IJzerbedevaart(en)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

officieel de Bedevaart naar de Graven aan de IJzer, is een politieke massamanifestatie die jaarlijks plaatsgrijpt in de IJzervlakte, aan de voet van de IJzertoren.

Volgens de officiële telling, die ook door het huidige IJzerbedevaartcomité wordt gehandhaafd, vinden de IJzerbedevaarten ononderbroken plaats van 1920 tot en met 1939 en werden ze hernomen sinds 1948 tot op heden. De zogenaamde 'oorlogsbedevaarten' (1940 tot en met 1945) en de 'jeugdbedevaart' van 1946 worden dus niet meegerekend. Dat heeft alles te maken met de vele tegenstellingen die aan deze plechtigheid ten grondslag liggen en die de verklaring vormen voor de evolutie van de IJzerbedevaarten van een herdenkingsplechtigheid voor gesneuvelde Vlaamse soldaten naar een politieke massamanifestatie.

De IJzerbedevaart verloopt al sinds haar ontstaan grotendeels volgens een vast patroon. De deelnemers verzamelen aan het eind van de zomer in de IJzervlakte, tussen Kaaskerke en Diksmuide, waar tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar slag geleverd werd. In 1969 organiseerde men de bedevaart in het begin van de zomer, maar daar stapte men na een aantal jaren weer van af. Aanvankelijk vond de mis plaats rond 10 uur in de kerk van Diksmuide of Kaaskerke, maar vanaf 1931 ging die de plechtigheid vooraf op de weide zelf. Nadien luistert men naar toespraken namens het IJzerbedevaartcomité, oud-strijders en eventuele gastsprekers of – na de Tweede Wereldoorlog – jongeren. Voor de Tweede Wereldoorlog sprak Juliaan Platteau de bindteksten uit, vanaf 1948 nam Hein Nackaerts de presentatie voor zijn rekening. Sinds 1966 worden professionele regisseurs aangesteld en telkens andere mensen, soms een duo, nemen de presentatie op zich. Vlaggenoptochten, vendelzwaaien, spreekkoren en bindteksten (onder anderen van Dirk Vansina, Ferdinand Vercnocke en Anton van Wilderode), koor- en massazang, dans en tableaus luisteren de plechtigheid op en zetten de Vlaamse boodschap en eisen kracht bij. Tot slot wordt de Eed van Trouw aan Vlaanderen gezworen en zingt men De Vlaamse Leeuw. Meestal wordt ook het Wilhelmus gezongen en verschillende jaren stond het Lied van Suid-Afrika ook op het programma. Jaarlijks publiceert het Comité een verslagboek met alle teksten.

Elk detail, vormelijk en inhoudelijk, van de bedevaart heeft van in het begin herhaaldelijk tot verhitte discussies geleid tussen minimalistische en maximalistische flaminganten, tussen democratische en autoritaire flaminganten. Deze conflicten weerspiegelen zich al in de aard van een dodenhulde, een plechtigheid met een 'heilig', boven alle verdenking verheven karakter, waar ook politieke eisen geformuleerd worden. Iets wat op zo'n lieu de mémoire geëist wordt, zoals de creatie van een eigen Vlaamse staat, krijgt zelf een transcendent aura en moet te vuur en te zwaard verdedigd worden. Dat zoiets ver afstaat van het democratisch werken aan een nieuwe staatsvorm en de invulling daarvan, laat zich raden. Vlamingen die in een zich

federaliserend België zijn opgegroeid verzetten zich daartegen na de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de tumultueuze bedevaart in 1995 namen verschillende fracties binnen de V.B. letterlijk afzonderlijke posities in. Zelden waren de spanningen in de V.B. zo openlijk geëtaleerd.

De ontstaansgeschiedenis

Vlaamse intellectuelen die tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het front in conflict kwamen met hun Franstalige oversten, trokken zich het lot van de Vlaamse soldaten aan en verenigden zich in de zogenaamde Frontbeweging. Adiel Debeuckelaere, na de Tweede Wereldoorlog jarenlang ondervoorzitter van het IJzerbedevaartcomité, was de 'ruwaard' en onder anderen Frans Daels en Hendrik Borginon, respectievelijk voorzitter van het IJzerbedevaartcomité van 1920 tot 1944 en van 1968 tot 1970, waren lid van de Frontbeweging. Ze maakten de Vlamingen bewust van hun hachelijke situatie, als soldaat, maar ook als Vlaming, in een Belgisch leger.

In 1916 stichtten leden van de Frontbeweging de vereniging Heldenhulde, om geld in te zamelen voor grafzerkjes voor Vlaamse soldaten. Joe English, een jong kunstenaar die na zijn dood in het rijtje IJzersymbolen zou opgenomen worden, ontwierp de zerk: een Keltisch kruis met het opschrift AVV-VVK ("Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus"). Het dichtmetselen van de letters bij een aantal van die zerkjes in de nacht van 9 op 10 februari 1918, leidde tot verontwaardigde reacties bij de Vlaamse soldaten. Ze schilderden er de letters groter dan voorheen weer over. Het incident werd meteen opgenomen in het discours over het onrecht dat Vlaanderen werd aangedaan.

Aan het front ontwikkelden zich onder de flaminganten in de loop van de Eerste Wereldoorlog twee houdingen ten opzichte van de bezetter. De zogenaamde activisten (activisme) meenden dat gebruikgemaakt moest worden van het begrip dat bij de Duitsers bestond voor de Vlaamse eisen. Daartegenover stonden de zogenaamde passivisten (passivisme), flaminganten die loyaal bleven aan België en niet vonden dat ijveren voor Vlaanderen ten koste van een knieval voor Duitsland, laat staan ten koste van België mocht gaan. Na de oorlog werden veel activisten veroordeeld. Anderen weken uit naar Nederland. Amnestie was vanaf 1934 een prominent thema op de bedevaarten, zo bijvoorbeeld in 1937 toen oorlogsveteranen hun decoraties afstonden om op een groot paneel "Amnestie" te spelden. De tegenstelling tussen maximalisten en minimalisten zou het interbellum lang en, mutatis mutandis, na de Tweede Wereldoorlog blijven doorwerken, ook in het IJzerbedevaartcomité.

