Goossenaerts, Jozef

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Wuustwezel 25 februari 1882 – Astene 6 december 1963).

Werd na de humaniora aan het Klein Seminarie van Hoogstraten (1894-1901) leraar aan een privé-school te Waregem en studeerde in 1903-1907 op aanraden van Willem de Vreese Germaanse filologie aan de Rijksuniversiteit te Gent; zijn dissertatie over de vaktaal van de landbouw werd door de Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde in 1909 bekroond. Hij was leraar aan verschillende Waalse athenea (Chimay, 1907-1908; Ath, 1908-1912), vooraleer hij ten slotte benoemd werd te Gent (1912) en zich in Sint-Amandsberg vestigde.

Reeds op het Klein Seminarie van Hoogstraten nam Goossenaerts deel aan de katholieke Vlaamse studentenbeweging (De Student). In 1897 was hij medestichter en daarna penningmeester van de Nieuwmoerse studentenbond Het Heidebloempje. In Gent werd hij lid en voorzitter van de katholieke Rodenbach's Vrienden en was hij sinds 1904 actief in de Studentencommissie voor de vervlaamsching der Gentse hoogeschool (Vlaamse hogeschoolcommissies). Hij stond in nauw contact met professor Julius Mac Leod en was in 1904 medeorganisator, in 1906 en 1907 voorzitter respectievelijk sectievoorzitter van het Vlaamsch Wetenschappelijk Studentencongres. In Ath organiseerde hij, samen met Staf de Clercq, Philip van Isacker en Adiel Debeuckelaere volksmeetings ten gunste van de taalgrensactie (Taalgrens Wakker!) en van de hogeschoolbeweging.

Goossenaerts, die reeds in 1910 op het eerste Vlaamsch Taal- en Geschiedkundig Congres een lezing had gehouden, was sinds 1911 secretaris van de vereniging Vlaamse Filologencongressen en van de Regelingscommissie van het congres. Op het Davidsfondscongres te Antwerpen in 1912 zette hij een praktisch en modern taalgrensprogramma uiteen. In 1913 was hij een van de belangrijkste leden van het Inrichtend Comité van het geplande Vlaamsche Wetenschappelijke Congres en een jaar later nam hij er het initiatief voor een Vlaamsch Kunstenaarsverbond voor artiesten van alle soort en alle gezindten.

Uitgeloot en lid van de Burgerwacht, weigerde Goossenaerts aan het begin van de Eerste Wereldoorlog zich bij het activisme aan te sluiten. In 1915 raakte hij betrokken bij een spionagezaak (Van Aerde) met een Belgisch-Franse en Engelse inlichtingsdienst. Hij werd door de Duitsers aangehouden (24 november 1915). Op voorspraak van activistische en Duitse kennissen (zoals August Borms, De Vreese en Franz Jostes) werd hij slechts tot tien jaar dwangarbeid veroordeeld. In het kamp te Göttingen (1916) gaf hij onder meer les aan krijgsgevangenen, organiseerde hij Vlaams theater en werkte hij mee aan het blad Onze Taal. In 1917 werd hij naar Kassel en Havelberg overgeplaatst. Hij ondertekende het manifest van de Hoogeschoolbond (1917).

In de herfst van 1918 keerde Goossenaerts naar Gent terug; als leraar moest hij gedwongen ontslag nemen. Een tijdlang werkte hij daarna in de Gentse apotheek Palfijn (1919-1920), als beheerder en secretaris van Het Vlaamsche Volkstooneel (1920-1923) dat mede door zijn toedoen was totstandgekomen, en als beheerder van de Medico-Pharmaceutische Centrale te Gent. Hij zou pas op 1 maart 1926 door minister Camille Huysmans opnieuw door het Gentse atheneum in dienst worden genomen. Hoewel het gerecht hem in 1919 buiten vervolging stelde, hadden deze gebeurtenissen een radicalisering van Goossenaerts' houding tot gevolg. In november 1918 hoopte hij op een staatsgreep van de terugkerende Vlaamse frontsoldaten.

Tijdens het interbellum ontpopte Goossenaerts zich als een anti-belgicistisch Vlaams-nationalist. Zijn huis werd een hoofdkwartier van Vlaams-nationalistische bedrijvigheid, waar de eerste naoorlogse samenkomst van de Frontraad werd gehouden en waar de redactie van de Fronterskrant Ons Vaderland een tijdlang gevestigd was. In november 1918 leerde hij de oud-frontofficier Frans Daels kennen, die het zich als onafhankelijk arts kon veroorloven reeds in 1919 een 18de Vlaamsch Natuur- en Geneeskundig Congres te organiseren te Antwerpen. Goossenaerts had een belangrijk aandeel in de oprichting van het Verbond der Vlaamse Oud- strijders (VOS) (1919). Hij verzorgde – samen met Germain Lefever vooral in Oost-Vlaanderen – de propaganda ervoor en organiseerde de VOS-straatmanifestaties.

