Frontbeweging

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Het staat vast dat de Eerste Wereldoorlog een cruciale periode was in de ontwikkeling van het Vlaams-nationalisme. Naast het activisme in het bezette land ontwikkelde zich in de loopgraven en kampen achter het IJzerfront de Frontbeweging. Haar invloed werkt door tot op de huidige dag. De vraag is wat er werkelijk gebeurde aan het IJzerfront. Daar is niet altijd een concreet, eenduidig en onomstotelijk antwoord op te geven omdat deze agitatie zich grotendeels in het geheim afspeelde en er dus weinig geschreven bronnen zijn. Ook hebben veel protagonisten hun hele leven strijdbaar in de V.B. gestaan en hun herinneringen om politieke redenen, bewust of onbewust, bijgekleurd of geselecteerd. Toch zijn op basis van recent historisch onderzoek enkele stevig onderbouwde vaststellingen mogelijk.

De Duitse inval

Dat het Belgische grondgebied niet zou gespaard blijven bij een komende oorlog, wist men in de hoogste kringen al van in 1912. In de zomer van 1914 eiste Duitsland vrije doortocht voor zijn legers. België weigerde die te verlenen. De Duitsers stoorden zich daar niet aan en schonden de neutraliteit op 4 augustus. Het leger zou de invallers bestrijden, gestimuleerd door een geweldige opflakkering van het Belgisch nationaal gevoel.

Koning Albert I riep de Vlamingen op om de Guldensporenslag te gedenken en wees de Luikerwalen op de opoffering van de zeshonderd Franchimontezen. Daarmee leek hij het bestaan van 'Vlamingen' als entiteit te erkennen binnen de Belgische nationale bezieling. Die uitspraak viel niet in dovemansoren. De Vlaamsgezinden deden in patriottische vervoering niet onder voor de Franstaligen. De Gentenaar Alfons Sevens liet er in zijn Witte Kaproen geen twijfel over bestaan dat de gevoelens van sympathie voor Duitsland bij de flaminganten verdwenen waren: "Zouden de Duitsers in hun zotte overmoed gedacht hebben, dat de Vlamingen een ogenblik zouden geaarzeld hebben naar de grenzen te vliegen, omdat zij een verre loot zijn van de Germaanse stamboom?" Vele jonge Vlaamsgezinden werden oorlogsvrijwilliger en bewezen daarmee in Sevens' ogen de loosheid van de talrijke vooroorlogse beschuldigingen van pan-Germanisme. "De Vlamingen hebben eens en voor altijd bewezen, dat, niettegenstaande alle valse beweringen, die hen in het wezen werden geslingerd, zij onvervalste vaderlanders zijn, die België met hand en tand van gelijk welke vreemde overheersing willen vrijvechten." Helemaal vrijblijvend was die Belgische bezieling niet. Sevens hoopte dat de militaire inzet van de Vlamingen een basis zou leggen voor nieuwe taalwetgevingen als de strijd eenmaal voorbij zou zijn. Dat zou dan gebeuren in samenwerking met de Walen, want hun wallingantisme (Waalse Beweging) was de laatste jaren sterk gegroeid: "Als de oorlog zal over zijn, zullen onze broeders de Walen... de eersten zijn, om de billijkheid van onze strijd te herkennen. Een duurzame vrede tussen de twee rassen die België bewonen zal tot stand komen tot spijt van alle Vlaamshaters en taalaristocraten."

Alle in België aanwezige politieke en sociale stromingen hebben gehoopt dat de oorlog hun dienstig zou zijn bij het verwezenlijken van hun doelstellingen. De flaminganten waren daarin niet anders dan de anderen. Dat deze groepen botsende belangen hadden werd slechts weinig onderkend, omdat de gemeenschappelijke patriottische bezieling en de afspraak om de onderlinge politieke meningsverschillen te laten rusten tot de Duitsers verdreven waren, dit grotendeels verdoezelden. Door de jarenlang voortdurende oorlog zou deze consensus evenwel wat afbrokkelen. Maar dat uit de oorlog iets geweldigs kon geboren worden was een overtuiging die bij vele militanten had postgevat. De gevechten speelden zich af op een schaal die nog nooit was vertoond. Dat zorgde voor spanning en intense opwinding. De West-Vlaamse priester en het boegbeeld van de flaminganten Cyriel Verschaeve droomde van al de verheven deugden die zich nu konden uiten en schreef aan zijn vriend Jozef Lootens: "Ik ben er haast trots op als mens, dat mensenmenigte tot zulk een volharding bekwaam zijn, en ben nieuwsgierig zonder einde om eens nader kennis te nemen met 't verloop van die geweldige strijd. Ik belijd het: 'k ben bedrogen in mijn tijd, en 'k dacht de mensheid van heden ten dage van veel weker stof gemaakt." Hij was er blij om dat hij getuige mocht zijn "van zulk een sterkte van lichamen en zielen... God heeft de zaken goed gedaan en 'k geloof dat hij met de vlijmen van de oorlog veel kleinheid, veel halfheid en veel rotheid uit de wereld aan het snijden is; ook uit ons volk. Mocht ik niet missen en mocht er uit het drakentandenzaad van de oorlog, gelijk weleer in de Griekse mythologie, een schoon ras van mensen, die groot zijn in liefde, groeien".

De werkelijkheid was heel wat minder heroïsch. Na enkele maanden zou het uitgedunde en sterk verzwakte Belgisch leger over de Schelde vluchten en respijt zoeken op een kleine uithoek vaderlandse bodem achter het riviertje de IJzer. Daar zouden de soldaten zich onder leiding van koning Albert I ingraven en vier jaar lang standhouden. Vele honderdduizenden vluchtelingen vestigden zich in Frankrijk, Nederland en Engeland. De regering had zich teruggetrokken in Le Havre.

De haat tegen de Duitsers primeerde maar het oude wantrouwen tegenover het Belgisch leger was bij de Vlaamsgezinden niet verdwenen. De taalgrensmilitant en opgeroepen reservist Staf de Clercq schreef op 7 oktober 1914 al aan Jozef Goossenaerts, dat hij vermoedde dat de officieren de "denkende" Vlamingen soms bewust met gevaarlijke opdrachten belastten. Het was een heel vroeg voorbeeld van argwaan en ongenoegen. Dit soort verhalen over wantoestanden in de krijgsmacht waren belangrijk want zij sijpelden door naar de geestesgenoten buiten het leger, bij de vluchtelingen en in het bezette land. Ook August Borms besloot in februari 1915 terug actief flamingant te worden, daartoe onder meer aangezet door een gelijkaardige brief van het front vanwege oorlogsvrijwilliger en secretaris van de Merksemse Groeningerwacht August Willekens, met wie hij bevriend was. Bovendien sijpelden geruchten door, ondersteund door enkele citaten, over wallinganten die de oorlog wilden gebruiken om de taalverworvenheden van de V.B. terug te schroeven en ook die verhoogden uiteraard de opwinding. Het staat overigens vast dat de Duitse geheime dienst deze irritaties doelbewust aanwakkerde.