In augustus 1919 stichtten Debeuckelaere en Borginon het Verbond der Vlaamse Oud-strijders (VOS), waarin ze alle Vlaamse soldaten over politieke verschillen heen wilden verenigen. Veel van de leden van dit VOS én van de Frontbeweging vinden we terug in het comité dat begin 1920 wordt gesticht met het oog op een herdenkingsplechtigheid aan het graf van English. Voorzitters waren Daels en Sam de Vriendt. Als secretarissen werden Oscar Dambre en Dries Devos aangesteld. De bijeenkomst bij het graf van English tijdens het eerste weekend van september 1920 wordt beschouwd als de eerste IJzerbedevaart.

Tot 1924 stond telkens een andere Vlaamse gesneuvelde centraal in de herdenkingsplechtigheid: de bedevaart van 1921 vond plaats bij het graf van de gebroeders Edward en Frans van Raemdonck te Steenstrate, in 1922 werd verzameld te West- Vleteren bij het graf van Renaat de Rudder en in 1923, ten slotte, werd eerherstel gebracht aan de stukgeslagen zerkjes te Alveringem-Oeren. Net zoals het VOS stelde de vereniging zich antimilitaristisch op. In feite vormden niet zozeer pacifistische idealen (pacifisme) de basis voor die stelling als wel de gevoelens die de wantoestanden in het Belgisch leger losmaakten en die onder meer geconcretiseerd werden in de actie tegen het Frans-Belgisch Militair Akkoord onder het motto "Los van Frankrijk". Het antimilitarisme was in eerste instantie een uiting van Vlaams- nationale frustraties en anti-belgicisme, en veel minder een pacifistisch standpunt.

De IJzersymbolen

De hang naar irrationaliteit, romantiek en mystiek die de IJzerbedevaarten tijdens het interbellum kenmerkt, werd vooral geconcretiseerd in de zogenaamde IJzersymbolen, die alle tussen 1930 en 1937 werden overgebracht naar de crypte. Enkele gevallen soldaten, uit elke provincie één, werden op grond van hun gemystificeerde levensloop, soldatencarrière of persoonlijkheidskenmerken verheven tot IJzersymbolen. De herinnering aan deze soldaten werd levendig gehouden om de aanwezigen te sensibiliseren en te mobiliseren in de V.B. Tot in de jaren 1960 werd de IJzerbedevaart regelmatig geconceptualiseerd rond de mythes die werden geweven rond de figuren van Renaat de Rudder, Joe English, de gebroeders Edward en Frans van Raemdonck, Lode de Boninge en Frans van der Linden, Firmin Deprez, Bert Willems en Juul de Winde. Tot op vandaag maken hun namen deel uit van het IJzerbedevaartcanon. Hun voorbeeldige levenswandel en passie voor Vlaanderen maken hun lijden en dood des te tragischer, aldus de overlevering, doordat ze niet zozeer het slachtoffer van oorlogsgeweld, maar wel van Belgisch geweld waren. Zo wil de overlevering bijvoorbeeld dat De Rudder sneuvelde door een "kogel uit een Belgische post". Voorts symboliseren hun levensverhalen de ondergeschiktheid van klassenverschillen aan de nationale identiteit (Van der Linden en De Boninge), broeder(lees: volks)trouw (de Van Raemdoncks), opofferingsbereidheid en idealisme.

Ook enkele voorwerpen die het lijden van de soldaten in het bijzonder en de Vlamingen in het algemeen symboliseren, maken deel uit van het IJzerpatrimonium. In 1933 werd de Steen van Merkem als relikwie in de crypte van de toren ondergebracht. Een steen waarop soldaten tijdens de oorlog met bloed de leuze "Hier ons bloed, wanneer ons recht" geschreven zouden hebben. In 1937 werd het stukgeschoten Christusbeeld uit Nieuwpoort in de crypte geplaatst en in 1939 werden ook de vlaggen van de oud-strijders daar ondergebracht.

De rode draad doorheen de IJzersymboliek is de afwijzing van de ahistorische creatie België en is gesteund op het zogenaamde 'IJzertestament'. Uit deze verzameling documenten werden de ordewoorden van de plechtigheid gedistilleerd: "Zelfbestuur, Nooit meer oorlog en Godsvrede". Drie vlaggen waarvan niet altijd duidelijk was welke lading ze dekten. Sneuvelen voor België, bijvoorbeeld, is in Vlaamse ogen nutteloos, maar voor Vlaamse rechten vechten en sterven, maakt je heilig. Deze selectieve interpretatie van het antimilitarisme door het bedevaartcomité strookt niet met de eigenlijke betekenis van 'nooit meer oorlog'. Achter het schijnbaar pacifisme van de IJzerbedevaart voor de Tweede Wereldoorlog gingen politieke motieven schuil. In het interbellum evolueren de IJzerbedevaarten van vrij besloten herdenkingsplechtigheden (1920-1929) naar massabijeenkomsten met een specifieke politieke agenda.

