Hooger Leven (1927-1938)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

"Algemeen Weekblad" (1927-1938), opgericht op initiatief van Gerard Walschap, die een leemte zag na het verdwijnen van Het Vlaamsche Land, en norbertijn Paul Valvekens, die er een aanvulling in vond voor het ambitieloze Averbode's Weekblad.

Op 10 oktober 1926 publiceerde dat laatste blad het voorstel voor de uitgave van Hooger Leven. Een maand later, op 14 november 1926, verscheen een proefnummer waarin de intenties van het tijdschrift werden verduidelijkt: "Het wil, overheen alle politieke geschillen onder katholieke Vlamingen, ijveren voor den in Vlaanderen broodnodigen kultuurarbeid." De opzet was allerminst bescheiden; voor Walschap was de oprichting van Hooger Leven "een feit van grooter betekenis dan de vervlaamsching der Gentsche hoogeschool".

De strijd tegen de katholieke verdeeldheid werd echter bemoeilijkt door de innerlijke verdeeldheid van de redactie. Reeds in het proefnummer besloot Valvekens categoriek: "Eerst dus zelfkultuur", terwijl Walschap juist "gestadig over alle grenzen (wilde) kijken". Walschaps verruimde, esthetische kunstkritiek wekte het wantrouwen van de norbertijnen van Averbode-abdij, die strikt zedelijke criteria hanteerden.

Problemen van financiële, redactionele en persoonlijke aard maakten dat het tijdschrift gedurende zijn twaalfjarige bestaan aan allerlei wijzigingen onderhevig was. In oktober 1931 verzaakte de abdij aan het bezit en de uitbating van Hooger Leven omdat het een verliespost was. Na geharrewar tussen Walschap en Valvekens kwam het blad in handen van een in juli 1932 opgerichte naamloze vennootschap. Vanaf 1 januari 1933 was Valvekens de enige hoofdredacteur, maar Walschap bleef zijn rubrieken behouden.

De grootste ommekeer kwam er op 2 juni 1935. Het blad werd in een nieuw kleedje gestoken en de redactie was vanaf dan de NV Altiora in Antwerpen, die er een 'populairder' blad van maakte. Bij de oprichting had Hooger Leven zich neutraal verklaard ten aanzien van de politieke tegenstellingen in het katholieke kamp. Nu verliet het die koers en verklaarde zich een voorstander van de toenadering tussen de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV) en het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) (Beginselakkoord KVV-VNV). Bij het mislukken van het akkoord in 1936 koos Hooger Leven de zijde van de KVV. Het katholieke streven primeerde immers op het Vlaamse. Bovendien was Hooger Leven een voorstander van de democratie. Toch streed het weekblad mee voor een verharding en politisering van de Vlaamse eisen. Voorzichtiger sprong het om met het Dietse ideaal, "waartegenover geen enkel Vlaming vijandig, maar alle nuchter denkende Vlamingen sceptisch staan".

De algemeen maatschappelijke opzet van Hooger Leven werd weerspiegeld in de talrijke en veranderende rubrieken, zoals "Uit de katholieke wereld", "Wetten en recht", "Sociale Arbeid", "Opvoeding en Onderwijs", "Voor de vrouwen", "Kunst en Letteren", "Wetenschap", "Tijdsignalen", "Leer en leven" en "Handel en nijverheid". Daarvoor kon Hooger Leven rekenen op een ruim en wisselend medewerkersbestand, onder wie Paul-Willem Segers, T. Valvekens, Emiel Valvekens, Jan Valvekens, J. de Bruyne, J.T. Sieben, J. van den Brande, Walschap, André Demedts, Urbain van de Voorde, Odiel Daem, Willem Putman en Albert Westerlinck.

Het laatste nummer van Hooger Leven (24 december 1938) bleef vaag over de redenen van de stopzetting. Het tijdschrift beschouwde zichzelf als een zeer belangrijk en succesrijk blad dat ten onder was gegaan aan "'groote' mannen (die) zich hardnekkig vastklampen aan klein-menschelijk geploeter en ziekelijke bedilzucht".

Literatuur

K. Feremans, De maatschappelijke opstelling van Hooger Leven, Algemeen Weekblad 1927-1938, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1993; 
L. Missinne, Kunst en Leven, een wankel evenwicht, 1994.

Auteur(s)

Elke Brems