Het Belgisch leger

Dat er al na korte tijd ongenoegen kon groeien over de toestanden in het leger ligt aan verscheidene factoren. Zo was het kader niet gewend met mondige intellectuelen om te gaan. Het Belgisch leger was een strijdmacht die organisatorisch en maatschappelijk de moderniseringstrend van de legers van de naburige grootmachten, slechts laat en schoorvoetend had gevolgd. Vlak voor de oorlog was er wel een wet gestemd over de persoonlijke dienstplicht maar het kader was nog volledig ingesteld op het lotelingenleger met plaatsvervanging. Een van de gevolgen daarvan was dat er een zeer groot sociaal onderscheid was tussen het officierenkader en de soldaten, die uit de lagere klassen afkomstig waren. Nu was er plots een flink aantal soldaten dat college of universiteit achter de rug had.

Een ander belangrijk punt was de ideologische en sociale samenstelling van het kader. De vrijzinnige component was daar sterk vertegenwoordigd. De voertaal was Frans. De Vlaamsgezinde intellectuele burgerij was in de officierenwereld vrijwel niet vertegenwoordigd. Er was bovendien van oudsher een sterke antimilitaristische geest aanwezig bij de katholieke middenklasse en de lagere klassen hetgeen het wederzijdse onbegrip natuurlijk vergrootte. Bovendien waren de meeste flaminganten, afkomstig uit een beschermd plattelandsmilieu, niet gewend om met vrijzinnigen om te gaan. Het omgekeerde was al evenmin het geval. Daarbij kwam dat in het leger bevelen worden gegeven en discipline moet heersen, hetgeen de deur openzette voor pesterijen en vernederingen. De strikte hiërarchie zorgde ervoor dat hogere rangen niet noodzakelijk 'verplicht' werden om begrip op te brengen voor hun ondergeschikten. Daarnaast had de oorlog verschrikkelijke vernielingen aangericht en vele duizenden landgenoten, burgers en militairen, het leven gekost. Was het wel zo verstandig geweest om de oorlog in te gaan en dan nog als bondgenoot van de door vele katholieke flaminganten verafschuwde Fransen en de perfide Britten die de Boerenrepublieken in Zuid-Afrika hadden vernietigd? Velen hebben zich op een bepaald ogenblik afgevraagd of dit wel "onze" oorlog was.

De eerste ergernissen

Het IJzerfront kon gestabiliseerd worden op het einde van 1914, toen de winter voor de deur stond. Begin 1915 begonnen de eerste taalklachten op te duiken bij flamingantische intellectuelen die regelmatig contact hadden met frontsoldaten. De regering wist blijkbaar nog van niets.

Men kan zichafvragen of dit niet samenhing met een zekere malaise bij de sterk uitgedunde en materieel slecht uitgeruste troepen. Frans Strubbe, die later actief zou worden in de Frontbeweging, maakte deel uit van het tweede contingent rekruten dat het veldleger ging vervoegen in april 1915. Zijn eerste indruk van zijn 18de Linieregiment was "de defaitistische, morele inzinking der oude soldaten, die op dit ogenblik het onmenselijk oorlogsbedrijf reeds in 't diepst van hun hart verfoeiden en verafschuwden. Ook kregen wij geen woorden van gelukwensen en kameraadschappelijk blijde welkom te horen, maar veeleer strenge afkeuring en van misprijzen om ons naïef enthousiasme en onze offervaardigheid." Het zal niet overal zo erg geweest zijn want de haat tegen de Duitse invaller bleef de soldaten aanvuren. Maar toch, er was een zekere malaise.

Voor een stuk kwam dat omdat de ontspanning van de troepen door de militaire overheid onvoldoende begeleid werd. En dat terwijl het soldatenleven voornamelijk bestond uit erg stereotiepe opdrachten en vervelende wachtdiensten. De flamingantische intellectuelen – ze zagen zichzelf uitdrukkelijk als een elite – gingen het nu als hun plicht beschouwen om de soldaten een zekere vorming te geven, hen op te voeden en een zekere bescherming te bieden tegen al te willekeurige oversten. Ook wilden zij hun taalrechten verdedigen. Hun motivatie kwam bijna altijd voort uit hun godsdienstige overtuiging. Zij waren erop gebrand de normen en opvattingen die zij van huis uit hadden meegekregen inzake seksueel gedrag en katholiek geloof zoveel mogelijk te bewaren. Het taalgebruik maakte daar onlosmakelijk deel van uit.

Er verschenen meer klachten in de pers vanaf de zomer van 1915. Het was onaanvaardbaar dat de jongens naar de dood werden gevoerd door bevelhebbers die hun taal niet verstonden of niet wilden gebruiken. En als ze gesneuveld waren kregen ze niet eens een Nederlandstalig opschrift op hun kruis. Katholieke politici zoals Frans van Cauwelaert en Alfons van de Perre, begonnen te beseffen dat het ongenoegen groeide en dat de regering maatregelen moest nemen. Zij oefenden druk uit in die zin en deden ook pogingen om de koning te wijzen op de gegrondheid en de politieke draagwijdte van de klachten. In de regering kregen zij enige steun van de katholieke ministers Prosper Poullet, Aloïs van de Vyvere en Joris Helleputte. De flaminganten waren evenwel al een minderheid binnen de katholieke partij. Bovendien zag het officierenkorps van oudsher in de eentaligheid een van de fundamenten voor de efficiëntie van zijn bevelvoering.

Ondertussen zorgde de collaboratie van een aantal Vlamingen met de Duitse bezetter voor ergernis. Deze collaboratie werd meteen bekendgemaakt door een hevig verontwaardigde Belgische emigrantenpers. Dit snelgroeiende activisme verscherpte de al bestaande afkeer van de militaire kaders voor alles wat zich flamingantisch opstelde. Het activisme verantwoordde zichzelf immers met een flamingantische retoriek. Het begon gemene opmerkingen te regenen in de kampementen en loopgraven. De soldaten die daarvan het slachtoffer waren verschansten zich des temeer in een fel afwijzen van de francofone dominantie en zij plaatsten vraagtekens bij de opgeklopte 'Belgische' vaderlandsliefde in de vluchtelingenpers en bij de strijdkrachten. Deze kregen immers hoe langer hoe meer een anti-Vlaams karakter. Hilaire Gravez, een van de leiders van de Frontbeweging, herinnerde zich vijftien jaar na het einde van de oorlog nog goed hoe het activisme inwerkte op de sfeer aan het front: "Het werd nog erger toen de eerste geruchten van het activisme tot op het IJzerfront doordrongen. De officieren wilden geen Vlaams meer spreken, ze scholden op 'les flamins et les flamboches'. Ze spraken van 'd'exterminer tous les flamingants'." De V.B. kreeg in hun officierenogen het gezicht van een staatsgevaarlijke activiteit. Dat was niet helemaal ongegrond. Her en der waren er individuen die Vlaamsgezindheid lieten primeren, "boven vaderlandsliefde, boven de godsdienst zelf" zoals aalmoezenier August Nobels aan Maria Belpaire vertelde. Dat dit in belangrijke mate het gevolg was van de houding die het kader aannam, is duidelijk. De golf van klachten betreffende het taalgebruik in de strijdkrachten evolueerde dus snel tot een ernstig conflict met een deels levensbeschouwelijke inhoud. Daarbij speelde de Duitse vijand, via het activisme, een belangrijke aanvurende rol. Zonder ingrijpen van hogerhand, van koning en regering, zou het conflict verder verscherpen. Gelet op de respectievelijke machtsposities zouden de officieren ongetwijfeld het pleit winnen en de katholiek-flamingantische tegenelite, die zich aan het vormen was binnen de strijdkrachten, elimineren. Voor de katholieke partij zou dat tevens het verlies betekenen van een belangrijk deel van haar toekomstige partijkaders in Vlaanderen.

