Federalisme

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Onder federalisme (van het Latijn foedus, genitief foederis: verbond) verstaat men zowel de staatsrechtelijke leer over de organisatie van een federale staat of bondsstaat als de beweging die streeft naar een federale staatsvorm, hetzij door de aaneensluiting van twee of meer onafhankelijke staten (het centripetale federalisme), hetzij door de omvorming van een unitaire of eenheidsstaat in een federale staat (het centrifugale federalisme). Een federale staat of bondsstaat is een staat waarin de soevereiniteit verdeeld is tussen de federatie (het centrale gezag) en de deelstaten (die namen dragen als Land, kanton, provincie, gewest, gemeenschap), die ieder een eigen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht en eigen bevoegdheden hebben.

Het federalisme dat sinds het begin van de 20ste eeuw tot het eisenbundel van de V.B. behoort, is van centrifugale aard en beoogt de vervanging van het unitaire België door een staatsstructuur waarin Vlaanderen over een eigen parlement en een eigen regering beschikt, met de bevoegdheid en de financiële middelen om in belangrijke aangelegenheden (economie, werkgelegenheid, ruimtelijke ordening, vervoer, onderwijs, cultuur, gezondheidszorg, welzijn ...) een eigen beleid te voeren.

Tot de Eerste Wereldoorlog

Anders dan de 19de-eeuwse nationale bewegingen in landen als Ierland, Polen, Hongarije en Tsjechië, streefde de V.B. aanvankelijk niet naar staatkundige autonomie binnen, laat staan buiten het Belgische staatsverband. Integendeel, in haar oorsprong was zij een Belgisch-nationale beweging die na de Belgische Revolutie van 1830 de onafhankelijkheid van het jonge koninkrijk wilde verstevigen en de invloed van Frankrijk wilde terugdringen. Dat 'patriottische' karakter van de V.B., het feit dat de Vlamingen de meerderheid van de Belgische bevolking vormden en het ontbreken van een Vlaamse staat als historisch referentiepunt verklaren waarom politieke autonomie niet tot het nationale denken van de eerste generaties flaminganten behoorde. De vernederlandsing van het openbaar leven in Vlaanderen hoopten zij langs de weg van de taalwetgeving te verwezenlijken.

Pas in het begin van de 20ste eeuw gaven radicale flaminganten de hoop op inwilliging van de taaleisen in het unitaire België op en zetten zij 'bestuurlijke scheiding' of 'zelfbestuur' als oplossing voor de Vlaamse kwestie op het programma van de V.B.

Toch waren al in de tweede helft van de 19de eeuw enkele geïsoleerde 'federalistische' stemmen te horen. Jacques-Corneille van Thielen, een advocaat van Nederlandse afkomst die rechter was in Brussel, schreef in 1846 in het tijdschrift De Broederhand: "De Vlamingen (...) dringen dus alleen op gelykstelling aan, en die is slechts door een administratieve scheiding te verkrygen." In de brochure De Vlaming en de staat in het tegenwoordige België (1857) schoof Hendrik Sermon (onder het pseudoniem van H. van Walrave) de bestuurlijke scheiding als mogelijke oplossing van de taalkwestie naar voren. Het Gentse studentengenootschap 't Zal wel gaan nam in 1869 in zijn almanak een federalistisch georiënteerde studie over het Belgische nationaliteitenvraagstuk op. De historicus en liberale politicus Léon Vanderkindere, die gedurende enkele jaren rector was van de Université libre de Bruxelles, pleitte vanuit de romantische rassentheorie voor volksfederalisme en de oprichting van een Belgische bondsstaat, maar ook die stelling was geenszins representatief voor de toenmalige V.B.

Het was trouwens niet de V.B., maar de Waalse Beweging die als eerste het federalisme als politieke eis aan de orde stelde. Aanvankelijk had zij zich toegelegd op de bestrijding van de taalwetgeving en de verdediging van de Waalse cultuur, maar rond en na de eeuwwisseling klonken de eerste federalistische geluiden. De dichter Albert Mockel schreef in 1897 in Le Mercure de France dat "een complete administratieve scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië, met elk een eigen parlement, en de vereniging van deze twee kleine staten in een federale Kamer" een oplossing voor het "Belgisch probleem" kon zijn. De Ligue wallonne van Bergen zag in 1909 geen andere oplossing meer dan de bestuurlijke scheiding; die van Luik richtte een commissie op om het zelfbestuur van de Waalse provincies te bestuderen. Na de goedkeuring van een wetsvoorstel dat de griffiers van zes Waalse werkrechtersraden verplichtte Nederlands te kennen, riep de Luikse senator Emile Dupont in volle vergadering uit: Vive la séparation administrative (9 maart 1910). De Luikse liberale politicus Emile Jennissen gaf begin 1911 de brochure Wallons-Flamands. Pour la séparation politique et administratieve uit, waarin hij een federale hervorming als een alternatief zag voor de veralgemeende tweetaligheid van het land of de tweetaligheid van Vlaanderen.

Het jaar 1912 kan worden beschouwd als dat van de doorbraak van de federalistische stroming in de Waalse Beweging. De Walen waren er niet alleen voor beducht dat de tweetaligheid die ingevolge de taalwetgeving in Vlaanderen haar intrede deed aan Wallonië zou worden opgelegd, een meerderheid van hen vreesde ook en vooral door het 'klerikale Vlaanderen' te worden gedomineerd. Dat de katholieken bij de parlementsverkiezingen van 2 juni 1912 hun volstrekte meerderheid in Kamer en Senaat hadden versterkt, deed de minoriseringsvrees nog toenemen. Nog diezelfde dag eiste het socialistische Kamerlid Jules Destrée la séparation administrative om niet langer door de katholieken te worden onderdrukt. Enkele dagen later deed hij in Le Journal de Charleroi een programmatische oproep onder de titel Pour une Wallonie indépendante. Ook andere Waalse publicaties kwamen op voor la séparation. De provincieraden van Luik (26 juni) en Henegouwen (12 juli) spraken zich voor de bestuurlijke scheiding uit, maar Namen en Luxemburg, met een katholieke meerderheid, volgden hun voorbeeld niet.

Het Waals Congres sprak op 7 juli 1912 in een motie de wens uit Wallonië gescheiden te zien van Vlaanderen en vue de l'extension de son indépendance vis-à-vis du pouvoir central et de la libre expression de son activité propre. Op 15 augustus 1912 publiceerde La Revue de Belgique de beroemde Lettre au Roi sur la séparation de la Wallonie et la Flandre waarin Destrée, verwijzend naar Ierland, 'Home Rule' vroeg voor Wallonië en, refererend naar de Verenigde Staten en Zwitserland, zich uitsprak voor de vorming van een Belgische federatie. De Assemblée wallonne, die op 20 oktober 1912 op het Waals Congres in Charleroi was opgericht als een soort parlement, ging er in haar statuten van uit "dat België slechts zijn toekomst kan vervullen door de vereniging van de twee volkeren waaruit het bestaat en die op een wederzijdse onafhankelijkheid berust".

