Gerlo, Aloïs

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Middelburg 29 januari 1915).

Bracht zijn jeugd door te Baasrode, waar zijn liberale vader huisschilder-glazenmaker was. Na lager middelbaar onderwijs in de Grieks-Latijnse afdeling van de Rijksmiddelbare School te Dendermonde (1926-1929) en hoger middelbaar onderwijs aan het Koninklijk Atheneum te Gent (1929-1932) studeerde Gerlo klassieke talen aan de Rijksuniversiteit Gent (RUG), waar hij in 1936 het diploma van licentiaat in de klassieke filologie behaalde en in maart 1938 tot doctor in de letteren en wijsbegeerte promoveerde. Van september 1937 tot september 1941 was hij studiemeester aan het atheneum te Vilvoorde, met een onderbreking van april 1938 tot mei 1939, toen hij met een reisbeurs te Parijs verbleef. Van september 1941 tot oktober 1956 was hij leraar aan het atheneum te Etterbeek. Sedert 1 oktober 1947 had hij een deeltijdse leeropdracht aan de Université Libre de Bruxelles (later de Vrije Universiteit Brussel-VUB), waar hij op 1 oktober 1956 voltijds docent werd. Hij was ook deeltijds docent aan de Rijkshandelshogeschool te Antwerpen en aan de RUG, waar hij in 1980 doctor honoris causa werd. Zijn wetenschappelijk werk, dat hij ondanks zijn druk publiek leven nooit heeft verwaarloosd, is vooral gewijd aan het humanisme in de Nederlanden in de 16de-17de eeuw en aan de neolatijnse letterkunde. Daarnaast was hij als docent en als vorser bedrijvig op het gebied van de opvoedkunde en het onderwijs.

Na aanvankelijk lid te zijn geweest van de Belgische Werkliedenpartij (BWP), werd hij in juni 1940, bij het begin van de Duitse bezetting en uit verontwaardiging over de ontbinding van de BWP door Hendrik de Man, lid van de Kommunistische Partij (KP). Nog vóór de Duitse inval in de Sovjet-Unie stichtte hij in mei 1941 een afdeling van het Onafhankelijkheidsfront (OF) te Vilvoorde en was hij redacteur van het sluikblad Vrijheid. Nadat hij in februari 1944 was ondergedoken, werd hij in mei 1944 nationaal adjunct-secretaris van het OF en op 4 september 1944 nationaal secretaris voor Vlaanderen. Hij was er belast met het toezicht op de sluikbladen van het OF, onder meer Front, waarvan hij naderhand hoofdredacteur werd. Van december 1945 tot februari 1946 was hij hoofdredacteur van het dagblad De Rode Vaan. Van 27 september 1944 tot diens ontslag op 16 november 1944 was hij kabinetschef van Fernand Demany, 'minister van het Verzet' en algemeen secretaris van het OF. Op 18 februari 1945 verkoos het nationaal congres van het OF hem tot nationaal secretaris. Zijn journalistieke bedrijvigheid, waarvan hij later de 'woordexcessen' betreurde, had onder meer betrekking op de vervolgingen tegen de collaborateurs (repressie) en op de Koningskwestie.

Gerlo was van 1948 tot 1954 actief in de door de communisten geïnspireerde Vredesbeweging en ondernam van april tot juni 1956 een reis naar China en Moskou. Toen de revelaties van Nikita Chroestjov op het 20ste partijcongres over de wandaden van Jozef Stalin (februari 1956) hem bekend werden, nam hij in oktober 1956, toen de Sovjet-Unie bovendien de Hongaarse opstand onderdrukte, ontslag uit de KP, waarvan hij lid van het Centraal Comité was geweest. Hij stapte onmiddellijk over naar de Belgische Socialistische Partij (BSP).