De jaarlijkse bedevaarten naar Diksmuide vanaf 1924 tot 1930

Al op de vierde bedevaart waren enkele duizenden mensen aanwezig. De bedevaart bleef een exclusief katholiek karakter behouden. Via Edward Clauw kon de vereniging zonder winstoogmerk Bedevaarten naar de Graven van de IJzer, die in de maak was, een stuk grond aankopen in Diksmuide. De regering had de grafzerkjes voor de soldaten geüniformiseerd en als gevolg van een vraag van regeringswege wilden maar 58 families de 'Vlaamse' heldenhuldezerkjes op het graf van hun dierbare behouden. Het bedevaartcomité wilde de overige 559 verzamelen op de weide te Diksmuide. Voor het zover kwam, sloeg de regering op 26 mei 1925 de zerkjes met het Keltisch kruis in groten getale stuk om er een weg mee aan te leggen. Na hevig protest tegen deze tweede "aanslag op Vlaanderen" (na het dichtmetselen van de letters 8 jaar tevoren) werden er nog 226 terugbezorgd. De 'geredde' zerkjes werden op de achtste bedevaart in 1927 plechtig overgebracht naar Diksmuide. Net zoals na het dichtmetselen, gingen de kapotte zerken algauw behoren tot het canon van de politieke en anti-Belgische grieven en gemythologiseerde propagandamiddelen. Bij wijze van eerherstel werd een gigantisch, 'onverwoestbaar' monument opgetrokken in de Diksmuidse weide: een 50 meter hoge toren, naar een ontwerp van de gebroeders Van Averbeke, bekroond met een kruis waarop de letters AVV-VVK ("Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus") werden aangebracht. Aan de vier zijwanden werden de IJzersymbolen aangebracht: bas-reliëfs door Karel Aubroeck. Op 7 juli 1928 wijdde priester Cyriel Verschaeve de eerste steen. Hoewel geld een eeuwig probleem was (en is!) in het IJzerbedevaartcomité werd in 1933 een lift in werking gesteld in de toren. De toren moest een monument voor en door het volk worden en diende bijgevolg ook door het volk betaald te worden. Verkoop van parafernalia, advertenties, tombola's, intekenlijsten, propaganda-avonden met licht- en filmbeelden, gepersonaliseerde bedelbrieven aan vooraanstaande en liefst kapitaalkrachtige Vlamingen; het zijn dezelfde methoden die aangewend worden voor de bekostiging van de bouw van de tweede IJzertoren, vanaf 1948.

Eind jaren 1920 ontwikkelde zich stilaan door de toetreding van enkele Vlaams-nationalisten een radicale stroming binnen het Comité. In januari 1927 werd Clemens de Landtsheer vast aangesteld als secretaris van het Comité. Hij nam zijn opdracht ter harte en bleef ook na de oorlog een van de belangrijkste drijvende krachten achter de bedevaart. De Landtsheer functioneerde als uitvoerende kracht van de geestelijke vader van de bedevaarten, Frans Daels. Hij was het die het laatste woord had over de choreografie en de toespraken en in grote mate de inhoud bepaalde.

Er vormde zich een petit Comité rond Jef Rombouts, Jeroom Leuridan, Michiel Bulckaert, Daels en De Landtsheer. Verschaeve, die meer en meer de Verdinaso- richting uitging, nam echter hoe langer hoe meer afstand van het Comité. Daels heeft nog heel lang geprobeerd Verschaeve erbij te betrekken, maar tevergeefs. De radicalen duldden niet langer dat een pacifistisch en internationaal profiel, erop gericht om het Comité salonfähig te houden, voorrang had op het ondubbelzinnig poneren van Vlaamse, of zelfs Dietse, eisen. Het opvoeren van internationale 'broeders en zusters' vormde ook decennia later, eind de jaren 1970 en begin de jaren 1980, een twistpunt binnen het Comité. De Zannekinhulde en het feit dat voor het eerst een Zuid- Afrikaanse spreker was geprogrammeerd in 1928 stelden de Vlaamse radicalen in het interbellum niet tevreden. De discussie kristalliseerde zich rond de eerste internationale bloemenhulde en de aanwezigheid van buitenlandse delegaties op de bedevaart van 1929. Zogenaamde 'uitgeweken Vlamingen' vielen niet in de categorie 'buitenlandse delegaties'. Daels' weigering August Borms en Pieter Geyl of Frederik C. Gerretson te laten spreken in 1929 vanwege hun uitgesproken anti-belgicistische houding werd hem door de nationalisten niet in dank afgenomen. Voor de belgicistische kerkelijke overheden nam Daels dan weer niet expliciet genoeg afstand van het Vlaams-nationalisme. Het werd vanaf midden de jaren 1920 alsmaar moeilijker een religieus spreker te vinden die toestemming kreeg van de weigerachtige bisschoppen, of hen geen verantwoording schuldig was (reguliere geestelijken). De toenemende oppositie van de harde-lijn-nationalisten zou een hoogtepunt bereiken medio jaren 1930. Vanaf 1934 ging het Comité zich als geheel Vlaams-nationalistisch profileren, maar de veranderende stemming was al veel eerder voelbaar.

De radicalisering van de bedevaarten vanaf 1930

De bedevaart van 1930 staat bekend als de bedevaart van "de stormloop". In het jaar dat België zijn 100-jarige bestaan vierde, stond op een reusachtig plakkaat aan de voet van de toren te lezen: "Nooit meer oorlog". De klok Nele werd plechtig ingewijd en men maakte een begin met het bijzetten van de IJzersymbolen in de crypte van de toren. Onvoorzien werden vanuit een vliegtuigje anti-Vlaamse pamfletten over de hoofden van de bedevaarders uitgestrooid met daarop verdachtmakingen aan het adres van het Comité. Daarop greep na de beëindiging van de plechtigheid een 'stormloop' plaats op de Grote Markt van Diksmuide. De radicale Vlaamsgezinden voelden zich alleen maar gesterkt door zulke 'Belgische kaakslagen' en drongen sterker aan op een duidelijke stellingname van het Comité naar buitenuit.

De bedevaarten hadden in deze periode veel weg van een bedevaart-weekend. Aan de vooravond van de eigenlijke bedevaart organiseerden studenten of verenigingen soms een vergadering in Diksmuide. De toren werd sinds 1930 's avonds verlicht en het jaar daarop was er ook een concert voorzien. De ordedienst speelde een belangrijke rol in het bepalen van de sfeer die er de voorlaatste zondag van augustus heerste te Diksmuide. De turnkring Ganda had hier in de beginjaren, onder andere vanwege de persoonlijke band tussen Ganda-leider Maurits Verdonck en Frans Daels, een groot aandeel in. Begin de jaren 1930 bekoelde de vriendschap en vanaf 1932 nam Herman van Ooteghem, een van de oprichters van het Algemeen Vlaamsch Nationaal Jeugdverbond, met zijn vereniging de ordedienst waar. Deel uitmaken van de ordedienst en de uitvoering van andere taken tijdens de bedevaart was en is een kwestie van zichtbaarheid en manifestatie, een eigen accent leggen op de bedevaarten ook. Het is een conflict tussen verschillende visies op Vlaanderen om politieke macht. Dat conflict duurt na de oorlog nog voort, zoals in de machtsstrijd tussen het Algemeen Diets Jeugdverbond (ADJV), Vlaams Nationaal Jeugdverbond en de Katholieke Actie (KA)-organisaties in de tweede helft van de jaren 1950.