De V.B. reageerde aanvankelijk afwijzend op de Waalse verklaringen. Pol de Mont op het 32ste Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres en Hippoliet Meert, de secretaris van de Vlaamsche Hoogeschoolcommissie, die in De Vlaamsche Hoogeschool zei de overheersende mening onder de flaminganten te vertolken, antwoordden dat de Vlamingen rechtsherstel zouden krijgen zonder bestuurlijke scheiding, die zij niet wensten maar evenmin vreesden. De Antwerpse advocaat Emiel Wildiers diende in De Bestuurlijke scheiding van Vlaanderen en Wallonië Destrée van antwoord en wees de scheiding principieel af. Later kwamen er in Vlaanderen onder invloed van een nieuwe generatie meer zakelijk ingestelde leiders als Lodewijk Dosfel en Lodewijk de Raet, de aanscherping van het politiek bewustzijn door de strijd voor een Vlaamse universiteit en de groeiende twijfel over de doelmatigheid van de taalwetgeving, ook positieve reacties op het Waalse autonomiestreven en de scheidingsgedachte. Voor een studiedag die hij in 1914 wilde houden ter wetenschappelijke uitdieping van de V.B. was Dosfel van plan de bestuurlijke scheiding aan de orde te stellen. "De Bestuurlijke Scheiding alleen is bij machte om de kennis van het Vlaamsch tot een zaak te maken van het algemeen belang in Vlaanderen", schreef Hooger Leven, het weekblad van de katholieke Vlaamse intellectuelen, op 31 januari 1914. Na de verwerping van een amendement-Frans van Cauwelaert-Louis Franck-Camille Huysmans over het territorialiteitsbeginsel in het lager onderwijs, zei voorzitter Wildiers van de Antwerpse Algemeen Nederlands Verbond-afdeling op 1 februari 1914, nog geen twee jaar nadat hij het federalisme principieel had verworpen: "Van heden af moeten we ons voor Bestuurlijke Scheiding verklaren, het is de eenigste oplossing." Op 1 mei 1914 verscheen in Gent het eerste nummer van De Bestuurlijke Scheiding, een maandblad dat werd uitgegeven door drie jonge flaminganten, Marcel Minnaert, Antoon Thiry en Reimond Kimpe, en dat de gedachte van de administratieve scheiding wilde populariseren.

De Eerste Wereldoorlog

Ontgoocheld over de trage voortgang van de taalwetgeving en vanuit de overtuiging dat alleen bestuurlijke scheiding de Vlaamse kwestie kon oplossen maakte een groep flaminganten, de zogenaamde activisten (activisme), tijdens de Eerste Wereldoorlog van de bezetting gebruik om met steun van de Duitse bezetter een eigen staatkundige structuur voor Vlaanderen te verwezenlijken. Over de mate en de vorm van de politieke autonomie waren de activisten echter verdeeld. Terwijl de groep Jong-Vlaanderen (waartoe onder anderen de redacteurs van De Bestuurlijke Scheiding behoorden) de vernietiging van de Belgische staat en de stichting van een met Duitsland verbonden Koninkrijk Vlaanderen nastreefden, wilden anderen (zoals Leo Picard, Antoon Jacob en René de Clercq) België omvormen tot een federale staat. Radicale en gematigde activisten werden het begin 1917 weliswaar eens over de eis van "volledige en algehele zelfstandigheid en autonomie", maar die vage formule kon niet verhinderen dat in de overkoepelende Raad van Vlaanderen tussen de twee strekkingen over de institutionele vorm van Vlaanderen flink geredetwist werd.

Voor zover het paste in hun Flamenpolitik en ook vanuit dat oogmerk waren bepaalde Duitse kringen het idee van de bestuurlijke scheiding niet ongenegen. In het najaar 1916 deden zij een eerste stap in die richting met de splitsing van het ministerie van kunsten en wetenschappen (25 oktober 1916). Op 21 maart 1917 kondigde gouverneur-generaal Moritz von Bissing de volledige bestuurlijke scheiding van Vlaanderen en Wallonië af. Geleidelijk werden alle ministeriële departementen administratief gesplitst, althans op papier. Voor de anti-Belgische radicalen in de Raad van Vlaanderen ging dat niet ver genoeg. Na een chaotische vergadering riep de Raad op 22 december 1917 de "politieke zelfstandigheid" van Vlaanderen uit – ook al een dubbelzinnige formule – maar de bezetter maakte het besluit afhankelijk van een volksraadpleging waardoor het in feite een dode letter bleef.

In het niet-bezette gebied achter de IJzer, waar het Belgisch leger zich had teruggetrokken, oefenden de ergerlijke taaltoestanden een radicaliserende invloed uit op de Vlaamsgezinde studenten en intellectuelen die elkaar, vaak als oorlogsvrijwilliger, in een sociaal-culturele soldatenwerking hadden gevonden. De weigering van de regering te beloven dat ze na de oorlog de universiteit van Gent zou vernederlandsen (oktober 1916) en de bestraffing van de activiteiten van de Frontbeweging, wekten er begrip voor het activisme en dreven de leiding van de Frontbeweging naar radicale stellingnames. In oktober 1917 verspreidde zij het programmatische vlugschrift Vlaanderen's Dageraad aan de Yzer, waarin zakelijk werd uiteengezet dat de Vlaamse grieven voortsproten uit het unitaristische karakter van de Belgische staat die de tweeledigheid van het land miskende. Ook werd voor Vlaanderen "zelfbestuur" op federale grondslag geëist, "als uitgangspunt van het nieuwe leven dat den Belgischen staat moet sterker maken".

Terwijl in zowel het bezette als het niet-bezette deel van Vlaanderen radicale flaminganten tijdens de Eerste Wereldoorlog het zwaartepunt van de Vlaamse strijd verlegden van de "taalwetterij" naar de institutionele vraagstukken – wat in de V.B. een breuk tussen minimalisten en maximalisten zou veroorzaken – viel in Wallonië de autonomiebeweging – op een handvol activisten na, die bereid waren de bestuurlijke-scheidingsmaatregelen van de Duitse bezetter te steunen – zogoed als stil. De meeste voormannen van de Waalse Beweging weken uit naar Frankrijk. Emile Jennissen en Raymond Colleye gaven in Parijs het blad L'Opinion wallonne uit waarin zij weliswaar hun federalistische standpunten uiteenzetten, maar zoals de andere Franstaligen waren zij begeesterd door het Belgische patriottisme dat de Duitsers met hun inval nieuw leven hadden ingeblazen. Jules Destrée werd in 1917 zelfs gevolmachtigd minister van de Belgische regering in Petrograd.

Het interbellum

De breuk die tijdens de Eerste Wereldoorlog in de V.B. was ontstaan, drukte in het interbellum haar stempel op de opvattingen over de staatshervorming. Fronters en activisten vonden elkaar in 1919 in de Vlaams-nationalistische Frontpartij, die de zelfbestuur-eis in haar programma opnam maar door ideologische verdeeldheid nooit een landelijke organisatie kreeg en een zwakke partij bleef. De minimalisten, onder leiding van Frans van Cauwelaert, stonden huiverig tegenover de federalistische gedachte en bleven ijveren voor de verbetering van de taalwetgeving binnen de bestaande staatsstructuur. In hun ogen zette de staatkundige eenheid van België geen rem op de emancipatie van de Vlamingen die bovendien in een federale staat hun numerieke meerderheid zouden prijsgeven.

Belangrijk voor de latere federalisering van België is in dat verband de bestuurstaalwet van 28 juni 1932, die het principe van de eentaligheid van Vlaanderen en Wallonië bekrachtigde en versterkte. Door de officiële invoering van het territorialiteitsbeginsel effende de wet van 1932 de weg naar de vastlegging van de taalgrens in de jaren 1960 en de gemeenschaps- en gewestvorming in de jaren 1970 en 1980.

