Gent

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

In Gent zal het openbare leven tot in de 20ste eeuw sterk verfranst blijven. Dit betekent niet dat het streven van de V.B. hier geen zoden aan de dijk zette. De betekenis van de Gentse flaminganten was zowel plaatselijk als nationaal aanzienlijk, en dit op verschillende terreinen en rond diverse thema's. Wel maakt het Gentse verhaal duidelijk dat uit het bewustzijn van de verdrukking van de Nederlandse taal in Vlaanderen niet automatisch een massale identificatie met de V.B. resulteerde. De eeuwige vraag waarom 'Vlaamse Beweging' niet zonder meer equivalent is aan 'sociale beweging' vindt in Gent, de belangrijkste arbeidersstad van Vlaanderen, een zeer interessant historisch object. Het kluwen van andere sociale en politieke factoren was en is echter zo ingewikkeld dat we het binnen het bestek van dit overzichtsartikel onmogelijk helemaal kunnen ontwarren.

Minnaars van de Nederlandse taal

Lange tijd bleef de V.B. in Gent in hoofdzaak een zuiver taal- en letterkundige beweging, die gedragen werd door een intellectuele elite van romantische 'taalminnaren'. Dit neemt niet weg dat al onder het Franse bewind ook geijverd werd voor een 'praktische' zaak als het behoud van de volkstaal in de administratie en het gerecht. In zijn Vlaams taal- en volksbewustzijn in het Zuidnederlandse geestesleven van de 18de eeuw noemt Jozef Smeyers het Gent van die tijd "de hartkamer van het Vlaamse leven". Een groep van veelal liberale, progressieve juristen wilde de bevolking in bescherming nemen tegen de Franse dwingelandij. Zo weigerde de vermaarde bibliofiel Charles van Hulthem in juli 1795 de verslagen van de pas opgerichte municipalité constitutionnelle in het Frans op te stellen, "aengesien de vlaemsche taele de gonne is van het land". Juristen als J.F. Mulle en J.J. Blommaert (de grootvader van Philip M. Blommaert), die de rechtspleging gedeeltelijk poogden te vernederlandsen, kondigden een algemeen 19de-eeuws Europees verschijnsel aan: de verstrengeling van liberalisme met nationalisme.

In de Nederlandse periode (1815-1830) bewoog er zeer weinig. De taalpolitiek van Willem I, die in principe het vernederlandsingsproces moest bevorderen, botste integendeel op tegenkanting vanwege de Gentse elites. Paradoxaal genoeg sprak Willem I in zijn rekrutering van het politiek personeel nauwelijks sociale lagen aan die nog niet volledig verfranst waren. Het Letter- en Staetkundig Dagblad (1820) kreeg dan ook geen levenskansen en de Maetschappij voor Nederduitsche Tael- en Letterkunde (1821) kon niet op tegen de Franstalige tegenhangers. De stichting van de Gentse universiteit in 1817 opende natuurlijk wel perspectieven voor het Nederlands, al werd het Latijn toen nog als onderwijstaal gebezigd. Een figuur als de neerlandicus Johannes M. Schrant oefende invloed uit op jonge intellectuelen die later een actieve rol in de V.B. zouden spelen; onder hen Philip M. Blommaert, Frans de Potter, Leo d'Hulster, Jacob L. Kesteloot, Ferdinand A. Snellaert, Constant P. Serrure en Prudens van Duyse.

De 'vader van de Vlaamse beweging', Jan F. Willems, leefde en stierf in Gent. In zijn literair en historisch werk manifesteerde Willems zich als een aanhanger van de Verlichting en de Groot-Nederlandse gedachte. Na de Belgische Revolutie van 1830 bleven de taalminnaren (gematigd) orangist en onderhielden ze contacten met de noorderburen. De latere stadsarchivaris Van Duyse moest in 1830 zelfs de wijk nemen naar Nederland. In tegenstelling tot de leidende kringen van het Gentse orangisme, die Frans spraken, was het verzet van de taalminnaren tegen de verfransing een belangrijke factor in hun kritiek op de Belgische staat en vice versa. Terwijl de politiek actieve orangisten nauwelijks interesse voor de taalkwestie opbrachten, spanden ook de katholieken – de ultramontanen noch de liberaal-katholieken – zich niet daadwerkelijk in voor de Vlaamse zaak. De taalminnaren stonden dus erg geïsoleerd en vonden geen politieke spreekbuis. We vinden hun ideeëngoed verspreid in manifesten, zoals de bekende Aenmerkingen over de verwaerlozing der Nederduitsche tael van Blommaert (1832). Ze ventileerden hun opvattingen in inleidingen op taalkundige en historische studies (bijvoorbeeld het Voorbericht bij Reinaert De Vos van Willems uit 1834), en in tijdschriften waarin eigen literair werk werd opgenomen (onder meer in De Eendragt, Nederduitsch Letterkundig Jaarboekje, Nederduitsche Letteroefeningen en Belgisch Museum). Verder leefden de Gentse taalminnaren zich uit in toneelkringen (Broedermin en Taelyver), rederijkerskamers (De Fonteine) en taalverenigingen (onder meer Maetschappy van Vlaemsche Letteroefening en Maetschappy der Vlaemsche Bibliophilen). Toen het probleem van de uniformisering van de 'Vlaamse' taal rees, werden zij als specialisten beschouwd. Hun Groot-Nederlands ideaal zorgde ervoor dat ze een oplossing in die richting voorstelden en dat ze zich niet particularistisch opstelden. Zo slaagden de taalminnaren er in 1844 in via de zogenaamde Commissiespelling, die aanleunde bij de Noord-Nederlandse, het Nederlands een uniforme spelling te geven (spellingoorlog). In de toneelkring Broedermin en Taelyver ontstond in 1847 ook het volkslied de Vlaamse Leeuw van Hippoliet van Peene en Karel Miry. Het lied verwierf voor het eerst bekendheid in 1848, toen de revolutie in Parijs de dreiging van een inlijving bij Frankrijk opriep. Op 27 februari 1848 vroeg het publiek van de Minardschouwburg aan het eind van een toneelvoorstelling van Broedermin en Taelyver om de Vlaamse Leeuw aan te heffen: een teken van collectieve weerbaarheid. Vanaf dat moment verspreidde het lied zich langs allerlei wegen naar andere Vlaamse steden en gewesten, tot het omstreeks de eeuwwisseling de algemeen aanvaarde status van Vlaams volkslied verworven had.

In de greep van de levensbeschouwelijke verdeeldheid

Van cruciaal belang was dat een aantal van de Gentse taalminnaren in het middelbaar en hoger onderwijs werkzaam was en via die weg de fakkel kon doorgeven aan een nieuwe generatie. Vanaf de jaren 1840 kreeg deze nieuwe generatie ook politieke aspiraties. Terwijl de flaminganten die sinds 1846 in het Vlaemsch Gezelschap verenigd waren (Snellaert, Frans Rens, Blommaert, Van Peene, Karel F. van Acker, Pieter de Baets en anderen), zich uitdrukkelijk van de bestaande partijen distantieerden, moesten zij met lede ogen aanzien hoe de levensbeschouwelijke verdeeldheid ook de V.B. in haar greep begon te krijgen. De arts Snellaert, een van de promotoren van het petitionnement van 1840 en actief in de Grievencommissie, werd na Willems' dood in 1846 de bezieler van het Vlaemsch Gezelschap. Zoals de meeste flaminganten was hij van oordeel dat de V.B. zich niet aan een partij moest binden. Hij kan dan ook beschouwd worden als dé vertegenwoordiger van de 'derde weg'-idee in Gent. Alhoewel hij zich bij de Association Libérale had aangesloten, meende hij dat de flaminganten bij de verkiezingen de meest Vlaamsgezinde kandidaat moesten steunen. Onvermijdelijk leidde zo'n politieke opstelling tot fricties, die een levensbeschouwelijke breuk binnen de V.B. aankondigden. Zo steunde Snellaert bij de parlementsverkiezingen in 1847 twee katholieke kandidaten, van wie er een, professor Jan W. de Block, openlijk door atheneumleraar Jacob F. Heremans bestreden werd. Met dit conflict werd het taalprobleem ondergeschikt gemaakt aan de levensbeschouwelijke tegenstelling, die vanaf het midden van de 19de eeuw scherper werd. Deze ontwikkeling impliceerde dat een brede coalitie van flaminganten met diverse levensopvattingen vrijwel onmogelijk te smeden of samen te houden was. Ondanks ijdele pogingen om een onafhankelijke, 'onpartijdige' koers te varen ontsnapten de flaminganten niet aan de polarisatie tussen liberalen en katholieken. Het kiesstelsel – een meerderheidsstelsel dat het tweepartijenregime in de hand werkte – maakte de derde weg trouwens zogoed als onmogelijk. Zoals elders in Vlaanderen heeft de V.B. zich in de Arteveldestad zelden als oppositionele en contesterende beweging buiten de officiële politieke structuren opgesteld. De flaminganten oefenden vooral druk uit binnen de bestaande partijformaties. De verlaging van de kiescijns in 1848 maakte Vlaamse programmapunten voor de katholieken en liberalen electoraal lonender. Als gevolg van de levensbeschouwelijke verdeeldheid waren de flaminganten echter vaak tot politieke machteloosheid veroordeeld.