Vanuit het oogpunt van de politieke partijen stonden er dus grote belangen op het spel. De Frontbeweging liquideren betekende de katholieke partij verzwakken en dus de politieke macht van de vrijzinnigheid vergroten. Die katholieke partij was hopeloos verdeeld. Heel wat francofone katholieke politici, mede gedreven door Belgische bezieling en aangevuurd door hun afkeer voor het activisme, stelden zich antiflamingantisch, en dus anti-Frontbeweging op. Zij hoopten dat dit hun positie binnen de katholieke partij zou versterken. Voor een aantal onder hen was daar ook nog de vrees in de toekomst al te veel politieke macht te moeten toeschuiven aan de vertegenwoordigers van de arbeiders- en boerenstand die zich inderdaad veel flamingantischer opstelden dan de katholieke hogere burgerij die vóór de oorlog de partij domineerde.

Voor de samenhang van de Belgische natie was het nochtans van belang om de flaminganten tegemoet te komen. De regering kon een belofte doen voor na de oorlog en alvast de bestaande taalwetgeving doen toepassen in de strijdkrachten, zoals Van Cauwelaert vroeg. Zij deed dat niet en weigerde zelfs openlijk om ook maar één toegeving te doen, daarbij verwijzend naar de Godsvrede-belofte van augustus 1914 die de onderlinge politieke strijd had opgeschort tot na de oorlog. Ergerlijk was dat zelfs de bestaande taalwetgeving niet werd toegepast met de oorlogstoestand als argument. De regering verspeelde daardoor de kans om de wervingskracht van het activisme af te remmen. Maar ook de Frontbeweging hoefde geen hoop te koesteren. De katholieke regeringsleider Charles de Broqueville toonde zich niet erg attent voor de Vlaamsgezinden en iedereen wist dat hij aanleunde bij Le XXe Siècle, een Franstalige katholieke krant die fel fulmineerde tegen de V.B. De drie Vlaamsgezinde ministers in de regering waren in de minderheid. Die regering zou nog minder te beïnvloeden zijn toen zij op 18 januari 1916 werd uitgebreid en omgevormd tot een regering van nationale unie met liberale en socialistische excellenties. Dat betekende dat het francofone overwicht nog gevoelig versterkt werd. De officieren lieten zich overigens aan de regering niet veel gelegen liggen. De man die in het leger de touwtjes in handen had was koning Albert I. Die schermde de strijdkrachten doelbewust af van de invloed van de ministers. Van Cauwelaert en zijn vrienden-politici deden nochtans hun best om de vorst te overtuigen van het belang van toegevingen aan de V.B. Koning Albert I was heel vriendelijk en toonde ogenschijnlijk veel begrip maar stuurde de klagers in feite gewoon wandelen. De vorst liet de belangen van de dynastie primeren. Hij dacht er niet aan om het officierenkorps, in oorlogstijd per definitie een uitermate belangrijke factor, voor het hoofd te stoten door het doorvoeren van taalmaatregelen. Ook in de waarschijnlijk erg woelige naoorlogse periode wou hij op hen kunnen rekenen. Hij had bovendien een fundamentel misprijzen voor de ministers, "ces pygmées", en voor politici in het algemeen. Hij wilde flaminganten en socialisten, de vertegenwoordigers van de arbeiders, de boeren en de kleine burgerij, zo ver mogelijk weghouden van de politieke macht. In partijtermen gesteld opteerde hij voor steun aan de fel-anti-Vlaamse liberale partij omdat die het best aan zijn doelstellingen beantwoordde. De socialisten wilde hij wel paaien voor zover hij ze voor zijn politieke strategie nodig had en om revolutionairen van links – die hij gevaarlijk achtte – de pas af te snijden. Van de flaminganten vijanden maken, had het voordeel dat de katholieke partij verzwakt werd en de francofonie versterkt.

Toch was koning Albert I er karakterieel de man niet naar om de zaken door ostentatieve zetten op de spits te drijven en zichzelf openlijk te positioneren in dit conflict. Hij werkte liever achter de schermen en via tussenpersonen. Hij begreep dat hij er alles bij te winnen had om tegen iedereen vriendelijk en verbaal tegemoetkomend te zijn. In het leger en bij de vluchtelingen werd een krachtige royalistische propaganda gevoerd die zich concentreerde op het mythische beeld van de koning-ridder. In omzendbrieven werd wel eens verwezen naar de taalwet van 1913 maar in weinig dwingende termen. Deze brieven zouden niet veel veranderen aan de geplogenheden in het officierenkorps. Het antiflamingantisme nam verder toe. De kaders wisten dat ze in hun verachting en afwijzende houding gesteund werden door de koning en hun generaals. De Vlaamse kranten die wat te fel klaagden, hing een verbod om in het leger verkocht te mogen worden, boven het hoofd. De flaminganten in uniform waren al slachtoffer van pesterijen. Naarmate hun standpunten scherper werden, werd gedreigd met een harde repressie. Gedurende de relatief rustige jaren 1915 en 1916 hadden zij zich verenigd en georganiseerd zodat een echte Frontbeweging was ontstaan.

Het begin: Frontblaadjes en studiekringen

Katholieke intellectuelen vonden elkaar op het moment dat de Belgische linies in de winter van 1914-1915 gestabiliseerd waren. Het werd duidelijk dat de stellingenoorlog nog een hele tijd zou kunnen duren en er kwam nu tijd vrij voor activiteiten buiten de militaire dienst. Hoezeer deze mensen een bepaald ideologisch en godsdienstig levenspatroon wilden beveiligen, blijkt uit het feit dat zij in de eerste plaats gebedenbonden oprichtten voor de soldaten. In dit verband moeten de namen van Hilaire Gravez, Frans Daels, Cyriel Verschaeve en anderen worden vermeld. Het was overigens niet alleen de vervreemding van de godsdienst en de katholieke moraal die hen zorgen baarde. Ook de verwijdering van huis en haard had een ontwrichtend effect. Om dat tegen te gaan werden tientallen frontblaadjes uitgegeven. Die probeerden de soldaten uit eenzelfde streek een contactorgaan te geven waarin berichten over henzelf en hun stad of geboortestreek verschenen. Deze drukke organisatorische activiteit werd gedragen door priesters, seminaristen, legerdokters, onderwijzers en jonge academici of studenten. Het was dezelfde basis waarop de vooroorlogse V.B. steunde.

Het dagblad De Belgische Standaard was in de beginperiode een van de voornaamste organen van de flaminganten aan en achter het front. Het blad werd gesteund door de Werken van de Belgische Standaard vanaf januari 1916. Frans Daels was de mentor van het Secretariaat der Katholieke Vlaamsche Hoogstudenten, dat vooral de studie wilde bevorderen. Daar vonden de meer radicale elementen elkaar. Deze radicalen zochten en vonden vanaf 18 september 1916 een dagelijkse spreekbuis in het dagblad Ons Vaderland. Hoezeer het zelfbewustzijn en de samenhorigheid van die flamingantische soldaten waren gegroeid, was te merken aan de oprichting van Heldenhulde op 15 augustus 1916. Deze stichting zou vanuit een katholieke inspiratie zorgen voor grafstenen voor de gesneuvelde Vlaamse soldaten. Deze waren een duidelijk en visueel waarneembaar teken dat deze mensen zich zagen als een te onderscheiden groep binnen het leger. Het was de uiting van het sterk gegroeide Vlaamse natiebesef.

