Helleputte, Joris

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Gent 31 augustus 1852 – Leuven 22 februari 1925).

Groeide op in een middenstandsgezin in Gent, waar hij het atheneum liep. Al tijdens zijn schitterende ingenieursstudie in Gent (1868-1873) liet Helleputte zich kennen als een ultramontaan. Hij zette zich aan "het herstellen van de christelijke sociale orde", door het propageren op tal van katholieke congressen van het corporatisme. Hij trad op als organisator. In Leuven, waar hij als architect werkte voor de universiteit en kerkelijke instellingen, richtte hij met bazen en gasten uit allerlei bouwbedrijven een paternalistische Gilde van Ambachten en Neringen op. In 1890 was hij samen met zijn zwager Frans Schollaert de belangrijkste initiatiefnemer van de Belgische Boerenbond. In 1891 riep hij de Belgische Volksbond in het leven. In 1895 moest hij ontslag nemen als de voorzitter ervan, omdat hij de ouvriëristische evolutie niet kon volgen.

Over de oorsprong van Helleputtes flamingantisme zijn we onvoldoende ingelicht. Het kwam niet uit de traditie van een onafhankelijke volkspartij waarin Ferdinand A. Snellaert optrad, maar zoals dat van Guido Gezelle uit het ultramontanisme. De architect Helleputte propageerde de neogotiek als "onze nationale kunst", want: "Wij zijn Christenen en Vlamingen. Dat onze kunst christen en Vlaams zij."

Helleputte kreeg vanaf 1874 een leeropdracht aan de Leuvense universiteit. Als ondervoorzitter van het studentengenootschap Met Tijd en Vlijt sprak hij zich uit voor een volledige vernederlandsing van het middelbaar onderwijs. In 1889 was zijn reputatie als corporatist en sociaal werker, Vlaamsgezinde en antimilitarist groot genoeg om hem tot de enige volksvertegenwoordiger van Maaseik te doen verkiezen, tegen twee grondbezitters uit het arrondissement in.

In de Kamer nam hij onmiddellijk een flamingantisch profiel aan door tussenkomsten in debatten, aansporingen aan ministers, medeondertekening van amendementen. Op zijn initiatief werd in 1890 in de wet opgenomen dat in het Vlaamse land niemand kon worden benoemd tot een rechterlijk ambt, tenzij hij geslaagd was in een Nederlandstalig examen over strafrecht en strafvordering (gerecht). In 1895, na de invoering van het algemeen meervoudig mannenstemrecht, sprak hij niet alleen soms Nederlands, maar diende een Nederlandstalig wetsvoorstel in en eiste de behandeling daarvan. Daaruit groeide de Gelijkheidswet (1898), waarbij hij de tweetaligheid kon doen opnemen, niet alleen van het wetgevend werk in het parlement, maar ook van de Koninklijke en Ministeriële besluiten en de circulaires die in het Staatsblad verschenen.

In diezelfde jaren had Helleputte een belangrijk aandeel genomen in drie flamingantische initiatieven die samen met de oprichting van de Boerenbond en de Volksbond moesten bijdragen tot de corporatistische hervorming van de samenleving.

1/ Als erevoorzitter van het Katholiek Vlaamsch Studentenverbond dat geen voorzitter had, nam hij tegenover de geestelijkheid de verantwoordelijkheid op zich voor die scholierenorganisatie die hij in 1890 hielp oprichten. Hij verdedigde die in 1891 tevergeefs tegenover verbodsbepalingen van aartsbisschop Petrus L. Goossens.