In 1931 ontzegde Daels acht Weense nationaal-socialisten de toegang tot de tribune omdat ze een politiek uniform droegen. De familie Daels haalde het voorval na de oorlog aan in het verweerschrift voor Daels ter ondersteuning van het argument dat bij alles wat Daels gedaan had "alleen zijn volk telde en niet de Duitsers". De ideologische tegenstellingen in het Comité bereikten een breekpunt en spitsten zich toe op de persoon van Jan de Bondt. Deze neigde met Ward Hermans en Joris Lannoo in Verdinasorichting. De laatste twee namen ontslag in 1934 omwille van de onverenigbaarheid van partijlidmaatschap met het lidmaatschap van het Comité. Uit de discussie in 1933 rond het al of niet uitnodigen van de jood Albert Einstein, toen alom bekendstaand als pacifist, bleek dat Daels het koste wat het kost een apolitiek profiel wilde hooghouden. Ook Maurits Liesenborghs en priester Jan Bernaerts schaarden zich nu aan de Verdinaso-kant en waren het oneens met Daels. Einstein kwam niet, maar er werd wel een gedenkteken voor Edward en Frans van Raemdonck onthuld. Naar buitenuit werd het conflict in termen van 'pluralisme' versus 'katholicisme' gesteld, in werkelijkheid lag er een politiek-ideologische machtsstrijd tussen verschillende Vlaams-nationalistische fracties, met name tussen het Verdinaso en het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), aan ten grondslag. De KA-organisaties werden als een 'aanslag op het Vlaams-nationalisme' beschouwd en het 'belgicisme' van de katholieke top dreef almaar meer radicale Vlamingen in de armen van het VNV of het Verdinaso. Daels bleef in 1934 – het jaar dat Lode de Boninge werd bijgezet in de crypte – echter voet bij stuk houden en zette de deur nog steeds op een kier voor socialisten. Voor de tegenstanders van de 'pacifistische' koers ging het Vlaams- nationalisme echter voor, hetgeen gematigde en niet- confessionele Vlamingen afschrikte.

Daels kon zijn ideaal van een pacifistische en internationale massamanifestatie vanaf de tweede helft van de jaren 1930 niet langer doorduwen tegen de wil van heel wat nationalistische Comitéleden en tegen de politieke evolutie in. De pacifistische koers week voor de nationalistische en uitgesproken anti-Belgische toon. De verkiezingen van 1936 toonden de sterkte aan van het Vlaams-nationalisme, vooral van het VNV, ten nadele van de katholieke partij. In 1940 trad Daels toe tot de Raad van Leiding van het VNV. Via de contacten met Ernest van den Berghe, secretaris van het VNV beïnvloedden stijl- en sfeerelementen van de VNV-landdagen het bedevaartverloop. In het spreekkoor van Ferdinand Vercnocke, bijvoorbeeld, dat in 1936 nog afgewezen was, stond in 1937 het amnestie-thema centraal. Op de krans die de Duitse delegatie tijdens de bloemenhulde datzelfde jaar bij de toren neerlegde, stond een hakenkruis.

Naar buitenuit hield het Comité de schijn van eensgezindheid vooralsnog hoog. In 1938 moesten 'massaliederen' dat gevoel ook op de massa overbrengen. Daels koesterde nog altijd een eenheidsidee dat de niet-katholieken ook toeliet en was niet ongevoelig voor het voorstel van Liebaerts de eed met twee vingers te zweren, in plaats van met gestrekte arm en de hele hand om Vlaamsgezinde socialisten over de streep te halen. Adiel Debeuckelaere, die voor de Frontpartij en later voor het VNV in het parlement zetelde, en Jeroom Leuridan en Hermans hadden al in juli 1934 ontslag genomen, maar het was pas met het ontslag van De Bondt dat de scheuring compleet was. Juliaan Platteau, Bernaerts en Sam de Vriendt hadden met ontslag gedreigd als De Bondt zou blijven. Daels stemde toe, maar het is kenmerkend voor de ambigue houding van het Comité dat De Bondt nog op de ledenlijst van 1948 vermeld staat, samen met andere vooroorlogse leden die volgens het nieuwe Comité nog in aanmerking kwamen voor toetreding. In feite werd de ruzie nooit bijgelegd.

In september 1938 ondertekende zowel het IJzerbedevaartcomité als het Verbond der Vlaamse Oud-strijders een motie voor neutraliteit en feliciteerden ze de Britse premier Chamberlain met zijn appeasement-politiek. De teerlingen waren echter allang geworpen en de ambigue politiek van het Comité dat lange tijd probeerde tegelijk warm en koud te blazen, kwam het Comité duur te staan. Onder het mom van de prioriteit van 'het volk', werd ver meegegaan in de logica van de Duitse bezetter. Tijdens de bezetting werden de bedevaarten voortgezet in de crypte, voor een beperkt (ook Duits) publiek, officieel vanwege "technische en verkeersmoeilijkheden" (Diksmuide lag in het spergebied). Het IJzerbedevaartcomité was in het interbellum allesbehalve de apolitieke heldenhuldevereniging waar ze zich graag voor uitgaf, maar een strijdperk voor verschillende Vlaams-nationale fracties.

In april 1943 maakte Daels zijn eerder genomen ontslag bekend. De toegevingen die het VNV aan de bezetter bleef doen op het vlak van de Groot-Nederlandse gedachte en in verband met de werving voor het oostfront, konden voor Daels niet meer door de beugel. Het fascistische maatschappijmodel dat de bezetter voorstond werd evenwel niet in vraag gesteld, al werd dat na de oorlog wel anders voorgesteld. De leuze "Wij zijn een volk", oorspronkelijk bedoeld om goed in het Duitse oor te liggen, legde het Comité naar het einde van de oorlog uit als een daad van verzet. Zowel uit de vormgeving als uit de inhoud van de toespraken en de keuze van de sprekers bleek echter duidelijk welke politieke lijn gevolgd werd. In 1940 en 1941 zei het boegbeeld van het activisme uit de Eerste Wereldoorlog, August Borms, de Eed van Trouw aan Vlaanderen voor. In 1943 kreeg een oostfronter die eer.

