Fermont, Berten (eigenlijk Robert) T.P.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Borgerhout 30 januari 1911 – Borgerhout 22 oktober 1933).

Was de zoon van een adjunct-stationschef van Antwerpen-Centraal. Fermont verloor op elfjarige leeftijd zijn moeder. Hij doorliep een deel van zijn lagere school in Wachtebeke maar ging vanaf april 1919 naar het Onze-Lieve-Vrouwecollege in Antwerpen. Fermont was één jaar voor op zijn leeftijd en werd in het college lid van de collegebond van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond, waarin toen ook Walter Bouchery, Frans Wildiers, Jef de Belder en Jacques Boeynaems actief waren. Tijdens vakanties en weekends verbleef hij bij zijn grootouders in Wachtebeke. Ook daar was hij betrokken bij de werking van de plaatselijke studentenbond Ontwaakt, waarvan hij in 1927-1928 schatbewaarder was. Tijdens het laatste anderhalf jaar van zijn humaniora was Fermont geen leerling op zijn college, maar hij kreeg er waarschijnlijk wel zijn humanioradiploma. De reden voor zijn afwezigheid is niet bekend.

Na een succesvol ingangsexamen schreef hij zich in september 1928 op zeventienjarige leeftijd in voor de eerste kandidatuur burgerlijk ingenieur op de Franse taalrol (Génie civil) van de Gentse universiteit. Hij was er lid van het Algemeen Vlaamsch Hoogstudentenverbond en van het Sint-Thomasgenootschap van pater Jules Callewaert, en had contact met Jozef Goossenaerts.

Fermont raakte op 15 maart 1929 betrokken bij een botsing tussen Vlaams-nationalistische en Franstalige studenten. Hij werd samen met een studiegenoot voorwaardelijk veroordeeld tot één maand en acht dagen. Hij bekende een Franstalige student die op de grond lag, met een stok te hebben geslagen en een agent die de man wou bijspringen, te hebben uitgescholden. Door de academische raad werd hij een maand geschorst. Fermont had ondertussen zijn examens in de eerste zittijd opgegeven. De schorsing ging in op 1 september, zodat hij niet kon deelnemen aan de tweede zittijd. In de jaren 1930-1931 komt Fermonts naam niet voor op de rol van de Rijksuniversiteit. Hij bleef actief in de studentenbond van Wachtebeke. In die jaren moet hij ook betrokken geweest zijn bij de Antwerpse Vlaamsch-Nationale Wacht.

Naar het voorbeeld van Lode van Dyck weigerde hij op 17 augustus 1931 zijn militaire dienstplicht te vervullen, "omdat de Belgische staat de Vlaamse volksgemeenschap haar rechten onthoudt", zo schreef hij op 25 juli 1931 aan minister van landsverdediging Henri Denis. De Antwerpse krijgsraad veroordeelde hem op 22 september 1931 tot vier maand gevangenis, een straf die hij uitzat in Antwerpen. Fermont kwam vrij op 25 december 1931, werd weer gearresteerd op 4 januari 1932 en overgebracht naar de gevangenis in Sint-Gillis. De krijgsraad van Brabant veroordeelde hem op 15 maart 1932 tot twee jaar, een vonnis dat door het krijgshof op 26 april 1932 werd bevestigd. Advocaat Leo Scheere verdedigde hem met antimilitaristische argumenten. In de gevangenis van Sint-Gillis kreeg Fermont gedurende een kleine twee jaar geregeld het bezoek van Nestor Gerard, die erin slaagde zich bij de gevangenisdirectie voor te doen als zijn voogd. Hij verzorgde Fermonts contact met de buitenwereld, hield hem op de hoogte van de ontwikkelingen in de V.B., bezorgde hem lectuur en cursussen, en smokkelde brieven en artikelen buiten. Zo kon een tiental artikelen van Fermonts hand verschijnen in De Schelde (1919-1936). Daarin gaf hij zijn visie op de dienstweigering, die kaderde in zijn fel anti-Belgisch Vlaams-nationalisme. Hij uitte er ook zijn bezorgdheid over de verdeeldheid in de V.B. Met name op het Verdinaso had hij scherpe kritiek, omdat het zich desolidariseerde van dienstweigeraar Van Dyck. Uit enkele artikels uit 1932-1933 sprak een heftige antimilitaristische bewogenheid, steeds in een Vlaams-nationalistische context.

