Goris, baron Jan A.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

pseudoniem: Marnix Gijsen 20 oktober 1899 – Lubbeek 29 september 1984). Broer van René Goris.

Volgde de lagere school bij de broeders der christelijke scholen van het Sint-Henricusgesticht en de moderne humaniora (handelsafdeling) bij de jezuïeten in het Franstalige Sint-Ignatiusinstituut, waar hij in juli 1916 het consilium abeundi kreeg, naar zijn zeggen vanwege een brochure Studenten oordeelt. Dat dit louter aan flamingantische en activistische sympathieën of militantisme te wijten zou zijn geweest, kan een element van mythevorming a posteriori zijn. De in 1917 in Willem Gijssels' activistisch weekblad Vlaamsch Leven debuterende dichter stond, zonder een protagonist te zijn, wel onder invloed van het politiek-culturele klimaat van het activisme. Goris was op 16 september 1917 aanwezig bij de betoging tegen kardinaal Désiré Mercier en in 1918 werd hij medewerker en redactiesecretaris van Floris Couteeles gematigd activistisch weekblad De Eendracht, dat een unionistische, federalistische staatsinrichting voorstond.

Na de Eerste Wereldoorlog werkte Goris als secretaris van de katholieke volksvertegenwoordiger Alfons van de Perre mee aan de voorbereiding van de Interpellatie van de drie Van's en van de kapitaalverhoging van De Standaard. Hij trad bij gelegenheid op als verslaggever voor de krant en zorgde, als enige redacteur bij de jonge Standaard Boekhandel, voor verscheidene uitgaven, onder meer Willem Meybooms Laatslaapstertje. (Willem Meyboom was het pseudoniem van zijn jeugdvriend en aanvankelijke mentor, later bestrijder Floris Couteele). Tevens was Goris sporadisch medewerker aan de krant Ons Vaderland (1914-1922), het weekblad De Stormram – met onder meer het gedicht Aan Wies Moens – het weekblad Ons Volk Ontwaakt, het studentenblad Storm en aan August van Cauwelaerts weekblad Het Vlaamsche Land. Van mei 1920 tot 1924 was hij redactiesecretaris van laatstgenoemd blad. De jonge letterkundige – het pseudoniem Marnix Gijsen verenigt de naam van de antiklerikale Antwerpse burgemeester Marnix van Sint-Aldegonde en de familienaam van de moeder van de dichter – sloot aan bij Eugène de Bocks expressionistische tijdschrift Ruimte, waarin zijn gedichten Loflitanie van den H. Franciscus van Assisië – met aan het slot de beroemd geworden, veel geciteerde bede "Geef aan ons allen en geef aan mij, een vaderland om te beminnen" – en Tijdzang voor Herman van den Reeck verschenen, en werkte mee aan het tijdschrift Vlaamsche Arbeid. De beide tijdschriften wilden breken met de vooroorlogse burgerlijke en esthetiserende cultuur. In 1925 verscheen zijn toonaangevende dichtbundel Het huis.

Goris behaalde in deze periode aan de Leuvense universiteit het (wetenschappelijk) diploma van licentiaat en in 1925 de graad van doctor in de geschiedkundige en zedekundige wetenschappen met een proefschrift over de Portugese, Spaanse en Italiaanse handelskolonies te Antwerpen. Met reisbeurzen verbleef hij voor studie en archiefwerk in Fribourg (Zwitserland), Parijs, Londen en Den Haag en in 1926-1927 studeerde hij met een Educational Foundation-studiebeurs van de Commission for Relief in Belgium sociologie aan de universiteit van Seattle. Na zijn terugkeer in België werd hij in Leuven benoemd tot docent in de economische geschiedenis (1927-1932) en op 1 juli 1928 door de Antwerpse burgemeester Frans van Cauwelaert als kabinetschef aangeworven.

