Fayat, Hendrik

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Sint-Jans-Molenbeek 28 juni 1908 – Jette 21 september 1997).

Groeide op in een gezin met socialistische sympathieën. Via zijn vader kwam de jonge Fayat in contact met de toen nog bloeiende volkshuizencultuur en met de Vlaamse werkende bevolking van de hoofdstad. "Ik ben flamingant geworden omdat ik socialist was," getuigde hij later. Fayat studeerde rechten aan de Université libre de Bruxelles (ULB). Als Vlaamsgezind student was hij lid van Geen Taal Geen Vrijheid en in 1931 stichtte hij, samen met Jef Rens en Maurits Naessens, het Vlaamsch Verbond van Socialistische Studenten. Na zijn studies werkte Fayat enkele jaren als wetenschappelijk navorser. In 1935 schreef hij zich in als advocaat aan de Brusselse balie, waar hij onmiddellijk in het bestuur van het Vlaams Pleitgenootschap bij de Balie te Brussel terechtkwam. Ondertussen was hij ook politiek actief binnen de Belgische Werkliedenpartij, waar hij zich al vlug liet opmerken als een pleitbezorger van de Vlaamse eisen. Tijdens het eerste Vlaamsch Socialistisch Congres van 1937 trad Fayat op als verslaggever over het taalvraagstuk in Brussel. Samen met Naessens was hij in 1938 en 1939 betrokken bij de socialistische Guldensporenvieringen in Kortrijk. Vanaf 1938 schreef Fayat ook geregeld in het dagblad Vooruit over de Vlaamse eisen.

Fayat volgde in mei 1940 de regering-Hubert Pierlot naar Frankrijk. In augustus 1940 werd hij, als juridisch adviseur van het Commissariaat-Generaal voor Repatriëring, belast met de bijstand aan de Belgen in onbezet Frankrijk. In mei 1942 vertrok Fayat naar Groot-Brittannië, waar hij als vrijwilliger dienst nam in het Belgisch leger. Hij werd in het najaar van 1942 juridisch adviseur van het departement van buitenlandse zaken. In juli 1943 werd hij kabinetschef van de katholieke minister van binnenlandse zaken August de Schryver, een functie die hij ook behield in de naoorlogse regering-Pierlot.

Bij de eerste naoorlogse parlementsverkiezingen in februari 1946 werd Fayat verkozen tot volksvertegenwoordiger voor Brussel. Als Kamerlid toonde hij grote belangstelling voor de buitenlandse en internationale politiek, maar dit betekende niet dat hij de Vlaamse problemen uit het oog verloor. Zijn maidenspeech in de Kamer was gewijd aan de vernieling van de IJzertoren en in zijn tussenkomsten kloeg hij geregeld wantoestanden op taalgebied aan. Fayat behoorde na de oorlog tot de oprichters van het August Vermeylenfonds en was van 1954 tot 1979 voorzitter van de Brusselse afdeling. In 1946 werd hij lid van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht en tussen 1952 en 1958 lag hij, samen met de Nederlandse hoogleraar Pieter Geyl, aan de basis van de vijf Vlaams-Nederlandse socialistische congressen. In 1948 werd Fayat benoemd tot docent koloniaal recht aan de ULB, in 1961 promoveerde hij tot hoogleraar.

Fayat werd in mei 1957 voor het eerst minister, toen hij zijn partijgenoot Victor Larock op buitenlandse handel verving. Tijdens zijn korte ambtstermijn zorgde deze trouwe lezer van The Times voor enige opschudding in Franstalige kringen door op internationale bijeenkomsten niet het Frans, maar wel het Nederlands en het Engels te gebruiken. In de regering-Theo Lefèvre-Paul-Henri Spaak (1961-1965) werd Fayat als adjunct-minister toegevoegd aan minister van buitenlandse zaken Spaak. De vrees van De Standaard, dat "de slanke Hendrik Fayat door de imposante Spaak" zou doodgedrukt worden, bleek gauw ongegrond. Fayat verwierf vooral bekendheid als de initiatiefnemer voor twee wetten uit 1962, die het evenwicht tussen Nederlands- en Franstaligen in de diplomatie moesten tot stand brengen. In de regering-Pierre Harmel-Antoon Spinoy (1965-1966) werd Fayat, opnieuw onder de hoede van Spaak, minister-staatssecretaris voor Europese zaken.

Ondertussen waren de tegenstellingen tussen Vlamingen en Franstaligen in de Brusselse socialistische federatie zogoed als onoverbrugbaar geworden. Bij de verkiezingen van maart 1968 werd Fayat, samen met zijn Vlaamse collega Frans Gelders (jr.), naar een onverkiesbare plaats verbannen. De Vlamingen reageerden met de oprichting van een eigen partijfederatie, de zogenaamde Rode Leeuwen, die bij de verkiezingen goed was voor 46.000 stemmen. Fayat en Gelders werden herkozen en de Rode Leeuwen werden een jaar later door de partijleiding officieel erkend als de Vlaamse BSP-federatie Brussel-Halle-Vilvoorde. Fayat werd opnieuw minister van buitenlandse handel in de regering-Gaston Eyskens-Juul Merlot/André Cools (1968-1971), maar de Rode Leeuwen konden hun electoraal succes van 1968 niet herhalen. Bij de vervroegde parlementsverkiezingen van 1971 ging de Kamerzetel van Fayat verloren. Toch werd hij, als extraparlementair, opgenomen als staatssecretaris voor buitenlandse handel in de kortstondige regering-Eyskens-Cools II (1972) en als staatssecretaris voor het havenbeleid in de tripartite Edmond Leburton-Leo Tindemans-Willy de Clercq (1973). Bij de regeringswijziging van oktober 1973 verdween Fayat uit de bewindsploeg, wat meteen het einde betekende van zijn actieve politieke loopbaan.

Werken

Niets is voorbij (Mémoires, I, 1983); 
In het teken van Artevelde (Mémoires, II, 1985); 
Volharding (Mémoires, III, 1988).

Literatuur

J. Florquin, Ten huize van ..., XV, 1979, p. 278-307; 
'Hendrik Fayat. Flamingant omdat ik socialist ben. Interview afgenomen door Wouter Steenhaut en Geert van Goethem', in Socialistische Standpunten, jg. 35, nr. 2 (1988), p. 13-19; 
H. Gaus (ed.), Politiek Biografisch Lexicon, 1989.

Auteur(s)

Maria de Waele