Brokken en herbeginnen: de naoorlogse IJzerbedevaarten

Het voortzetten van de IJzerbedevaarten tijdens de oorlog heeft het fenomeen bijna de das omgedaan. Vlaamse verenigingen, terecht of onterecht gestigmatiseerd door de collaboratie, konden na de bevrijding alleen overleven als ze zich loyaal verklaarden ten opzichte van de Belgische staat. Dat ging voor een manifestatie met zo'n uitgesproken Vlaams tot anti-Belgisch karakter als de IJzerbedevaart niet van vandaag op morgen. Bovendien waren zogoed als alle Comitéleden wegens een of andere vorm van collaboratie veroordeeld, hetgeen praktische moeilijkheden voor de organisatie met zich meebracht.

Op 15 maart 1945 en in de nacht van 15 op 16 juni 1946 werd een aanslag op de IJzertoren gepleegd. De eerste keer bleven de schade en de reacties beperkt. Een jaar later gaf de bijna volledige vernieling van de toren aanleiding tot de zogenaamde Bedevaart van de Jeugd naar de Graven van de IJzer. Het waren de Leuvense en Gentse studenten van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV), onder voorzitterschap van de Leuvense professor Jules Cardyn, die het voortouw namen. Samen met katholieke jeugdbewegingen en steun van katholieke instanties organiseerden zij deze herstelbedevaart. De toespraken van de jezuïet Lode Arts, Jan Boon, Jozef Deschuyffeleer en Cardyn werden afgewisseld met koor- en samenzang, waaronder de Brabançonne. Dit laatste was een voorwaarde die de liberale minister Auguste Buisseret had gesteld voor het verlenen van de toestemming voor de plechtigheid. Geen van beide aanslagen zijn officieel opgehelderd, ondanks sterke vermoedens dat toppolitici op de hoogte waren van plannen die binnen bepaalde kringen van het leger bestonden. Het dossier zat van in het begin in politiek vaarwater en werd uiteindelijk in 1954 zonder gevolg gesloten. De 15 miljoen frank staatssubsidie voor de wederopbouw van de toren die in 1950 door de homogene regering-Joseph Pholien werd toegekend, werd sinds 1953 in jaarlijkse schijven van 1 miljoen frank uitgekeerd. Dat was allicht meer dan het Comité van een eventuele veroordeelde dader kon verwachten. 'Het gedwarsboomde onderzoek' en het feit dat de 'nochtans gekende' grafschenners ongestraft bleven, pasten bovendien perfect in de martelaarsretoriek van het Vlaams-nationalisme.

De symbolenstrijd barstte in alle hevigheid los. Voor- en tegenstanders van een nationaal verzoeningsmonument, een Vlaams grafmonument, een Vlaams monument, het laten liggen van het puin bij wijze van aanklacht, bekampten elkaar in kranten en bladen en in het parlement. En in het nog opnieuw op te richten IJzerbedevaartcomité. Een aantal leden van het oorspronkelijke Comité was al in 1945 begonnen met de schade op te meten en plannen te maken. Met behulp van het Nieuw Verbond der Vlaamse Oud-strijders kon de raad van beheer uitgebreid worden met onverdachte Vlaamsgezinden, van wie de namen op 4 mei 1946 verschenen in het Staatsblad. Professor Jan F. Fransen was voorzitter. Leden waren Jef Rombouts (ondervoorzitter), Edward Clauw (secretaris en afgevaardigd beheerder), Juliaan Platteau, A. Aertssens, J. Huyberechts, Jan Lebeer, R. Sterkens en Leonard van Mierlo. Cardyn had zijn werking intussen bestendigd en dit Comité, met een duidelijke CVP-signatuur, trad als Voorlopig Comité voor herstel van den IJzertoren naar voren. Onderhandelingen tussen beide Comités leidden na maandenlang getouwtrek op 21 juli 1948 tot een versmelting. Dit kwam neer op de toetreding van nieuwe, katholieke, leden tot het oude Comité: Deschuyffeleer, Arthur Mulier, Marcel Vandewiele, G. Vandeputte, Karel van Cauwelaert, Alfred Raport en Eduard Amter werden opgenomen in de raad van beheer.

Het Comité van 1948 droeg alle tegenstellingen die in de loop van de jaren naar boven zouden komen in zich. Een overduidelijke katholieke profilering – begin de jaren 1950 waren telkens CVP-ministers aanwezig op de bedevaart, ondanks de apolitieke retoriek – maakte om te beginnen Godsvrede onmogelijk. Bovendien stonden (partij)katholieken tegenover nationalisten, die evenwel zelf verdeeld waren over de door de V.B. te volgen timing en strategie: te weten, buiten partijen om, via bestaande partijen of via een eigen Vlaams-nationalistische partij. Hoewel aanvankelijk het hulde- en vredesaspect van de bedevaarten benadrukt werd, draaide de strijd tussen katholieken en nationalisten over de controle op de IJzerbedevaarten om morele en verkiezingsbelangen. De keuze van de sprekers namens het Verbond der Vlaamse Oud-strijders (VOS) bood de nationalisten in het Comité bijvoorbeeld de gelegenheid de continuïteit met de vooroorlogse en oorlogsbedevaarten te benadrukken. In 1948 was evenwel besloten de IJzertoren te herbouwen. Het was dus, met het oog op het vergaren van fondsen voor de wederopbouw, niet aangewezen potentiële sponsors af te schrikken door al te zeer aan het verleden te herinneren.