Vlaamsgezindheid als onderdeel van het democratisch project

In het 'Manchester van het continent' begonnen zich al vroeg ook de arbeiders te roeren. Een radicale beweging van geletterde ambachtslieden, onderwijzers, advocaten en andere intellectuelen probeerde hierop in te spelen met een modern organisatiemodel en een nieuw ideologisch discours. Die radicale beweging, met Jacob Kats, Lucien Jottrand en de Gentenaar Charles Spilthoorn als voornaamste spoortrekkers, trachtte de arbeidersbevolking – zonder veel succes overigens – te bewegen tot de vorming van autonome organisaties, volgens de letter van de grondwet van de jonge Belgische staat. De radicalen wilden de arbeiders bevrijden van het juk van de fabrikanten en wierpen zichzelf op als nieuwe woordvoerders. In de jaren 1830 gebeurde dat via de meetingbeweging, in de jaren 1840 via de zogenaamde volksmaatschappijen, die genoemd werden naar geïdealiseerde figuren uit de roemruchte Vlaamse Middeleeuwen: Jacob van Artevelde in Gent, Jan Breidel en Pieter de Coninck in Brugge, Zannekin in Ronse, Frans Anneessens in Brussel. De identificatie met die volkshelden werd ongetwijfeld bevorderd door het werk van Hendrik Conscience, dat in dezelfde tijdgeest het licht zag. De radicale beweging, die zeer verkleefd was met het Belgisch patriottisme van 1830, had dus terzelfder tijd uitgesproken flamingantische trekken. De radicalen hechtten als rechtgeaarde democraten veel belang aan de volkstaal. Dat was overigens al vóór 1830 duidelijk in hun geschriften en hun verenigingsleven.

De economische crisis van 1845-1846 en de revolutionaire woelingen in 1848 zorgden voor een nieuwe breuklijn tussen sociaal-conservatieve en democratische Vlaamsgezinden. De afschaffing van het zegelrecht maakte de uitgave van drie kranten in de volkstaal mogelijk: Artevelde, De Broedermin en Vlaanderens Welvaeren. De financiële en intellectuele impulsen voor deze kranten kwamen uit de radicale beweging, die echter door de repressie van de – oppervlakkige – sociale woelingen van 1848 in Gent en elders onthoofd werd. Zo werd Spilthoorn tijdens het proces van Risquons-Tout ter dood veroordeeld, een straf die later in verbanning werd omgezet. Paradoxaal genoeg is Spilthoorn in de geschiedenis van de V.B. nauwelijks bekend en is hij volstrekt geen martelaar geworden.

Heel wat medewerkers van de drie nieuwe Gentse kranten bevonden zich in de studiekring van de charismatische filosofieprofessor François Huet. Deze merkwaardige figuur kan zowel in de sociaal-christelijke als utopisch-socialistische traditie worden gesitueerd; hij vertoonde evenzeer de kenmerken van de liberale vooruitgangsoptimist. In zijn genootschap treffen we onder meer de historicus Henri Moke, de filosofen Auguste-Jean Stecher en Gustave Callier, de publicist Constant Leirens, de jurist Paul Voituron en de leraar Jacob F. Heremans aan. Er werd meer dan voorheen aandacht aan het democratische aspect besteed, waarbij de materiële noden van de volksklasse niet over het hoofd werden gezien. Stecher pleitte er bijvoorbeeld voor dat de V.B. zich behalve voor de geestelijke ook voor de materiële verheffing van het volk zou inspannen. In dezelfde zin meende Eugeen Zetternam dat eerst de stoffelijke toestand van het volk verbeterd moest worden, alvorens het voor 'verzedelijking' vatbaar zou zijn (Mijnheer Luchtervelde, 1848). Ondanks al hun goede bedoelingen bleven de woordvoerders van de kring-Huet doorgaans boven de hoofden van de Gentse arbeiders schrijven. Maar in de bekende versregel "Wat zoudt ge zonder 't werkvolk zijn?" van de Gentse journalist/volksdichter Napoleon Destanberg blijft hoe dan ook het groeiende sociale bewustzijn van de flamingantische kleinburgers verdicht.

Tot een toenadering tussen de kring-Huet en het Vlaemsch Gezelschap kwam het niet, integendeel. Op 13 maart 1848 gingen enkele leden van het Vlaemsch Gezelschap na een banket ruiten ingooien bij Huet en Moke. De provinciegouverneur was van mening dat dit minder te maken had met de sympathieën van de betrokken professoren voor de Februarirevolutie dan met hun negatieve houding ten opzichte van het Vlaemsch Gezelschap. Uit de stichting van het Vlaamsgezinde en antirepublikeinse weekblad De Draek kort nadien, waarvoor Snellaert onder meer bij katholieken fondsen verzamelde, kan evenwel afgeleid worden dat het republicanisme van de kring-Huet wel degelijk een breukpunt vormde. Sinds 1847 drukte de kring-Huet haar stempel op het weekblad La Flandre libérale en het voorheen veeleer katholiek-democratische dagblad Den Vaderlander. Volgens die bladen moest de V.B. liberaal en democratisch zijn, in de lijn van de Franse Revolutie. In kringen van verlichte kleinburgers werd nochtans allerminst naar Frankrijk gelonkt. Belgisch patriottisme en democratisch streven gingen hand en hand. In diezelfde geest was er ook plaats voor het Vlaamse emancipatiestreven en waren precies democratische volksbladen als Artevelde en De Broedermin de meest flamingantische kranten die Gent op dat moment rijk was.

De jonge generatie, die zich laafde aan het radicalisme van die tijd, zou na 1848 een deel van de V.B. in Gent stevig verstrengelen met sociaal engagement en vrijzinnigheid. De sociale bewogenheid van de democratische Vlaamsgezinden tekende zich allereerst af in De Broedermin. Er zijn ook andere, meer fragmentarische aanduidingen. Zo hield Jottrand, op het eerste Nederlandse congres dat in 1849 in Gent werd gehouden op initiatief van Snellaert, een pleidooi voor het algemeen stemrecht als hefboom voor de Vlaamse emancipatie.

De nieuwe generatie werd groot in het atheneum van de Ottogracht, waar drie poësisstudenten in 1852 het 'taelminnend' studentengenootschap 't Zal wel gaan oprichtten. Ze namen hun genootschap mee naar de universiteit en ijverden er met succes voor een cursus Nederlands. Mentor van het Jonge Gent was de reeds genoemde atheneumleraar Heremans, die vanaf 1854 ook aan de universiteit lesgaf. Tot zijn meest markante leerlingen behoorden Julius Vuylsteke, Tony Bergmann en Emiel Moyson. 't Zal verdedigde het officieel onderwijs en nam fel stelling tegen de katholieke 'partij der duisternis'. Moyson en zijn vriend Adolf Dufranne verpersoonlijkten de symbiose tussen flamingantisme, antiklerikalisme en democratisch radicalisme.

Moyson probeerde in de praktijk – met wisselend succes – de prille Gentse arbeidersbeweging voor de Vlaamse zaak te winnen. Het flamingantisme lijkt echter niet zeer diep wortel geschoten te hebben in het arbeidersmilieu. Tijdens meetings werden Vlaamse thema's aangesneden, zowel door Moyson zelf als door Franciscus Bilen en Jan de Ridder, respectievelijk de leiders van de spinners- en weversverenigingen die in 1857 waren opgericht. In 1858 schreven de arbeidersverenigingen in op de terugkoop van de inboedel van Michiel van der Voort, die geweigerd had aan een Franstalige belastingaanslag van de gemeente Schaarbeek gevolg te geven. In 1859 waren de Gentse arbeiders vertegenwoordigd op de huldemanifestaties van de Vlaamse Grievencommissie, die tot een eensgezinde demonstratie tegen de regering uitgroeide. Ook begrafenissen van vooraanstaande flaminganten konden op een vaak massale belangstelling van arbeiders rekenen. Verder was er het uitgesproken Vlaamsgezinde arbeidersweekblad Het Werkverbond, dat van juni 1860 tot april 1862 verscheen, eerst onder hoofdredacteurschap van Pol van Loo, vervolgens van Caspar van Boekel. Het blad keerde zich tegen de bestaande partijen en ijverde voor de vorming van een brede, onafhankelijke en radicale Vlaamse formatie. Het blijft echter de vraag in hoeverre Het Werkverbond als de spreekbuis van het fabrieksproletariaat kan worden beschouwd en in hoeverre de krant door die groep ook gelezen werd. Vanuit de arbeidersbeweging zocht vooral Bilen zeer bewust aansluiting bij de V.B. In 1859 verkondigde hij: "Zolang mijn hoofd op mijn schouders zal staan, zal ik de Vlaamse belangen verdedigen." De ongeletterde en ambitieuze Cies de Kapneus hengelde echter iets te veel naar de gunsten van de Gentse autoriteiten en speelde zijn invloed in het spinnersmilieu al in het begin van de jaren 1860 kwijt.