Herman Vos, die in 1925 tot Vlaams-nationalistisch Kamerlid was verkozen, diende op 25 maart 1931 het eerste federalistische wetsvoorstel in, volgens hetwelk "de staten Vlaanderen en Wallonië" samen "het Verenigd Koninkrijk Vlaanderen en Wallonië" vormen. Vos, die wist dat het voorstel geen kans maakte, had vooral de bedoeling de eenheid onder de verdeelde Vlaams-nationalisten te herstellen en ze te oriënteren naar een langs democratische weg realiseerbare structuurhervorming en ze aldus af te leiden van een ideologisch antidemocratisch project. Zijn "Federaal Statuut" kreeg inderdaad de steun van op één na alle Vlaams-nationalistische parlementsleden maar de voorstanders van de vernietiging van België gingen in de weekbladen Vlaanderen (1922-1933) en Jong Dietschland heftig tekeer tegen het voorstel dat de Belgische staat in leven hield. Als gevolg van die kritiek trokken de radicale Kamerleden Ward Hermans en Jeroom Leuridan op 19 juli 1932 hun handtekening onder het wetsvoorstel terug. Diezelfde dag verwierp de Kamer de inoverwegingneming.

In het verdeelde Vlaams-nationalistische kamp verstrengelde in de daaropvolgende jaren het anti-belgicisme met het fascisme. Bovendien koos het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) voor een Groot-Nederlands project dat het federalisme als einddoel afwees. In "het min of meer nationalistische randgebied van de katholieke zuil" (Lode Wils) versterkte de onvrede over de gebrekkige toepassing van de taalwetgeving intussen de federalistische stroming. Een belangrijke rol werd hierin gespeeld door het weekblad Nieuw Vlaanderen.

De redactie van het blad, dat werd geleid door de Leuvense hoogleraar Hendrik J. van de Wijer en waaraan onder anderen Gaston Eyskens en Filip de Pillecyn meewerkten, publiceerde op 17 augustus 1935 een artikel "De concentratie der Vlaamse strijdkrachten op de federale gedachte", waarin werd betoogd dat de taalwettenpolitiek was mislukt en dat de Belgische staat moest worden hervormd op basis van twee volksgemeenschappen. De Leuvense groep rond Van de Wijer kon enkele maanden later dat standpunt doordrukken op het congres van de Katholieke Vlaamsche Landsbond, dat de noodzaak aanvaardde aan de "Vlaamsche Gemeenschap" een publiekrechtelijke structuur te geven. Federalisme werd daarbij niet uitgesloten, hoewel Van Cauwelaert er in zijn slottoespraak uitdrukkelijk tegen waarschuwde. De parlementsverkiezingen van 24 mei 1936 versterkten de positie van de pro-federalistische fractie in de Vlaamse vleugel van de katholieke partij, die na haar zware nederlaag om rekening te houden met "de eigen karakters der twee volksgemeenschappen" werd "geregionaliseerd". De Katholieke Unie werd vervangen door het Blok der Katholieken van België, bestaande uit de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV) en de Parti Catholique Social.

Het congres van de Vlaamsche Concentratie, dat Nieuw Vlaanderen op 19 juli 1936 hield, sprak zich wel niet uit voor federalisme, maar stelde niettemin dat "Vlaamse zelfstandigheid en zelfbeschikkingsrecht in zich sluiten het veroveren van voldoende staatsmacht tot het beheersen van de commandoposten in het hele volksleven". Op 8 december 1936 sloten de KVV en het VNV een Beginselakkoord, dat voorzag in een vaag omschreven federalistische staatshervorming. Het akkoord bleef echter een dode letter. Kort nadien verschrompelde ook de concentratiegedachte. De afzwakking in het VNV van de Dietse doelstelling door 'zelfbestuur' te aanvaarden als een overgangsfase naar de Dietse volksstaat had niet alleen een toenadering tot de KVV mogelijk gemaakt, maar ook tot Rex. Zijn leider, Léon Degrelle, was, tegen een groot deel van zijn aanhang in, bereid een federalistisch project te steunen als onderdeel van zijn strategie de Belgische staat te destabiliseren.

In Wallonië was de autonomistische stroming in de eerste naoorlogse jaren in het defensief gedrongen. De Assemblée wallonne veroordeelde elk federalistisch voorstel als een 'product' van de Duitse bezetting, zoals zij dat ook deed met de voorstellen voor de eentaligheid van Vlaanderen. De Assemblée bleef de eentaligheid van Wallonië en de tweetaligheid van Vlaanderen verdedigen tot zij in 1939 verdween, maar dan had zij haar representativiteit verloren en was zij overvleugeld door de Concentration wallonne. Deze in 1930 opgerichte koepel van enkele tientallen wallingantische bonden werd de spreekbuis van de autonomistische strekking en beschouwde zich als de ware vertegenwoordiger van de Waalse Beweging.

Al op haar tweede congres in 1932 keurde de Concentration wallonne een federaal ontwerp goed, dat voorzag in de oprichting van twee gewesten, Vlaanderen en Wallonië, met een eigen parlement en een bondsgebied Brussel. Op 1 juni 1938 diende het socialistische Kamerlid Georges Truffaut een voorstel tot grondwetsherziening in, waarin hij een drieledig federalisme voorstelde, dat vooraf was goedgekeurd door de Concentration wallonne. Het voorstel onderging hetzelfde lot als dat van Vos zes jaar eerder: de Kamer verwierp op 2 februari 1939 de inoverwegingneming.

Als antwoord op de federalistische voorstellen uit nationalistische hoek, legden de minimalisten na de totstandkoming van de bestuurstaalwet van 1932 het accent op de verwerving van culturele autonomie. Camille Huysmans had het idee, dat hij ontleende aan de Oostenrijkse marxist Otto Bauer, voor het eerst verwoord in 1913. Onder culturele autonomie werd verstaan de aanpassing van de centrale administratie aan de tweeledigheid van het land door de splitsing van de ministeriële departementen (in de eerste plaats dat van onderwijs) en andere centrale instellingen (zoals de academies), en de oprichting van adviserende cultuurraden. Het interne Compromis des Belges dat Vlaamse en Waalse parlementsleden van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) in maart 1929 sloten, maakte de weg vrij naar de aanvaarding van het principe van de culturele autonomie op het congres van 9 en 10 november van dat jaar. Het eerste Vlaams Socialistisch Congres (21-22 maart 1937) sprak zich uit voor culturele autonomie, maar tegen federalisme. Het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond was eveneens voorstander van culturele autonomie.

Het Studiecentrum tot Hervorming van de Staat dat in 1936, op initiatief van de regering-Paul van Zeeland, was opgericht, sprak zich het jaar daarop uit voor de invoering van culturele autonomie en stelde de splitsing van het ministerie van openbaar onderwijs en de oprichting van cultuurraden voor. In 1937 werden de culturele diensten van het Nationaal Instituut voor Radio-omroep (NIR) gesplitst. Bij Koninklijk Besluit van 7 februari 1938 werden een Nederlandse en een Franse Cultuurraad opgericht, met adviserende bevoegdheid voor het onderwijs- en cultuurbeleid van de regering. Nog in 1938 werden een Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België en een Koninklijke Vlaamse Academie voor Geneeskunde van België opgericht. Met die maatregelen waren de kiemen gelegd voor het 'culturele federalisme' dat in de jaren 1960 verder zou worden uitgebouwd en in 1970 grondwettelijk zou worden verankerd.

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog

Tijdens de Tweede Wereldoorlog duldde de Duitse bezetter niet dat de staatshervorming aan de orde werd gesteld. Hij stond hoogstens toe dat de Groot-Duitse Vlaamse nationaal-socialisten van de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) in hun publicaties propaganda maakten voor de aansluiting van Vlaanderen als rijksgouw bij Duitsland. Het collaborerende Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) daarentegen kreeg verbod zijn Groot-Nederlands ideaal te belijden. De leiders van het VNV die hoge administratieve functies hadden aanvaard en de vele radicale flaminganten die in de gemeenten en de openbare besturen leidende ambten bekleedden, eerbiedigden de unitaire staatsstructuur. De Bourgondische hervormingsplannen van de Waalse Rex-leider Léon Degrelle werden nauwelijks ernstig genomen.

