Emigratie

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Een overzicht geven van de Vlaamse migratiestromen is geen sinecure. Vooreerst zijn de kwantitatieve bronnen, zoals de Belgische emigratiestatistieken, de gegevens verstrekt door het Belgische consulaat of door de immigratielanden zelf, onbetrouwbaar en dus nauwelijks bruikbaar. Een tweede probleem heeft betrekking op het karakter van de emigratie. In de regel vertrokken migranten slechts met een tijdelijk project voor ogen. Als men voldoende gespaard had, zou men terugkeren. De terugkeer werd evenwel vele malen uitgesteld en sommigen vestigden zich uiteindelijk definitief in het gastland. Het doelbewust verwerven van een andere nationaliteit was veelal een teken dat men de band met het land van oorsprong verbrak. Zelfs een dergelijk breukmoment bleek de terugkeer naar het 'moederland' niet uit te sluiten. Omwille van deze mobiliteit, die duidelijk geen eenrichtingsverkeer was, spreken wij in deze bijdrage van migranten, eerder dan van emigranten.

In Vlaanderen is migratie een vrij recent fenomeen. Als belangrijke proto-industriële regio had Vlaanderen lang geen nood aan migratie als middel om het inkomen van huishoudens aan te vullen. Dit veranderde ingrijpend in de loop van de 19de eeuw. De spectaculaire teloorgang van de proto-industrie in de jaren 1840 door de groeiende concurrentie van mechanisch geweven katoenweefsels maakte dat heel wat Vlamingen een belangrijk deel van hun inkomen verloren. De eigen regio bleek niet in staat een vervangende inkomstenbron aan te bieden; de uittocht uit de voormalige textielregio's was dan ook massaal. In de 20ste eeuw nam deze uittocht af. In de Limburgse mijnregio werd in de jaren 1920 reeds een beroep gedaan op Poolse, Tsjechische en Italiaanse arbeiders. Vanaf de jaren 1960 sloeg de balans definitief om en was Vlaanderen in staat om zelf in het levensonderhoud van al haar inwoners te voorzien. Voor bepaalde fysiek zware en ongezonde maar daarom niet goedbetaalde jobs ontstond zelfs een schaarste op de arbeidsmarkt. De werkgevers deden daarom in toenemende mate een beroep op buitenlandse arbeiders, onder meer uit Turkije en Marokko (immigratie).

Naar welke oorden weken de Vlamingen uit? Het Waalse industriebekken was een belangrijke, zo niet de grootste afnemer van Vlaamse uitwijkelingen. We verwijzen hiervoor naar het artikel over de Vlamingen in Wallonië (Taalminderheden in België). Onder de internationale migraties was Frankrijk de populairste bestemming. Veel minder belangrijk waren Duitsland, Nederland en enkele overzeese bestemmingen zoals Brazilië, Argentinië, de Verenigde Staten en Canada.

De emigratie van Vlamingen naar Wallonië, Frankrijk of overzee was niet alleen een sociaal maar ook een cultureel proces. Het verloop ervan kan wegens gebrek aan onderzoek nog niet worden weergegeven. Hoe worden Vlaamse emigranten Fransman of Amerikaan en in hoeverre is de Amerikaan of Fransman van Vlaamse oorsprong nog Vlaming? Over andere immigrantengroepen bestaat er daarentegen wel heel wat literatuur waaruit we de krachtlijnen van dit culturele proces kunnen destilleren.

Tot de jaren 1970 beschouwden historici en andere sociale wetenschappers de immigrant en zijn kinderen als ontwortelden die in een pijnlijk proces nieuwe wortels moesten zoeken in het land dat hen gastvrijheid had verleend. De immigrant moest zijn oude cultuur afleggen om de nieuwe (meestal ook als beter beschouwde) identiteit van het gastland op te nemen. De sociale wetenschappen verwerpen sinds de jaren 1970 de traditionele visie dat immigranten en hun kinderen een keuze moeten maken tussen twee culturen. Dat de cultuur van een gastland en van een oorsprongsland monolithische blokken zijn wordt verworpen. Culturen zijn niet alleen sterk gedifferentieerd, maar ook aan verandering onderhevig. Deze veranderingen zijn een antwoord op lokale, nationale of mondiale processen. Van radicale breuken in iemands culturele affiliatie is ook geen sprake meer; mensen beleven culturele veranderingen op een procesmatige manier.