De onmogelijkheid van een Vlaamsch Verbond

De democratische impulsen van de arbeidersbeweging droegen ertoe bij dat in de marge van de levensbeschouwelijke tegenstelling, zoals in de andere grote Vlaamse steden, een toenadering tussen progressistische katholieken en radicale liberalen plaatsvond. Beider flamingantisme was in deze een belangrijk bindteken. Bovendien hadden de progressisten een gemeenschappelijke vijand: de doctrinaire liberalen, die het Gentse stadsbestuur in handen hadden en overwegend franskiljons waren. Een onafhankelijke Vlaamse partij kreeg in tegenstelling tot in Antwerpen, waar nog andere grieven zich op de Meetingpartij konden enten, echter nauwelijks levenskansen. Vooral het meerderheidsstelsel, maar ook het felle antiklerikalisme van de liberale flaminganten verhinderden dat. De toenadering tussen democratische katholieken en radicale liberalen werd anderzijds wel sterk gestimuleerd door het katholieke maar zeker niet klerikale dagblad De Beurzen-Courant.

In april 1861 deed de liberaal georiënteerde flamingant en democraat Constant Leirens in het Gentse volksweekblad Het Zondagsblad een oproep tot de stichting van een vereniging over de partijgrenzen heen: het Vlaamsch Verbond. Een ideologische onderstutting werd geleverd door de brochure De Vlaemsche Taelstrijd van de Duitser Friedrich Oetker. Volgens Oetker moest de V.B. meer de politieke toer opgaan, zonder bij de bestaande partijen aan te leunen. De bedoeling van het Vlaamsch Verbond was de twee beleidspartijen een Vlaams programma op te dringen in ruil voor electorale steun. Vlaamsgezinde verenigingen en persorganen konden zich zonder onderscheid van politieke overtuiging bij het Verbond aansluiten. Leirens begon terzelfder tijd een gelijknamig tijdschrift uit te geven. De volgende Gentse verenigingen sloten zich aan: De Tael is gan(t)sch het Volk, 't Zal wel gaan, Broedermin en Taelyver, de Tafelronde, het Willems Genootschap, het Taelminnend Gezelschap én de vier grootste arbeidersorganisaties van spinners, wevers, handwevers en werktuigmakers. Het eisenpakket van de Grievencommissie werd verruimd met sociaal-emancipatorische programmapunten, zoals volledig Nederlandstalig nijverheids-, handels- en landbouwonderwijs.

Heel gauw na de oprichting werd het Vlaamsch Verbond echter al verscheurd door ideologische tegenstellingen. De liberale flaminganten, met als grootste bezieler Julius Vuylsteke, kozen resoluut voor het liberale kamp. Zij distantieerden zich van de 'onafhankelijken', vanuit de overtuiging dat de V.B. enkel liberaal kon zijn. Die overtuiging vinden we samengevat in het motto "Klauwaert en Geus". Na de katholieke overwinning bij de parlementsverkiezingen van juni 1861, waarbij de katholieke flamingant Pieter de Baets werd verkozen, werden de levensbeschouwelijke tegenstellingen binnen de V.B. op de spits gedreven. Met de oprichting van de Liberale Afdeeling (juli 1861) was de illusie van een Vlaamsch Verbond voorgoed verstoord. De Liberale Afdeeling onder leiding van Vuylsteke, Leirens en Octaaf Moyson, de halfbroer van Emiel, werd een Vlaamse drukkingsgroep binnen de Association Libérale. De onafhankelijken onder leiding van Snellaert richtten enkele maanden later de Hoofd-Afdeeling op (september 1861). De Beurzen-Courant bekende zich tot dit kamp. Aanvankelijk probeerde men onder het motto "de Vlaamse Zaak = Volkszaak" de illusie van een onafhankelijk Vlaamsch Verbond te redden, maar men kwam onvermijdelijk in katholiek vaarwater terecht, aangezien de liberalen al afgehaakt hadden. Het Vlaamsch Verbond hield in Gent als zodanig toch nog stand tot 1868, ofschoon het tijdschrift al in 1862 verdween.

De brug naar de arbeiders bleef in de Hoofd-Afdeeling, meer dan in de Liberale Afdeeling, bestaan. Het Werkverbond sloot zich bij de onafhankelijke vleugel aan en ook Emiel Moyson beloofde zijn medewerking. De slag van de Grasfabriek in 1861 en de zware katoencrisis in 1862-1865 brachten de Gentse arbeidersbeweging echter zware klappen toe. De Grasfabriek was de bijnaam van de nieuwe fabriek van Parmentier en Van Hoegaerden, in 1860 opgericht aan de Nieuwe Vaart bij de Tolhuisbrug. Parmentier en Van Hoegaerden voerden zeer geperfectioneerde, snelle machines in, die grote besparingen op de arbeidskosten toelieten. Een loonconflict tussen de wevers en de fabrikanten leidde tot een ware veldslag aan de Grasfabriek. Om verschillende redenen distantieerden de arbeidersleiders Jan de Ridder en Franciscus Bilen zich van dit 'wilde' conflict. Ze verspeelden hiermee het prestige en de leiderspositie die hun enkele jaren tevoren door de Gentse arbeiders toebedeeld was. De spinnersvereniging ging in de katoencrisis van 1862 definitief ten onder. De weversmaatschappij zieltoogde in die mate dat voorzitter De Ridder de trouw gebleven leden op straffe van boete verplichtte naar de driemaandelijkse vergaderingen te komen. De verzwakking van de arbeidersbeweging verzwakte natuurlijk ook de slagkracht van de V.B. in Gent. Na 1865 zou het flamingantisme bij de nieuwe, meer naar het socialisme neigende arbeidersorganisaties veel minder op de voorgrond treden.

De 'onafhankelijke' vleugel van flaminganten bleef naar de vorming van een eigen partij streven. De Landdagen die vanaf 1864 met dat doel in verscheidene steden georganiseerd werden, waren varianten van het meetingfenomeen en sterk democratisch getint. Moyson, De Ridder en andere protagonisten van de Gentse arbeidersbeweging betuigden hun steun. Toch mogen de arbeidersleiders niet exclusief met deze stroming van de V.B. geassocieerd worden; ze lieten zich immers ook in het vrijzinnige kamp opmerken. De verstoring van de tweede Landdag, die in mei 1866 in Gent plaatsvond, toont nochtans aan hoezeer de levensbeschouwelijke tegenstellingen in de Arteveldestad dominant bleven. Het doel van de Landdag was "buiten allen geest van partijschap" het herstel van de Vlaamse grieven te verkrijgen, onder de eenstemmige kreet: "in Vlaanderen Vlaamsch". De sprekers slaagden er echter niet in zich verstaanbaar te maken te midden van het geroep, getier en gezang in de zaal. Een voor een slopen ze via een achterpoortje naar buiten. Enkele katholieke figuren begaven zich – onvoorzichtig genoeg – naar de Poel, waar het lokaal van de Cercle Catholique gevestigd was. Een liberale menigte zat hen op de hielen en het kwam tot een confrontatie, die slechts door een interventie van de burgemeester in toom kon worden gehouden.

De verzuiling van de V.B.

Na het mislukte experiment van het Vlaamsch Verbond zou het er voor de flaminganten nog meer op aankomen binnen de bestaande partijen te ageren. In Gent zien we onder invloed van Julius Vuylsteke een groeiende identificatie van V.B. en liberalisme. Vuylsteke wilde de Association Libérale voor het flamingantisme winnen en omgekeerd de V.B. voor het liberalisme. Vanaf 1862 kreeg het in 1851 opgerichte Willemsfonds – met Vuylsteke als algemeen secretaris – een duidelijk vrijzinnig profiel. Ferdinand A. Snellaert en Karel F. van Acker werden uit hun bestuursfuncties gewipt. De Vlaams-liberale strekking nam ook de overhand in verenigingen als het Vlaamsche Volk, het Van Crombrugghe's Genootschap en De Tael is gan(t)sch het Volk. In 1866 verliet de Liberale Afdeeling definitief het Vlaamsch Verbond en werd het omgevormd tot de Vlaamsche Liberale Vereeniging. Spreekbuis van de radicale liberale flaminganten werd het weekblad Het Volksbelang (1867), dat aanvankelijk op de vrijwillige medewerking van enkele studenten, onder wie Julius Sabbe, Julius de Vigne en Paul Fredericq, dreef. Vuylsteke bracht in 1869 het nodige kapitaal bij elkaar om een naamloze vennootschap op te richten die Het Volksbelang uitgaf.