In die periode trok de Vlaams-nationalistische pers de Vlaamse integriteit van de auteur in twijfel. Dit gebeurde in een polemiek over de vaak verkeerd geïnterpreteerde slagzin "Wordt rijk", die ten onrechte aan hem werd toegeschreven. In werkelijkheid was die uitdrukking voor het eerst gebruikt door hoofdredacteur Marcel Cordemans in De Standaard van 15 mei 1927 in een discussie over de groeiende reactie tegen de overheersing van het Fransgezinde kapitaal in Vlaanderen. Cordemans, die niet signeerde, betoogde dat de Vlamingen onverdroten een tegenmacht moesten opbouwen. Gijsen zelf heeft zich enkele maanden later gemengd in een discussie over het 'arrivisme' dat, in het licht van die "Wordt rijk"-slagzin, door Vlaams-nationalisten aan sommige Vlaamsgezinden werd verweten. In het studentenblad Ons Leven van 14 december 1927 kantte hij zich tegen een negativistische houding en betoogde dat het de plicht was van de jongere Vlamingen zich sociaal en intellectueel op te werken om in de gemeenschap een zekere rang te verwerven en invloed uit te oefenen. Couteele, die Gijsen zijn samenwerking met Van Cauwelaert en de minimalisten kwalijk nam, maakte hem en zijn geestesgenoten tot mikpunt in zijn Dagboek van een arrivist, een tijdschriftenrubriek die in 1931 in boekvorm verscheen. Goris kristalliseerde een tijdlang in zijn persoon de tegenstelling tussen cultureel en politiek flamingantisme en distantieerde zich definitief van wat hij "de kleine kanten van het romantisch flamingantisme" noemde. Hij zou altijd een mikpunt blijven van Vlaams-nationalistische afwijzing en spot. Aan het Brusselse franskiljonse weekblad Pourquoi pas? antwoordde Goris in 1972 op de vraag Vous êtes flamingant?: Non. Je suis Flamand, c'est pis.

Na de Antwerpse coalitiewisseling op 1 januari 1933 werd Goris door burgemeester Camille Huysmans tot directeur van de dienst Schone Kunsten en Propaganda benoemd. In 1934 werd hij kabinetschef van minister van economische zaken Van Cauwelaert en hij bleef deze functie van 1935 tot 1938 ook onder minister Philip van Isacker uitoefenen. In die context werd Goris betrokken bij de organisatie van tentoonstellingen en jaarbeurzen in het buitenland, waar hij een duidelijker Vlaamse aanwezigheid kon bewerkstelligen dan tot dan toe gebruikelijk was. In 1939 werd hij als eerste Vlaming tot commissaris-generaal voor toerisme benoemd, een groot schandaal in de Franstalige pers.

Vanaf 1927 trad Goris tevens naar voren als vooraanstaand katholiek intellectueel: redactielid van Dietsche Warande en Belfort; literair criticus en kroniekschrijver in De Standaard – met onder meer de geduchte Kroniek der poëzie – in de tijdschriften voor lectuurvoorziening Boekengids, De Boekenkast en Contact, in de krant De Courant en het weekblad Elckerlyc; betrokken bij de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, bij initiatieven rond het boekwezen en bij het totstandkomen te Antwerpen van het Museum van de Vlaamsche Letterkunde. Zijn essay Ons volkskarakter. Een poging tot inzicht (1932) gaf aanleiding tot een polemiek. Gijsen betoogde hierin dat de studie van de goede en de ongunstige kenmerken van het Vlaamse volk een der meest dringende opgaven was voor wie wou bijdragen tot de groei van zijn cultuur. Het nuchtere maar met liefde geschreven essay gaf daartoe een aanzet. Een klemtoon legde Goris op het provinciaal karakter van Vlaanderen, gevolg van het feit dat de landsleiding en de buitenlandse vertegenwoordiging en politiek altijd in handen van Nederlands onkundigen en "Vlaams-vreemden" zijn geweest. "Wij hebben onze krachten niet kunnen meten aan die van de beste elementen uit de andere volkeren, wij lijden dan ook aan een gebrek aan levensbehendigheid, een tekort dat slechts moeizaam zal worden aangevuld."

Als adjunct-commissaris-generaal van het Belgisch paviljoen op de wereldtentoonstelling van New York (die plaatshad in 1939-1940) verbleef Goris bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Amerika. Hij zou er nog lang blijven. Hij leidde te New York het Belgian Information Center (1941-1945), oefende tot 1964 het ambt uit van commissaris voor de voorlichting in het Belgian Government Information Center, werd in 1961 benoemd tot gevolmachtigd minister en in 1964 tot ambassadeur. Ondertussen trad hij op als cultureel gezant avant la lettre voor België en Vlaanderen en als correspondent uit Amerika van het Nationaal Instituut voor Radio-omroep (NIR). Na zijn opdracht als commissaris-generaal van het Belgisch paviljoen op de wereldtentoonstelling van Montreal (1967) vestigde hij zich in 1968 in Brussel en verliet hij de diplomatieke dienst als ereambassadeur.