Deze organisaties en de frontblaadjes deinden uit en zorgden voor onderlinge contacten over de grenzen van de legereenheden heen. Het werd een ware 'beweging' binnen het leger. De organisatorische opbouw werd bevorderd door de militaire situatie: de linies bleven stabiel en er waren aan Belgische zijde geen grote offensieven of troepenverplaatsingen.

Naarmate de Frontbeweging aan zelfbewustzijn won kwamen de politieke ambities meer op de voorgrond. In de Frontbeweging werd zeer scherp ervaren dat de francofonie machtiger werd en dat ze de Vlaamse verworvenheden op de helling zou zetten. Het werd op taalgebied zelfs zo spannend dat een groot deel van de militanten van de Frontbeweging van deze taaleisen hun hoofdzaak maakten. Tegen de achtergrond van het activisme kon dat al snel gezien worden als een gebrek aan vaderlandsliefde. De francofone agressie en arrogantie zorgden ervoor dat de pro-Belgische geluiden en de pastorale bedrijvigheid inderdaad verhoudingsgewijs naar de achtergrond verschoven.

Het flamingantisme van de Frontbeweging betekende dus een zeker gevaar voor de gevechtskracht van de troepen omdat hierdoor het gezag van de kaders in vraag werd gesteld en er in potentie activistische standpunten zouden kunnen binnensijpelen in de loopgraven en kampementen. Vanaf oktober 1916 was er een veel sterkere censuur op de frontblaadjes. Al wat kaderde in de V.B. werd geviseerd. In het begin van 1917 zou de koning een nieuwe stafchef benoemen in de persoon van generaal Louis-Hubert Ruquoy, een officier die zijn anti-Vlaamse ingesteldheid al had bewezen. Hij kreeg de opdracht het leger om te smeden tot een strijdmacht die desgevallend aan een eindoffensief zou kunnen meedoen. Ruquoy meende dat het hele soldatenleven in die zin moest geörienteerd worden. Geen bezigheden meer die 'politiek' waren en die onrust bevorderden. Het flamingantisme moest uit de legerrangen verdwijnen. Met een omzendbrief schafte hij op 11 februari 1917 alle bestaande studiekringen en aanverwante verenigingen aan het front af. Alle energie en geestkracht moest dienen voor de strijd tegen de Duitsers.

Voorts moest er een onomstreden en eenduidige leiding zijn. De Frontbeweging doorkruiste de militaire hiërarchie door zich te profileren als een tegenelite. Haar militanten contesteerden de kaders met taalargumenten en zij had een communicatienetwerk doorheen de eenheden en met katholieke politici. Ook daarom moest zij ontmanteld worden. Het gevolg van die maatregelen was dat enkel ondergronds gaan nog overbleef als uitweg. Ook die optie werd mogelijk gemaakt door het stationaire front en door het feit dat ook een aantal burgers zorgde voor contacten en materiële mogelijkheden. Naast kapelaan Verschaeve hoorden bij deze groep de burgers Selschotter en Van de Walle te Alveringem, Lommez te Isenberge, Lycke te Kruisabele, Michiel Bulckaert te Oostvleteren en Van den Ameele te De Panne. Het flamingantisme aan het front was grotendeels een geheime Frontbeweging geworden.

Een ondergrondse beweging

Dit ondergronds gaan was op zich al een stimulans tot verdere radicalisering. In de loop van 1917 werd alsmaar duidelijker dat de 'Frontbeweging' een zekere macht vertegenwoordigde. Zij had in vele eenheden militanten. In sommige regimenten stond zij sterk en in andere zwak. Luc Schepens schat het aantal aanhangers op ongeveer 5000.

Er was een legervergadering, geleid door de "ruwaard", Adiel Debeuckelaere en zijn twee "geheimschrijvers" Hendrik Borginon en Filip de Pillecyn. Voor elk van de zes legerafdelingen was er in principe een afgevaardigde en een plaatsvervanger. De namen van Jef Haché voor de Eerste, Hilaire Gravez en, vanaf mei 1918, Dirk Vansina voor de Tweede, Joris van Severen en later Jozef Simons voor de Derde, G. Verhaeghe voor de Vierde, Cesar Couvreur voor de Vijfde, Armand Suls voor de Zesde worden in de literatuur vermeld, al zijn daar weinig of geen harde bewijzen voor. Deze Frontbeweging was slechts geheim voor zover ze zich de officieren en de militaire veiligheid van het lijf wilde houden. De banden die vroeger al bestonden met de katholieke partij bleven zorgen voor het rechtstreekse contact met de regering. De leidende figuren waren bekend bij de Vlaamsgezinde volksvertegenwoordigers en ministers. Zelfs regeringsleider De Broqueville had zijn contacten. Een van de voornaamste tussenpersonen was Gustaaf Sap die als privé-secretaris bij minister Joris Helleputte werkte en die, behalve over allerlei inlichtingen, ook over een auto kon beschikken en papier kon bezorgen.

Een dergelijke activiteit was in feite maar half geheim en dus kreeg de militaire veiligheid er hoe dan ook lucht van. Het is boeiend om na te gaan welk beeld deze dienst had van de Frontbeweging. De militaire veiligheid wees met een beschuldigende vinger naar de flamingantische organisaties in Nederland. Naar de achterban van Frans van Cauwelaert en van Julius Hoste (jr.) dus, mensen die volkomen loyaal waren aan België. Vooral hun acties om de Vlaamse soldaten te bemoedigen vonden geen genade in de ogen van de militaire veiligheid. Liederboekjes, Nederlandstalige oorlogsmeters enzovoort waren allemaal vermomd activisme. Het is tekenend dat in dergelijke rapporten ook de 'normale' voortzetting van de vooroorlogse V.B., geleid door volksvertegenwoordigers en ministers, met de vinger werd gewezen als staatsgevaarlijk. Het geeft aan hoe men in legerkringen niet bereid was om een onderscheid te maken tussen het activisme zoals zich dat onder Duitse stuwing in het bezette land ontwikkelde, en de vreedzame V.B. van voor 1914. Naar die inzichten werd in het leger gehandeld. De straffen, mutaties, overplaatsingen enzovoort zorgden voor een alsmaar groeiende verbittering. De vertwijfeling sloeg toe bij vele frontmilitanten. Zij vroegen zich af of flamingantisme in een Belgische context nog mogelijk was, gelet op deze agressie.

Ondertussen veranderde de wereld. De geallieerden vochten, volgens hun propaganda, voor het recht van de kleine volkeren. De Duitsers hadden Polen onafhankelijk gemaakt. In Ierland had de paasopstand het Britse Rijk door elkaar geschud. In Rusland broeide de revolutie die het reuzenrijk op zijn grondvesten deed daveren. In het Franse leger waren er revoltes en massale deserties. Overigens werd ook het Belgisch leger in de loop van 1917 door deserties geteisterd. In 1916 waren er 1203 deserteurs, maar in 1917 al 5603. Het stimuleerde het kader slechts om des te harder op te treden tegen wat zij als subversief beschouwde: de Frontbeweging. Het is zelfs zo dat de Frontbeweging als zondebok diende. Het was gemakkelijker de schuld voor wat misging in de schoenen van de Fronters te schuiven dan te onderzoeken in hoeverre het kader in de fout ging. Het was nochtans duidelijk dat er tal van onbekwame elementen werden bevorderd.