Met name amnestie was een gevoelig punt. In 1952 en 1953 verstoorden jongeren van het Algemeen Diets Jeugdverbond en de Jong Nederlandse Gemeenschap van Karel Dillen de bedevaart door anti-CVP-slogans te roepen en Frans Daels' naam en "amnestie" te scanderen. Hoewel dergelijke stellingname ook in de ogen van de vooroorlogse IJzergeneratie niet opportuun geacht werd, stelde een deel van hen wel hun hoop voor de toekomst van Vlaanderen op die jongeren. Belgicistische oud-strijders konden de leuzes niet verkroppen en organiseerden vanaf 1953 een jaarlijkse herstelbetoging, ook wel Jean Fosty-betoging genoemd, naar de initiatiefnemer. De eer van 'Vlaanderen en het gemeenschappelijk vaderland' was bezoedeld, heette het. Het KVHV en de nationalistische, zowel als katholieke jeugdbewegingen, verenigd in het Jeugdcomité voor Beroep op het Volk, reageerden tegen de Fosty-actie die ze overdreven vonden. De acties van het Jeugdcomité mondden uit in Operatie Uilenspiegel, een studentikoze reeks acties die zich liet opmerken tot in het parlement. De escalatie ten gevolge van het incident tijdens de bedevaart van 1953 maakte duidelijk dat de IJzerweide niet de plek van nationale verzoening was waar zovelen, inclusief sommige politici, van gedroomd hadden.

De jeugd hoopte door haar engagement in 1946 een vaste stek op de bedevaartweide te veroveren, al ging dat niet zonder slag of stoot. Enerzijds was het Comité er zich van bewust dat vroeg of laat een nieuwe generatie de fakkel zou moeten overnemen om de voortzetting van de bedevaarten mogelijk te maken. Maar ook voor praktische aangelegenheden had het Comité een jonge achterban broodnodig. Zoals voor hulp bij het puin ruimen, hetgeen KVHV'ers in zogenaamde 'werkkampen' tussen 1950 en 1958 voor hun rekening namen, de bouw van de Paxpoort die na de tweede aanslag uit het puin was opgetrokken en in 1950 werd ingehuldigd, het inzamelen van geld en de verkoop van parafernalia, voor de ordedienst en voor optredens tijdens de bedevaarten. Anderzijds wilde de oudste generatie Comitéleden erover waken dat de bedevaarten werden voortgezet in de oorspronkelijke geest, hetgeen soms tot botsingen leidde met meer pragmatische jongeren die vaak politieke ambities hadden. Hoe dan ook konden zowel VOS- als jeugdtoespraken gebruikt worden om de radicaalste eisen te formuleren, onder het mom van ouderdomsprerogatief of jeugdige overmoed. Het Comité kon zich dan een low profile aanmeten, zonder de radicaalste aanhang te verliezen.

Waar aanvankelijk de katholieke zowel als nationalistische jeugdbewegingen erin slaagden raakvlakken te vinden in de werking voor en onder de IJzertoren met als hoogtepunt 1956, het Rodenbachjaar, liepen de interessepunten vanaf 1958 uit elkaar. Het einde van de schoolstrijd maakt het mogelijk 'louter' sociaal-politiek aan Vlaanderen te werken in een Vlaams-nationalistisch partij, of in de CVP. Voor de Vlaams- nationalistische jongeren was het vendelzwaaien en gezang evenwel meer dan folklore. Het vormde het culturele luik van een vooroorlogs maatschappijmodel dat hen van huis uit was meegegeven. Geradicaliseerd door hun ervaringen met de repressie zou de bedevaart in deze kringen een uiterst belangrijk legitimerend symbool blijven dat zuiver bewaard moest blijven. Katholieke jeugdbewegingen daarentegen zouden zich hoe langer hoe meer van het tussenniveau 'Vlaanderen' afkeren om zich te engageren in lokale of wereldgebeurtenissen.

Voorzitter Fransen slaagde er jarenlang in de verschillende strekkingen samen te houden. Vanaf 1954 kwam de Volksunie (VU) van de grond en vond de Vlaams-nationale partijpolitiek een nieuwe adem. Stilaan werden de repressiemaatregelen teruggeschroefd en konden leden van het eerste uur en nationalisten weer officieel in het Comité worden opgenomen. De toespraken op de IJzerweide gingen eisender klinken. Tussen 1956 en 1960 kwamen vooroorlogse elementen weer min of meer regelmatig op het programma te staan: het gebed van pater Jules Callewaert (1956), een spreker uit Nederland (vanaf 1956, in 1964 sprak professor Pieter Geyl), een boodschap uit Zuid-Afrika (vanaf 1957). Het Lied van Suid-Afrika werd in 1987 weer van het programma gehaald wegens de connotatie van het lied met het Zuid-Afrikaans apartheidsregime. Daels kreeg het erevoorzitterschap aangeboden. Toon en inhoud bleven ondanks het opduiken van nieuwe thema's als Europa en sociaal- economische onderwerpen heel revendicatief. De boodschap bleef: "Vlaanderen eerst".

In de tweede helft van de jaren 1950 trad een nieuwe generatie aan in het IJzerbedevaartcomité, met op kop Rik de Ghein en Paul Daels, zoon van Frans. Aanvankelijk vonden deze dertigers in al hun krachtdadigheid en radicaliteit aansluiting bij de nationalisten. Beiden waren actief in andere Vlaams-nationale verenigingen. Ze werden ingehaald als de dragers van de nationalistische waarden en 'de toekomst': de continuïteit van de bedevaart was verzekerd. De jonge radicalen lieten zich echter niet zomaar voor het ideologische karretje van de eerste generatie IJzerbedevaartorganisatoren spannen. Dat deze 'wissel van de wacht' niet pijnloos verliep, blijkt uit de moeizame overdracht van het secretariaat in 1960. Clemens de Landtsheer voelde op het einde van de jaren 1950 wat hij als zijn geesteskind beschouwde, aan zijn greep onttrokken worden en kon dat moeilijk aanvaarden. Niet alleen persoonlijke, maar ook politieke factoren speelden daarin een rol. De Ghein was niet alleen veel jonger dan zijn voorganger, hij had bovendien niet zozeer een Vlaams-nationale als wel een katholiek Vlaamse achtergrond.

De herziening van de statuten en de intrede van De Ghein als secretaris begin 1961 luidde een nieuwe fase in de geschiedenis van het IJzerbedevaartcomité in. De bedevaarten werden korter en zakelijker, maar pas in 1966, met de aanstelling van een professioneel regisseur, Remi Ponjaert, werd de vormgeving drastisch aangepast om in te spelen op het veranderende taalgebruik en referentiekader van een hoe langer hoe zelfbewuster Vlaanderen. Vele oudere organisatoren voelden zich in het defensief gedrongen, hoewel de loyauteit ten opzichte van deze generatie nationalisten voor sommige kringen nog te ver bleef gaan om de IJzerbedevaart te bevrijden van fascistische connotaties.

