Gerstenhauer, Max R.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Barchfeld 30 september 1873 – Weimar 18 augustus 1940).

Studeerde rechten en was vanaf 1903 regeringsambtenaar in het hertogdom Saksen-Meiningen, na de Eerste Wereldoorlog in de deelstaat Thüringen. Deze felle antisemiet werd reeds als student lid van het Alldeutscher Verband. In 1897-1898 publiceerde Gerstenhauer in het verbondsblad Alldeutsche Blätter een reeks opstellen over de 'Nederduitse kwestie' waarin hij de in het verbond gangbare stelling onderstreepte dat Vlamingen en Nederlanders 'Nederduitsers' waren. Van meet af aan gaf hij ook blijk van belangstelling voor de Boeren – volgens hem eveneens 'Nederduitsers' – en bepleitte hij een Duitse kolonisatie van zuidelijk Afrika.

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog richtte Gerstenhauer zich in september 1914 tot rijkskanselier Theobald von Bethmann-Hollweg met voorstellen voor een te voeren Flamenpolitik. Begin 1915 werd hij medewerker van het bezettingsbestuur in België, eerst als perscensor in Antwerpen, later als referent in de Politische Abteilung. Hij was er de enige uitgesproken sympathisant van Jong-Vlaanderen. In de zomer van 1915 mengde Gerstenhauer zich, met een artikel in Duitse kranten en met een brief aan Het Vlaamsche Nieuws, in een debat in de activistische pers over de vraag of de bezetters het al dan niet op de verduitsing van Vlaanderen gemunt hadden en ontkende met klem dergelijke bedoelingen. Van oktober tot eind 1918 organiseerde Gerstenhauer de opvang van activistische ballingen in Duitsland. Van mei 1919 tot augustus 1922 was hij voorzitter van een particulier, maar door de overheid bekostigd hulpcomité voor de vluchtelingen.

Na de oorlog werd Gerstenhauer eerst lid van de uiterst rechtse Duits-Nationale Volkspartij en al eind de jaren 1920 nationaal-socialist. In 1922 werd hij uit overheidsdienst geschorst op verdenking van betrokkenheid bij de moord op minister van buitenlandse zaken Walter Rathenau. Vanaf 1924 werkte hij weer op het ministerie van binnenlandse zaken van Thüringen. Hij bleef ook in de tussenoorlogse periode begaan met de Nederlanden en Zuid-Afrika.

Werken

'Gedanken über die Entwicklung des Alldeutschen Verbandes', in Alldeutsche Blätter, jg. 8 (1898), p. 133-135 en p. 138-140; 
'Der Alldeutsche Verband und die niederdeutsche Schriftsprache', in Alldeutsche Blätter, jg. 14 (1904), p. 414-415; 
'Die nordwestdeutsche Frage', in Deutsche Zeitschrift, jg. 2, nr. 7 (1900), p. 379-386; 
'Deutschlands Vlamenpolitik', in Akademische Turnzeitung, jg. 33 (1916), p. 104-106; 
'Deutsche Kulturpolitik', in Norddeutsche Monatshefte, jg. 3 (1916), p. 401-405; 
'Deutsch-vlämische Beziehungen', in Akademische Turnzeitung, jg. 34 (1917); p. 21-22; 
Die deutsche Vlamenpolitik. Sprachenpolitik und Sprachenverhältnisse in Flandern, 1918; 
Die germanischen Westmarken und ihre Bedeutung für die germanische Völkerfamilie, 1932; 
Der völkische Gedanke in Vergangenheit und Zukunft, 1933; 
'Die völkische Bewegung der Vlamen und Holländer', in Die Sonne, nr. 12 (1935).

Literatuur

B. de Corte, Het tijdschrift Germania in het kader van de Vlaams-Duitse betrekkingen, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1982; 
W. Dolderer, Deutscher Imperialismus und belgischer Nationalitätenkonflikt (Kasseler Forschungen zur Zeitgeschichte, nr. 7, 1989).

Auteur(s)

Winfried Dolderer