In 1919 stichtte Goossenaerts zijn (derde) Veem ick wijck niet af. Hij organiseerde tevens de overgang van Ons Vaderland naar een nieuw tijdschrift Vlaanderen, dat het orgaan van dit Veem moest worden. Vlaanderen werd echter al snel door Robrecht de Smet en Josué de Decker overgenomen als het blad van het Verbond van Vlaamsche Nationalisten De Blauwvoet. Dit leidde tot conflicten met Goosenaerts die zich gepasseerd voelde.

Bij alle in het interbellum ondernomen pogingen om de Vlaams- nationale krachten te bundelen ontmoet men Goossenaerts' naam. Hij lag via de organisatie van verscheidene Vlaams- nationalistische initiatieven aan de basis van de uitbouw van een Vlaams-nationalistisch verenigingsleven. Op die manier oefende Goossenaerts een veel grotere politieke invloed uit dan men aan de hand van zijn actieve politieke engagementen zou kunnen afleiden.

Op 7 september 1919 was hij medestichter en drie jaar lang beheerder van de samenwerkende vennootschap Ulenspieghel (later Elckerlijc genoemd), een Vlaams Huis te Gent dat fungeerde als lokaal van de Frontpartij. De tweede IJzerbedevaart (Steenstrate, 1921), waarvan hij een van de belangrijkste organisatoren was, werd zo een succes dat beslist werd ze jaarlijks in te richten. In 1924 richtte hij samen met Daels in het arrondissement Gent de Katholieke Christelijke Volkspartij voor Vlaanderen op om de 'vrijzinnige' Fronter Boudewijn Maes te bestrijden. Bij de parlementsverkiezingen van 1925 behaalde deze partij 3,4% (Gent-Eeklo).

Het tweespan Daels-Goossenaerts (die de teksten van zijn compagnon nakeek, corrigeerde en gedeeltelijk ook schreef) zou de gangmaker worden van een brede actie voor de vernederlandsing van het hoger onderwijs en van de wetenschapsbeoefening in Vlaanderen.

Goossenaerts, die in 1920 zelf een derde Filologencongres te Gent had ingericht, was in 1925 algemeen secretaris van de 5de Wetenschappelijke Congressen, die hij door de opneming van steeds nieuwe congressen en verenigingen wist te doen uitgroeien tot grote Vlaamse wetenschappelijke manifestaties, die als "onze Vlaamse universiteit in actie" de rol vervulden van de nog ontbrekende instellingen. Ook bij de daarna georganiseerde congressen bleef Goossenaerts steeds fungeren als algemeen secretaris. Tegelijk was hij de raadgever op de achtergrond van de Gentse studenten in hun strijd voor de vernederlandsing van de universiteit en bij de boycot van de Nolf-barak, onder andere ook als beheerder van het studentenhuis, met name na 1935 van Huize Mac Leod. Op zijn initiatief werd op 20 oktober 1929 een tweede Commissie voor Hooger Onderwijs in Vlaanderen opgericht. De onder Goossenaerts' impuls in 1935 opgerichte Vereniging voor Wetenschap (voorzitter Daels; Goossenaerts als afgevaardigd beheerder) moest niet alleen de door Vlamingen beoefende wetenschap bevorderen en bekendmaken, maar had ook als onuitgesproken doel de oprichting van zelfstandige Nederlandstalige academies voor te bereiden en te bevorderen. Van het orgaan van deze vereniging, Wetenschap in Vlaanderen (1935-1939) (sedert 194O Wetenschappelijke Tijdingen), was Goossenaerts de redacteur die erin slaagde ontelbare bijdragen en wetenschappelijke actuele informatie te verzamelen. Al deze acties culmineerden in de vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit (1930) en later in de oprichting van zelfstandige Nederlandstalige academies (1938).

Naast de hierboven vermelde activiteiten was Goossenaerts in het interbellum ook nog betrokken bij de stichting en werking van Het Vlaamsche Volkstooneel, van het Vlaams Economisch Verbond, van de Vlaamse Ingenieursvereniging, de Kristen-Vlaamsche Taalgrensaktie, Het Vlaamse Kruis, Vlaamsche Kinderzegen en de Nederlandstalige Landbouwhogeschool en de Veeartsenijschool te Gent.