Ondertussen weigerde de regering nog altijd hardnekkig om zelfs maar een belofte te doen voor de naoorlogse periode. Het leek erop dat de V.B. zelfs de doelen niet zou bereiken waar voor de oorlog zo hardnekking voor gestreden was en die haalbaar hadden geleken. Geen Nederlandstalige universiteit in Gent dus. Maar de Duitsers hadden die ondertussen al wel geïnstalleerd! De haat tegen de regering groeide met de dag. De welwillendheid tegenover het 'gematigde' activisme nam eveneens toe. In mei 1917 zette de legervergadering zelfbestuur als doel voorop. Dat betekende dat deze beweging, die in eerste instantie grotendeels gedragen werd door militante katholieken, haar hoofddoel volledig op de communautaire conflict-as plaatste. Er waren al vrijzinnige militanten actief maar vanaf dat ogenblik waren alle krachten welkom. Vlaamse natiegevoelens primeerden. Dit was een belangrijke stap in de verwijdering tussen Frontbeweging en katholieke partij. Hoofdaalmoezenier Marinis verbood zijn aalmoezeniers op 24 mei 1917 om nog deel te nemen aan vergaderingen betreffende de Vlaamse kwestie of nog iets te publiceren over het probleem. Hij deed dat om zijn mensen te beschermen maar het was een teken aan de wand: de Frontbeweging was een autonome politieke beweging geworden die weggroeide van de katholieke partij en van België.

Een geest van opstandigheid

Na het ondergronds gaan werd de agitatie gevoerd met pamfletten en Open Brieven waarin de eisen en de klachten in scherpe bewoordingen geformuleerd werden. Daarnaast waren er Vliegtochten die zorgden voor de verspreiding van de druksels en voor het kalken van slogans op muren en straten. Voor een dergelijke agitatie had men betrekkelijk weinig militanten nodig. De Frontbeweging liet aan de officieren en de politici voelen dat ze niet zomaar klein te krijgen was. De eerste Open Brief werd op 11 juli 1917 verspreid. Hij was opgesteld door Adiel Debeuckelaere. De Frontbeweging verklaarde zich trouw aan België en aan de strijd tegen Duitsland, maar ze formuleerde zware kritiek op de Belgische staat omdat die al sinds 1830 het Nederlands achterstelde en de Walen bevoordeelde. Ze had geen vertrouwen in het officierenkader en in de Belgische pers die de Vlaamsgezinde soldaten gedurig aanviel in hun Vlaming-zijn. Ook de regering kreeg geen vertrouwen. Van koning Albert I werd verwacht dat hij het Belgische establishment dwong om de geallieerde oorlogsretoriek betreffende het vrijmaken van de kleine volkeren ook voor de Vlamingen toe te passen door hen gelijk te berechtigen en de erkenning te geven die zij verdienden. De angst dat de francofonie door de oorlog nog verder zou doordringen was reëel: "wij die de meerderheid van België uitmaken, wij, de overgrote massa, ten minste 80% van het frontleger, wij lopen gevaar dat ons lijden niet enkel verloren ga, maar zelfs tegen ons volk worde aangewend". Er werd een duidelijke en geschreven belofte verwacht.

Het rumoer dat daarop volgde bewees dat de eerste Open Brief een aantal gevoelige snaren had geraakt. En niet alleen bij de soldaten. De koning benoemde generaal Armand de Ceuninck tot nieuwe minister van oorlog. De Broqueville moest het veld ruimen. De Ceuninck stond bekend om zijn bijzonder rigide opvatting wat de toepassing van militaire reglementen betrof. Hij zou inderdaad een campagne ontketenen tegen al wat in het leger bekendstond als Vlaamsgezind. Deze felle reactie van overheidswege veroorzaakte op haar beurt het verspreiden van een tweede Open Brief, die door Cyriel Verschaeve was geschreven op vraag van de Frontleiding. Het was een felle aanklacht en tegelijk een onverbloemde waarschuwing: de regen van harde straffen leidde ertoe dat nogal wat soldaten er nu van overtuigd waren dat de parlementaire weg geen oplossing kon bieden voor de Vlaamse kwestie. Sommigen begonnen hardop te praten van opstand en het plegen van aanslagen. Dat de wapens zouden kunnen spreken, werd ook door de Vlaamsgezinde politici, zoals Frans van Cauwelaert, beseft. De waarschuwingen van deze politici hielpen niet. Naast formele beloften dat er beterschap moest komen op taalvlak, werd gezegd dat de onrustzaaiers moesten worden aangepakt. Het eerste werd slechts zeer schoorvoetend uitgevoerd, het tweede werd krachtdadig aangepakt. Vooral de Ceuninck had zich voorgenomen de Frontbeweging geheel en al met harde hand te ontmantelen. Een van de symbolen, aalmoezenier Paul Vandermeulen zou dat ondervinden. De activisten hadden oudere teksten van zijn hand gebruikt in hun propaganda. Daar was de aalmoezenier uiteraard niet verantwoordelijk voor. De minister van landsverdediging eiste en verkreeg toch een strenge bestraffing. Het werd de militaire strafkolonie op het eiland Cézembre. Deze wegzending was een dikke druppel in een emmer die alsmaar voller raakte. In navolging van de Ceuninck, hadden immers overal in de eenheden de korpsoversten de tijd gunstig geoordeeld om erop los te slaan en de flaminganten te treffen. De zomer van 1917 liep naar zijn einde. De leiders van de Frontbeweging wisten nu dat ze op geen enkele toegeving hoefden te rekenen. De koning, de meerderheid in de regering en de legerleiding hadden blijkbaar haar ondergang op het oog. De leiders van de Frontbeweging hadden redenen om aan te nemen dat voor sommige kringen in de Belgische elite de V.B. de oorlog niet mocht overleven. Enige toenadering leek niet meer mogelijk. Dat dit proces ook de gematigde flaminganten zoals Van Cauwelaert uiteindelijk politieke macht kostte is een feit. Hij en zijn geestesgenoten hadden een groot deel van hun vroegere invloed op de Fronters verloren terwijl de coalitie van hun politieke tegenstanders gevoelig sterker was geworden.