Reeds in zijn communistische periode nam Gerlo actief deel aan de V.B.: hij hield in 1947 als eerste een pleidooi voor federalisme en beklemtoonde op het Algemeen Vlaams Congres van december 1949 de sociaal-economische aspecten van de V.B. In 1964 stichtte hij met onder anderen Pieter de Somer en Frans van Mechelen de Vereniging van Vlaamse Professoren, waarvan hij secretaris en voorzitter (1967) werd. In november 1966 volgde hij Achilles Mussche op als algemeen voorzitter van het August Vermeylenfonds. In die hoedanigheid was hij medeoprichter van het Vlaams Onderwijscentrum Brussel (1967) en in 1972-1973 en 1976-1977 voorzitter van het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV). In laatstgenoemde functie schreef hij in juli 1972 een Vlaams manifest inzake Brussel, dat door meer dan honderd prominenten werd ondertekend. Hij had een groot aandeel in de 5 November-betoging van 1967 te Antwerpen (Nationaal Komitee 5 November), waarvan hij de doelstellingen uitbreidde met de eis voor een zelfstandige VUB. Zijn belangrijkste bijdrage aan de V.B. ligt overigens op dit laatste terrein. Nadat de raad van bestuur van de ULB-VUB op 20 juni 1968 het beginsel van twee autonome structuren had aanvaard (het zogenaamde 'plan-Homès') en Gerlo het Vlaamse personeel ertoe had kunnen brengen zich uit te spreken voor twee volstrekt autonome universiteiten in plaats van één tweeledige universiteit, werd Gerlo ondervoorzitter van een tijdelijke Nederlandse raad van beheer in de schoot van een overgangsraad ULB-VUB (26 maart 1969) en ten slotte, op 2 juli 1969, de eerste rector van een volkomen zelfstandige VUB. In die functie werd hij opnieuw verkozen in juli 1970 en nogmaals in juli 1972. Hij bleef rector tot 30 september 1974.

Ter gelegenheid van het tienjarige bestaan van het OVV in 1976 ontwierp hij als voorzitter een tekst over het probleem Brussel, die door acht van de bekendste Vlaamse schrijvers werd ondertekend en als Oproep van de Acht bekend bleef. Hij mocht het beleven dat de Staten-Generaal van het OVV zich op 6 november 1976 unaniem uitspraken voor het tweeledig federalisme waarvoor hij steeds had geijverd. De politieke verwezenlijking hiervan meende hij te zien in het Egmontpact, waarvan hij, na een nachtelijk gesprek op 26 mei 1977 tussen de leden van het presidium van het OVV en de verantwoordelijke politici (Wilfried Martens, Willy Claes, Hugo Schiltz), binnen het OVV de enige voorstander bleek te zijn. Als voorzitter van het OVV nam hij dan ook op 18 juli 1977 ontslag, nadat de overige presidiumleden buiten hem om een Anti-Egmontkomitee hadden opgericht. In de gunstige houding van de socialistische partij tegenover het Egmontpact zag hij een historische toenadering van deze partij tot de standpunten van het OVV en de verwezenlijking van het programma van de Halle-betoging (24 november 1974) – een initiatief van het OVV met de bedoeling de eisen voor de 'beveiliging' van Vlaams-Brabant kracht bij te zetten – waarvoor hij zich zeer had ingezet. De staatkundige visie van het Egmontpact leek hem belangrijker dan enkele psychologisch gevoelige en voor de Vlamingen minder gunstige taalaspecten. Het was voor Gerlo een persoonlijk drama dat zijn medestrijders uit het OVV hem lieten vallen. Daardoor was zijn rol in de V.B. praktisch uitgespeeld. De toekenning van de Joost van den Vondelprijs te Münster op 29 november 1977 was maar een magere troost. Gerlo geraakte nog meer geïsoleerd toen hij op 12 december 1979 ontslag moest nemen als voorzitter van het Vermeylenfonds, dat hem zijn pro-Amerikaanse houding in de zogenaamde rakettenkwestie kwalijk nam evenals zijn verzet tegen de toetreding van het Vermeylenfonds tot de Unie van Vrijzinnige Verenigingen (UVV). Hij nam ten slotte in 1980 ook ontslag uit de socialistische partij.

Gerlo ontplooide sindsdien een grote jounalistieke bedrijvigheid als schrijver van vrije tribunes, die alle een sterk pro-Westerse, antisocialistische toon aansloegen. In binnenlands politiek opzicht noemde hij zich voortaan "liberaal, sociaal-democraat, flamingant" en zelfs "nationalist", evenals "een verdediger van de christelijke waarden". Hij wenste een hertekening van de politieke kaart en de oprichting van een "Vlaamse Democratische Alliantie".

Werken

De Vlaamse Beweging op nieuwe banen. Verzamelde opstellen, 1966; 
Dagboek van een scholier. Koninklijk Atheneum Gent 1929-1932, 1988; 
Kroniek van de Vlaamse Beweging, 1988; 
Noch hoveling, noch gunsteling. Een levensverhaal, 1989; 
Universitaire kroniek, 1992.

Literatuur

R. de Smet, Bibliografie van Aloïs Gerlo, 1985; 
E. Witte en J. Tyssens (eds.), De Tuin van Akademos. Studies naar aanleiding van de vijfentwintigste verjaardag van de Vrije Universiteit Brussel, 1995.

Verwijzingen

zie: onderwijs (hoger: Brussel), Orde van de Vlaamse Leeuw.

Auteur(s)

Adriaan Verhulst