Gevaert, Lieven

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Antwerpen 28 mei 1868 – Den Haag 2 februari 1935).

Was drie jaar toen zijn vader overleed en zijn moeder Maria Bruynseels nam de leiding van het kleine werkhuis op zich. Zij werd hierbij geholpen door familieleden die getuigden van ondernemingszin, sociale bewogenheid (leidende figuren in de christelijke arbeidersbeweging) en politiek engagement (leden van de Nederduitsche Bond, gekozenen van de Meetingpartij). Na de lagere school volgde Gevaert drie jaar middelbaar onderwijs: één jaar aan het Klein Seminarie van Hoogstraten (1879-1880) en twee jaar aan het Scheppersinstituut te Mechelen (1880-1882). Daarop ging hij meehelpen in het bedrijf van zijn moeder. In 1883 openden zij een fotoatelier, maar de zaak moest opgegeven worden. Gevaert besefte dat zijn opleiding onvoldoende was, studeerde op eigen houtje Frans, Duits en Engels, wat hem toeliet de literatuur in verband met fotografische procédés te raadplegen. In 1889 richtte hij met zijn moeder een fotostudio op. Spoedig begon hij een fotopapier van eigen makelij te produceren dat een groot cliënteel aantrok door de gelijkmatigheid van de kwaliteit. Het werd het begin van het fotobedrijf dat, ingevolge de steeds aangroeiende stroom bestellingen uit binnen- en buitenland herhaaldelijk moest verhuizen tot het zich in 1905 definitief in de Septestraat te Mortsel vestigde. Intussen was op 21 juni 1894 Lieven Gevaert & Co. gesticht: het kapitaal werd bezorgd door geldschieters uit het milieu van de Meetingpartij. In 1920 werd de firma omgevormd tot naamloze vennootschap Gevaert Photo-Producten.

Tijdens zijn jongelingsjaren was Gevaert actief lid van de Nederduitsche Bond en De Vlaamsche Wacht, twee organisaties die boven de partijpolitiek stonden en ijverden voor de verdediging van de Vlaamse eisen onder meer met betrekking tot de Gelijkheidswet (1898). Hij leerde er de daensistische voormannen kennen naast Frans van Cauwelaert, Alfons van de Perre en de tenoren van de Meetingpartij. Inspiratiebronnen bij zijn streven waren de encycliek Rerum Novarum (1891) en het gedachtegoed van Lodewijk de Raet.

Gevaert werd erevoorzitter en geldschieter van de Vlaamsche Kring die te Mortsel in 1909 door twee van zijn medewerkers werd opgericht. De kring deed aan socio-cultureel ontwikkelingswerk en stond principieel boven alle partijpolitiek, wat levenslang de grote bekommernis van Gevaert zou blijven. De kring bood hem een forum om in het openbaar voor de Vlaamse rechten op te komen: de vernederlandsing van de Gentse universiteit, de splitsing van het leger in Vlaamse en Waalse regimenten, de vernederlandsing van het openbaar leven, het uitbouwen op alle niveaus van een degelijk Nederlandstalig onderwijs.

Vooral voor dat laatste heeft Gevaert zich onafgebroken ingespannen. Hij behoorde tot de 134 katholieke Vlamingen die in juni 1909 het vertoogschrift, opgesteld door Van de Perre, ondertekenden waarin het bisschoppelijk onderwijsbeleid (Instructions, 1906) werd afgewezen. Hij was het die samen met Van de Perre en Van Cauwelaert, de Oudersbond oprichtte (september 1910). Met de hulp van Maria Belpaire kon zo in oktober 1911 de eerste Sint- Lutgardisschool van start gaan. In september 1920 richtte Gevaert Lutgardia op met als doel "alles wat de bloei der scholen kon bevorderen". Hij werd voorzitter, stelde ruime financiële middelen ter beschikking die leidden tot de stichting van de Sint-Lutgardisschool aan de Maarschalk Gerardsstraat (november 1928) en van het Sint-Lievenscollege aan de Kasteelpleinstraat (september 1930) te Antwerpen. Laatstgenoemde school werd genoemd naar de patroonheilige van Gevaert, voorzitter van de Katholieke Vlaamsche Schoolbond Sint-Lieven. Gevaert schreef in 1927 dat "de atmosfeer der heel inrichting moet Vlaamsch zijn en sympathiek staan tegenover de katholieke Vlaamsche beweging zonder onderscheid te willen maken in de verschillende schakeeringen, natuurlijk buiten alle politiek om". Met grote hardnekkigheid en persoonlijke inzet heeft Gevaert hierbij de vele moeilijkheden, vooral van bisschoppelijke zijde, helpen overwinnen.

In juni 1928 werd de vereniging zonder winstoogmerk Katholiek Vlaamsch Onderwijs opgericht met een verruimd doel: "Het stichten en steunen over het hele land van onderwijsgestichten met zuiver katholiek Vlaamsche strekking". Contacten werden gelegd in een dozijn Vlaamse steden. Door de wet van 14 juli 1932 over het taalgebruik in het lager en middelbaar onderwijs op basis van het principe 'streektaal is onderwijstaal' was het probleem de facto opgelost. Ook op het vlak van het hoger onderwijs, met name dat van de Leuvense universiteit, engageerde Gevaert zich. In 1911 had de Leuvense universiteit besloten Vlaamse leergangen te organiseren, maar in 1923-1924 had men op de honderden gedoceerde cursussen slechts 60 Vlaamse leergangen. Rector Paulin Ladeuze verklaarde dat financies ontbraken om meer te doen. Hiertoe richtte Pieter-Jozef Sencie de Vlaamse Leergangen te Leuven op en vroeg Gevaert om financiële hulp; die aarzelde. Het waren de jaren van de grote Vlaamse studentenrevolte tegen de Franstalige leiding van de universiteit. Uiteindelijk verbond Gevaert zich tot een jaarlijkse bijdrage en liet duidelijk blijken dat de moeilijkheden met de Vlaamse studenten ook voor een gedeelte aan de halsstarrige houding van de academische overheid te wijten waren.