In oktober 1917 werd het vlugschrift Vlaanderen's dageraad aan de IJzer, verspreid. Het was opgesteld door Hendrik Borginon en Filip de Pillecyn. De groeiende radicalisering werd geïllustreerd door de eis dat de activisten ongestraft moesten blijven. België moest federaal worden. De Vlaamsgezinde ministers werd gevraagd om hun ontslag in de dienen. Deze politici kregen het inderdaad erg moeilijk want volgens de Ceuninck – die met een uitgebreid rapport van de militaire veiligheid zwaaide – waren passivisme en activisme één pot nat. Het rapport stelde dat de eenheid van het land werd bedreigd en de gevechtswaarde van de troepen aangetast door het flamingantisme. Was dit inderdaad de overtuiging van de opstellers of was het maar een retorische wending om de hele regering mee op het repressiepad te krijgen? Toch leek het er sterk op dat het bestrijden van de V.B. voor de Ceuninck een oorlogsdoel was geworden. De minister schatte dat het aanpakken van een honderdtal soldaten, de Frontbeweging zou onthoofden en krachteloos maken. De Frontbeweging liet zich niet in de hoek drummen door de straffen en bleef haar macht tonen met nachtelijke Vliegtochten en manifestaties van soldaten in uniform. Die waren bedoeld om de legerleiding en de regering duidelijk te maken dat de Frontbeweging over een goed georganiseerde, vastbesloten en massale aanhang beschikte. Het waren korte, massale optochten. Er waren daarbij wel eens incidenten zoals het afranselen van officieren. Het hoogtepunt viel op 13 maart 1918 toen dergelijke optochten over het hele leger verspreid voorkwamen. Dreigen deed de Frontbeweging ook. Bijvoorbeeld tegenover de weinig geliefde generaal Louis Bernheim, bevelhebber van de 1ste divisie. Als de generaal wapens zou inzetten bij de repressie van het flamingantisme bij de troepen zou er een massale opstand volgen en zouden de gevolgen niet te overzien zijn.

Het was Cyriel Verschaeve die, in naam van de Frontbeweging, in september 1917 een Open Brief richtte aan kardinaal Désiré Mercier, bekend om zijn anti-Vlaamse houding. De Alveringemse kapelaan was al van voor de oorlog een bekend raadsman van de katholieke studenten en die status werd nog versterkt daar hij als een van de weinige vooroorlogse leiders gemakkelijk bereikbaar was en het radicalisme van de flaminganten-in-uniform steunde en aanvuurde. Zijn huis werd een ontmoetingsplaats voor vele Frontmilitanten. In december 1917 kwam er een Brief aan de Verbondene Grootmachten. Begin 1918 werd een manifest verspreid onder de titel Kort begrip van de Vlaamse Beweging in 't jaar 1917. Deze tekst werd bekend als de Catechismus der Vlaamsche Beweging.

Op 18 februari werd deze tekst gevolgd door een aanklacht over Het Proces van de 6de Legerafdeling. Daarna was het een tijd stil tot er in juni 1918 een nieuw manifest werd verspreid. Op 11 juli 1918 werd de reeks afgesloten met een balans van één jaar activiteit onder de titel: Aan de Vlaamsche Soldaten. Er werd tussendoor wel nog een aantal beperktere teksten en pamfletten verspreid, zoals De Vlaamsche Klaroen, waarin vooral concrete en plaatselijke wantoestanden werden aangeklaagd.

Het grootste deel van het in deze brieven geëvoceerde klachtenpakket gold het onbegrip van de hiërarchische meerderen voor het flamingantisme van hun ondergeschikten. Strenge tuchtstraffen, allerlei plagerijen zoals mutaties en voor een aantal militanten zelfs verwijzingen naar strafeenheden, waren daarvan het gevolg. Het meest bekende voorval waren de Houthakkers die naar de bossen aan de Orne in Normandië werden gestuurd waar ze zware dwangarbied moesten uitvoeren. Deze golf van straffen lokte op haar beurt weer nieuwe en fellere klachten uit. De kortsluitingen werden niet uitsluitend door de taalkwestie veroorzaakt. Er was ook het onvermogen van de jonge Vlaamse intellectuelen om in een ideologisch pluralistisch, militair milieu te functioneren. Zij werden het slachtoffer van de diepe minachting van het stedelijk milieu voor het boerse en achterlijke platteland; van de vrijzinnige, meer ontwikkelde en moderne stedeling met zijn Franse cultuurtaal tegenover de katholieke plattelander die een erg bekrompen en beperkte cultuur had. En die dan nog deze opvattingen en zijn godsdienstigheid en die van zijn streekgenoten wilde beveiligen via het Nederlands. Door de oorlogsomstandigheden en het optreden van het activisme kwam de flamingantische retoriek hoe langer hoe meer in botsing met de Belgisch-nationale retoriek. Dat verscherpte de al langer bestaande tegenstellingen. Deze Frontbrieven lieten nochtans formeel toe te geloven dat België nog altijd een kader was waarbinnen de verdere Vlaamse ontvoogding mogelijk werd geacht. Voor de meerderheid van de aanhangers van de Frontbeweging gold die vaststelling zeker. Maar binnen de Frontbeweging waren er ook radicalen die van plan waren om hun wapens te gebruiken wanneer de kans zich voordeed. Heel Europa leefde in een sfeer van gewapende opstand en revolutie. Frans van Cauwelaert schreef al op 23 augustus 1916 aan de katholieke minister Aloïs van de Vyvere: "Men moet zich geen illusie maken over de nawerkingen welke een strijd als deze oorlog, met de zo langdurige bezetting van ons land, op de geesten in België zal hebben uitgeoefend. De strijdlustige elementen hebben aanraking gekregen met wat geweld is, en de tegenstellingen zijn veel sterker geworden. Het is niet zozeer het getal der aanhangers, dan wel het blote feit dat in nuce in onze V.B. de gedachte der afscheuring bestaat, dat van betekenis is voor de toekomst. Het valt overigens niet te miskennen dat het denkbeeld van bestuurlijke scheiding veel veld heeft gewonnen." Deze visionaire brief was een rake voorspelling van de toekomstige evolutie.

Van Cauwelaert werd daarin gesterkt door mensen aan de top van de Frontbeweging zelf. Filip de Pillecyn schreef hem dat zij het gebruik van de straat in hun politieke actie, na het beëindigen van de gevechten, zeker niet uitsloten. "... ik zou geen borg durven blijven dat het geweld waarin wij nu leven geen naklank zal hebben, als ons te veel kwade wil in de weg staat. De straat zou kunnen meedoen." Deze soldaten hadden niet alleen hun vertrouwen in regering en legerleiding verloren; zij waren er ook van overtuigd dat zij het recht hadden de naoorlogse samenleving te modelleren naar hun goeddunken, desnoods met geweld. Die ambitie kon slechts levend gehouden worden als de Frontbeweging en dus ook de grotendeels Vlaamse gevechtseenheden niet vernietigd werden. Die bedreiging werd urgent toen de Duitsers vanaf de lente van 1918 aan het westelijk front een reeks offensieven ontketenden die de geallieerden onder zware druk zetten.

De Sublieme Deserteurs

Het lag voor de hand dat de Duitsers de Franse Kanaalhavens wilden bezetten. Daarmee zouden ze immers de voornaamste bevoorradingsbases voor de Britse legers uitschakelen. Bij een succesvol offensief in die richting zou ook het Belgisch leger onder onhoudbare druk komen te staan. Het was dan kiezen tussen terugtrekken naar Franse bodem, zich integraal laten gevangennemen of vechten tot de laatste kogel, met alle menselijke verliezen van dien. Dat was niet alleen een strategisch vraagstuk voor de koning met zijn generaals en de regering; ook de Frontbeweging bezon zich over de aan te nemen houding.