Als gevolg van de Vlaams-nationalistische collaboratie en de daaropvolgende repressie kende de federalistische stroming in Vlaanderen na de oorlog een tijdelijke terugval. Enerzijds keerde, uit aversie over de samenwerking met de bezetter, een groot deel van de flamingantische opinie zich tegen het nationalisme en het federalisme. Anderzijds belandden honderden promotoren van de federalistische gedachte in de gevangenis en onthielden degenen die niet veroordeeld waren zich begrijpelijkerwijze van politieke activiteiten.

De Waalse Beweging, die in het verzet had gestaan, kwam daarentegen versterkt en geradicaliseerd uit de oorlog en trad meteen weer op de voorgrond. Al tijdens de bezetting hadden Luikse socialisten onder leiding van Fernand Dehousse, een studiegroep opgericht, die tot de conclusie kwam dat België een drieledig federalisme nodig had. In 1944 publiceerde de Luikse federatie van de socialistische partij Un projet d'instauration du fédéralisme en Belgique. Het eerste naoorlogse Waals Nationaal Congres sprak zich op 20-21 oktober 1945 haast unaniem uit voor een autonoom Wallonië in een federaal België, nadat bij een eerste, emotionele stemming een relatieve meerderheid (486 op 1046) de voorkeur had gegeven aan de aanhechting bij Frankrijk boven autonomie (391 stemmen; 154 andere deelnemers aan het Congres kozen voor volledige onafhankelijkheid van Wallonië, 17 voor het behoud van de unitaire staat).

Een jaar later keurde het tweede Waals Nationaal Congres een ontwerp van federale grondwet goed, dat op 25 maart 1947 door de socialist Marcel Grégoire bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd ingediend. De tekst, die mede ondertekend was door de liberaal Jean Rey en de communist Julien Lahaut, beoogde de invoering van een tweeledig federalisme. De 19 gemeenten van de Brusselse agglomeratie zouden de bondshoofdstad vormen. De inwoners zouden kunnen kiezen voor de Vlaamse of Waalse subnationaliteit. Omdat op dat ogenblik prins Karel optrad als regent en volgens het toenmalige grondwetsartikel 84 tijdens een regentschap elke wijziging van de grondwet was verboden, weigerde de Kamer, op advies van enkele hoogleraren staatsrecht, op 19 november 1947 het voorstel in overweging te nemen.

Nadat in 1950 aan het regentschap van Karel een einde was gekomen en het congres van de Waalse socialisten zich in 1951 met een ruime meerderheid voor federalisme had uitgesproken, dienden de Luikse socialisten François van Belle en Joseph Merlot op 3 juni 1952 in de Kamer een nieuw voorstel in om enkele algemene federalistische beginselen in de grondwet op te nemen. De Kamer nam het voorstel deze keer wel in overweging, maar op verzoek van de homogene Christelijke Volkspartij (CVP)/Parti Social Chrétien (PSC)-regering werd het op 14 oktober 1953 verworpen (136 neen-stemmen, 33 ja-stemmen en 18 onthoudingen). Een maand later dienden enkelen van hun partijgenoten in de Senaat een vrijwel gelijkluidend voorstel tot federale staatsinrichting in, maar ook daar werd, op 25 februari 1954, het voorstel afgewezen (105 neen, 39 ja, 5 onthoudingen).

Anders dan uit de uitslag van die stemmingen kan blijken, had de federalistische beweging intussen in Vlaanderen en Wallonië veld gewonnen onder invloed van de Koningskwestie, die nooit zo scherp als voorheen de communautaire tegenstellingen had gereveleerd en voor de eerste keer had aangetoond dat het niet meer mogelijk was het land te besturen tegen de wil van een van beide gewesten. Tegen de achtergrond van de demografische achteruitgang en het beginnend economisch verval van Wallonië was door de agitatie tegen de terugkeer van Leopold III en tegen het 'leopoldistische' Vlaanderen, waarin de Waalse Beweging aan de spits stond, de federalistische gedachte vanuit de wallingantische elite in bredere volkslagen doorgedrongen. Symbolisch voor de – vooralsnog tijdelijke – toenadering tussen de Waalse Beweging en de arbeidersklasse was de aanwezigheid van de Luikse vakbondsleider André Renard op het Waals Nationaal Congres van 26 maart 1950.

In Vlaanderen had een meerderheid zich voor de terugkeer van Leopold uitgesproken. De troonsafstand, die als een kaakslag werd ervaren, gaf de zich moeizaam herstellende V.B. een radicaliserende impuls en versterkte de positie van de nationalisten. Het federalisme, dat tot dan toe vooral als een Waals chantagemiddel werd afgedaan, werd in katholieke kringen weer bespreekbaar. Op 10 juni 1950 werd het Vlaams Comité voor Federalisme opgericht, onder leiding van Corneel Heymans en Max Lamberty, met het doel het federalisme vanuit Europees perspectief te bestuderen. Onder het voorzitterschap van Walter Couvreur knoopte het Comité in 1952 gesprekken aan met een groep Waalse federalisten, geleid door secretaris-generaal Fernand Schreurs van het Waals Nationaal Congres. De besprekingen resulteerden in een gemeenschappelijk beginselakkoord dat, als Vlaams-Waals manifest, door een honderdtal prominente Vlamingen en Walen ondertekend werd en op 3 december 1952 werd gepubliceerd. Zij verklaarden daarin dat "België bestaat uit twee volkeren met elk een eigen taal en een eigen culturele en etnische individualiteit: het Vlaamse en het Waalse volk", dat zij van oordeel waren "dat een federale structuur van de Belgische Staat, die elke inmenging van het ene volk in aangelegenheden van het andere uitschakelt en een einde maakt aan de steeds opnieuw oplaaiende twisten tussen Vlamingen en Walen, de Belgische saamhorigheid ten goede komt en versterkt" en dat zij daarom voorstander waren "van de ruimst mogelijke autonomie voor Vlaanderen en Wallonië". Een commissie, voorgezeten door Couvreur en Schreurs, stelde in 1953 een federaal statuut op. Het werd in de vorm van 43 grondstellingen gelijktijdig bekendgemaakt op een vergadering van het Vlaams Comité voor Federalisme in Antwerpen en op het Waals Congres van 3-4 oktober 1953 in Charleroi. De stellingen voorzagen in de vorming van een tweeledige federatie en een bondsgebied Brussel, waarvan de grenzen door een Vlaams-Waalse commissie zouden worden vastgesteld en dat door een paritaire stadsraad en een paritair college zou worden bestuurd. In de bondsstaat werd de wetgevende macht uitgeoefend door de koning en de bondsraad, de uitvoerende macht door de koning. In de gewestelijke staten berustte de wetgevende macht bij de gouverneur-generaal en de gewestelijke raad, de uitvoerende macht bij de gouverneur-generaal. De stellingen somden ook vrij gedetailleerd de bevoegdheden van de bondsstaat en de gewestelijke staten op. Volksunie (VU)-Kamerlid Frans van der Elst, de secretaris van het Vlaams Comité voor Federalisme, zou de tekst in 1962 als ontwerp van federale grondwet bij de Kamer indienen, maar hij werd er nooit besproken.

Tussen 1954 en 1958 was het als gevolg van de Schoolstrijd relatief windstil op het communautair-federalistische front. Het eerste naoorlogse wetsvoorstel over de oprichting van cultuurraden, dat CVP-Kamerlid Renaat van Elslande op 5 mei 1954 indiende en het memorandum van 1 januari 1955 van het Comité voor Cultuurverspreiding, waarin de drie cultuurfondsen (Davidsfonds, August Vermeylenfonds en Willemsfonds) en de Stichting-Lodewijk de Raet aandrongen op onder meer de splitsing van het ministerie van nationale opvoeding, wekten nauwelijks belangstelling.