In 1965 werd de nieuwe toren plechtig ingewijd. Hij was 84 meter hoog en door de ontwerpers van de eerste toren naar model van de oude herbouwd. Op de sokkel is in vier talen "nooit meer oorlog" aangebracht en bovenaan prijkt de kruiskop met het AVV-VVK ("Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus"). Haar opbouw hield gelijke tred met een groeiend Vlaams zelfbewustzijn, zoals dat zichtbaar werd in de Marsen op Brussel – waar het Comité altijd goed vertegenwoordigd was – en kreeg zo een extra symbolische dimensie.

Vanaf 1966 sprak Hendrik Borginon de toespraken namens het Comité uit en in 1968 volgde hij de 82-jarige Fransen officieel als voorzitter op. De bedevaarten werden nu meer thematisch geconcipieerd, waarbij één luik betrekking had op de bedevaartgeschiedenis (de IJzersymbolen, soldatenmoeders, de geschiedenis van de toren...) en een tweede op recente politieke ontwikkelingen (Zwartberg, Brussel, 'Leuven Vlaams', oorlog...). Traditionele elementen zoals de mis, de bloemenhulde, het vlaggendefilé, het dodenappel en de drie nationale hymnen kregen een plaats tussen de thematische opvoeringen. De uitvoering van de taferelen en choreografieën werd nu voornamelijk uitbesteed aan gespecialiseerde dans-, toneel- en voordrachtverenigingen en minder overgelaten aan de jeugdbewegingen. Afgezien van occasionele, korte 'boodschappen' namens VOS'ers of jongeren, sprak alleen de voorzitter nog een toespraak uit vlak voor het slot van de plechtigheid. Bij de keuze van een oud-strijder ging de voorkeur altijd uit naar een oudgediende van de Eerste Wereldoorlog, wat de band met de oorsprong van de bedevaarten onderhield en minder controversieel was dan het engagement van sommige soldaten in de Tweede Wereldoorlog. Een toespraak tot of namens de jeugd maakte traditioneel geen deel uit van het bedevaartprogramma en de beslissing die af te voeren, behoefde dus geen nadere uitleg. Voortaan sprak het bedevaartcomité met één stem: die van de voorzitter.

In de koude oorlog- en dekolonialiseringscontext werd de internationale roep om vrede op de bedevaartweide steevast gecontrasteerd met het uitblijven van nationale verzoening, ofte amnestie in eigen land. Het vredesthema bood om te beginnen een aanknopingspunt voor de jongeren, die het louter Vlaamse standpunt ontgroeid waren, doordat het de Vlaamse problematiek een internationale en hedendaagse allure gaf. Bovendien versoepelde het de overgang naar de roep om amnestie. Het amnestiethema is nooit van de bedevaartagenda verdwenen. Na de sluiting van het schoolpact, werd de communautaire kwestie politiek agendapunt nummer één. De invoering van onderwijs- en culturele autonomie zette de deur open naar een volledige staatshervorming. Over hoe ver die moest doorgedreven worden, is men het in Vlaanderen nog steeds niet eens. In de jaren 1960 bleven Vlaams-nationalisten er, tegen sociaal-flaminganten in, op de bedevaartweide voor ijveren de Vlaamse bakens altijd te verzetten. De eisende toon van de toespraken bleef zo gerechtvaardigd en impliciet werden ook de collaboratiekeuzes gelegitimeerd. In 1969 vergoelijkt Borginon, voor het eerst openlijk, het engagement van de oostfrontstrijders. De roep om amnestie werd ook steevast als een christelijke en democratisch-humanistische waarde verdedigd, in een poging de louter katholieke connotatie van 'vergevingsgezindheid' te overstijgen.

Het opvoeren van buitenlandse delegaties uit onder meer Zwitserland, Zweden, Tsjechoslowakije en Duitsland, alsook priesters uit verschillende delen van de wereld in 1968 moest niet alleen de zelfstandigheidseis van Vlaanderen legitimeren als een bijdrage aan de verscheidenheid in de Europese eenheid, maar ook over het tussenniveau België heen, de bedevaarten een Europees karakter geven. Europa werd ingehaald als een bondgenoot van de kleine volksgemeenschappen, tegen de 'onnatuurlijke' staten. De internationale facelift diende ook als charmeoffensief om minder rabiate Vlamingen naar Diksmuide te halen en zo het bedevaartprofiel te verbreden en legitimiteit als Vlaamse spreekbuis te winnen. De opkomstcijfers liepen namelijk terug. Officiële cijfers van voor de oorlog zijn niet helemaal betrouwbaar, maar het staat vast dat de succesvolste bedevaarten na 1948 verschillende tienduizenden mensen trokken. In 1954 was sprake van 70 à 80.000 aanwezigen en in de jaren 1960 liep dat op tot 100.000 volgens het Comité, al lagen de cijfers van de ordediensten altijd een stuk lager. Naar het eind van de jaren 1980 nam dat cijfer almaar af.