Om de dreigende vernietiging te voorkomen en hun politieke macht uit te breiden werd het plan opgevat contact op te nemen met gematigde activisten. Dat kon door overlopers naar het bezette land te sturen. De overlopers, een delegatie van de Frontbeweging, en een die door de eigengereide kapelaan Cyriel Verschaeve werd gestuurd, vielen vanzelfsprekend in handen van de Duitsers. Zij brachten voor hen de boodschap mee dat de Frontbeweging te gelegener tijd in opstand zou komen tegen de Belgische regering om de activistische verwezenlijkingen te beschermen. Zij vroegen ook ingeschakeld te worden in de activistische propaganda. De Duitsers konden hen ook gebruiken in de psychologische oorlogvoering. De overlopers stelden pamfletten op die naar de Belgische troepen werden gestuurd om verdere deserties aan te moedigen. In het binnenland werden ze opgevoerd om de publieke opinie ervan te overtuigen hoe slecht de taalsituatie was aan het front, dat de legerleiding doelbewust de Vlaamse troepen liet decimeren en dat steun aan het activisme de enige mogelijke uitweg was voor de Vlamingen. Voor dit propagandawerk, waarbij vooral Karel de Schaepdrijver, Jules Charpentier, Carlos van Sante en Vital Haesaert werden ingeschakeld, kregen zij overigens een loon en allerlei extra vergoedingen. Hun opdracht was contact op te nemen met gematigde activisten maar deze soldaten vonden meteen aansluiting bij de radicale activisten.

Ondertussen waren de Duitse voorjaarsoffensieven die de overwinning moesten afdwingen, doodgelopen. De sterk verzwakte keizerlijke strijdkrachten kwamen op hun beurt onder zware druk te staan. Daardoor kwam er tevens verandering in de manier waarop de overlopers gebruikt werden. Deze mensen hadden immers ook verteld dat de Frontmilitanten bereid waren hun wapens te gebruiken wanneer het Belgisch leger het heroverde land zou binnentrekken. Zo zou de Belgische regering geconfronteerd kunnen worden met ernstige troebelen. De Duitsers, die wisten dat ze zich terugtrokken, zagen dit vanzelfsprekend gaarne gebeuren. Gewelddadige woelingen in België zouden hun positie aan de onderhandelingstafel gevoelig kunnen verstevigen. Zelfs als het zover niet kwam zou een politieke beweging die voortbouwde op het samengaan van Fronters en activisten de positie van de Belgische regering verzwakken. Om die evolutie te bevorderen organiseerden en financierden de Duitsers een activistencomité dat vanuit Nederland de actie zou coördineren. Ondergedoken activisten zouden in België zelf de verbinding tot stand brengen met de Frontbeweging. Zou het "Uur van Vlaanderen" slaan dankzij de samenwerking tussen de soldaten en deze activistische agenten? Ondertussen waren de geallieerden in opmars in Vlaanderen. De Belgische troepen deden mee aan het eindoffensief en dreven de Duitsers achteruit. Aan de vooravond van de wapenstilstand op 11 november hadden ze de poorten van Gent bereikt.

Vlaanderens uur

Blijft de vraag naar wat de Frontbeweging nog betekende en wat zij nog kon doen vanaf 11 november 1918. Als resultaat van de verhalen van de Sublieme Deserteurs geloofden vele activisten dat de Frontbeweging de wil en de kracht had om de strijd met de Belgische staat aan te gaan. Dat zoiets mogelijk was, werd voor 11 november ook door een aantal soldaten geloofd. Dat geloof zou na de wapenstilstand niet verdwijnen, integendeel! De activistische agitatoren die in het land waren achtergebleven zochten en vonden meteen contact met de terugkerende Vlaamsgezinde frontsoldaten. Ze wilden de troepen aanzetten tot gewapende anti-Belgische agitatie. Dat staken ze niet onder stoelen of banken. Het tweede nummer van De Vliegende aktivist dat ongeveer één maand na het verdwijnen van de Duitsers verscheen, vermeldde op de eerste bladzijde dat het werd verspreid "met de hulp van soldaten". Het verwees naar de moed die Tsjechen en Polen hadden betoond door hun kanonnen om te keren. "Uit het Vlaanderen dat werkte gedurende de bezetting, uit het Vlaanderen van het front, uit de mannen in 't gevang, uit de duizenden Vlamingen die dagelijks gesmaad worden in de Brusselse marollenpers, – wordt een revolutionair geslacht geboren." Waar de Frontbeweging achter de IJzer formeel had aangestuurd op zelfbestuur voor Vlaanderen binnen België, stuurden deze activistische agitatoren aan op een open conflict met als doel de ontwrichting van de staatsstructuur. De verspreiding van enkele sluikbladen en vlugschriften was daarvoor onvoldoende. Als de activisten werk wilden maken van hun revolutionaire plannen moesten ze de leiding van de Frontbeweging infiltreren en in handen nemen. In de eerste maanden na de wapenstilstand leek het er sterk op dat zij daarin zouden slagen. De soldaten zetten immers hun rangen meteen open voor de activisten die zij beschouwden als wapenboeders in een gemeenschappelijke strijd. Op de eerste vergadering van de Frontleiding na de wapenstilstand werd besloten "de Gentse hogeschool op te blazen, daags voor de opening". Soldatenleider Cesar Couvreur legde er de nadruk op "dat de Frontpartij een revolutionaire partij is en wij schrikbewind tegen schrikbewind moeten stellen". Maar hadden deze proactivistische soldaten de hele Frontbeweging in handen? Tijdens het eindoffensief waren veel leden van de beweging gesneuveld. De eenheden waren verspreid over een grote oppervlakte en de verbindingen waren daardoor verbroken of moeilijk geworden. Bovendien verloren de leiders snel greep op de soldaten die in hun overwinningsroes niet van plan waren om hun vel nog eens te riskeren. Ze verlangden naar huis en naar hun familie, niet naar oproer en revolutie. Slechts een kleine groep Vlaamsgezinde militairen toonde zich nog actief en van hen waren niet alle leiders van de Frontbeweging bereid om de activistische directieven zomaar te aanvaarden. Dat hypothekeerde het gezag van de Opperste Raad die door belangrijke figuren als Filip de Pillecyn en Hendrik Borginon niet erkend werd. Zij, en vele Fronters met hen, kozen voor inschakeling in het democratisch-parlementair systeem, zij het dan via een eigen politieke partij, Het Vlaamsche Front. Of ze sloten aan bij de christen-democraten onder leiding van Frans van Cauwelaert. De Belgische autoriteiten concentreerden zich ondertussen op het opsporen van de achtergebleven activistische kernen om zo het opruiingswerk vanuit die hoek te elimineren. Wie niet gearresteerd werd, moest over de Nederlandse grens vluchten.