Op 24 april 1958 publiceerde het Centrum van onderzoek voor de nationale oplossing van de maatschappelijke en rechtskundige problemen in de Vlaamse en Waalse gewesten, dat in 1948 op voorstel van PSC-Kamerlid Pierre Harmel was opgericht, zijn eindrapport. Het erkende in zijn algemeen besluit "het bestaan binnen de Belgische natie van twee culturele gemeenschappen", de Vlaamse en de Waalse. De politieke afdeling van het Centrum adviseerde een Vlaamse en een Waalse Culturele Raad op te richten, "die geroepen zijn om elk het instrument te worden van een werkelijke cultuurpolitiek in de twee gewesten van het land en te Brussel", alsook een Vlaamse, Waalse en Brusselse Raad van Advies met raadgevende bevoegdheid op economisch en sociaal gebied.

Met de herleving van de Vlaamse en de doorbraak van de Waalse Beweging in het begin van de jaren 1960 – het was de periode waarin de economische opgang van Vlaanderen en het industriële verval van Wallonië volop duidelijk werden – belandde het nationaliteitenvraagstuk voorgoed en bovenaan op de politieke agenda en kwam de federalistische beweging in een hogere versnelling. In Vlaanderen luidde de actie tegen de talentelling (1959) een offensief in van het Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en Taalgrens (VABT), dat culmineerde in de Marsen op Brussel (1961 en 1962) die, als machtsmanifestatie van een zelfverzekerd Vlaanderen, een keerpunt in de Vlaams-Waalse verhoudingen en de Belgische politiek betekenden. Toch was het federalisme op dat ogenblik nog een twistpunt in de V.B. Het thema werd, ter wille van de eendracht, uit de beide Marsen gehouden en toen het VAK in 1963 in Antwerpen toch voor "federalisme en economische structuurhervormingen" betoogde, trokken verschillende organisaties zich uit het Aktiekomitee terug. Het verloor ook de steun van de Vlaamse kranten die achter de betogingen in Brussel hadden gestaan. Zelfs de Vlaamse Volksbeweging (VVB), die zich op haar tweede congres (4 februari 1962), op grond van een referaat van Wilfried Martens, voor federalisme had uitgesproken, beperkte zich een jaar later op haar congres in Leuven om tactische redenen tot een "pragmatisch" federalisme, dat volgens rapporteur Raymond Derine zelfs het etiket "decentralisatie" mocht dragen.

De Waalse Beweging trok na de mislukte stakingen tegen de Eenheidswet van de regering-Gaston Eyskens, in de winter 1960-1961, resoluut de federalistische kaart. Op 14-15 januari 1961 drongen 350 socialistische mandatarissen aan op een federale hervorming van de staatsstructuur, teneinde "Wallonië te bevrijden uit de greep van de Vlaamse conservatieve meerderheid". In maart 1961 richtte de ontgoochelde socialistische vakbondsleider Renard, die de strijd tegen de Eenheidswet had geleid en zich in de steek gelaten voelde door de Vlaamse federaties van het Algemeen Belgisch Vakverbond, het Mouvement populaire wallon (MPW) op. Het kwam op voor een tweeledig federalisme, met Brussel als bondshoofdstad, als institutioneel kader waarin een demografisch en industrieel verzwakt Wallonië autonoom de economische structuurhervormingen zou kunnen verwezenlijken die voor zijn reveil noodzakelijk waren.

Het federalisme was in zoverre nog marginaal, dat het de parlementaire werkzaamheden nauwelijks beroerde. Op de VU en de Waalse socialisten na, stonden de partijen er terughoudend tot negatief tegenover. De CVP bijvoorbeeld sprak zich op haar congres van 1963 nog tegen federalisme uit, maar was wel gewonnen voor een ruime decentralisatie en culturele autonomie voor de taalgemeenschappen. Overigens werden als voorschot op de cultuurautonomie in 1960 de openbare omroep en in 1962 het ministerie van onderwijs gesplitst.

In diezelfde periode werd de taalwetgeving aangevuld en verfijnd. Belangrijk was de definitieve vastlegging van en de aanpassing van de arrondissements- en (behalve in Brabant) de provinciegrenzen aan de taalgrens (1962) waardoor Vlaanderen en Wallonië de facto over een bij wet afgebakend grondgebied beschikten. De indeling van het land in vier taalgebieden (het Nederlandse, het Franse, het Duitse en het tweetalige gebied Brussel) vormde het fundament waarop later het federale België werd opgetrokken.

Ook eerste minister Theo Lefèvre (1961-1965) had blijkbaar begrepen dat met de taalwetten van 1962-1963 het bijna 100 jaar oude tijdperk van de 'taalwetterij' ten einde was en de verdere harmonische coëxistentie van Vlamingen en Franstaligen een hervorming van de instellingen en een herziening van de grondwet vergde. Op 24 oktober 1962 installeerde hij een politieke werkgroep van ministers, ministers van staat en parlementsleden, met de opdracht een nieuw handvest voor de verhouding tussen Vlamingen, Walen en Brusselaars op te stellen en een grondwetsherziening voor te bereiden. De werkgroep kwam niet tot eensgezinde besluiten. De regering zond op 7 november 1963 het syntheseverslag van haar werkzaamheden door naar de voorzitters van de drie 'traditionele' partijen, met het verzoek een voor de twee gemeenschappen aanvaardbare overeenkomst uit te werken. In januari 1964 stelden de partijvoorzitters daartoe een commissie samen (rondetafelconferentie). Onder druk van de Franstalige Brusselaars, die zich niet konden verzoenen met de voorgestelde begrenzing van de hoofdstedelijke agglomeratie, verliet de liberale Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) op 20 januari 1965 het driepartijenoverleg. De twee regeringspartijen, de CVP en de Belgische Socialistische Partij, werden het op 26 januari eens over een reeks gemeenschappelijke besluiten, die op 13 februari door hun congressen werden bekrachtigd.

Op basis van dat tweepartijenakkoord diende het kabinet-Lefèvre op 3 maart 1965 een ontwerp van verklaring tot herziening van de grondwet in, onder meer om het bestaan van de vier taalgebieden te erkennen, cultuurautonomie in te voeren en twee cultuurraden op te richten en een administratieve decentralisatie en economische deconcentratie tot stand te brengen. Door de goedkeuring van de herzieningsverklaring was het parlement van rechtswege ontbonden.

De verkiezingen van 23 mei 1965 waren een succes voor de federalistische partijen. De VU verhoogde haar aantal Kamerzetels van 5 naar 12, de Parti wallon des Travailleurs en het Front wallon (waaruit het Rassemblement wallon (RW) zou voortkomen) veroverden elk een zetel, het Brusselse Front démocratique des Francophones (FDF) deed met 3 gekozenen zijn intrede in de Kamer. Na de verkiezingen bleek het niet mogelijk een driepartijenkabinet te vormen dat over de vereiste tweederde meerderheid in het parlement beschikte om de grondwet te herzien. Wel werd op 20 oktober 1966 een Vaste commissie voor de verbetering van de betrekkingen tussen de Belgische taalgemeenschappen geïnstalleerd. De commissie, voorgezeten door oud-minister Paul Meyers, was er nog niet in geslaagd concrete voorstellen te formuleren toen de regering-Paul vanden Boeynants op 7 februari 1968 struikelde over de overheveling van de Franstalige afdeling van de Katholieke Universiteit Leuven naar Wallonië.

