Heylen, Ludovicus

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

kloosternaam: Thomas (Kasterlee 5 februari 1856 – Namen 27 oktober 1941).

Deed zijn humaniorastudie aan de Apostolieken-School der jezuïeten te Turnhout. Bij zijn intreding in de abdij van de norbertijnen van Tongerlo op 28 augustus 1875 kreeg Heylen de kloosternaam Thomas. In 1877 legde hij de kloostergeloften af en op 11 juni 1881 werd hij te Mechelen tot priester gewijd. Op 23 september 1881 werd hij naar Rome gestuurd om er aan de Gregoriana zijn studie te voltooien. In aanwezigheid van paus Leo XIII verdedigde hij de stellingen die hem in 1883 de doctorstitel in de wijsbegeerte en in 1886 in de godgeleerdheid en het kerkelijk recht bezorgden. Nauwelijks terug in Tongerlo, waar hij met de leeropdracht in de filosofie belast werd, werd hij op 12 juli 1887 tot tweede abt gewijd sedert het herstel van de abdij na de Franse Omwenteling. In 1889 werd hij vicaris van de abt-generaal der Orde van Prémontré. In 1889 stichtte hij te Manchester de eerste priorij van de norbertijnen sedert hun uitroeiing in Engeland bij de Hervorming. In 1898 volgde de stichting van de apostolische prefectuur Uele in Kongo. Op 23 oktober 1899 werd abt Heylen benoemd tot bisschop van Namen; hij werd gewijd op 30 november. In 1901 benoemde Leo XIII hem tot voorzitter van de Internationale Eucharistische Congressen, die onder zijn impuls tussen de beide wereldoorlogen een zeer hoge vlucht namen.

Heylen stond als abt van Tongerlo gunstig tegenover de V.B. Zijn abdij werd een toevluchtsoord voor de Vlaamsgezinde jongeren die in 1891 en 1892 het slachtoffer werden van represailles van de kerkelijke overheid in het aartsbisdom Mechelen. Joseph Feskens vond er een onderkomen nadat hij uit het Grootseminarie was gezet en vruchteloos probeerde om toegelaten te worden tot een ander Belgisch seminarie. Een van de leerlingen die in 1892 door directeur Pierre van Ballaer uit het Sint-Romboutscollege van Mechelen was gezet en, wegens gebrek aan getuigschrift, in geen enkel ander college werd toegelaten, werd op voorspraak van de abt van Tongerlo aangenomen in een college in het Limburgs-Nederlandse Weert.

De benoeming tot bisschop van Namen van deze Vlaming, bovendien kloosterling, werd eerst met wantrouwen onthaald. Maar zijn rechtvaardigheidszin, die zowel de rechten van de Vlamingen als van zijn Waalse en gedeeltelijk Duitssprekende diocesanen in Luxemburg wilde eerbiedigen, maakte hem aanvaardbaar. Onmiddellijk na zijn benoeming tot bisschop kreeg hij te maken met de politieke agitatie rond het in 1901 ingediende wetsvoorstel-Edward Coremans voor een toepassing van de taalwet van 1883 (zonder mogelijkheid tot oprichting van Waalse afdelingen) in zowel vrij als officieel onderwijs. De jezuïeten, die de bisschoppen probeerden mee te krijgen in een gezamenlijke actie tegen het "ongrondwettelijke voorstel" vonden weinig gehoor bij Heylen. Mgr. est très attaché à sa langue maternelle et ne comprend pas qu'on s'élève contre l'emploi du flamand dans les classes luidde in januari 1904 het verslag dat over het gesprek aan de jezuïetenprovinciaal werd uitgebracht. De bisschop zag geen bezwaar in een tussenkomst van de staat en vond het voorstel niet ongrondwettelijk. In 1906 zou Heylen wel zijn handtekening zetten onder de Bisschoppelijke Onderrichtingen waarmee Désiré Mercier alsnog een wettelijke taalregeling voor het vrij onderwijs wilde voorkomen. Deze Onderrichtingen bevatten ook bepalingen voor een verbetering van het onderricht van het Nederlands in de colleges van zijn Waalse bisdom.