Een flink deel van de activisten meende dat hun "idealisme voor Vlaanderen" niet zou afgestraft worden omdat de Vlaamse soldaten dat zouden beletten. Er was een haast mystieke verwachting gecreëerd rond dat Vlaamse leger dat – naar werd voorgespiegeld – achter de IJzer slechts zat te wachten om zich gewapenderhand te verenigen met de activisten om de Vlaamse revolutie te verwezenlijken. Zover zou het niet komen. In De Toorts van 29 november 1919, na de eerste naoorlogse wetgevende verkiezingen, concludeerde de gevluchte activist Frans Primo "... dat het flamingantisme voor lange jaren nog heeft af te zien van de hoop op redding door directe actie... nadat het radicaal flamingantisme der Frontpartij de tijd voor directe actie heeft laten voorbijgaan en zich onmachtig of onbekwaam heeft getoond de rijpe vruchten te plukken van het activisme". De activistische priester Robrecht de Smet schreef aan de deserteur Jules Charpentier: "Intussen gaat de geest van het front en de opoffering verloren en verdwijnt de zalige schrik bij de voogden." Het radicale activisme was dus diep teleurgesteld in de Frontbeweging. Maar zij domineerde de Vlaams-nationalistische propaganda niet meer. In de plaats daarvan kwam, naast de taalkwestie, een erg oud-strijderachtig getint discours dat de nadruk legde op de afkeer voor de oorlog en het feit dat de Vlaamse intellectuelen eindelijk contact hadden gevonden met de volksjongens waardoor de V.B. een sociale beweging was geworden. Ook de kortzichtigheid van de officieren die zo anti-Vlaams hadden geageerd en de onbetrouwbaarheid van de regering werden beklemtoond. De andere mythe – die van de gewelddadige opstand – bleef ook voortleven, zij het dan getemperd door de frustratie dat dit uiteindelijk toch geen reële mogelijkheid was gebleken. Het past hier Boudewijn Maes te citeren die in 1936 op zijn politieke levensloop terugblikte. Hij was een Gentenaar en had zich tijdens de bezetting verzet tegen de pro-Duitse politiek van de Jong-Vlamingen in zijn stad. Toch was Maes het anti-Belgische Vlaams-nationalisme niet ongenegen en voor een stuk had hij de activistische opvattingen geassimileerd: "Men had ons zo en zoveel verteld van al die helden die aan 't front voor Vlaanderen streden of gestorven waren. Men had ons zo vast doen geloven dat duizenden anderen klaar stonden om het op leven of dood op te nemen tegen 't herstelde verdrukkende België, dat wij op voorhand jubelden over de aanstaande vrijheid." Maar met de bevrijding na 11 november 1918 kwam de jacht op de activisten en de teleurstelling: "Doch al gauw kwam het uit dat we naïvelingen waren geweest om de woorden en beloften der 'ruwaards' en 'hopmans' van aan de IJzer en van hunne bewierokers voor klinkende munt te aanvaarden. Deerlijk bleken de kerels beneden de taak te zijn die men ons van hen had doen verwachten. Of, van huize uit, hun volgelingen uit het leger niet tot manhaftiger kamp tegen de Belgische vijand in staat waren weten we niet, doch, wat daar ook van zij, de meesten namen dadelijk vrede met het verraad hunner aanvoerders."

Besluit

Frans Strubbe vertelde dat de troepen de steden binnentrokken en tot hun verbazing stonden er twee "werelden" tegenover elkaar. De soldaten die, achter de IJzer, overtuigd en dapper hadden meegedaan aan Vliegtochten en manifestaties, voelden zich nu niet geroepen om mee te doen aan revolutionaire woelingen. Zij hadden andere prioriteiten en bovendien toonde de Vlaamse bevolking zich zo antiactivistisch, antiflamingantisch zelfs, dat ze er onthutst bij stonden. Daarnaast boden de socialistische en christen-democratische organisaties en het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht hoop op een beter leven zonder dat er geweld als drukkingsmiddel moest worden aangewend. De meest overtuigden zouden in Het Vlaamsche Front actief worden. Het schamele stemmenaantal bewees evenwel dat de leiding van de Frontbeweging nooit de meerderheid van de Vlaamse soldaten diepgaand en blijvend had kunnen beïnvloeden en dat de erfenis van het activisme zwaar woog. Daardoor zou de politieke erfenis van de Frontbeweging electoraal niet aantrekkelijk genoeg zijn om de meerderheid van de kiezers in Vlaanderen aan te trekken.

Toch was de frontmythe op zich sterk genoeg om constituerend te zijn voor het Vlaams-nationalisme over generaties heen. De herinnering aan de toenmalige agitatie van de flaminganten in het Belgisch leger, de Frontbeweging, heeft sindsdien de functie vervuld van 'funderingsmythe' – de term komt van Bruno de Wever – van het Vlaams-nationalisme. De impact op de geesten van de verhalen over deze Frontbeweging was en is dus zeer groot.

Literatuur

De Vlaamsche interpellatie, 14-22 mei 1919, 1919; 
Rudiger, Flamenpolitik, 1921; 
J. Simons, Eer Vlaanderen vergaat, 1927; 
H. Gravez, 'De Vlaamsche Frontbeweging. Herinneringen', in Tijdingen van de Raad van Vlaanderen, 1933, p. 55-93; 
Open Brieven en vertoogschriften van de Vlaamsche Frontbeweging (1917-1918), 1939; 
L. Moyersoen, Prosper Poullet en de politiek van zijn tijd, ???; 
D. Vansina, Verschaeve getuigt, 1955; 
M. Cordemans, Dr. A. van de Perre's oorlogsjaren 1914-1918, 1963; 
L. Devliegher en L. Schepens, Front 14/18, 1968; 
H.J. Elias, Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, I, 1969; 
Rudiger, Un livre noir de la trahison activiste, z.j.; 
G. Bulthe, De Vlaamse loopgravenpers tijdens de Eerste Wereldoorlog (Centrum voor militaire geschiedenis, bijdrage 7, 1971); 
J. Torfs, 'De controversen over de zending J. Charpentier', in De Vlaamse Beweging tijdens de Eerste Wereldoorlog. Mededelingen van het colloquium ingericht te Leuven op 15 en 16 november 1974, 1974, p. 128-144; 
H. Schrooten, 'De representativiteit van de Frontbeweging of haar streven naar volwaardige politieke erkenning', in De Vlaamse Beweging tijdens de Eerste Wereldoorlog. Mededelingen van het colloquium ingericht te Leuven op 15 en 16 november 1974, 1974, p. 112-121; 
L. Wils, Flamenpolitik en aktivisme, 1974; 
M. Boey, Vlaanderen aan de IJzer. Tragedie 14/18. Het voorspel, 1974; 
R. de Schryver, 'Koning Albert en de Vlaamse Beweging', in Handelingen van het Colloquium Koning Albert, 1976, p. 209-243; 
L. Schepens, Koning Albert, Charles de Broqueville en de Vlaamse Beweging tijdens de Eerste Wereldoorlog, 1983; 
L. de Vos, 'De numerieke verhouding tussen Vlamingen en Walen in het Belgische leger bij het begin van W.O.I', in WT, jg. 43, nr. 4 (1984), p. 228-229; 
L. Ureel, De kleine mens in een grote oorlog, 1984; 
L. de Vos en L. Coenen, 'De taalagitatie in het Belgische leger tijdens de Eerste Wereldoorlog', in WT, jg. 47, nr. ?? (1988), p. 140-151 en 196-218; 
A. de Bruyne, Jules Charpentier. Afgezant van de Frontbeweging, 1989; 
D. Vanacker, 'De zending van Charpentier', in WT, jg. 48, nrs. 3-4 (1989), p. 129-151 en p. 195-209; 
K. Bultinck, 'Over de Frontbeweging', in WT, jg. 49 (1990), p. 33-45; 
Albert Ier. Carnets et correspondance de guerre 1914-1918, présentés par M.R. Thielemans, 1991; 
R. Boijen. De taalwetgeving in het Belgische leger (1830-1940) (Centrum voor militaire geschiedenis, bijdrage 26, 1992); 
R. Boudens, 'Een rapport van hoofdaalmoezenier J. Marinis aan kardinaal Mercier over de Vlaamse Beweging aan het front tijdens de Eerste Wereldoorlog', in WT, jg. 54, nr. 2 (1995), p. 63-79.

Auteur(s)

Luc Vandeweyer