Gentenaar, De

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

dagblad opgericht in 1879 door de priester Julien Verschueren.

In 1870 bundelde Verschueren enkele door hem verzorgde journalistieke publicaties in het Werk der Vlaamsche Katholieke Drukpers. Zijn bedoeling was, de strijd aan te binden met het vrijzinnige liberalisme en het opkomende socialisme. Datzelfde jaar stichtte hij de Nieuwe Beurzen-Courant, in 1871 herdoopt in Het Fondsenblad. Toen de katholieken bij de parlementsverkiezingen van 1878 zware klappen kregen, richtte de inmiddels tot kanunnik bevorderde Verschueren, op verzoek van zijn bisschop, het dagblad De Gentenaar op, teneinde de katholieke zaak te helpen verdedigen. Het eerste nummer van het blad verscheen op 27 en 28 januari 1879 en droeg (tot in 1903) de ondertitel "Recht voor de vuist". Tot 18 augustus 1914 verscheen het blad zes keer per week. Het wilde allereerst een goedkoop informatief blad voor arbeiders zijn.

Verschueren breidde zijn groep geregeld uit. In 1880 verscheen het Allemansblad (bestemd voor Antwerpen en daar in 1890 verdrongen door Gazet van Antwerpen) en in 1886 kocht Verschueren in Brussel de Gazette van Vlaanderen en van Brabant. Op 4 november 1890 begon hij de publicatie van De Landwacht, "Katholiek anti-socialistisch dagblad", bestemd om in Oost- en West-Vlaanderen de landelijke tegenhanger van de stedelijke De Gentenaar te worden. Op 2 januari 1891 liet hij De Kleine Patriot verschijnen. De bedoeling was, het hele Vlaamse land met een net van populaire kranten te overspannen. Bijna al die bladen werden opgemaakt met artikels uit de 'moederbladen', Het Fondsenblad en De Gentenaar. In 1889 betrok het 'Werk' een gebouw aan de Savaanstraat in Gent, waar het zijn hele verdere zelfstandige bestaan zou slijten. In 1889 werd, naar eigen zeggen, een gezamenlijke oplage van 150.000 exemplaren bereikt. Algemeen hoofdredacteur was, van 1887 tot aan zijn dood in 1922, Karel Lybaert.

In de laatste jaren van zijn leven werd kanunnik Verschueren opgevolgd door zijn neef Jozef Piens (1876-1953), schoonzoon van de katholieke flamingantische politicus Edward Coremans, maar zelf geen strijdende flamingant; Piens kantte zich tegen activisten en Fronters, liet het jaren duren eer in zijn kranten een reportage over de IJzerbedevaart mocht verschijnen, wenste wel Nederlandstalig universitair onderwijs maar zonder de Gentse hogeschool te willen vernederlandsen.

In 1914 verplichtte de Duitse bezettingsoverheid alle edities van het 'Werk' tot één krant te versmelten. Dat gebeurde op 18 augustus 1914 onder de hoofding De Gentenaar-De Landwacht-De Kleine Patriot. Na de wapenstilstand bleven alleen de eerste twee titels over. Toen trad een nieuwe leidende figuur naar voren, Georges Vanhoucke.

Na een korte onderbreking bij het begin van de tweede Duitse bezetting verschenen De Gentenaar en De Landwacht van 30 mei 1940 af samen in één editie. Van 16 juli 1940 kwamen ze weer afzonderlijk op de markt. De publicatie kwam tot stand na advies van katholieke en andere autoriteiten die een onafhankelijke (katholieke) aanwezigheid mogelijk en wenselijk achtten. Gaandeweg groeiden de Duitse bemoeiingen. Na diverse incidenten moest het bedrijf van 19 tot 25 april 1943 zijn uitgaven opschorten. Ten slotte kregen de twee bladen een volledig publicatieverbod: De Gentenaar van 31 december 1943 af, De Landwacht van 14 mei 1944 af. In het begin van de oorlog bedroeg de oplage respectievelijk 31.000 en 26.000 exemplaren; zij werd onder Duitse druk voortdurend verminderd, maar cijfers zijn daarover niet bekend.

Het eerste nummer van beide bladen na de bevrijding verscheen reeds op 7 september 1944. Na twee nummers kregen zij een publicatieverbod van het Belgische gerecht, maar op 25 september 1944 mochten zij opnieuw verschijnen, nu onder de titels De Nieuwe Gentenaar en De Nieuwe Landwacht. Twee jaar later kregen zij de oude titels terug. Een gerechtelijk onderzoek leidde tot buitenvervolgstelling.

Onder druk van de groeiende christen-democratische concurrent Het Volk en van het populaire Het Nieuwsblad- Sportwereld uit Brussel, verzwakte de positie van beide Gentse kranten, die trouw bleven aan hun behoudsgezinde koers. In de lente van 1959 hadden zij nog een gezamenlijke oplage van 40.000. Toen werden de gebouwen en de krantentitels van het Werk der Vlaamsche Katholieke Drukpers voor veertig miljoen Belgische frank overgekocht door De Standaard, terwijl de machines en grondstoffen naar Periodica (het drukkersbedrijf van De Standaard) gingen. Sinds 4 augustus 1959 verschenen de kranten als Gentse editie van Het Nieuwsblad en trad hun redactie op als Gentse redactie van De Standaard-groep. Een van haar leden was Rik van Moll die, na een carrière als redacteur-buitenland van De Standaard en chef-binnenland van het persagentschap Belga, van 1990 tot 1994 adjunct-hoofdredacteur van De Standaard was. Sinds de fusie in 1959 volgden De Gentenaar en De Landwacht de politieke lijn van De Standaard-bladen, wat in het begin enige wrijving met hun ouder Gentse publiek meebracht, maar weldra een meer dynamische ontwikkeling mogelijk maakte. Op 5 april 1978 werd de titel De Landwacht opgeheven en vervangen door Het Nieuwsblad.

Literatuur

J. Verstraelen, De katholieke pers te Gent, 1936; 
'Honderd jaar De Gentenaar', in De Gentenaar, jubileumuitgave (26 januari 1979); 
G. Durnez, De Standaard. Het levensverhaal van een Vlaamse krant, II, 1993.

Auteur(s)

Gaston Durnez