Bij het begin van de oorlog, met Kerstmis 1914, distantieerde vooral Heylen zich van het initiatief van Mercier tot de publicatie van de herderlijke brief Patriotisme et Endurance en verplichtte aldus de kardinaal deze brief als een persoonlijk schrijven en niet als een gemeenschappelijk herderlijk schrijven uit te geven. Heylen gaf de voorkeur aan het nastreven van een modus vivendi met de bezetter en vreesde dat Merciers oorlogsverklaring het kerkelijke leven kon schaden. Al kon hij niet verdacht worden van enige sympathie voor de bezetter en verdedigde hij, wanneer het nodig was, energiek de kerkelijke belangen, toch bleek hij bij de Duitsers goed aangeschreven te staan. In hun overigens vruchteloze pogingen om Mercier van de aartsbisschoppelijke zetel van Mechelen te verwijderen drongen zij, bij monde van gouverneur-generaal Oskar von der Lancken-Wakenitz, er in maart 1915 bij de paus op aan om de Waalse prelaat te vervangen door Heylen, een bisschop waarmee ze nog geen last hadden gehad en van wie men kon verwachten dat hij zich als beschermer van de Vlaamse zaak zou opstellen, zo luidde de argumentatie. Een jaar later gaf Heylen niettemin een belangrijke steun aan de positie van Mercier toen hij in Rome getuigenis kwam afleggen over de Duitse wreedheden waarvan de inwoners van zijn diocees het slachtoffer waren geweest. Heylen stond evenzeer afwijzend tegenover het Vlaamse als tegenover het Waalse activisme, en tegelijk tegenover de bestuurlijke scheiding, die de Waalse administratie naar zijn bisschopsstad overbracht. Toen de Romeinse Congregatie van Buitengewone Kerkelijke Aangelegenheden in 1917 een speciale commissie vormde om zich te buigen over het 'probleem Mercier' en de klachten te bestuderen die vanwege de Duitsers en activisten over deze prelaat werden geuit, werd het advies van de bisschop van Namen zeer ter harte genomen. Heylen raadde aan het verzoekschrift van de activisten onbeantwoord te laten omdat die niet konden worden beschouwd als vertegenwoordigers van het Vlaamse volk en bovendien enkel verdeeldheid zaaiden. Zoals ook zijn Luikse collega Martinus-Hubertus Rutten had gedaan stelde Heylen anderzijds dat de Vlaamsgezinde eisen volkomen rechtvaardig en legitiem waren en dat het episcopaat daaraan moest tegemoetkomen, zeker inzake de invoering van het Nederlands aan de Leuvense universiteit. De toekomst van België hing volgens de bisschop af van de oplossing van de Vlaamse kwestie. Maar die hervormingen moesten ingevoerd worden na de oorlog, omdat ze anders op het krediet van de bezetter zouden worden geschreven. Mede op basis van dit advies werd in januari 1918 uiteindelijk door de Romeinse commissie besloten niet tussen te komen in een politiek gevoelige zaak als de Vlaamse kwestie, waarover zelfs de bisschoppen het niet helemaal eens leken te zijn. Na de wapenstilstand deed Heylen een beroep op eensgezindheid en vergevingsgezindheid, zonder wrok of haat, zowel in een herderlijk schrijven aan zijn Waalse diocesanen op 15 november 1918, als in een preek in de Sint-Caroluskerk te Antwerpen. De Naamse bisschop was een van de vele katholieke Vlaamsgezinden die werden geviseerd in het in 1921 verschenen antiactivistische boek Flamenpolitik van Rudiger.