De kwestie-Leuven Vlaams, die grote beroering had veroorzaakt in de publieke opinie in Vlaanderen en er in mei 1966 en januari 1968 tot een ongezien studenten- en scholierenprotest had geleid, en de verdere opmars van de federalistische partijen bij de parlementsverkiezingen van 31 maart 1968, bevestigden de ernst van de toestand. De 'traditionele' partijen konden voor de communautaire spanningen niet langer de ogen sluiten, temeer daar zij er ook intern mee geconfronteerd werden. Ten gevolge van Vlaams-Waalse tegenstellingen vielen de unitaire CVP en PVV in 1969 respectievelijk 1971-1972 uiteen; de BSP zou tot 1978 unitair blijven, maar zag zich al in 1971 genoodzaakt een dubbel, Vlaams-Waals voorzitterschap in te voeren.

De splitsing van de drie 'traditionele' partijen werd, wegens het ontbreken van een landelijke kieskring, een belangrijke factor in de desintegratie van de unitaire en de opbouw van een federale staat. De autonome Vlaamse respectievelijk Waals-Franstalige christen-democratische, socialistische en liberale partijen traden steeds meer op als verdediger van de belangen van hun gemeenschap en/of gewest en steeds minder als die van de 'Belgische' belangen. Het sterkst was dat te merken bij de Parti Socialiste die in de tweede helft van de jaren 1970 met het RW zowat het hele Waals-nationalisme binnenhaalde. Communautaire compromissen die vroeger in drie 'nationale' partijen werden gesloten, moesten voortaan tussen 6 (of meer) 'regionale' partijen gesloten worden.

Het lange federaliseringsproces (1970-1995)

Tussen 1970 en 1995 werd de unitaire Belgische staat hervormd tot "een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten" (artikel 1 van de grondwet). De hervorming gebeurde in vier stadia, waarbij telkens bevoegdheden, financiële middelen, instellingen, ambtenaren en infrastructuur van de centrale overheid naar de deelgebieden werden overgedragen. Elke volgende ronde in de staatshervorming was het gevolg van tekortkomingen en lacunes in de vorige, maar ook van de voortdurende druk van de federalisten in en buiten de politieke partijen om de autonomie van de gemeenschappen en de gewesten te verruimen en te verdiepen. Het resultaat is een orginele, eerder complexe staatsstructuur die in zijn drie beleidsniveaus – de federatie of centrale staat, de gemeenschappen en de gewesten – uiteenlopende eisen (de 'Vlaamse' cultuurautonomie en de 'Waalse' sociaal-economische autonomie) en tegengestelde concepten (de 'Vlaamse' tweeledigheid en de 'Franstalige' drieledigheid van de staat) tracht te verzoenen (technisch-juridische bijzonderheden van het hierna beschreven federaliseringsproces vindt men onder het trefwoord Staatshervorming).

Omdat zijn na de verkiezingen van 1968 gevormde christen-democratisch-socialistische regering niet over een parlementaire tweederde meerderheid beschikte, nodigde eerste minister Gaston Eyskens de oppositiepartijen uit om samen met de meerderheidsfracties de plannen voor het 'nieuwe België' te tekenen. De Werkgroep der 28 vergaderde van 24 september tot 30 oktober 1969 (de Volksunie-VU trok zich op de laatste vergadering terug) en keurde op 13 november een verslag goed waarin de partijen zich uitspraken voor culturele autonomie van de gemeenschappen en een ruime gewestelijke decentralisatie. Opmerkelijk was de vaststelling waarmee het verslag begon: "De unitaire staat, met zijn structuur en zijn werkwijze zoals die thans door de wetten nog geregeld zijn, is door de gebeurtenissen achterhaald. De gemeenschappen en de gewesten moeten hun plaats innemen in vernieuwde staatsstructuren, die beter aangepast zijn aan de eigen toestanden van het land." Eyskens nam die passage over in de regeringsmededeling waarmee hij op 18 februari 1970 in de Kamer de grondwetsherziening inleidde.

Na incidentrijke partijbesprekingen en gespannen parlementaire debatten werd in december 1970 de grondwet herzien en werden in juli 1971 twee uitvoeringswetten afgekondigd. Door de indeling van België in vier taalgebieden (het Nederlandse, het Franse, het Duitse en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad) werden de taalgrens en het beginsel van de taalhomogeniteit grondwettelijk verzegeld. De Kamerleden en senatoren werden ingedeeld in twee taalgroepen, een Nederlandse en een Franse (wet van 3 juli 1971). De cultuurautonomie kreeg gestalte in de grondwettelijke erkenning van drie cultuurgemeenschappen (Nederlandse Cultuurgemeenschap) en de oprichting van drie cultuurraden (wet van 21 juli 1971). De Franse en Nederlandse Cultuurraad, die op 7 december 1971 werden geïnstalleerd, waren samengesteld uit Kamerleden en senatoren en konden voor strikt omschreven aangelegenheden (cultuur, taalgebruik en enkele marginale onderwijszaken) decreten uitvaardigen die kracht van wet hadden. De Raad van de Duitse Cultuurgemeenschap kreeg slechts reglementerende bevoegdheid. De cultuurgemeenschappen hadden geen eigen uitvoerende macht; het waren nationale regeringsleden die de decreten uitvoerden. Voor hun financiering waren zij afhankelijk van de dotatie die de regering jaarlijks ter beschikking stelde.

De grondwet van 1970 legde ook de basis voor de latere gewestvorming. Volgens het toenmalige artikel 107quater (artikel 3 in de gecoördineerde grondwet van 1994) telt België drie gewesten: het Vlaamse Gewest, het Waalse en het Brusselse. Wegens meningsverschillen over de grenzen en het statuut van het Brussels gewest kwam er voorlopig geen uitvoeringswet. De Vlaamse partijen waren gevoelig voor het argument van de V.B. dat de uitbouw van Brussel tot een derde gewest, Vlaanderen op het centrale niveau in een minderheidspositie kon brengen. Wel waren intussen, door de wet van 15 juli 1970 op de economische decentralisatie, gewestelijke economische raden met raadgevende en aanbevelende bevoegdheid en Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen opgericht.

De grondwet van 1970 bevatte ook enkele bepalingen die tegemoetkwamen aan de Waalse vrees voor politieke minorisatie en de Vlaamse meerderheid 'afsneden': de pariteit in de ministerraad, de alarmbelprocedure en de bijzondere-meerderheidsregel voor de goedkeuring van 'communautaire' wetten. Die 'vergrendeling' van de Vlaamse meerderheid (grendelgrondwet), die het definitieve failliet van de Frans van Cauwelaert-strategie betekende, heeft in Vlaanderen tot een versterking van het autonomiestreven geleid.

Vanaf 1974 werden de federalistische partijen betrokken bij het zoeken naar een oplossing voor de uitvoering van artikel 107quater. Na de mislukking van de gesprekken in Steenokkerzeel waaraan de VU, het Rassemblement wallon (RW) en het Front démocratique des Francophones (FDF) deelnamen, voerde het rooms-blauwe kabinet-Leo Tindemans, met de steun van het RW de zogenaamde voorbereidende gewestvorming in (wet van 1 augustus 1974). Binnen de nationale regering kregen drie ministeriële comités de bevoegdheid om in domeinen als ruimtelijke ordening, huisvesting, gewestelijke economische expansie en tewerkstelling, en watervoorziening een eigen gewestbeleid te voeren. Van november 1974 tot juli 1977 had elk gewest bovendien een eigen Raad, waarin senatoren een adviserende stem konden laten horen.