Begin 1868 sloot het Vlaamsche Volk, waarin de jonge atheneumleraar Max Rooses een grote rol speelde, zich bij het Willemsfonds aan. Op die manier werd de V.B. in het Gentse liberale kamp geleidelijk aan eengemaakt, in een democratische geest die gericht was op volksverheffing. Het Willemsfonds kreeg in 1865 bijvoorbeeld een volksbibliotheek. Figuren als Multatuli werden uitgenodigd als gastspreker. De zetel van het Willemsfonds, het Lakenmetershuis op de Vrijdagmarkt, werd tevens gebruikt door een eigen toneelgezelschap en een zangmaatschappij.

Ondanks de grote activiteit van de Vlaamsche Liberale Vereeniging en het bruisende liberale verenigingsleven namen de Gentse liberale franskiljons de Vlaamse zaak nauwelijks ter harte. Zij waren voorstanders van de tweetaligheid. Enkele schaarse 'verwezenlijkingen' van de Gentse gemeenteraad: de stedelijke reglementen werden vanaf 1857 zowel in het Nederlands als in het Frans gepubliceerd, het Nederlands toneel werd vanaf 1871 bezoldigd, de bouw van een Nederlandse schouwburg werd voor 600.000 frank door de stad gedragen (1886). Toen Vuylsteke en het Willemsfonds een onderzoek naar de stiefmoederlijke behandeling van het Nederlands in het stadsonderwijs voerden, werd dat door de Association Libérale gedwarsboomd. De liberale flaminganten die sinds 1869 in de gemeenteraad zaten (onder meer Vuylsteke, August de Maere, De Vigne), werden door dit soort opdoffers van hun partijgenoten in diskrediet gebracht. En toen Vuylsteke in 1870 verkreeg dat het Gemeentebulletin ook in het Nederlands verscheen, kon deze uitgave slechts op de belangstelling van zes intekenaars rekenen: Vuylsteke zelf en de familie Van Dinter, de familie van zijn echtgenote. De vertaling kostte de stad 8000 frank. In 1875 zegde Vuylsteke de politiek vaarwel en vestigde hij zich als boekhandelaar.

Terwijl de liberalen verzwakten, versterkten de katholieke Vlaamsgezinden hun posities in de Arteveldestad. In 1875 werd het Davidsfonds opgericht als tegenhanger van het Willemsfonds, dat al meer dan tien jaar de neutraliteit had opgegeven. Een van de grootste bezielers was de Gentenaar Frans de Potter, die in de Gentse afdeling, gevestigd in het Sint-Jorishof, de hoofdrol zou gaan spelen. De Gentse afdeling was zeker in de beginperiode de grootste van Vlaanderen: 547 leden in 1875, 602 in 1876. Het Davidsfonds hield zich lange tijd vooral bezig met de uitbouw van een net katholieke volks'boekerijen', die als paddestoelen uit de grond rezen. In 1876 werd een eerste bibliotheek in de Cataloniëstraat geopend; nauwelijks zes maanden later telde Gent al vijf katholieke boekerijen. In 1876 werden 38.838 boeken uitgeleend, in 1877 al 80.205. Vanaf 1881 organiseerde het Davidsfonds ook jaarlijks een Prijskamp voor Vlaamsche Taal in de katholieke scholen.

De Potter werd 'eeuwig' secretaris van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Die werd op 8 juli 1886 door de regering opgericht en is sinds 1892 in het mooie Dammansteen (1746) aan de Koningstraat gevestigd. Het was het eerste instituut dat in België de belangen van de Nederlandse taal- en letterkunde behartigde. Wrijvingen tussen katholieke en liberale leden zorgden ervoor dat de – geminoriseerde – liberalen zich tegen de Academie gingen keren.

De katholieke flaminganten ventileerden hun opvattingen in De Beurzen-Courant, die vanaf 1871 in Het Fondsenblad werd omgedoopt, De Gentenaar en De Landmansvriend. Al die kranten, zowat de hele Nederlandstalige pers in Gent, kwamen in handen van Het Werk der Vlaamsche Katholieke Drukpers van kanunnik Julien Verschueren. Het motto luidde: "Godsdienst, Taal en Vaderland".

Paradoxen van de democratisering

Twintig jaar na de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht domineerde de franskiljonse bourgeoisie nog altijd de liberale en katholieke partijen in Gent. In de liberale partij werd het flamingantisme langzamerhand krachteloos en functioneerde het uitsluitend nog als lokvogel. In de katholieke partij kreeg de Vlaamse reflex, in tegenstelling tot in andere steden, geen kans. De 'antisocialistische' arbeidersbeweging die vanaf 1886 in opbouw was, ademde aanvankelijk een flamingantische geest. In de krant De Lichtstraal (1886) trachtten Gustaaf Eylenbosch en Herman Ronse hun antisocialisme een democratische en flamingantische invulling te geven. Toen Arthur Verhaegen de plak zwaaide, raakte de Vlaamsgezindheid echter op de achtergrond. Het Volk nam op het terrein van de Vlaamse kwestie gematigde standpunten in. Ook in de katholieke partij was de Vlaamse zaak immers geen prioriteit, ofschoon wel een rekruteringsbron. Er kwam geen toenadering tussen de Gentse christen-democraten en de beweging rond priester Adolf Daens, die sociale bewogenheid aan Vlaams radicalisme koppelde. Het daensisme, met Hector Plancquaert als voortrekker, zou de droom van een onafhankelijke Vlaamse volkspartij weer verlevendigen. We zien die droom opnieuw opduiken in bladen als Jong Vlaanderen, 't Vrije Vlaanderen en Witte Kaproen.

Binnen het Gentse socialisme trokken zij die droomden van een beweging die tegelijk sociale en Vlaamse eisen in het vaandel zou voeren, aan het kortste eind. Edmond van Beveren was zo iemand en volkszanger Karel Waeri zette de droom op muziek. De hoofdmoot van de Gentse socialisten evolueerde echter naar een welhaast legendarisch geworden gewrongen verhouding met de V.B. Edward Anseele koos inderdaad resoluut voor de sociale en politieke emancipatie, waaraan hij de taalstrijd ondergeschikt achtte. Die – strategische – keuze had minder met socialistische zuiverheid te maken dan met het feit dat de christelijk geïnspireerde flaminganten rond de eeuwwisseling politieke concurrenten werden, die met een antisocialistische en corporatistische ideologie een dam vormden tegen de expansie van de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Anseele vond dat de kennis van het Frans van nut kon zijn voor de arbeiders. Zijn huiver tegenover het christelijk geïnspireerde flamingantisme belette hem overigens niet om Vlaamse wetsvoorstellen te verdedigen (zoals de Gelijkheidswet in 1897-1898, het wetsvoorstel-Edward Coremans in 1907, de taalwet-Paul Segers-Louis Franck in 1907-1910, het wetsvoorstel voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit in 1911). Toen hij in 1894 verkozen werd op de Luikse lijst, werd Anseele door de Waalse pers trouwens aangevallen omdat hij in het parlement het recht van arbeiders en boeren verdedigde om hun eigen taal te spreken. Naar aanleiding van de herziening van de wet op de Werkrechtersraden in 1908-1909 ontstond in de Kamer een bitsige discussie tussen socialisten onderling over de vraag of ambtenaren in heel België zouden moeten bewijzen Nederlands te kennen. Anseele viel zeer scherp uit naar zijn Waalse partijgenoten: De deux choses l'une: ou bien il faut faire aux ouvriers flamands en Wallonie la même situation qu'ont les ouvriers wallons en Flandre où on leur parle le Français ou bien il faut aboutir à la séparation administrative. Terwijl Anseeles positie dus zeker niet eenduidig of onverschillig was, kan men in de Vooruit van rond de eeuwwisseling anti-Vlaamsgezind scheldproza van Ferdinand Hardijns lezen. Dat droeg er enkel toe bij de kloof met de flaminganten te vergroten.

De strijd rond de Gelijkheidswet in 1897-1898 was een katalysator in het machtsverwervingsproces van de V.B. Ze oversteeg voor het eerst haar levensbeschouwelijke verdeeldheid en de politiek-institutionele onmacht die daaruit voortvloeide. Voor het eerst ook hield de Vlaamse kwestie langdurig een grote massa volk in de ban en op de been. In Gent lokte een protestvergadering van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV), waar sprekers van alle gezindheden het woord voerden, op 21 februari 1897 een publiek van twee- tot drieduizend mensen. Onder de Gentse protagonisten bevonden zich de liberaal Alfons Prayon-van Zuylen én Anseele, die zich in zijn parlementaire redevoering en op verscheidene Vlaamse meetings als een groot voorstander van de taalgelijkheid ontpopte. Opmerkelijk is van de andere kant dat de antisocialisten in de zomer van 1898 weigerden mee op te stappen in een betoging voor de Gelijksheidswet als de rode vlag werd meegevoerd. De betoging werd afgelast.