Bijzonder opvallend was Gevaerts Vlaamsgezinde optreden in het bedrijfsleven. Toen Leo Meert in augustus 1906 op het 29ste Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres opriep om – aansluitend bij het economisch programma van De Raet – een "machtig Handelsverbond" op te richten, was Gevaert onmiddellijk tot medewerking bereid. Het Vlaamsch Handelsverbond zette zich in voor de vernederlandsing van het bedrijfsleven. In zijn eigen bedrijf had Gevaert reeds op 7 juni 1907 formele onderrichtingen gegeven om het Nederlands te gebruiken in drukwerken, briefwisseling, boekhouding en de betrekkingen met de overheid.

Zodra de Vlamingen zich na de oorlog gereorganiseerd hadden wenste men de werking van het Handelsverbond te hervatten. Het tweede Vlaamsch Economisch Congres (Vlaamsche Wetenschappelijke Congressen) bekrachtigde in augustus 1924 dit voornemen. Jozef Goossenaerts en Frans Daels gingen Gevaert het voorzitterschap aanbieden. Te zijnen huize werd de basis voor het nieuw verbond gelegd. Op 11 april 1926 werd het Vlaams Economisch Verbond (VEV) te Gent opgericht. Tijdens de startperiode kon het verbond op ruime financiële ondersteuning, zowel van voorzitter Gevaert zelf als van zijn bedrijf rekenen. Gevaert waakte erover dat de verschillende geledingen van de V.B. bij het bestuur van het VEV betrokken werden en dat het verbond buiten en boven alle politiek zou staan. Ook hier gaf hij een reeks persoonlijke impulsen. Het VEV mocht geen Antwerpse aangelegenheid worden: na 4 jaar waren reeds 16 gewestelijke afdelingen opgericht. Hij pleitte voor een Vlaams Financieel Verbond en de oprichting van een Vlaamse Bank. Bijzonder veel aandacht werd besteed aan de problemen rond het Limburgs kolenbekken. Er moest over gewaakt worden dat de industrialisering niet zou leiden tot verfransing van de Limburgse arbeiders en de minorisering van Vlaamse kaderleden. Daarom moest vooral in Limburg gezorgd worden voor goed Nederlandstalig onderwijs.

Na 1918 heeft Gevaert zich, op een enkele uitzondering na, nooit meer in het openbaar uitgesproken over in se politieke vraagstukken. Hij wou alles vermijden om de tegenstellingen tussen de minimalisten rond Van Cauwelaert en de Fronters of Vlaams-nationalisten (maximalisten) te verscherpen door zelf partij te kiezen. Wel was hij betrokken bij de realisatie van de vooroorlogse plannen tot het oprichten van een krant op niveau die de stellingen van de katholieke Vlamingen zou verdedigen. Hij drong erop aan dat de leiding niet alleen zou toevertrouwd worden aan politici maar ook aan iemand, die wist wat zaken doen was. Nadat het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de plannen opgeschort had, verscheen op 4 december 1918 De Standaard.

Na de oorlog werd Gevaert geconfronteerd met de naweeën van het activisme en met de actie voor amnestie. Hij was zeker niet voor het activisme gewonnen. Dit belette niet dat hij bereid was de nood te lenigen van diegenen die naar zijn mening te goeder trouw en uit idealisme de zijde van de activisten gekozen hadden. Markant is wel het geval Lodewijk Dosfel. Toen na veroordeling en verblijf in de gevangenis het gezin Dosfel in grote nood verkeerde, was hij onmiddellijk bereid aan het Steunfonds substantieel bij te dragen.

Nog na de oorlog richtte Daels zich tot hem toen de plannen voor het bouwen van de IJzertoren vaste vorm aannamen, maar niet alleen voor financiële hulp. Daels vroeg ook of hij er niet kon voor zorgen dat Van Cauwelaert op de eerste inschrijvingslijst zou intekenen als bewijs dat de initiatiefnemers op de steun van Vlamingen van alle gezindheden rekenden. Gevaert én Van Cauwelaert tekenden in.

Literatuur

Lieven Gevaert. De mens en zijn werk, 1957; 
Th. Luykx, Bijdrage tot de geschiedenis van de economische bewustwording in Vlaanderen. Veertig jaar Vlaams Economisch Verbond 1926-1966 (met medewerking van M. Lamberty en F. Wildiers), 1967; 
W. Robijns, 'Lieven Gevaert, industrieel en sociaal weldoener', in NBW, IX, 1981; 
L. Roosens en K. van Deuren, Lieven Gevaert 1868- 1935, 1985; 
W. Janssens, Lieven Gevaert. Momenten uit zijn leven, 1994.

Verwijzingen

zie: bedrijfsleven.

Auteur(s)

Willem Janssens; Laurent Roosens