2/ Tegelijk trad Helleputte gedurende het heel jaar 1891 op als de vlaggendrager van de Vlaamsche Katholieke Landsbond. Hij nam ten slotte toch ontslag uit de "middenraad" van de Landsbond, maar aanvaardde wel om zijn congres van 1893 voor te zitten en latere congressen als erevoorzitter te patroneren. Nadat er al een samenwerking bij het organiseren van meetings was overeengekomen tussen de Landsbond en de Volksbond, stelde Helleputte op het Landsbondscongres van augustus 1893 een gezamenlijk optreden voor van de Landsbond, de Boerenbond en de Volksbond om kandidaten te eisen op de katholieke partijlijsten. Hij en zijn medestanders zagen de flamingantische intellectuelen en kleine burgerij, die ze in de Landsbond organiseerden, als een stand die naast en met de boeren en de arbeiders de katholieke partij en zuil zouden vormen. Het Studentenverbond zagen zij als een soort jeugdafdeling daarvan. Maar al was de Landsbond wel happig, Helleputte kon zijn voorstel door de twee andere organisaties niet doen aanvaarden.

3/ In 1893 wilden West- en Oost-Vlaamse en Brusselse flaminganten, waaronder toekomstige daensisten, een Vlaams- en volksgezind dagblad lanceren in Brussel. Helleputte bemiddelde om het arbeidersdagblad Het Volk uit Gent erbij te betrekken en werd voorzitter van de samenwerkende vennootschap Het Christen Drukwezen die beide bladen zou uitgeven: Het Volk dat vanaf eind juli 1894 in Brussel en het burgersblad Het Vlaamsche Volk dat vanaf 14 augustus verscheen. Na Hector Plancquaert bracht Helleputte het hoogste bedrag aan kapitaal in. Verder was hij ook in nieuwe Franstalige Brusselse bladen geïnteresseerd: L'Union en iets later Le XXe Siècle. Maar al in de lente van 1895 leed de onderneming financieel scheepbreuk en werd Het Christen Drukwezen ontbonden. Het Vlaamsche Volk werd nog tot april 1898 in leven gehouden met financiële en andere medewerking van onder meer Helleputte, maar zonder dat hij er nog de leidende rol in speelde.

Het optreden van Helleputte in de jaren 1889-1895 is essentieel geweest voor de verbinding tussen de V.B. en de christen-democratie binnen de katholieke partij en zuil. Maar na 1895 kwam hij als flamingant minder op de voorgrond. Hij had ook als voorzitter van de Volksbond zijn ontslag moeten geven, maar nam de leiding van de Boerenbond. In 1898 aanvaardde hij het algemeen voorzitterschap van het Davidsfonds, waar hij geen zichtbare invloed uitoefende. In hetzelfde jaar trad hij toe tot de kring Eigen Leven.

Van 1901 tot 1910 sleepte het conflict aan tussen de katholieke flaminganten en het episcopaat-met-de-jezuïeten over een wetsvoorstel van Edward Coremans, dat de gedeeltelijke vernederlandsing van het officieel middelbaar onderwijs (wet van 1883) wilde uitbreiden tot alle instellingen in Vlaanderen die erkende diploma's afleverden. Zoals zijn zwager Schollaert, trachtte Helleputte als lid van de centrale Kamerafdeling door een alternatieve formulering het verzet te omzeilen, maar tevergeefs. Hij werd integendeel zwaar onder druk gezet door de Luikse bisschop Martinus-Hubertus Rutten die zijn herverkiezing in Tongeren-Maaseik zou kunnen bemoeilijken. In 1906 eiste de nieuw benoemde aartsbisschop Désiré Mercier dat de katholieke flaminganten zouden afzien van een wet en in hem vertrouwen stellen. Helleputte voorkwam dat Frans van Cauwelaert een artikel in die zin zou publiceren. In de schoot van Eigen Leven was Helleputte de hevigste bepleiter van het verzet.

Als minister van spoorwegen, posterijen, telegrafie en telefonie van 2 mei 1907 tot 5 augustus 1910 werd Helleputte onder druk gezet om de positie van de Vlamingen te verbeteren in zijn departement. Dat deed hij onder meer door het instellen van een Dienst van Toezicht over het naleven van de wetten en reglementen aangaande het gebruik van de 'Vlaamse' taal in de verschillende takken van het bestuur van het departement, die nog na de Eerste Wereldoorlog zou blijven functioneren. Sommige maatregelen van Helleputte lokten hevig wallingantisch verzet uit, zoals de invoering van een tweetalige spoorgids in plaats van twee eentalige, en de eis van tweetalige loketbeambten in de Brusselse agglomeratie. Van Helleputte als minister van landbouw en openbare werken (5 augustus 1910 – 17 juni 1911 en 11 november 1912 – 21 november 1918) zijn geen hervormingen op taalgebied bekend.