In de gevangenis in Sint-Gillis, waar ook de dienstweigeraars Willem de Baere en Jan Thielemans een verlamming opliepen, werd Fermont ernstig ziek, maar hij weigerde de dokter te spreken die de eerlijkheid van zijn motieven had betwijfeld. De doodzieke Fermont werd op 8 oktober 1933 op eigen verantwoordelijkheid naar huis gezonden. Daar stelde dokter Gustaaf Schamelhout een verregaande tuberculose vast. Twee weken later stierf Fermont, in het bijzijn van zijn vader, Nestor Gerard, de verpleegster Nyssen en de erbij geroepen August Borms. Fermont was bereid geweest "het offer te brengen tot het uiterste", luidens zijn bidprentje, dat ook de pauselijke veroordelingen van oorlog bevatte.

Na zijn dood werd Fermont door vrienden en bewonderaars als martelaar of held geëerd. Zijn begrafenis op 26 oktober 1933 en de onthulling van een monument van Albert Poels op het Schoonselhof één jaar later brachten een duizendtal mensen samen: Vlaams-nationalisten en pacifisten. Vanaf 1937 kreeg de Fermont-herdenking haar vaste vorm: een misviering en een plechtigheid op het kerkhof met toespraken, zang en bloemenhulde. Telkens was het dubbele thema Vlaanderen en de vrede. De concrete invulling daarvan veranderde met de politieke conjunctuur.

Vanaf 1937 organiseerde een Berten Fermont-Herdenkingscomité (BFHC) – de naam duikt al op in 1935 – de hulde. Voor de oorlog waren daarbij betrokken het Verbond der Vlaamse Oud-strijders-Antwerpen, de Katholieke Jongeren Vredes-Aktie (KJVA), de Vlaamsche Jongeren Vredes-Aktie en de War Resisters International. De KJVA was de feitelijke organisator. Druk bijgewoond was de vijfde herdenking, waarop VOS-voorzitter Germain Lefever sprak. Tijdens de mobilisatie van 1939 werd de herdenking verboden.

Behalve in het eerste oorlogsjaar lieten de Duitsers de Fermont-herdenkingen zonder beperking doorgaan. De Dietsche Militie – Zwarte Brigade en de Vlaamsche Wacht waren er in uniform. De plechtigheden werden nog steeds georganiseerd door het comité dat in 1941 het statuut van een vereniging zonder winstoogmerk aannam. Het bestond uit Albert Eyckerman, Hubert Peeters en voorzitter Aloïs Lagast, ex-KJVA'ers die kozen voor de collaboratie. Fermont werd in de toespraken als een voorbeeld gesteld van "volkse trouw" tot in de dood, als iemand die het Vlaamse volksbelang boven het Belgische staatsbelang stelde. Zijn "offer" werd wel in een christelijk perspectief geplaatst.

Na vier discrete herdenkingen werd in 1948 weer een echte plechtigheid georganiseerd. Nestor Gerard werd in 1950 voorzitter. Dat jaar sprak de Waalse dienstweigeraar Jean van Lierde op de herdenking. Het BFHC ging ijveren voor een statuut voor gewetensbezwaarden en in 1958 werd een amnestie-actie op touw gezet. In het begin van de jaren 1960 was het BFHC betrokken bij de pacifistische mars San Francisco-Moskou. In 1973 brak Gerard met het BFHC omdat hij het te links-pacifistisch vond. De vieringen van de vijftigste en zestigste Berten-Fermontherdenking haalden veel pers.

Werken

Artikelen en gedichten in De Schelde; De Noorderklok; De Vlaamsche Dienstweigeraar; Vredes-Actie.

Literatuur

De Schelde (22 oktober 1934); 
De Vlaamsche Dienstweigeraar (januari-september/oktober 1934); 
H.P.(H. Peeters), 'Berten Fermont. Vlaming uit één stuk', in De Volksbeweging, jg. 5, nr. 37 (19 september 1953); 
'Levensschets van Berten Fermont', in De Volksbeweging, jg. 6, nr. 38 (23 oktober 1954); 
E. de V., 'Berten Fermont Dienstweigeraar 1911-1933', in 't Pallieterke (28 november 1963); 
Rhey (= Rik Heyman), 'Een dienstweigeraar voor Vlaanderen', in Wij, jg. 18, nr. 25 (24 juni 1972); 
B. Goovaerts, Berten Fermont, Vlaams-nationaal geweten tegen geweld, 1972; 
M. Joris, 'Een dienstweigeraar met klauwen', in E. Truyens (red.), Huldeboek Nestor Gerard-Ward Hermans, 1987; 
A.E. Eyckerman, 'De Vlaamse dienstweigeraars tussen de twee wereldoorlogen', in Jaarboek Vlaamse Beweging (1987); 
E. van Neygen, Wegbereiders. Portretten van Vlaamse pacifisten, 1990; 
K. Palinckx, "Nu naar Gent!". Vlaams-nationale en katholieke studentenbeweging te Gent 1928-1940, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1994.

Auteur(s)

Etienne van Neygen