Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (EVB)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

naslagwerk met betrekking tot de geschiedenis van de V.B., in 1973-1975 in twee delen verschenen.

De EVB werd uitgegeven door Uitgeverij Lannoo met de financiële steun van het Noordstarfonds, de culturele stichting van de Vlaamse verzekeringsmaatschappij De Noordstar en Boerhaave. De redactie werd gevormd door Jozef Deleu, stichter en hoofdredacteur van Ons Erfdeel, Standaard-journalist en initiatiefnemer Gaston Durnez, de Leuvense hoogleraar Reginald de Schryver en Ludo Simons, conservator van het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven (AMVC). Als redactiesecretaris trad Johan Ducheyne, directeur van Lannoo, op. Adviseurs van de redactie waren de oud-leider van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) en historicus Hendrik Elias, en de Nederlandse historicus Arie W. Willemsen, leerling van Pieter Geyl en auteur van een studie over het Vlaams-nationalisme in de periode 1914-1940 (1958, 19692). De bijdragen werden geschreven door circa 420 auteurs.

De EVB was opgezet als een monumentaal, meer dan tweeduizend bladzijden tellend referentiewerk inzake de geschiedenis van de V.B. Het 'corpus' werd gevormd door de vele honderden lemmata, gewijd aan personen, organisaties (culturele genootschappen, politieke en militaire formaties, op economische belangenbehartiging gerichte verenigingen...), periodieke en andere publicaties, historische symbolen en mythen (als de Guldensporenslag), gebeurtenissen... In een zestigtal overzichtsartikelen werden historische (activisme, collaboratie...), geografische (Antwerpen, West-Vlaanderen...) en thematische (federalisme, openbare bibliotheken, taalwetgeving...) aspecten van de geschiedenis van de V.B. uitgebreider behandeld. Het illustratiemateriaal was grotendeels afkomstig uit de verzamelingen van het AMVC. Voor de selectie van de trefwoorden ging de redactie uit van een zo ruim mogelijke omschrijving van de V.B.; blijkens haar "Woord Vooraf" begreep zij die niet alleen als een taalstrijd, maar ook als een nationale beweging en een beweging voor de geestelijke en materiële opgang van het Vlaamse volk. Zij benadrukte de heterogeniteit van de V.B.: die was de resultante van een "dialectisch samenspel van politieke, sociale, economische en culturele factoren", was gedragen door zeer verschillende groepen en figuren (met zeer uiteenlopende levensbeschouwingen) en had zowel in tijd als in ruimte zeer diverse vormen aangenomen. Het ging de redactie om de vele gezichten van de V.B.

De ontvangst na verschijning was overwegend positief: de EVB werd algemeen gewaardeerd als een belangrijk naslagwerk voor de kennis van (de geschiedenis van) de V.B. Maar tegelijkertijd werd ook scherpe kritiek geuit. De redactie werd al te grote fixatie op de actualiteit en al te geringe aandacht voor de sociale component van de V.B. verweten. Van Vlaams-nationalistische zijde werd het ontbreken van een aantal historici uit eigen rang op de lijst van medewerkers betreurd, de vermeend selectieve literatuuropgave aangeklaagd en er werd verongelijkt – maar ten onrechte – opgemerkt dat 'linkse' themata door 'linkse' auteurs waren behandeld, terwijl het 'rechtse' auteurs niet was toegestaan de eigen onderwerpen te belichten. Anderen meenden dat men in de 'recuperatie' van het historisch erfdeel van de V.B. door de politieke families, met name aan katholieke zijde, te ver was gegaan, weer anderen dat de redactie en haar medewerkers al dan niet bewust een te eenzijdig beeld van het flamingantisme hadden opgeroepen. Ten slotte werd de schizofreen genoemde houding ten aanzien van de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de kaak gesteld: in vele bijdragen waren, zo schreef Marc Reynebeau later, "de collaboratiefeiten zelf verdonkeremaand", maar waren "de beweegredenen van de collaborateurs vergoelijkt en zelfs verheerlijkt".

Uit tal van artikelen sprak inderdaad een duidelijk engagement. Veel auteurs van de EVB waren onmiddellijk bij de door hen beschreven gebeurtenissen betrokken geweest. Dat bemoeilijkte het streven van de redactie, die haar taak "met de koele blik van de registrator" zei te hebben aangevangen, om een onpartijdig overzicht van de geschiedenis van de V.B. te bieden. Vanzelfsprekend toonde het engagement zich het sterkst daar waar het de collaboratie (en repressie) betrof. In vele bijdragen werd het collaboratieverleden verontschuldigd of bleven de jaren 1940-1945 'witte plekken'. Het artikel "amnestie" besloot met een onomwonden pleidooi "de oorlogsproblematiek door amnestiemaatregelen op te ruimen".