Na de parlementsverkiezingen van 1977 sloten christen-democraten, socialisten, VU en FDF tijdens het formatieberaad onder leiding van Tindemans (Christelijke Volkspartij-CVP) het Egmontpact, een ambitieus akkoord over een verregaand federalisme, waarvan zij hoopten dat het tot de definitieve pacificatie van de communautaire problemen zou leiden. Het voorzag in een hervorming van het tweekamerstelsel, institutionaliseerde de drieledige gewestvorming, verruimde de tweeledige gemeenschapsvorming en trok die door in Brussel, breidde de faciliteiten in de zes Vlaamse randgemeenten rond Brussel uit en voerde ten behoeve van de Franstaligen in nog eens acht andere Vlaamse gemeenten rond Brussel een "inschrijvingsrecht" in. Het verzet van een groot deel van de V.B. tegen dat inschrijvingsrecht en bezwaren tegen de grondwettigheid van sommige bepalingen van het Egmontpact waren er mede de oorzaak van dat het akkoord in oktober 1978 samen met het kabinet-Tindemans ten onder ging.

Het duurde tot de zomer van 1980 vooraleer de regering-Wilfried Martens III (CVP/Parti Social Chrétien (PSC)/Socialistische Partij (SP)-Parti Socialiste (PS)-VU) erin slaagde de staatshervorming voort te zetten, de grondwet te herzien en twee belangrijke wetten tot stand te brengen: de bijzondere en de gewone wet van 8 augustus 1980. De cultuurgemeenschappen werden omgevormd tot gemeenschappen die ook bevoegd werden voor enkele 'persoonsgebonden' materies (gezondheidsbeleid en bijstand aan personen) en ze kregen een eigen regering of executieve. De Duitstalige Gemeenschap kreeg eveneens decreetgevende bevoegdheid.

Het Waalse en Vlaamse Gewest – maar niet het Brussels gewest, dat buiten deze staatshervorming bleef – kregen een gewestraad die voor welomlijnde 'plaatsgebonden' aangelegenheden (leefmilieu, ruimtelijke ordening, natuurbehoud, huisvesting, gewestelijke aspecten van het economisch, tewerkstellings-, water- en energiebeleid, toezicht op de gemeenten) decreten konden uitvaardigen die kracht van wet hebben, en een eigen regering ('executieve'). Vlaanderen maakte gebruik van de grondwettelijke mogelijkheid om gemeenschap en gewest samen te voegen, zodat er maar één Vlaamse Raad (geïnstalleerd op 21 oktober 1980) en één Vlaamse Executieve was, die tegelijk de gewest- en de gemeenschapsmateries behartigden. Daardoor kreeg de federale staatsstructuur een 'asymmetrisch' karakter, dat in 1993 zou worden versterkt.

In afwachting van de hervorming van het tweekamerstelsel bleven de Raden van de gemeenschappen (behalve die van de Duitstalige Gemeenschap) en van de gewesten uit Kamerleden en senatoren bestaan. De financiële armslag van de gemeenschappen en gewesten werd verruimd door het aanvullen van de dotaties met volgens herkomst verdeelde 'toebedeelde belastingen'. Van hun beperkte eigen belastingbevoegdheid maakten alleen de gewesten gebruik. Om bevoegdheidsconflicten tussen de drie beleidsniveaus te beslechten werd het Arbitragehof opgericht (wet van 28 juni 1983).

De gebreken van de staatshervorming die aan het licht kwamen, de vooral Vlaamse eis om het onderwijs te 'communautariseren', het voor Vlaanderen nadelige dotatiesysteem, het gebrek aan financiële zelfstandigheid van de deelgebieden en blijvende twisten over onder meer de nationale economische sectoren (staal, steenkool...) en besparingen in het onderwijs, deden in de tweede helft van de jaren 1980 de roep naar een verdere staatshervorming steeds luider klinken. Ingevolge een kabinetscrisis over de afzetting wegens Nederlandsonkundigheid van José Happart als burgemeester van Voeren kwam ze al in 1988, sneller dan verwacht, op de agenda.

In de zomer van dat jaar werd de grondwet herzien en werden, door de bijzondere wet van 8 augustus 1988, de bevoegdheden van de gewesten en gemeenschappen aanzienlijk uitgebreid. Voor de gemeenschappen betrof het in hoofdzaak het onderwijsbeleid, dat wegens de vrees voor minorisatie bij de vrijzinnige of katholieke minderheid in Vlaanderen respectievelijk Wallonië tot dan toe nationaal was gebleven. De communautarisering werd mogelijk gemaakt door de onderwijsgelijkheid in de grondwet te waarborgen en het Arbitragehof de bijkomende bevoegdheid te geven wetten en decreten aan dat beginsel (alsook aan het grondwettelijke gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel) te toetsen. De gewesten kregen er de bevoegdheid over de infrastructuur (wegen, waterwegen, zeehavens, regionale luchthavens, stads- en streekvervoer) bij en werden, door een verruiming, bevoegd voor het (zogoed als volledige) milieubeleid en gewestelijk economisch beleid.

In een tweede fase werden, naast de vermelde hervorming van het Arbitragehof (bijzondere wet van 6 januari 1989), de financiering van de gewesten en gemeenschappen grondig herzien en de bestuursorganen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opgericht. De bijzondere wet van 16 januari 1989 schrapte de dotaties; in de plaats kregen de deelgebieden meer 'toegewezen belastingen', maar hun eigen fiscale bevoegdheid werd niet wezenlijk uitgebreid. Door de bijzondere wet van 12 januari 1989 werd het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opgericht. Dit kreeg een Raad (met ordonnantiegevende bevoegdheid), een regering en dezelfde bevoegdheden en financiële middelen als de twee andere gewesten, en voorts een Franse respectievelijk Vlaamse Gemeenschapscommissie die voor hun Gemeenschap de 'unicommunautaire' bevoegdheden uitoefenen en samen als Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bevoegd zijn voor de 'bicommunautaire' instellingen.

In een derde fase van de derde staatshervorming zouden de residuaire bevoegdheid, het internationaal verdragsrecht van de gewesten en de gemeenschappen, en de rechtstreekse verkiezing van de gewest- en gemeenschapsraden met de daarmee verbonden hervorming van het tweekamerstelsel worden geregeld. De voorbereiding hiervan werd toevertrouwd aan een gemengde parlementaire commissie, maar die kwam niet verder dan het opstellen van een inventaris van de stand- en knelpunten. Nadat er gedurende anderhalf jaar geen vooruitgang was geboekt, raakte de regering-Martens VIII (CVP-SP-PS-PSC-VU) het in de zomer van 1991 eens over een ontwerp tot herziening van de grondwet inzake de rechtstreekse verkiezing van de Raden en het verdragsrecht. Ingevolge een communautair geladen conflict rond wapenexportlicenties verliet de VU op 29 september 1991 de regering, die daardoor niet meer over een tweederde meerderheid beschikte om de grondwet te herzien. Enkele weken later kwam, in een nog steeds communautair broeierige sfeer, het hele kabinet ten val en werden er vervroegde verkiezingen uitgeschreven.

Na de verkiezingen van 24 november 1991 en de vorming van de regering-Jean-Luc Dehaene, voerden de 4 regeringspartijen (CVP, SP, PS en PSC) samen met de VU en de groene partijen AGALEV en Ecolo van 6 april tot 10 juli 1992 een 'dialoog van gemeenschap tot gemeenschap', die de onderwerpen van de 'derde fase' overnam maar zonder volledig akkoord afgesloten werd. Christen-democraten en socialisten zetten na het reces het gesprek voort en sloten op 29 september het Sint-Michielsakkoord dat naderhand de steun kreeg van VU, AGALEV en Ecolo. Met de medewerking van die partijen werden een grondwetsherziening en de bijzondere wetten van 5 mei en 16 juli 1993 en de gewone wetten van 5 mei en 16 juli 1993 tot stand gebracht. Daardoor werd België definitief van een unitaire tot een federale staat omgebouwd.

