918 na de uitroeping van de zelfstandigheid van Vlaanderen. Het plan om hem als Vlaams vertegenwoordiger naar het Congres van Stockholm af te vaardigen ging niet door.

Na de Wapenstilstand gaf Jacob zichzelf aan. In een bekend proces (samen met Herman Vos en Marten Rudelsheim) werd hij op 3 april 1920 tot tien jaar buitengewone hechtenis veroordeeld. Deze straf werd in 1921 in vijf jaar omgezet. Door zijn onverzettelijke houding en zijn weigering om in ruil voor de belofte van politieke non-activiteit te worden vrijgelaten maakte hij grote indruk. Vanuit de gevangenis poogde hij de politiek van de Frontpartij te beïnvloeden en stimuleerde hij de amnestiebeweging, die na zijn vrijlating op 21 november 1923 onder andere door de actie van het Dr. Jacob-comité onder leiding van Maria van Gastel en Maria de Groodt een groot elan kreeg. De "eerste martelaar van de aktieven" voerde een felle campagne voor August Borms, het symbool van de activistische collaboratie, sprak op amnestiebijeenkomsten en trachtte in 1924-1925 voor Borms (en zichzelf) tevergeefs een plaats te verkrijgen op de lijst van de Frontpartij. In 1926-1927 publiceerde Jacob een amnestieoproep en een pamfletkrantje Amnestie, richtte in Antwerpen een grote amnestiemanifestatie in en deed zelfs een beroep op de Internationale Rode Hulp in een poging om de actie te internationaliseren. Vooral tijdens zijn gevangenschap correspondeerde Jacob intensief met Pieter Geyl, die hij in 1911 op het studentencongres voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit had leren kennen. Na Geyls keuze voor de kandidatuur van Herman Vos als volksvertegenwoordiger voor de Frontpartij namen de contacten af. Jacob, die naar de gedachten van het radicale weekblad Vlaanderen overhelde, ontwikkelde zich, na met de Frontpartij in onmin te zijn geraakt, tot een zuivere, doctrinaire en radicale Vlaams-nationalist en Groot-Nederlander, een "puritein der gedachte" (aldus Wies Moens).

Op 27 juni 1929 werd Jacob kandidaat in de rechten aan de Utrechtse rechtsfaculteit. Op 2 november 1934 werd hij op voorstel van Conrad Borchling benoemd tot lector voor Nederlandse taal en cultuur aan de universiteit te Hamburg en op 20 april 1937, daar hij buitenlander was, tot nicht beamteter ausserordentlicher Professor. In Hamburg spande Jacob zich in voor een betere en bredere samenwerking van de studentengeneraties in Vlaanderen en Neder-Duitsland. Hij kon er invloed uitoefenen bij de toekenning van de prestigieuze Rembrandtprijs door zijn contacten met de initiatiefnemer ervan, de Neder-Duits en Groot-Nederlands voelende Hamburgse industrieel en mecenas Alfred Toepfer. Deze verkreeg door zijn interventie bij het universiteitsbestuur dat Jacob in maart 1940 benoemd werd tot 'Honorarprofessor'.

Jacob geraakte in Hamburg in de ban van het nationaal-socialisme. Toen hij op 2 februari 1941 benoemd werd tot gewoon hoogleraar aan de RUG, ter vervanging van de 'ongewenste' August Vermeylen, kwam hij als een fervent aanhanger van de nazi-ideologie en van de Groot-Germaanse Rijksgedachte naar Vlaanderen terug. De Duitse poging om hem in hetzelfde jaar als hoogleraar aan de Université libre de Bruxelles op te dringen stuitte op tegenstand, wat leidde tot de schorsing en de sluiting van de Brusselse instelling door de bezetter. Gedurende de Tweede Wereldoorlog hield Jacob talrijke toespraken in Duitsland en Vlaanderen. In 1941 werd hij lid van de Nederlandsche Cultuurraad; hij verving er in november 1942 Cyriel Verschaeve als voorzitter. In 1943 was hij voorzitter van de Vlaamse Juristenvereniging. In de Germaansche Werkgemeenschap Vlaanderen vertegenwoordigde hij, met Herman de Vleeschauwer, de filosofie.