Ondanks het apolitieke standpunt dat het Comité naar buitenuit altijd verdedigd heeft, hoopte het Comité de druk op het politieke gebeuren te kunnen verhogen door de bedevaartdatum vanaf 1969 naar het einde van juni of het begin van juli te verschuiven. Daar werd begin de jaren 1980 echter weer van afgestapt. Naarmate de sociaal-democraten het meer voor het zeggen kregen in de VU en naarmate de gevestigde partijen meer Vlaamse eisen overnamen, uitten de traditionele Vlaams-nationalisten hun ongenoegen over de 'deviaties' van het rechte pad op steeds luidruchtiger wijze. Zo kreeg P. Daels, voorzitter na Seppe Coene die in 1970 de fakkel overnam van Borginon, het hard te verduren vanwege zijn pogingen het bedevaartpubliek te verbreden. Ook voorzitter Lionel Vandenberghe, die Daels in 1989 opvolgde, kreeg af te rekenen met tegenstand vanwege de rechterzijde. In 1991 keurde het Comité het voorstel de ordewoorden te vertalen in "Vrijheid, vrede en verdraagzaamheid" goed. Niettemin vonden in 1995 drie bedevaarten plaats. Het zogenaamde IJzerbedevaartsforum verzamelde op de rechteroever of maakte hun protest op de weide zichtbaar met gele petjes en sjaaltjes. Het Vlaams Nationaal Jeugdverbond hield een IJzerwake bij het monument voor de gebroeders Edward en Frans van Raemdonck. Alle moderniserings- en verruimingspogingen ten spijt, dragen deze mediatieke conflicten niet bij tot een destigmatisering van de IJzerbedevaarten in de ogen van de buitenlandse pers. De connotatie van de IJzertoren met extreem-rechts gedachtegoed werd vanaf eind de jaren 1970 ten top gedreven toen skinheads en andere extreem-rechtse jongeren uit verschillende Europese landen op de vooravond van de bedevaarten te Diksmuide verzamelden. Daarbij kwam het meer dan eens tot een confrontatie met de ordediensten.

Slot

De bedevaarten voor en na de oorlog vertonen een opvallende continuïteit. In het interbellum evolueerden de IJzerbedevaarten van een heldenhulde met zeer concrete eisen voor Vlaams welzijn naar een politieke massamanifestatie die nauwe banden onderhield met het Vlaamsch Nationaal Verbond, wiens autoritaire maatschappijvisie het tijdens de bezetting verdedigde. De antidemocratische visie gelegitimeerd door 'een' interpretatie van het IJzertestament, leefde na 1945 verder in sommige 'niches' van de Vlaamse maatschappij. Veel vooroorlogse leden maakten vroeg of laat deel uit van het Comité dat in 1948 totstandkwam. De repressie als antwoord op de collaboratie doorsneed na de Tweede Wereldoorlog de breuk tussen minimalisten en maximalisten. Het vooroorlogse Comité moest vanaf 1948 met het oog op het overleven van de plechtigheid noodgedwongen toelaten dat de Christelijke Volkspartij (CVP) er haar stempel op drukte, al deden de nationalisten al het mogelijke het laken weer naar zich toe te trekken. De meer pragmatische en sociaal-democratisch ingestelde generatie dertigers sloegen al snel de hoop van de oudste leden dat met de bedevaarten ook hun ideologische erfgoed doorgegeven werd, de bodem in. Vanaf 1963 is er ruimte in politieke partijen om aan Vlaanderen te werken. De nationalisten die van geen politieke compromissen wilden weten, eisten almaar luider de bedevaartweide, de plek waar vrienden of vrienden van ouders begraven liggen, weer op. Zij profileren zich als de enige erfgenamen van de IJzergedachte, de laatste martelaren, waarbij de repressie als bevestiging van die rol geldt. De rangen van de radicalen worden vanaf de jaren 1980 vervoegd door mensen uit het Vlaams Blok die in de vorm van een xenofobe vertaling het Vlaamse martelaarsdiscours gemoderniseerd hebben. Voor hen is het Comité nooit radicaal genoeg, of het nu vanwege CVP of Volksunie-invloed is. De gematigden in het Comité krijgen echter ook vanwege sceptische en argwanende Vlamingen kritiek te verwerken. Zij stellen vast dat ondemocratische Vlamingen – hoe lastig ook – tot 1994 nog altijd op de bedevaartweide en in het Comité geduld werden. In 1994 gaf een voorstel van ondervoorzitter De Belder om "te scheiden" van de ondemocratische elementen in de V.B. aanleiding tot conflict.

Sinds het Sint-Michielsakkoord van 1993 zijn de voornaamste eisen van de V.B. ingewilligd. Althans, in de ogen van een groot deel van de Vlamingen. Vandenberghe ziet de rol van de IJzerbedevaarten dan ook in de richting van een bezinning over inhouden, over welk Vlaanderen de Vlamingen willen. Het ziet ernaar uit dat die visie zelfs ten koste van de jarenlang door vaagheid en ambigue symboliek volgehouden loyauteit ten opzichte van de radicaalste nationalisten gaat. Bovendien heeft het jonge, officiële Vlaanderen, bij monde van het Vlaams Parlement, pogingen ondernomen de IJzertoren definitief onder te brengen in het officiële Vlaamse natie-discours. In 1986 erkende de Vlaamse Raad de IJzertoren als Memoriaal van de Vlaamse Ontvoogding. Bij ministerieel besluit werd de toren vervolgens in 1992 beschermd als 'monument' en de Bedevaartweide als 'dorpsgezicht'. Ten slotte staat het monument sinds 1997 ook vermeld in het voorstel van decreet voor de lagere school-eindtermen als een te kennen Vlaams symbool, naast het volkslied en de vlag. Het Comité zelf hoopt door erkend te worden als Europees vredesmonument of via erkenning vanwege Unesco haar internationale uitstraling te vergroten.

De IJzerbedevaarten hebben een lange en beladen geschiedenis. De hardnekkigheid waarmee het odium van de collaboratie aan de toren blijft kleven doet echter niet af aan de aantrekkingskracht die het symbool uitoefent op flaminganten, oud en jong, anti-politiek activist en professioneel partij- politicus. Symbolen kunnen altijd nieuwe betekenissen toegewezen krijgen. De vraag is wie de macht en de legitimiteit heeft om die betekenis te geven en ingang te doen vinden bij de bevolking. Dat is waar het om draait op de IJzerbedevaart: wie heeft het voor het zeggen in Vlaanderen?

Literatuur

F. Weyns, De tussenoorlogse IJzerbedevaarten (1920-1939). Een onderzoek naar de politieke symboliek en mythevorming, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1992; 
A. Beck, De IJzerbedevaarten 1945-1965. Een politieke massamanifestatie, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1996.

Verwijzingen

zie: Marcel Boey, August Borms, Paul Daels, Hendrik Diels, Jan F. Fransen, Karel van Isacker, Juliaan Platteau, Emiel de Smedt, Lionel Vandenberghe, Vlaams Nationaal Jeugdverbond.

Auteur(s)

Annelies Beck