In augustus 1940 ondertekende Goossenaerts de Groot-Nederlandse motie, verspreid door Jef van de Wiele. In die 'wondere zomer' oefende hij ook druk uit op het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) om Daels te doen aanvaarden als algemeen leider van de Volksbeweging. Hij zelf stond tijdens de bezetting aan het hoofd van Volk en Wetenschap (1943), een vereniging die een van de vier peilers vormde van de overkoepelende interprovinciale cultuurdienst (juni 1942). Zijn Vereniging voor Wetenschap sloot zich onder zijn leiding ook bij deze cultuurdienst aan. Op die manier werkte Goossenaerts actief mee aan de poging van het VNV het culturele leven te monopoliseren. Ook in de Commissie Onderwijs van de dienst Vorming en Stijl van het VNV (1941) werd hij (naast onder meer Herman de Vleeschauwer, Jozef van Overstraeten en F. Uytterhoeven) als lid vernoemd. Goossenaerts trachtte ook nog wetenschappelijke congressen te organiseren, maar wegens gebrek aan medewerking mislukte dit initiatief.

In september 1944 werd Goossenaerts aangehouden en tot 7 december 1944 in Lokeren geïnterneerd. Intussen tot ridder in de Leopoldsorde benoemd, werd hij in 1947 buiten vervolging gesteld.

Na de Tweede Wereldoorlog bleef Goossenaerts actief. Voor de door de repressie gestrafte Vlamingen richtte hij in 1950 de vereniging Sint-Pietersbanden op; hij speelde ook een belangrijke rol bij het totstandkomen van het Comité voor Recht en Naastenliefde (1950-1958). In 1950 beleefde hij nog eens de vreugde te Gent een Algemeen-Nederlands Congres te organiseren. De atmosfeer was echter aanzienlijk gewijzigd. De Congressen waren uiteengevallen in zelfstandige eenheden, die contact met Goossenaerts vermeden. Ze hadden niet meer dezelfde uitstraling van vroeger. Goossenaerts, die tot 1945 als lid van het IJzerbedevaartcomité had deelgenomen aan de IJzerbedevaarten, werd vanaf 1948 tot aan zijn dood weliswaar opnieuw lid van het comité, maar nam niet meer deel aan de naoorlogse IJzerbedevaarten uit protest tegen de Belgische vlag die er hing. In 1968 werd 'naar een idee van Goossenaerts' de Marnixring gesticht. Hij werkte mee aan de huldiging van verdienstelijke Vlamingen en had nu meer tijd voor de wetenschap. Uit liefde voor de moedertaal schreef hij de pamflet-brochure Ons Nederlands du jargon vaseux? (1952). Hij herwerkte zijn bekroonde dissertatie van 1907 tot het monumentale woordenboek De taal van en om het landbouwbedrijf in het Noordwesten van de Kempen (1956- 1958), dat hem een ereplaats bezorgt onder de dialectologen en volkskundigen. Promotor van de heemkunde – na de stichting van het Verbond voor Heemkunde (1941) werd hij consulent van deze vereniging en later zelfs voorzitter – die ook zijn interesse en ijver voor de Reinaertstudie wekte, spande hij zich met geestdrift in voor de oprichting van het Centrum voor de Studie van land en volk in de Kempen.

Literatuur

A. de Bruyne, 'Dr. J. Goossenaerts 1882- 1963', in Dietsland Europa, jg. 14, nr. 1 (1969), p. 3- 8; 
W. Pee, 'Jozef Goossenaerts. Levensbericht', in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1970-1971 (1972), p. 54-64; 
F. Sillis, Bibliografie van Dr. Jozef Goossenaerts 1882- 1963, 1973; 
M. Hanot (red.), Dr. J. Goossenaerts 1882-1963. Getuigenissen en studies, 1973; 
G. de Smet, 'Jozef Goossenaerts', in Twintig Eeuwen Vlaanderen, XIV, 1976, p. 161-164; 
Dr. Jozef Goossenaerts 1882-1963. Een album samengesteld ter gelegenheid van de herdenkingstentoonstelling in het AMVC te Antwerpen van 6 maart tot 18 april 1982, 1982; 
G. de Smet, 'Dr. Jozef Goossenaerts', in WT, jg. 41, nr. 4 (1982), kol. 185-192; 
F. Peeters, 'Jef Goossenaerts en het Vlaamse Volkstoneel', in WT, jg. 41, nr. 1 (1982), kol. 28-37; 
J. de Brouwer, 'Dr. Jozef Goossenaerts en het Comité voor Recht en Naastenliefde', in WT, jg. 41, nr. 3 (1982), kol. 188-192; 
L. Baert, 'Dr. Jef Goossenaerts (1882-1963)', in Jaarboek van de Heemkundige Kring De Oost-Oudburg (1983); 
G. de Smet, 'Goossenaerts, Jozef', in NBW, XII, 1987; 
Tentoonstelling "Het leven en het werk van Dr. Jef Goossenaerts". Kataloog, 1989; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994.

Auteur(s)

Gilbert A.R. de Smet