Nog meer dan de strijd voor de Gelijkheidswet had de doelstelling van de vernederlandsing van de Gentse universiteit een zeldzaam eenheidsbevorderend effect op de V.B. De vernederlandsing stond centraal in het cultuurflamingantisme van de late 19de eeuw. Een grote impuls ging uit van de liberale flamingant Julius Mac Leod, een gerenommeerd hoogleraar in de plantkunde. Mac Leod was ervan overtuigd dat het Vlaamse volk in zijn eigen taal en aan zijn eigen universiteit een intellectuele elite moest kunnen vormen, wilde het ooit zijn sociaal-economische achterstand inhalen. Hij toonde aan dat het Nederlands geschikt was als wetenschappelijke taal. In 1892 ging een project voor University Extension, Hooger Onderwijs voor het Volk, officieel van start in de lokalen van de universiteit. Het project droeg ertoe bij dat de publieke opinie warm gemaakt werd voor de vernederlandsing. Mac Leod werd verslaggever van de eerste Vlaamse hogeschoolcommissie (1896). Het verslag was het vertrekpunt van de moeilijke discussie over de modaliteiten en het tempo van de vernederlandsing. In 1911 kon reeds een wetsvoorstel ingediend worden, ondertekend door vooraanstaanden uit de drie grote partijen, onder wie de Gentenaar Anseele.

De vernederlandsing van de universiteit zorgde binnen de drie partijen voor zware dilemma's. Bij de Vlaamse liberalen stelde de problematiek zich het scherpst. Indien zij aan hun Vlaamsgezindheid prioriteit verleenden, liepen zij het risico hun Franstalige partijgenoten en kiezers én een elitegroep Franstalige studenten van zich te vervreemden. Waar het liberale flamingantisme in Gent van in den beginne heel prominent was geweest, verloor het op korte tijd veel geloofwaardigheid en levenskracht als gevolg van een groeiende verdeeldheid. Paul Fredericq, éminence grise van de Gentse Vlaams-liberalen, verleende prioriteit aan de strijd tegen de katholieke dominantie en stond – wellicht mede onder invloed van zijn grote leerling Henri Pirenne – verzoenend tegenover de franskiljons. Eind 1899 kwam het tot een breuk tussen Fredericq en Mac Leod, die neven waren. In het kielzog van het Gentse Kamerlid Julius de Vigne kantte Fredericq zich tegen het stelsel-Mac Leod en pleitte hij voor een tweetalige universiteit.

Heel wat liberale studenten en vrijzinnige flaminganten keerden zich wegens de interne animositeit en de onmacht van de V.B. tegen de partijpolitiek. Velen onder hen kwamen in het activisme terecht (onder meer Willem de Vreese, de gebroeders Alfons, Jules en Robert van Roy, Josué de Decker, Pieter Tack, Hippoliet Meert, Antoon Picard, Caesar de Bruyker, Adriaan Martens). De Eerste Wereldoorlog verscherpte de tegenstelling met de Franstalige liberalen, die in een hevig Belgisch-patriottische sfeer beland waren, en zorgde voor de moeilijk te helen verminking van het vrijzinnige Vlaamse kamp. De franskiljonse weerstanden tegen de vernederlandsing van het middelbaar en hoger onderwijs waren al voor de oorlog zeer sterk en georganiseerd (onder meer Le Cercle libéral wallon de l'Arrondissement de Gand, de Association flamande pour la Vulgarisation de la Langue française en de Union pour la défense de la langue française à l'université de Gand). Bij de verdediging van het Frans in Vlaanderen werd vaak met democratische argumenten geschermd. Zo betoogde de Association flamande pour la Vulgarisation de la Langue française, waar leidende figuren uit de liberale, katholieke en socialistische wereld lid van waren (onder meer bisschop Antoine Stillemans en Edward Anseele), dat het verfranste onderwijs en met name de tweetaligheid mogelijkheden boden voor de sociale promotie van de lagere bevolkingsgroepen. Om de verspreiding van het Frans te bevorderen gaf de organisatie onder meer een handboekje uit dat bestemd was voor de zogenaamde 'Franschmans', de Vlaamse seizoenarbeiders in Noord-Frankrijk (Fransmannen). Enerzijds trachtten de vulgarisateurs een breed publiek aan te spreken, anderzijds vochten ze voor de belangen van de Franstalige bovenlaag: een schizofrene positie in een tijd waarin de democratisering van het openbaar leven onafwendbaar was.

De strijd om de vernederlandsing werd zelfs in en om de wereldtentoonstelling van 1913 uitgevochten. Het expobestuur was sterk franskiljons en zocht steun bij Frankrijk, dat daar gretig aan tegemoetkwam, aangezien het in de Vlaamse strijd de hand van Duitsland zag. De overweldigende Franse deelname aan de wereldtentoonstelling is beslist vanuit die optiek te verklaren, de afwezigheid van een officiële Duitse delegatie wellicht ook. Het Franse karakter van de wereldtentoonstelling en de arrogantie van Parijs, dat het Vlaams onverbloemd als une sorte de patois germanique beschouwde, wekten grote wrevel bij de flaminganten. Het Vlaamsch Handelsverbond, het Willemsfonds, de Snellaertkring en andere verenigingen eisten dat het Nederlands op gelijke voet als het Frans behandeld zou worden. Nederlandstalige initiatieven werden immers flagrant gediscrimineerd; dat was onder meer het geval voor een opvoering van Peter Benoits oratorium De Schelde. Significant genoeg hield koning Albert I zijn officiële toespraak op 22 juni 1913 in het Nederlands en bleef hij afwezig op een galaconcert dat als une vraie manifestation française werd aangekondigd. De avond verliep allesbehalve rimpelloos. Uit protest tegen de 'fransdolheid' zongen enkele flaminganten tijdens de pauze de Vlaamse Leeuw. De bewakers dreven de rustverstoorders met honden naar buiten. Niet toevallig hadden de flaminganten enige tijd later een hogeschooldag – een actiedag voor de vernederlandsing van de universiteit – gepland. Hun aanvraag voor het houden van een betoging en een meeting op het Sint-Baafsplein, waar de Drie Kraaiende Hanen het woord zouden nemen, werd door de Gentse burgemeester Emile Braun geboycot. Braun was persoonlijk een voorstander van een tweetalig Vlaanderen. De burgerij moest Nederlands leren – hij gaf zelf het voorbeeld – en de arbeiders Frans. De Vlaamse hogeschoolcommissie schortte de actiedag op en er volgde een interpellatie in het parlement als protest tegen Braun en tegen de discriminatie van de Vlamingen op de wereldtentoonstelling.

In mei 1914 verscheen dan het eerste nummer van De Bestuurlijke Scheiding, uitgedacht in het studentenmilieu rond Julius Mac Leod. De redactie was in handen van Martha en Antoon Thiry, en een van de actiefste redacteuren was Marcel Minnaert. Het blad ijverde voor de administratieve scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië en was sterk anti-Waals, anti-Frans, anti-Belgisch en anti-partijpolitiek geïnspireerd.

Van oorlog naar oorlog

Tijdens de wereldtentoonstelling van 1913 had de internationale dimensie van de taalstrijd al even de kop opgestoken. Het uitbreken van de oorlog en de Duitse bezetting openden nieuwe perspectieven voor de V.B. De Gentse Jong-Vlamingen, die in de vooroorlogse jaren politiek dakloos waren geworden, besloten al in oktober 1914 dat ze van de oorlog gebruik wilden maken om de machtsverhoudingen te wijzigen. Hun vaag federalisme radicaliseerde tot separatisme. In Jong-Vlaanderen, waar behalve de mannen van De Bestuurlijke Scheiding ook de Gentse dominee Jan D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard en de geschiedenisstudent Leo Picard deel van uitmaakten, vielen al gauw twee strekkingen te onderscheiden. Domela Nieuwenhuis Nyegaard en de zijnen waren overtuigde pan-Germanisten en meenden dat de Vlaamse macht uit de loop van Duitse geweren moest komen. De 'domelisten' streefden naar een onafhankelijke Vlaamse staat binnen een Germaanse statenbond. Leo Picard bleef voorstander van de bestuurlijke scheiding en plaatste de gedachte aan een Germanenbond voorzichtigheidshalve op de achtergrond. Geïnspireerd door zijn vriend Frederik C. Gerretson zette hij een dagblad op poten, De Vlaamsche Post (februari 1915), dat bedoeld was om Jong-Vlaamse ideeën ook in Vlaanderen te verspreiden. Picard werd hoofdredacteur van De Vlaamsche Post, die per maand 7000 frank van de Duitsers ontving. Picard kreeg ook steun uit het neutrale Nederland, waar veel Vlaamse vluchtelingen verbleven.