De vierde staatshervorming breidde de bevoegdheden van de gewesten en gemeenschappen nogmaals uit, meer bepaald wat het landbouw-, milieu-, uitvoer- en wetenschapsbeleid, de OCMW-wetgeving en het nemen van strafrechtelijke maatregelen betrof. De gewesten en de gemeenschappen kregen verdragsrecht, en de residuaire of restbevoegdheid werd principieel aan de deelgebieden toegewezen; de toepassing van dat principe werd evenwel afhankelijk gemaakt van de latere grondwettelijke vastlegging van de exclusieve bevoegdheden van de federale overheid. Parallel met de nieuwe bevoegdheden kregen de gemeenschappen en de gewesten bijkomende financiële middelen, maar nog altijd geen substantiële fiscale autonomie.

De Franse Gemeenschap kreeg de mogelijkheid de uitoefening van haar bevoegdheden over te dragen aan het Waals Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie in Brussel (de Cocof). Die maatregel, die was ingegeven door de financiële zorgen van de Franse Gemeenschap, versterkte het 'asymmetrisch' karakter van de federale staatsstructuur: in het noorden van het land primeert de gemeenschap, in het zuiden het gewest.

Het federale karakter van de vierde staatshervorming kwam vooral tot uiting in de rechtstreekse verkiezing, om de vijf jaar, van de Vlaamse Raad en de Waalse Gewestraad, die een einde maakte aan het hinderlijke 'dubbelmandaat', het gelijktijdige lidmaatschap van een regionaal en het federale parlement. Beide raden kregen 'constitutieve autonomie', zodat ze hun samenstelling en werking en de samenstelling en werking van hun respectieve regering zelf kunnen regelen. Tegelijk werden de samenstelling en de taakverdeling van het federale parlement en de wetgevingsprocedure grondig gewijzigd. De Kamer kreeg de exclusiviteit van de politieke controle (inclusief de goedkeuring van de begrotingen) en de wetgevende bevoegdheid; de Senaat treedt op als 'reflectiekamer', is mede bevoegd voor de grondwetsherziening en de wetten over de staatsinstellingen, en fungeert door de aanwezigheid van telkens tien leden van de Vlaamse Raad en de Franse Gemeenschapsraad ook als ontmoetingsplaats van de gemeenschappen. Door de splitsing van de provincie Brabant, ten slotte, werd het territorialiteitsbeginsel verder doorgetrokken.

Een balans

Met de rechtstreekse verkiezing van de Vlaamse Raad en de Waalse Gewestraad, op 21 mei 1995, is België een echte federale staat geworden en is een belangrijke doelstelling van de V.B. (grotendeels) gerealiseerd. De staatshervorming is het werk geweest van de 'traditionele', maar ook van de federalistische partijen. De Vlaamse strijd- en cultuurorganisaties hebben het federaliseringsproces kritisch begeleid, met het geslaagde verzet tegen het Egmontpact als hoogtepunt. Zij zijn er echter niet in geslaagd te voorkomen dat Brussel een derde gewest is geworden dat echter geen eigen vertegenwoordiging heeft op het federale niveau, waar de tweeledigheid het heeft gehaald op de door de V.B. gevreesde en bestreden drieledigheid.

Zoals elke federale staat heeft ook het federale koninkrijk België eigen karakteristieken. Zijn uniciteit ligt in het naast elkaar bestaan van drie gewesten en drie gemeenschappen, waarvan het bevoegdheidsterritorium niet (volledig) samenvalt, en in de al vermelde asymmetrie, met de gemeenschap als dominante instelling in Vlaanderen en het gewest in het Franstalige landsdeel. Anders dan in een klassieke federale staat hebben de deelgebieden geen eigen financiële verantwoordelijkheid en (te) weinig fiscale autonomie. Het ontbreken van een normenhiërarchie (wet en decreet hebben dezelfde rechtskracht), het internationaal verdragsrecht van gewesten en gemeenschappen, en de toewijzing van de residuaire bevoegdheden aan de deelgebieden gaan dan weer verder dan het klassieke federale model en geven de Belgische federale staat enkele confederale trekken.

De vierde staatshervorming (1993-1995) is niet de laatste geweest. De federale logica en alle Vlaamse politieke partijen willen dat de gewesten en gemeenschappen financiële verantwoordelijkheid en meer fiscale autonomie krijgen. Om zijn bestuurskracht te versterken is Vlaanderen bovendien, blijkens de Schrikkelnota van de Vlaamse Regering van 29 februari 1996 waarrond zich in 1997 in het Vlaams Parlement een ruime consensus aan het aftekenen was, vragende partij voor de overdracht van nog meer bevoegdheden van het federale naar het deelstatelijke niveau, onder meer de kinderbijslagen, de gezondheidszorg, het volledige wetenschaps- en technologiebeleid, en ontwikkelingssamenwerking. Ook de dynamiek – sommigen zeggen: de centrifugale beweging – die vanuit het rechtstreeks verkozen Vlaams Parlement (de naam waarin de Vlaamse Raad zich in juni 1995 veelzeggend heeft herdoopt) en vanuit de Vlaamse regering uitging en de verschillende visie die Vlaanderen en Wallonië op met name het (federale) economisch en sociaal beleid hadden, versterkten het 'autonomisme' in Vlaanderen. Binnen de V.B. kreeg het confederalisme – de vorming van een statenbond met Vlaanderen en Wallonië als bijna onafhankelijke staten – de wind in de zeilen en was er zelfs een separatistische stroming aanwezig die op het partijpolitieke vlak een verlengstuk had in het Vlaams Blok.

In Wallonië remden vooral financiële motieven – de financieringsregeling van 1989 speelde in het voordeel van het Waals Gewest en de Franse Gemeenschap – het streven naar grotere autonomie af. Een splitsing van de gezondheidszorg, laat staan van de hele sociale zekerheid, werd als een voorbode van een volledige boedelscheiding beschouwd en onbespreekbaar en onaanvaardbaar genoemd. Op een mogelijke afscheuring van Vlaanderen had Wallonië niet meteen een eenduidig antwoord. Sommigen stelden de aanhechting van Wallonië bij Frankrijk in het vooruitzicht, anderen zagen Wallonië samen met Brussel voortbestaan in een 'Klein-België'. Het uitblijven van een duidelijke Franstalige keuze tussen gewest en gemeenschap is een van de factoren die de ontwikkeling van de Belgische federale staat aan het eind van de 20ste eeuw onvoorspelbaar maakt.

Literatuur

Het federalisme in Vlaanderen, 1963; 
W. Houtman, Vlaamse en Waalse documenten over federalisme, 1963; 
R. de Nolf, Federalisme in België, 1968; 
R. van Lennep, Federalisme, 1969; 
M. van Haegendoren, Nationalisme en federalisme, 1970; 
A. Alen, 'Nationalisme - federalisme - democratie. Het  voorbeeld België', in Nationalisme, federalisme en democratie, 1992; 
J. Bouveroux, Het Sint-Michielsakkoord. Naar een federaal België, 1993; 
M. Platel, Het nieuwe België. Andere Belgen. 1830 - Het Sint-Michielsakkoord, 1993; 
R. Falter, Tweedracht maakt macht. Wegwijs in het federale België, 1994; 
N. Jacquemin, M. van den Wijngaert (met medewerking van M. Goossens), O dierbaar België. Onstaan en structuur van de federale staat, 1996; 
E. Witte, J. Craeybeckx en A. Meyen, Politieke geschiedenis van België van 1830 tot heden, 1997; 
Fr.Joris, Les Wallons et le réforme de l'Etat (1898-1970), 1998.

Auteur(s)

Mark Deweerdt