Gelijkheidswet

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Na de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht (1894) groeide in de Kamers een Vlaamsgezinde consensus voor het gebruik van het Nederlands tijdens de debatten en tot erkenning van het Nederlands naast het Frans als staatstaal.

Dit laatste noodzaakte een wijziging van de wetten van 19 september 1831 en van 28 februari 1845, die alleen de Franse versie van de wetten als officieel erkenden. Initiatieven van Juliaan de Vriendt en Edward Coremans om het wetgevende werk aan te passen aan de gevolgen van de democratisering van het stemrecht (zijnde meer Vlaamsgezinde vertegenwoordigers in het parlement), leidden in de Kamer tot het wetsvoorstel-De Vriendt-Coremans. Dit voorstel werd op 17 juli 1895 in de commissie goedgekeurd. Na de parlementsverkiezingen van juli 1896 werd het op 19 november met een grote meerderheid door de Kamer aanvaard (92 ja, drie neen, één onthouding). Daarop begon in het land een Fransgezinde agitatie met een Vlaamsgezinde reactie als gevolg. Al snel bleek dat de voorstanders van de wet, gesteund door de katholieke regering, aanstuurden op een politiek van volledige tweetaligheid in België. In de Senaat stemden daarom bijna alle Walen tegen het wetsvoorstel (37 op 38). Op 5 februari 1897 aanvaardden zij wel een amendement van Jules Lejeune waardoor bij twijfel of onenigheid enkel de Franstalige wetteksten rechtsgeldig bleven; de Nederlandstalige behielden slechts de waarde van officiële vertaling. Het voorstel ging daarop terug naar de Kamer.

In de V.B. werd over alle levensbeschouwelijke tegenstellingen heen hevig gereageerd en gemobiliseerd tegen dit amendement; katholieken, liberalen en socialisten schaarden zich achter de eis van princiële gelijkheid van beide talen. De grote betoging in Schaarbeek symboliseerde deze hernieuwde eensgezindheid in de V.B. Naar aanleiding van deze en andere flamingantische betogingen componeerde Peter Benoit het Strijdlied der Vlamingen.

Onder druk van de Waalse agitatie gaven de katholieken de idee van tweetaligheid uiteindelijk op, zodat het wetsvoorstel opnieuw door de Kamer (18 maart 1898) en, met een kleine meerderheid door de Senaat (15 april 1898) werd aangenomen.

Door deze wet, door de Vlaamsgezinden Gelijkheidswet genoemd, werden voortaan de Belgische wetten zowel in het Nederlands als in het Frans gestemd, bekrachtigd, afgekondigd en bekendgemaakt.

Literatuur

L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, I, 1977; 
H. van Velthoven, De Vlaamse kwestie 1830-1914. Macht en onmacht van de Vlaamsgezinden, 1982; 
T. Luykx, 'De Vlaamse kwestie en de Gelijkheidswet (18 april 1898)', in T. Luykx en M. Platel, Politieke geschiedenis van België, 19854, p. 222-224; 
T. Raeymaekers, De politieke strijd om de Gelijkheidswet (1894-1898), RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1998.

Verwijzingen

zie: bestuur, Nederduitsche Bond, taalpolitiek en -wetgeving.

Auteur(s)

Gert van Overloop; Timothy Raeymaekers