François, Jef (eigenlijk Jozef)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Gent 22 mei 1901 – Gent 30 juni 1996).

Werd na humaniorastudies aan het Gentse Sint-Amanduscollege kadet op de lange omvaart (1919-1923) en accountant bij een scheepsbedrijf. François kwam na de Eerste Wereldoorlog in Gent in contact met het Vlaams-nationalisme en werd bestuurslid van de Frontpartij, van de Bond van Vlaamsche Oud-soldaten (BVOS) en, in 1926, van de Vlaamsch-Nationale Partij van Boudewijn Maes. In 1929 richtte François samen met Wies Moens het Vlaamsch Nationaal Verbond en het weekblad De Vlag op, waarvan hij het jaar nadien de directie in handen kreeg. Einde 1930 begon François met de oprichting van een Vlaamsche Militie, waarvoor hij zich inspireerde op de Duitse Sturmabteilung (SA) die hij geregeld bezocht.

In het najaar van 1931 lag François samen met Moens en Joris van Severen aan de basis van het Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen (Verdinaso). Daarmee voltrok hij een ideologische evolutie die al eerder begon. Hij nam ontslag als voorzitter van de Gentse BVOS. Hij werd de tweede man in de Dinaso Militie (DM), na Jef Missoorten, maar kreeg vanaf 1934 als inspecteur en commandant van de DM steeds meer greep op de dagelijkse werking van de militie. Na een reeks van persoonlijk conflicten met Missoorten verdween deze laatste uit het Verdinaso en kreeg François de volledige leiding van de intussen tot Dinaso Militanten Orde (DMO) omgevormde DM. Hij stond in voor de organisatie van de landdagen en in 1937 kreeg hij het beheer van de bladen en de financiën van de beweging onder controle. Mede door zijn toenemende invloed in het Verdinaso kwam hij in conflict met andere Dinasoleiders zoals Frantz van Dorpe en Jef van Bilsen die van mening waren dat de DMO en zijn commandant te zwaar wogen op het Verdinaso en die het Verdinaso een salonfähig karakter wilden geven. François daarentegen zag de DMO als het sluitstuk van politieke actie. In 1937 werd hij tot 3 maanden cel veroordeeld wegens een overtreden van de wet op de private milities.

In oktober 1939 werd François gemobiliseerd en in mei 1940 kwam hij met zijn eenheid in het zuiden van Frankrijk terecht. Bij zijn terugkeer in Vlaanderen, in augustus 1940, kwam hij opnieuw aan het hoofd van de DMO maar de conflicten met andere Dinasoleiders bleven aanslepen. Vanaf oktober 1940 was François samen met Pol le Roy en Emiel Thiers betrokken bij de gesprekken die tot een vergelijk met het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) of de Algemeene-SS-Vlaanderen moesten leiden. In het Verdinaso zelf leidden deze gesprekken tot een definitieve breuk. Thiers, die de vermoorde leider Joris van Severen had opgevolgd, nam in januari 1941 ontslag en droeg de leiding over aan François die de restanten van het Verdinaso de Eenheidsbeweging-VNV binnenleidde. François werd commandant van de Dietsche Militie – Zwarte Brigade (DM-ZB), de tweede in rang na commandant-generaal Reimond Tollenaere.

In augustus 1941 vertrok François als vrijwilliger naar het oostfront. Hij volgde een officiersopleiding te Lauenburg en kwam aan het front te Leningrad. Na de dood van Tollenaere wilde hij de leiding van de DM-ZB in handen nemen maar dat werd onmogelijk gemaakt door Staf de Clercq. Hij probeerde stelselmatig Verdinaso's voor te hebben. Dit wekte wantrouwen bij de SS-leiding. Hij werd gekwetst aan het Wolchowfront en keerde in augustus 1942 terug naar Vlaanderen. Op 1 september 1942 werd hij in opvolging van Raf van Hulse benoemd tot Standaardleider van de tot Germaansche-SS omgevormde Algemeene-SS Vlaanderen. Hij voerde een zuivering door binnen het ledenbestand van de organisatie en oefende druk uit op de leden om zich aan te melden bij de Waffen-SS. Door zijn eigengereid optreden kwam hij meermaals in botsing met de Duitse overheid waardoor hij in november 1943 de leiding van de Germaansche-SS moest overlaten aan Tony van Dijck. François werd overgeplaatst naar het SS-Hauptamt in Berlijn van waaruit hij controle moest uitoefenen over de in Duitsland gelegen Vlaamse afdelingen van de Germaansche-SS. Na zijn overplaatsing te hebben aangevraagd naar een actieve eenheid kwam hij in april 1944 als verbindingsofficier in de rang van Obersturmführer (luitenant) van het SS- Führungshauptamt bij de SS-Sturmbrigade Langemarck. In september 1944 stond hij mee in voor de evacuatie van Vlaamse vluchtelingen naar Duitsland. Daarna werd hij toegevoegd aan de divisiestaf, belast met sociale zaken, propaganda en scholing.

Na de oorlog werd François bij verstek tweemaal ter dood veroordeeld. In 1945 werd hij naar België gerepatrieerd. Zijn straf werd in 1948 bevestigd. In 1950 werd zijn straf omgezet in levenslang. In juli 1952 werd hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld waarna hij weer contacten aanknoopte met vroegere medestanders. Eind de jaren 1960 werkte hij op het Volksunie-secretariaat te Berchem. In 1977 sloot hij aan bij de Vlaams-Nationale Partij van Karel Dillen. Vanaf eind de jaren 1970 tot de ontbinding in 1983 onderhield hij nauwe contacten met de Vlaamse Militanten Orde (VMO) van Bert Eriksson voor wie hij een soort raadgever was. Tevens werkte hij van bij het ontstaan, in 1980, regelmatig mee aan Periodiek Contact, het maandblad van de Brabantse oostfrontersorganisatie Hertog Jan van Brabant.

Werken

Artikelen in De Vlag; Hier Dinaso!; Recht en Trouw; Periodiek Contact; 
met F. Vierendeels (e.a.), Vlamingen aan het Oostfront, 2 dln., 1973-1975.

Literatuur

B. de Wever, Oostfronters. Vlamingen in het Vlaams Legioen en de Waffen SS, 1984; 
J. Creve Recht en Trouw. De geschiedenis van het Verdinaso en zijn milities, 1987; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
J. Creve, 'Jef François, een terugblik', in TeKoS, nr. 16, nr. 81 (1996), p. 18-24.

Verwijzingen

zie: collaboratie.

Auteur(s)

Jan Creve