Een van de eerste problemen die zich na de oorlog aan het episcopaat stelden was de problematiek van de vernederlandsing van het hoger onderwijs. Op de bisschoppenconferentie van juli 1920 had Mercier het plan doorgedrukt om een Nederlandstalige universiteit op te richten in Antwerpen, maar dat strandde op de tegenstand van Vlaamsgezinden. De bisschoppen kwamen daarop tot het besluit om toch maar tot de splitsing van colleges in Leuven over te gaan. Heylen drong er in september 1920, overigens zonder succes, bij Mercier op aan om deze splitsing al onmiddellijk vanaf het komende academiejaar door te voeren en dit besluit onverwijld bekend te maken. Hij nam datzelfde jaar ook publiek stelling ten voordele van het door de Katholieke Vlaamsche Kamergroep naar voren geschoven minimumprogramma voor een volledige vernederlandsing van het openbare leven in Vlaanderen en riep de Walen op om de gelijkheid van de Vlamingen te erkennen en hun vrijheid te eerbiedigen om hun eigen weg te volgen.

De bisschop probeerde tegelijkertijd het groeiende radicalisme van de Vlaamse studerende jongeren in te dijken dat onder meer bleek uit hun roep om zelfbestuur op de landdag van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond te Mechelen in augustus 1920. Enkele dagen na die landdag sprak hij studerende jongeren, die in de abdij van Tongerlo deelnamen aan een eucharistische bijeenkomst, toe over de V.B. Ze mochten er volgens de bisschop van harte aan deelnemen maar dienden daarbij twee zaken niet uit het oog te verliezen: dat de godsdienstige belangen in de rangorde der waarden hoger stonden dan de Vlaamse en dat dus Vlaanderen zich niet tegen België mocht keren omdat anders Wallonië verloren zou gaan voor het katholicisme. Voor die toespraak kreeg Heylen evenwel een veeg uit de pan in het Leuvense studentenblad Ons Leven: dat stelde dat niet het Vlaams-nationalisme maar wel het Belgisch episcopaat, samen met regering en vrijmetselarij, de schuld had aan de tegenstelling die er gegroeid was tussen België en Vlaanderen. In 1925 zette Heylen mee zijn handtekening onder de gezamenlijke bisschoppelijke veroordeling van het Vlaams-nationalisme. Kort daarvoor had hij aan de Leuvense studentenaalmoezenier Flor Fierens verklaard dat er bij hem geen sprake was "van veroordeling 'in princiep' van het Vlaams-nationalisme" (wellicht bedoelde Heylen hiermee de V.B.), maar, "wat moet er van 't Walenland geworden in godsdienstig opzicht wanneer het van Vlaanderen gescheiden is?".

Tussen de beide wereldoorlogen werd zijn aandacht verder vooral in beslag genomen door zijn werk voor de Internationale Eucharistische Congressen.

Literatuur

M. Cordemans, Dr. August Laporta en De Student, 1959; 
A. Simon, 'Heylen (Thomas-Louis)', in BN, XXXII, 1964, kol. 295-298; 
N.J. Weyns, 'Heylen Thomas Ludovicus', in NBW, VI, 1974; 
R. Boudens, Kardinaal Mercier en de Vlaamse beweging, 1975; 
L. Vos, Bloei en ondergang van het AKVS, 2 dln., 1982; - - L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, II, 1985; 
R. Boudens, 'Een Vaticaanse visie op kardinaal Mercier', in WT, jg. 50, nr. 1 (1991), p. 28-44; 
id., 'Het Vaticaan en de Vlaamse beweging in de jaren 1919-1921', in WT, jg. 50, nr. 2 (1991), p. 102-116; 
J. de Volder, Benoît XV et la Belgique durant la grande guerre, 1996; 
L. Gevers, 'Voor God, Taal en Vaderland. Kerk en natievorming in België, 1830-1940', in BEG, nr. 3 (november 1997), p. 27-53.

Auteur(s)

Amandus Dumon; Lieve Gevers