Het engagement had echter ook een veel bredere strekking. De EVB verscheen op een moment dat de Belgische staatshervorming in een stroomversnelling was geraakt. In 1971 was de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap geïnstalleerd. De V.B. had weliswaar nog niet al haar doelen bereikt, maar zij kon wel haar zegeningen tellen. De jarenlange strijd had vruchten afgeworpen; de zelfverzekerdheid groeide. De EVB hield een reflectie op die strijd in, maar was tevens een symptoom van het triomfalisme dat de V.B. nu kenmerkte. In de brief die de intekenaars in oktober 1975 van de uitgever ontvingen (en waarin zowel de verschijning van het tweede deel als een prijsverhoging werden aangekondigd), luidde het: "De 'Encyclopedie van de Vlaamse Beweging' is een deel van de trots van Vlaanderen, het eremerk van de mensen die eraan hebben meegewerkt, het bezit van allen die Vlaanderen liefhebben." Ook de redactie zelf sprak van een 'belijdenis'. Dit brede engagement met de autonomer wordende 'Vlaamse natie' ging gepaard met een epische voorstelling van de geschiedenis van het Vlaamse volk: dat volk had zich ontwikkeld "van een verpauperde, slavende massa van hele of halve analfabeten tot een welvarende en zelfbewuste natie". In dat perspectief werd de V.B. een emancipatiebeweging die de Vlaamse natie uit haar diepe slaap had gewekt, een militante avant-garde die het oude vaderland van zijn – Belgische – ketens had bevrijd. Het meest expliciet kwam deze gedachte tot uiting in het overzichtsartikel dat Frans van der Elst over de verhouding tussen België en Vlaanderen schreef. Hij besloot zijn bijdrage met de woorden: "De verhouding van de V.B. tot de Belgische staat is steeds – of men dit erkende of loochende – een conflictsituatie geweest: zij heeft steeds tegen de Belgische staat moeten vechten." Dat was een bondige samenvatting van de Vlaams-nationalistische historiografie over de V.B., zoals die vanaf 1918 was gegroeid en tussen 1958 en 1969, onder meer in het werk van Elias, vaste vorm had gekregen (historiografie).

Toch ging het niet louter om de bevestiging en canonisatie van het bestaande beeld van de geschiedenis van de V.B. De EVB werd gepubliceerd in de jaren die als het breukvlak binnen de geschiedschrijving van de V.B. kunnen worden aangeduid. Omstreeks 1970 was een interpretatiedebat over de belangrijkste themata en gebeurtenissen uit de geschiedenis van de V.B. ontstaan (onder meer over de aard van het 19de-eeuwse nationaal besef, het 'natuurlijke' karakter van het activisme en de merites van de Vlaams-nationalisten en van de Belgisch-loyale flaminganten uit het interbellum). Ook dat debat werd in de EVB weerspiegeld, onder meer door de grote aandacht voor de passivisten en minimalisten, wier rol in de V.B. in de oudere historiografie zo vaak was veronachtzaamd of gehekeld. Tegelijkertijd illustreerde de EVB de verwetenschappelijking die zich eveneens omstreeks 1970 aan de universiteiten had ingezet. Als referentiewerk werd zij een deel van de infrastructuur die deze verwetenschappelijking de volgende kwarteeuw zou schragen. De resultaten van dat proces maakten haar uiteindelijk overbodig: in 1993 besloot de Vlaamse regering een ruime subsidie te verstrekken voor een nieuwe EVB.

Literatuur

Besprekingen van F. van der Elst, E. Witte, A. de Bruyne (onder verschillende pseudoniemen), K. Dillen en H. van Velthoven in respectievelijk Wij (24 november 1973 en 18 december 1975), Links (12 januari 1974), 't Pallieterke (10 januari 1974 en 8 januari 1976), Dietsland-Europa, jg. 19, nr. 1 (1974), p. 15-18 (zie ook jg. 21, nr. 5 (1976), p. 31-32) en BTNG, jg. 5 (1974), p. 258-260; 
W. Blockmans, 'De Vlaamse Beweging als bestseller', in De Vlaamse Gids, jg. 57 (1973), p. 84-88; 
L. Schepens, 'Bestaat de Vlaamse Beweging niet?', in Ons Erfdeel, jg. 17 (1974), p. 65-74; 
L. Huyse, 'De Vlaamse Beweging in buckramlinnen band met goud-opdruk', in De Nieuwe Maand, jg. 18 (1975), p. 193-198; 
L. Simons, 'Vlaamse Beweging en maatschappijvisie', in id., Cultuur en verdraagzaamheid. Blauwdruk voor praktische tolerantie, 1976, p. 65-94; 
H. Balthazar, 'De identiteit van het flamingantisme', in Het boek van België. Een controversieel portret van cultureel België, 1980, p. 156-179; 
M. Reynebeau, Apollo's klacht. Over cultuur in Vlaanderen en elders, 1988, p. 113-123; 
B. de Wever, 'Vlaams-nationalisme en rechts-radicalisme', in Vlaanderen Morgen, nr. 1 (1994), p. 5-12.

Verwijzingen

zie: historiografie.

Auteur(s)

Jo Tollebeek