De inschikkelijkheid van het Duitse bestuur, met als meest ophefmakende initiatief de volledige vervlaamsing van de Gentse universiteit op 16 oktober 1916, zorgde in de Arteveldestad voor duidelijke breuklijnen. De buitenparlementaire actievoerders van het Algemeen-Nederlands Verbond en de daensistische kopmannen (Hector Plancquaert en Gustaaf Doussy) waren voor, de Vlaamsgezinde politici uit de drie grote partijen tegen (Alfons Siffer, August Huyshauwer, Edward Anseele, Paul Fredericq, Camiel de Bruyne). Vanuit de Vlaamse Hogeschool werd een geslaagde poging ondernomen om de activisten in een Raad van Vlaanderen te verenigen. Wel moet aangestipt worden dat belangrijke figuren zoals Lodewijk Dosfel, Adelfons Henderickx en Leo Augusteyns geen deel uitmaakten van de Raad. Levensbeschouwelijke confrontaties werden zorgvuldig vermeden en voor zover de activisten een sociaal programma hadden, was dat veeleer progressief. Een massale aangelegenheid was het activisme zeker niet. Onder de dynamische leiding van Jan Wannyn werd wel een Nationalistische Bond uitgebouwd, die meer dan 4000 leden telde. Het bondgenootschap met de bezetter was voor de overgrote meerderheid van de Gentse bevolking totaal onaanvaardbaar, temeer daar de activisten alles van de Duitsers tolereerden, ook opeisingen en deportaties. Met Duitse steun werd op het laatst nog een 'stadsgreep' gepleegd. Aanleiding was de unanieme motie van afkeuring van de Gentse gemeenteraad tegen de Raad van Vlaanderen en de uitroeping van Vlaanderens zelfstandigheid. Burgemeester Emile Braun en schepen Maurice de Weert werden gedeporteerd en het schepencollege vervangen door een schare activisten, onder wie Plancquaert en Wannyn. De Duitser Franz Künzer werd tot burgemeester benoemd (maart 1918).

De oorlog heeft op de vernederlandsing van de Gentse universiteit allerminst een gunstige invloed uitgeoefend. Zo gaf het activisme voedsel aan het franskiljonse onbegrip voor de Vlaamse verzuchtingen, wat de polarisatie slechts in de hand werkte. In 1922-1923 ging de parlementaire discussie over de vernederlandsing met heftige agitatie gepaard, die in de straten van Gent op gang kwam. Op 5 november 1922 organiseerde de Frontpartij een betoging tegen het uitblijven van de vernederlandsing. De betoging werd door franskiljonse studenten verstoord en lokte prompt een tegenbetoging uit. Er werd een comité opgericht onder voorzitterschap van R. de Saegher (liberaal) en baron Pierre Verhaegen (katholiek). Het comité probeerde met succes het Gentse burgerlijke verenigingsleven en de Kamer van Koophandel in te schakelen voor de betoging die plaatsvond op 19 november 1922. Er defileerde onmiskenbaar een ander publiek dan de stakende arbeiders van voor de oorlog. De Gentse socialisten en de katholieke arbeiders rond Het Volk bleven trouwens weg. De betoging tegen de vervlaamsing werd achteraf spottend de 'paardenvijgenstoet' genoemd, een verwijzing naar de projectielen waarvan ook de dure toiletten van opstappende dames niet gespaard bleven. Uit de betoging groeide de Ligue nationale pour la Défense de l'Université de Gand et de la Liberté des Langues, voorgezeten door de Gentse rector Eugène Eeman en met als secretaris Jacques Pirenne, de spilfiguur van de anti-Vlaamse oppositiebewegingen van het interbellum.

De plechtige opening van de verdubbelde Gentse universiteit begin oktober 1923 werd vanuit verschillende hoeken geboycot. De Gentse autoriteiten stuurden hun kat en de Franstalige studentenbeweging weigerde mee te werken. De studenten van het Algemeen Vlaamsch Hoogstudentenverbond (AVHV) en het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV) – de 't Zallers ('t Zal wel gaan) namen slechts aarzelend deel – boycotten de Vlaamse afdeling. De Ligue Nationale pour la défense de l'Université de Gand reageerde met de oprichting van een alternatieve, exclusief Franstalige universiteit, de Ecole des Hautes Etudes, die op de steun en medewerking van de meerderheid van het Gentse professorenkorps kon rekenen.

De flaminganten zijn na de Eerste Wereldoorlog opvallend weinig massaal op straat gekomen voor de Gentse universiteit, noch in 1922-1923, noch in 1929-1930, toen de volledige vernederlandsing op de parlementaire agenda stond. De radicale Vlaams-nationalisten gebruikten in plaats van massademonstraties veeleer kleinschalige, maar jennerige actievormen. De verstoring van de plechtige opening van de vernederlandste universiteit op 21 oktober 1930 is daar een goed voorbeeld van: bij het aanheffen van de Brabançonne werd het nationaal volkslied overstemd door de Vlaamse Leeuw. Het incident kreeg een enorme weerklank, tot op het niveau van de ministerraad.

De plaats van het Nederlands kwam pas voor het eerst in de gemeenteraad ter sprake in 1931. Dat dit sinds de wereldtentoonstelling niet meer was gebeurd, kan beschouwd worden als een aanwijzing dat de taalstrijd de lokale gemoederen niet al te sterk beroerde. Toch stond de drieledige coalitie dat jaar zowat op springen toen de jaarlijkse subsidie aan de École des Hautes Etudes ter sprake kwam. Schepen August Balthazar noemde de instelling namens de Belgische Werkliedenpartij "de laatste burcht van het franskiljonisme". De communist Minnaert nam de gelegenheid te baat om te pleiten voor een zelfstandig Vlaanderen in een federaal België: pas dan zou – in navolging van de Sovjet-Unie – een einde komen aan de onderdrukking van de Vlamingen door een Franssprekende minderheid. De liberalen waren voor het behoud van de subsidie, als uiting van verdraagzaamheid jegens de Franstaligen. Aan katholieke zijde bestond verdeeldheid tussen de christen-democraten en conservatieven. De stedelijke subsidie aan de École des Hautes Etudes werd na moeilijke discussies verworpen met 22 stemmen tegen, 11 voor en 3 katholieke onthoudingen.

Ondanks het feit dat Gent met het dossier van de vernederlandsing het middelpunt vormde van de Vlaamse strijd tijdens het interbellum, brak het Vlaams-nationalisme hier niet door. Noch het democratische Vlaamsche Front in de eerste naoorlogse jaren, noch het autoritaire Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) in de jaren 1930 kreeg veel weerklank. Het partijpolitieke Vlaams-nationalisme raakte tijdens de jaren 1920 verregaand versplinterd. Toch was er een potentieel eenheidsbevorderend trefpunt: het Vlaams Huis 'Den Uilenspiegel' in de Korte Kruisstraat, waar vaak meetings plaatsvonden en een redelijk grote bedrijvigheid heerste. De grote man van de Frontpartij in Gent was Boudewijn Maes, een uitgesproken vrijzinnig flamingant die tijdens de oorlog had gevangengezeten wegens anti-Duitse activiteiten. Bij de Kamerverkiezingen in 1919 haalde de Frontpartij bijna 10.000 stemmen in het arrondissement Gent-Eeklo, waarvan 2309 in Gent zelf. Maes liet zich vaak als een brutaal kereltje gelden, onder meer bij de bestorming van het parlementsgebouw door de oud-strijders in 1920. Hij genoot al gauw de reputatie van een impulsieve anti-belgicist zonder veel diepgang. Zijn parlementaire carrière was van zeer korte duur. Dat had met zijn flamboyante persoonlijkheid te maken, maar ook met interne weerstanden tegen zijn leiderspositie. Boudewijn Maes behoorde, zoals Herman Vos in Antwerpen, tot de vrijzinnige minderheid binnen de Frontpartij, die niet lang pluralistisch kon blijven. Vanaf het midden van de jaren 1920 ontstonden lokale en regionale Vlaams-nationalistische partijtjes met een katholieke stempel. Zo werd in Gent in 1924 de Katholieke Christelijke Volkspartij voor Vlaanderen opgericht onder impuls van Jozef Goossenaerts en geneeskundeprofessor Frans Daels, boegbeeld van de Frontbeweging tijdens de Eerste Wereldoorlog en voorzitter van het IJzerbedevaartcomité. In 1921 viel de Gentse Frontpartij terug op een 6000-tal stemmen, waarvan slechts 1500 in de stad. Maes, die bij de gemeenteraadsverkiezingen overigens ook slechts 3,4% gehaald had, verloor zijn zetel in het parlement. In die periode barstte ook de tegenstelling tussen democratische Fronters en hardliners los. Het radicale anti-belgicisme, waartoe Boudewijn Maes zich bekende, vond in 1922 een spreekbuis in het weekblad Vlaanderen (1922-1933), dat in scherpe oppositie kwam met de leiding van de Frontpartij. Het ging electoraal verder bergaf met Maes, tot de leiding van de Frontpartij de Gentse afdeling in 1925 ontbond.