In de uitgeweken regering in Le Havre werd Helleputte de belangrijkste tegenspeler van zijn vroegere vriend Charles de Broqueville, die tegelijk regeringshoofd was en minister van oorlog. Via zijn secretaris Gustaaf Sap lichtte Helleputte de flamingantische pers voor om zich te verzetten tegen de opname van liberalen en socialisten in de regering, tegen een bondgenootschap met de geallieerden wat het opgeven van het Belgisch statuut van neutraliteit zou inhouden, tegen het ontslag van zittende ministers of het volledig uitschakelen van het parlement, tegen de propaganda voor het annexionisme.

Op 1 februari 1918 vergaderde de kroonraad om een antwoord te geven op de installatie van een Vlaamse regering door de Duitsers in het bezette land (naar gedacht werd) en op de flamingantische onrust in het leger. Helleputte vroeg tevergeefs onder andere de vorming van Vlaamse eenheden, om te beginnen een regiment met bevel in het Nederlands.

Na de oorlog erkende hij, zoals de andere oud-ministers Aloïs van de Vyvere en Prosper Poullet, het leiderschap van Van Cauwelaert in de V.B., maar binnen de Katholieke Vlaamsche Kamergroep remden ze meermaals het radicalisme van Van Cauwelaert af. Langs de andere kant kon Helleputte, nu hij geen minister meer was en hij de regering van nationale unie niet in het hart droeg, opnieuw openlijk optreden als flamingant in meetings en door amendering in de Kamer. In juni 1923 dacht de koning eraan om hem eventueel minister te maken om hem uit te spelen tegen Van Cauwelaerts eisen voor vernederlandsing van de Gentse universiteit en Nederlandstalige legereenheden.

Als leider van de Boerenbond heeft Helleputte nog een rol van belang gespeeld in de oprichting van de Katholieke Unie, de federatie van standsorganisaties in de katholieke partij. Hij nam van 22 mei 1924 als 71-jarige ontslag uit het parlement, en stierf negen maanden later.

Literatuur

'De 34 Open Brieven geschreven door Didaskalos aan M. Helleputte, Minister van Spoorwegen, Posterijen, Telegrafen en Telefonen', in De Standaard (9 mei-april 1909); 
M. Cordemans, Dr. August Laporta en "De Student", 1959; 
id., Dr. A. Van de Perre's Oorlogsjaren, 1963; 
L. Wils, De oorsprong van de kristen-demokratie. Het aandeel van de Vlaams-demokratische stroming, 1963; 
H. de Ceulaer, Het dagblad "Het Vlaamsche Volk" 1894-1898, 1970; 
L. Wils, Flamenpolitik en activisme, 1974; 
F. Verriest, Joris Helleputte en het corporatisme, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1975; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, I-II, 1977-1985; 
H. van Velthoven, De Vlaamse kwestie 1830-1914. Macht en onmacht van de Vlaamsgezinden, 1982; 
L. Gevers, Bewogen Jeugd. Ontstaan en ontwikkeling van de katholieke Vlaamse studentenbeweging (1830-1894), 1987; 
J.-M. Coenen, Het politieke leven van Joris Helleputte (1900-1914), KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1989; 
L. Wils, 'Vijftig jaar geleden overleed Kamiel Van Caeneghem: de grondlegger van een flamingantische volksbeweging', in WT, jg. 53, nr. 4 (1994), p. 249-253; 
J. de Maeyer en L. van Molle (red.), Joris Helleputte. Architect en politicus, 2 dln., 1998.

Verwijzingen

zie: bestuur, taalpolitiek en -wetgeving.

Auteur(s)

Lode Wils