De oorlogsomstandigheden en zijn persoonlijke evolutie bewerkstelligden Goris' overgang tot het agnosticisme en het stoïcisme. De in het vrijzinnige Nieuw Vlaams Tijdschrift gepubliceerde roman Het boek van Joachim van Babylon (1947) vertolkte zijn breuk met de overgeleverde inzichten omtrent volk en godsdienst. De roman ontlokte veel literaire reacties en bracht een felle polemiek teweeg. Hij reveleerde een prozaschrijver van een intellectualistisch getint oeuvre van meestal ik-verhalen. Het zijn – met een melancholische ondertoon geschreven – ironisch-kritische belijdenissen en afrekeningen met het verleden en het thuisland, of diaspora-verhalen, waarin via spitse anekdotiek in een geromanceerde para-autobiografie naar een praktische moraal wordt gezocht voor het individu in zijn verhouding tot het andere geslacht, de maatschappij en een opperwezen.

'Weer thuis' werd Goris-Gijsen een openbare figuur in de Vlaamse culturele wereld. Hij deed zijn intrede in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (verkozen in 1953), was actief in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel en kreeg in zijn tijdschrift Kunst en Cultuur jarenlang een tribune voor controversiële kronieken. In 1970, 1976 en 1982 steunde hij Vlaamse socialistische lijsten bij de gemeenteraadsverkiezingen te Elsene. Zijn literair werk werd bekroond met de Grote Staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan (1974) en met de Prijs der Nederlandse Letteren (1974). In 1975 werd hem voor zijn verdiensten op literair vlak de titel van baron verleend.

Werken

Essays: Ons volkskarakter. Een poging tot inzicht, 1932; 
Belgium in Bondage, 1943; 
Du génie flamand, 1943; 
Strangers should not whisper, 1945; 
The growth of the Belgian nation, 1946; 
Scripta manent, 1965; 
Candid opinions on sundry subjects, 1965; 
Een stad van heren, 1971; Gebundelde kronieken: Weer thuis, 1972; 
Terug van weggeweest, 1975; 
Uit het Brussels getto, 1978; 
Het gordijn zakt, 1981; Autobiografische werken: met R. Goris, Grafzuil voor Agnes, 1979; 
De loopgraven van Fifth Avenue, 1980; Verzameld werk, 6 dln., 1977-1979.

Literatuur

R. Goris en J. Greshoff, Marnix Gijsen, 1955; 
J. Florquin, Ten huize van ..., I, 1962 en XII, 1976; 
J. Kerkhofs (e.a.), De Kerk in Vlaanderen, 1962; 
A. van Duinkerken, Verzamelde geschriften, II, 1964; 
G. Knuvelder, Spiegelbeeld, 1964; 
A. Truyman, 'Inleiding, biografische schets en bibliografie', in M. Gijsen, Biecht van een heiden, 1971, p. 7-17 en p. 45-63; 
A. Raman, Bibliografie van Marnix Gijsen, 1973; 
id. (e.a.), Marnix Gijsen, 1974; 
M. Galle (e.a.), Voor Marnix Gijsen, 1974; 
id., 'Voorwoord', in M. Gijsen, Verzameld werk, I, 1977, p. 5-57; 
W. Vandaele, Floris Couteele 1897-1932, 1983; 
W. Devos (e.a.), Marnix Gijsen 
Jan Albert Goris 1899-1984. Een postuum eresaluut, 1984; 
G. Durnez, De Standaard, het levensverhaal van een Vlaamse krant, I, 1985; 
H. Bekkering, 'Marnix Gijsen', in Kritisch literair lexicon, nr. 22 (augustus 1986); 
M. Rutten, 'Joannes Alphonsius Albertus Goris', in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde (1985-1986), p. 86-97; 
J.A. van Houtte, 'De dichter en de andere muze. Marnix Gijsen als historicus', in Dietsche Warande en Belfort, jg. 135, nr. 2 (april 1990), p. 170-179; 
F. Asma, 'Vlaamse strijd en mythevorming bij Marnix Gijsen', in WT, jg. 53, nr. 3 (september 1994), p. 137-147 (tevens opgenomen in F. Asma, Pen of penis bij Marnix Gijsen, 1996, p. 46-70).

Auteur(s)

Willy Devos