Ondertussen was de basis van het Vlaams-nationalisme verder geradicaliseerd en manifester anti-Belgisch beginnen op te treden. Dat kan men onder meer traceren in de amnestiebeweging voor veroordeelde activisten, die zich vanaf 1924 ook op straat manifesteerde. Op 16 maart 1924 organiseerde het Jacobskomiteit in Gent een manifestatie voor de vrijlating van de ter dood veroordeelde leraar August Borms, die het gezicht van de amnestiebeweging werd. De mobilisatie voor die betoging zorgde voor een incident aan de universiteit met repercussies op politiek vlak. Het AVHV spoorde de studenten onder meer met de ad valvas aan om deel te nemen aan de manifestatie. Het aanplakbiljet droeg de stempel van het rectoraat. Een groot deel van het Gentse professorenkorps beschuldigde rector Jan Heymans van medewerking aan een subversieve actie. Tijdens de volgende academieraad werd hij verplicht een motie te ondertekenen waarin hij verklaarde zijn handelwijze te betreuren. In de Senaat werd minister Pierre Nolf geïnterpelleerd. Die maakte een einde aan het conflict door te beklemtonen dat de rector te goeder trouw had gehandeld. Op de meeting in de Salle de la Bourse spraken de trotse Gentse activiste Roza de Guchtenaere, Maes en de vrijzinnige neerlandicus Antoon Jacob die tot 1917 deel had uitgemaakt van de Raad van Vlaanderen. Hij was de drijvende kracht van de amnestiebeweging en zelf was hij pas eind 1923 vrijgelaten, omdat hij weigerde af te zien van zijn politieke activiteiten. De Guchtenaere vergeleek Borms, de "Vlaamsche apostel" met Jacob van Artevelde. Hij was het slachtoffer van de Belgische regering. Wie het slachtoffer beminde, stond vijandig tegenover de beul. Er waren ongeveer 1200 personen, onder wie 150 vrouwen, op de meeting aanwezig. In de betoging nadien werden behalve Vlaamse vaandels ook spandoeken meegedragen. Op één daarvan was een veroordeelde met geboeide handen in het portaal van een gevangenis uitgebeeld. Aan de voeten van de gevangene lag een menigte met gebogen hoofd te bidden. Het martelaarschap van Borms werd op een even christelijke manier beleden toen er aan het einde van de betoging een doornenkroon werd neergelegd aan het standbeeld van Jacob van Artevelde.

Enigszins vergelijkbaar met de burgerlijke begrafenissen in de 19de eeuw bestond in de jaren 1920 een tendens om begrafenissen van verbannen activisten tot politieke manifestaties om te vormen. Dat gebeurde met succes ter gelegenheid van de begrafenis van Dr. Alfons Depla in Kortrijk op 18 oktober 1924. Toen de Gentse activisten die vorm van informeel eerherstel in januari 1925 wilden overdoen met de overleden Hippoliet Meert, legden zij dat weinig diplomatisch aan boord en moest de Gentse politie hardhandig optreden om de lijkstoet uiteen te drijven.

Het anti-belgicisme werd tijdens de jaren 1930 verder uitgebouwd door het Verdinaso en het VNV. De Guchtenaere en Maes gingen de radicaal-Dietse toer op met hun bladen De Voorpost en De Dietsche Voorpost, maar verzetten zich tegen beide Nieuwe Orde-partijen. Voor vrijzinnigheid was in deze sociaal-conservatieve en ultrakatholiek geïnspireerde groeperingen geen plaats. De latere Verdinaso-leider Joris van Severen vond in Gent een medestander in de figuur van de schrijver Wies Moens, die uit het activisme kwam. Moens was in 1927 lijsttrekker van het lokale Gentse Vlaamsch Nationaal Verbond (niet te verwarren met het VNV dat in 1933 werd opgericht), dat de steun kreeg van het weekblad Vlaanderen (1922-1933). Hij haalde amper 4,3% op een moment dat het Vlaams-nationalisme elders goed van de grond kwam. In 1931 stichtte Moens samen met Van Severen het Verdinaso, dat in Gent over een kleine harde kern zou beschikken. De Gentenaar Jef François, eveneens een gewezen activist, werd leider van de Dinaso Militanten Orde, een fascistische militie die geregeld in een gewelddadig treffen met linkse antifascisten verwikkeld raakte. In Gent was dat bijvoorbeeld het geval bij de opening van het Dinasohuis – bijgenaamd het Hitlerkot – aan de Korte Meer op 23 september 1933.

Het boegbeeld van het Gentse VNV was de historicus Hendrik Elias. In 1932 trok hij nog de lijst van de democratische en federalistische Vlaamsch Nationale Volkspartij (VNVP), die in het arrondissement meer dan 15.000 stemmen haalde. Hij behaalde zelf echter slechts 424 voorkeurstemmen, terwijl de tweede man op de lijst, de Maldegemse populist Jozef de Lille, meer dan 7000 naamstemmen kreeg. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in hetzelfde jaar werd Elias niet verkozen. Hij stapte in 1933 met zijn VNVP-afdeling zonder problemen over naar het autoritaire VNV van Staf de Clercq over. Electoraal gezien was Gent allesbehalve een wingewest. Pas in 1938 slaagden de Vlaams-nationalisten erin iemand te laten verkiezen in de gemeenteraad: de VNV'er Amaat Bockaert, schoonzoon van Frans Daels, die in zijn maidenspeech de stedelijke subsidie aan de Koninklijke Franse Schouwburg onder vuur nam, maar verder zelden aanwezig was tijdens de zittingen, laat staan dat hij er zijn mond opendeed.

Toen het VNV vanaf 1937 ook elders in Vlaanderen sterker geïsoleerd raakte, steeg de behoefte om zich te manifesteren en begon het zijn landdagen in Gent te organiseren. In 1939 kreeg de publieke manifestatie na de VNV-landdag tegenwind van de publieke opinie. Die werd aangeblazen door Vooruit, die een antidemocratische partij de betogingsvrijheid niet gunde: "Moest (het VNV) aan het bewind komen, dan was het gedaan met de vrijheid voor allen in Vlaanderen." De campagne kreeg de steun van 22 professoren en assistenten van de Gentse universiteit, maar de autoriteiten vonden het raadzaam de optocht van 21 mei 1939 toch niet te verbieden.

Bijna dag op dag een jaar later waren de Duitsers weer in Gent. De bezettingsgeschiedenis zou zich herhalen. Na de meidagen werd Elias weggelachen toen hij publiek verkondigde dat zich 'geen tweede activisme' mocht voordoen. Vele VNV'ers hadden toen al contact opgenomen met de lokale bezetter om samen te werken. De nationale top van het VNV was even happig om mee te proeven van de macht, die overigens het liefst niet met andere groepen gedeeld werd. De Clercq legde het lot van zijn beweging zonder dralen in handen van de Führer aller Germanen en voerde vanaf de herfst van 1940 de volledige nazificering door. De meer gematigde VNV-leiders boden nauwelijks weerstand, integendeel: in september 1940 traden de Gentenaars Frans Daels en de oogarts Reimond Speleers tot de leiding toe. Elias werd in december 1940 burgemeester van Gent en na de dood van De Clercq in oktober 1942 leider van het VNV. De Gentse dominicaan Jules Callewaert was een spreekbuis van kritiek op de collaboratie met het nationaal-socialisme, onder meer met een publiek gemaakte brief uit 1943, die gericht was tegen de slappe politiek van de leiding tegenover de SS. De interne oppositie binnen het VNV, waarvan Gent met arrondissementsleider August de Wilde een centrum vormde, werd snel en efficiënt de kop ingedrukt.

De collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog leverde niets van de orde van een von Bissing Universiteit op. De V.B. had er wel een nog moeilijker te verwerken trauma bij.

Bij gebrek aan historisch onderzoek over de Gentse casus blijft de naoorlogse geschiedenis onbelicht.