In de herfst van 1944 naar Duitsland gevlucht, was Jacob, die niet tot de richting van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) had behoord, eind oktober 1944 in Bad Pyrmont aanwezig op de eerste algemene vergadering van de door de leider van de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap, Jef van de Wiele, opgerichte Vlaamse emigrantenregering in Duitsland, de Vlaamsche Landsleiding; Jacob behoorde samen met Borms en Verschaeve tot de Adviesraad. Jacob werd in 1945 in België gevangengezet, doch werd ziek uit de gevangenis ontslagen en stierf op 27 februari 1947 in het Sint-Elisabethziekenhuis te Antwerpen.

Jacob was een van de eerste wetenschappelijke beoefenaars van de literatuurwetenschap en -geschiedenis in Vlaanderen en heeft, vooral in zijn vroegere periode, verdienstelijk literair-historisch werk verricht over de Vlaamse letteren in de Oostenrijkse tijd (Jan B. Verlooy, Willem F. Verhoeven) en in de 19de eeuw (Hendrik Conscience, Karel Broeckaert, Ferdinand A. Snellaert, Hippoliet van Peene).

Werken

Artikelen in Gudrun (1935); Ons Leven (1935); De Vlag (1942-1944); 
De Vlaamse beweging en de Belgiese zaak. Een Vlaamse stem, zj.; 
Briefwisseling van, met en over H. Conscience uit de jaren 1837-1851, 1913-1914; 
'Bezwaren tegen het taalparticularisme', in Mededeelingen van de Vereeniging voor Beschaafde Nederlandsche Uitspraak (1914); 
'Fransche verzen van J.A. de Laet', in Verslagen en Mededeelingen van de KVATL (1914); 
'Höfkens politieke briefwisseling met F.A. Snellaert uit de jaren veertig', in Aula (1917); 
Conscience's Artevelde en de nationale inslag bij de historische roman, 1918; 
De Vlaamsche Stem, 1920; 
Het Vlaams konflikt en het federalistiese beginsel, 1921; 
Het witboek van het Vlaamsche idealisme, 1921; 
K. Broeckaert, Borgers in den estaminé en De jongen Tobias (Spectatoriale geschriften 1-2, 1922-1924); 
Borms in de cel, 1925; 
'Verlooy en d'onacht der moederlijke taal', in Album Vercoullie, 1927, p. 155-161; 
'H. Conscience en de Belgische politiek', in De Gids (1928); 
'Toespraak voor Willem de Vreese', in Roeping (1934); 
'René de Clercq. Levensbericht', in Jaarboek der Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden (1937); 
'Flandern, Holland, Deutschland in ihren geistigen Beziehungen seit dem Westfälischen Frieden', in Quickborn (1939); 
'Bremen und Flandern. Drei Briefe von Karl Andree', in Der Schlüssel (1942), p. 16-22; 
'Die Dichterfront. Sänger und Führer', in R.P. Oszwald, Deutsch-Niederländische Symphonie, 19442, p. 187-201; 
'Willem Verhoeven over de volkstaal en het schoolwezen op de drempel van den Franschen Tijd', in Van Gansen Gedenkboek, 1943.

Literatuur

'Dr. A. Jacob vrij', in De Ploeg, jg. 5 (november 1923), p. 24; 
W. Moens, 'Twee Gestalten. I. Dr. Antoon Jacob', in De Stem (3 januari 1923); 
A. Mermans, 'Na het Dietsch Studentencongres. Dr. A. Jacob opnieuw Professor aan de Gentse universiteit', in Volk en Staat (4 april 1941); 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, I-III, 1969; 
W.C.M. Meyers, 'De Vlaamse Landsleiding. Een Vlaamse emigrantenregering', in Bijdragen tot de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog (2 oktober 1972), p. 29-86; 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991; 
W. Bachofer en W. Beck, 'Deutsche und Niederländische Philologie. Das Germanische Seminar zwischen 1933 und 1945', in Hochschulalltag im 'Dritten Reich'. Die Hamburger Universität 1933-1945. Teil II. Philosophische Fakultät, Rechts- und Staatswissenschaftliche Fakultät, 1991, p. 641-703; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
K. Smits, 'Stijn Streuvels en Hamburg. De voordrachtreis (1935) en de Rembrandtprijs (1936)', in WT, jg. 54, nr. 4 (1995), p. 201-220; 
G. de Smet, 'Jacob, Antoon', in NBW, XV, 1995.

Verwijzingen

zie: repressie, De Vlaamsche Stem.

Auteur(s)

Gilbert A.R. de Smet