Literatuur

M. de Vroede, 'Het orangisme in de Vlaamse beweging', in Nieuw Vlaams Tijdschrift, nr. 2 (1948), p. 964-995; 
L. Wils, 'Bijdrage tot de geschiedenis van de Gentse arbeidersbeweging', in De Gids op Maatschappelijk Gebied (1958), p. 335-345; 
J. Smeyers, Vlaams taal- en volksbewustzijn in het Zuidnederlandse geestesleven van de 18de eeuw, 1959; 
L. Wils, 'Het oudste Gentse arbeidersweekblad: Het Werkverbond 1860-1862', in De Gids op Maatschappelijk Gebied (1960), p. 779-789; 
id., 'Tussen taalstrijd en arbeidersbeweging: de 'onafhankelijke volkspartij' in de jaren 1860', in Bijdragen tot de Geschiedenis (1961), p. 147-184; 
A. Cardon, De reakties in de Gentse pers op de Vlaamse beweging (Vooruit, Het Volk, Le Bien Public, La Flandre Libérale, Het Volksbelang), 1893-1914, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1966; 
T. Luykx, 'De tweetalige zgn. Nolf-universiteit te Gent (1923-1930)', in Hoofdmomenten uit de ontwikkeling van de Gentse Rijksuniversiteit (1817-1967), 1967, p. 93-117; 
G. Provoost, 'De parlementaire strijd voor de volledige vervlaamsing van de RUG in 1930', in Hoofdmomenten uit de ontwikkeling van de Gentse Rijksuniversiteit (1817-1967), 1967, p. 118-135; 
A. Deprez, Kroniek van Dr. F.A. Snellaert, 1809-1872, 1972; 
L. Wils, 'De verhouding tussen Vlaamse beweging en arbeidersbeweging in Gent', in De Leiegouw, jg. 14, nr. 2 (1972), p. 199-223; 
F. Dooremont, De houding van de politieke partijen te Gent tegenover de Vlaamse beweging 1919-1925, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1974; 
E. Durnez, L'Association Flamande pour la Vulgarisation de la Langue Française. Een verzetsbeweging tegen de vernederlandsing van de Rijksuniversiteit te Gent (1898-1914), RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1974; 
H. van Velthoven, 'Onenigheid in de Belgische Werkliedenpartij: de Vlaamse kwestie wordt een vrije kwestie (1894-1914)', in BTNG, jg. 5, nr. 1-2 (1974), p. 123-165; 
L. Wils, Flamenpolitik en aktivisme, 1974; 
E. Langendries, De weerslag van de Vlaamse beweging op de Gentse politiek (1900-1912), RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1975; 
E. Boels, Het Vlaams Nationaal Verbond in het arrondissement Gent-Eeklo (1932-1940), RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1976; 
H. Balthazar, Het taalminnend studentengenootschap 't Zal Wel Gaan (1852-1977) (Uit het verleden van de RUG, nr. 3, 1977); 
H. Bossaert, Julius Mac Leod en de vervlaamsing (Uit het verleden van de RUG, nr. 4, 1977); 
M. Cogge, Het Algemeen Nederlands Verbond, Gentse tak: 1895-1914, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1978; 
J. Craeybeckx, Arbeidersbeweging en Vlaamsgezindheid voor de Eerste Wereldoorlog, 1978; 
R. Depaepe, De vervlaamsing van de Gentse universiteit in de spiegel van de Gentse en Antwerpse opiniepers (1910-1921), RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1979; 
M. Reynebeau, De Gentse universiteit als katalysator in het politieke groeiproces (1846-1870) (Uit het verleden van de RUG, nr. 10, 1979); 
H. Balthazar, 'De identiteit van het flamingantisme', in Het boek van België. Een controversieel portret van cultureel België, 1980; 
id., De weg naar de vernederlandsing van de R.U.G. Gent, 1980; 
K. de Clerck, Kroniek van de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit, 1980; 
J. Huysmans, Pour le maintien de la culture française en Flandre. De reaktie van de Franssprekende elite op de sociale veranderingen na Wereldoorlog I. Haar houding ten opzichte van de vernederlandsing van het openbare leven. Gent, 1918-1940, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1980; 
M. Reynebeau, 'De kiescijnsverlaging van 1848 en de politieke ontwikkeling te Gent tot 1869', in BTNG, jg. 11, nr. 3 (1980), p. 261-306; 
F. Simon, 'De verfransing van het stedelijk lager onderwijs te Gent (1867-1872)', in WT, jg. 39, nr. 3 (1980), p. 153-166; 
Een vreemde eend in de Belgische bijt. Gent in de periode 1830-1860, 1980; 
M. Reynebeau, 'Het Vlaemsch Verbond als politiek experiment (Gent, 1861-1862)', in Bijdragen en Mededelingen tot de Geschiedenis der Nederlanden, jg. 96, nr. 3 (1981), p. 491-208; 
H. van Velthoven, De Vlaamse kwestie 1830-1914. Macht en onmacht van de Vlaamsgezinden, 1982; 
E. de Boeve, Het Jongvlaamse aktivisme te Gent (1914-1918), RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1982; 
D. van Damme, Universiteit en volksontwikkeling. Het `Hooger onderwijs voor het volk' aan de Gentse universiteit (1892-1914) (Uit het verleden van de RUG, nr. 14, 1983); 
Gentse torens achter rook van schoorstenen. Gent in de periode 1860-1895, 1983; 
L. Claus, De houding van de Franstalige pers te Gent tegenover de Vlaamse beweging, 11 september 1918 
26 mei 1929, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1984; 
E Langendries, De 'Vlaamsche Hoogeschool' te Gent (1916-1918) (Uit het verleden van de RUG, nr. 19, 1984); 
J. Verschaeren, Julius Vuylsteke 1836-1903. Klauwaard en Geus, 1984; 
id., 'La Flandre Libérale en de Vlaamse beweging (1874-1884)', in WT, jg. 43, nr. 3 (1984), p. 129-141; 
D. Gaublomme, Macht en onmacht van de verschillende liberale fracties te Gent aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog (1910-1914), RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1985; 
J. Vannieuwenhuyse, Gent in de oorlogsjaren 1940-1945 (Stadsarchief. Museum Arnold vander Haeghen), 1985; 
W. Rombauts en M. Hoebeke, De Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (1886-1986), 1986; 
D. Vanacker, 'Een politieke begrafenis', in WT, jg. 45, nr. 4 (1986), p. 241-243; 
id., 'De verfransing te Gent', in WT, jg. 46, nr. 1 (1987), p. 1-16; 
A. Capiteyn, Gent in weelde herboren. Wereldtentoonstelling 1913, 1988; 
G. Vanschoenbeek, Mijnheer Emiel. Leven en werk van Emiel Moyson (1838-1868), vrijdenker, flamingant en socialist. De lotgevallen van een intellectueel in de arbeidersbeweging, 1988; 
D. Verkinderen, Het Van Crombrugghe's Genootschap van 1857 tot 1875, 1988; 
J. Decavele (red.), Gent, apologie van een rebelse stad, 1989; 
H. van Goethem, De taaltoestanden in het Vlaams-Belgisch gerecht, 1795-1935, 1990; 
E.C. Coppens, Paul Fredericq, 1990; 
D. Martin, Het lokale politieke personeel, 1918-1940. Proeve van een comparatief onderzoek naar politiek-electorale en socio-demografische kenmerken van kandidaat-gemeenteraadsleden te Gent en te Antwerpen in de politieke context van het interbellum, VUB, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, 1990; 
L. Vandeweyer, 'Boudewijn Maes als Vlaams-nationalistisch politicus in het arrondissement Gent-Eeklo 1918-1933', in WT, jg. 49, nr. 4 (1990), p. 230-245; 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991; 
Gent en de Eerste Wereldoorlog. Het stadsleven in de jaren 1914-1918, 1991; 
G. Deneckere, Sire, het volk mort. Collectieve actie in de sociale geschiedenis van de Belgische staat (1831-1940), RUG, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, 1993; 
D. Martin, De Rijksuniversiteit Gent tijdens de bezetting 1940-44. Leven met de vijand (Uit het verleden van de RUG, nr. 21, 1993); 
L. Boeva, "Pour les flamands la même chose". Hoe de taalgrens ook een sociale grens was, 1994; 
G. Deneckere, 'Turbulentie rond de vernederlandsing van de Gentse universiteit na de Eerste Wereldoorlog. Analyse van een besluitvormingsproces', in Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, jg. 48 (1994), p. 201-231; 
K. Devolder, Gij die door 't volk gekozen zijt... De Gentse gemeenteraad en haar leden, 1830-1914, 1994; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
A. Capiteyn (red.), Interbellum in Gent 1919-1939, 1995; 
L. François, '"Liberaal en socialist zijn slechts voornamen". Het politieke leven op het Stadhuis', in A. Capiteyn (red.), Interbellum in Gent 1919-1939, 1995, p. 45-57; 
E. Langendries, '"Nu naar de Vlaamsche Hoogeschool!" De laatste fase van de strijd voor de vernederlandsing', in A. Capiteyn (red.), Interbellum in Gent 1919-1939, 1995, p. 139-151; 
B. de Wever, 'Vlaams-nationalisme in de Gentse regio, 1914-1945', in Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, jg. 49 (1995), p. 265-281.

Auteur(s)

Gita Deneckere