De analyses van culturele veranderingen die migratie teweegbrengt, vertrekken vanuit de lokale gemeenschappen, zowel binnen het gastland als in de oorsprongsregio waarbinnen de migranten zich bewegen. De migratie verandert de culturele praktijken en de identiteit van deze gemeenschappen. Migranten construeren tijdens dit proces een specifieke culturele identiteit. Deze nieuwe identiteit bestaat niet uit een langzaam toegroeien naar het ontvangstland, maar staat in constante interactie met de oorsprongs- en ontvangsregio. Culturen zijn in constante interactie met elkaar. Ook de culturen van minderheidsgroepen zoals de immigranten ondergaan niet enkel de invloed van de dominante culturen, maar geven er ook impulsen aan. De Amerikaanse historicus Carl Strikwerda heeft bijvoorbeeld in een bijdrage over de Vlaamse emigratie naar Noord-Frankrijk gesteld dat het specifieke patroon van arbeidsorganisatie in Noord-Frankrijk het gevolg was van de massale Vlaamse immigratie in deze regio. Le Nord was immers de enige regio in Frankrijk waar voor de Eerste Wereldoorlog het socialisme een massabeweging werd. Volgens Strikwerda is het unieke van de situatie in Le Nord terug te brengen tot de Vlaamse en in het bijzonder Gentse traditie van arbeidersmobilisatie.

Een cultureel onderzoek naar de Vlaamse emigratie moet vertrekken vanuit een dynamische kijk op culturen, samen met een sterk cultuurelativisme. Dit maakt dat het statische en etnocentrische begrip assimilatie als analyseconcept voor het culturele migratieonderzoek ingeruild moet worden voor een concept, zoals interculturalisme dat de uitwisseling tussen culturen binnen een veranderende wereld beklemtoont.

Vlaamse migranten bemannen de speerpunten van de Franse 'modernisatie'

De omvang en karakteristieken van het onthaal van de Vlamingen in Frankrijk werden bepaald door de historische socio-economische en politieke evolutie van Frankrijk.

In tegenstelling tot het 19de-eeuwse België dat in bepaalde streken zoals Charleroi, Luik en in mindere mate Gent een omvangrijk industrieel proletariaat kende door de inplanting van een belangrijke moderne nijverheid (steenkoolmijnen, ijzermetallurgie en textiel), bleef Frankrijk een land van kleine boeren-eigenaars en ambachtslieden. In 1914 woonde nog meer dan 60% van de Franse bevolking op het platteland. De weinige zware industrie die Frankrijk 'rijk' was, maakte deel uit van de plattelandseconomie. Industrieel werk was in de regel geen fulltime bezigheid en bezorgde de plattelandsinwoners enkel een aanvullend inkomen. Het modern demografisch patroon (namelijk de beheersing van het kinderaantal) dat zich reeds in het begin van de 19de eeuw bij de Franse rurale bevolking manifesteerde, maakte dat de traditionele, weinig marktgerichte Franse landbouweconomie lang leefbaar bleef. In de loop van de 19de eeuw gleed Frankrijk langzaam het industriële tijdperk binnen. Er tekende zich geen radicale breuk met het verleden af. De politiek droeg bij om het proletariseringsproces in Frankrijk terug te dringen tot humanitair aanvaardbare proporties. De vrees voor sociale onlusten die in Frankrijk, gezien de ervaring op het einde van de 18de eeuw veel sterker leefde bij de Franse elite dan elders, maakte dat veel sneller werd ingespeeld op ongenoegen onder de bevolking. De invoering van het algemeen stemrecht (1848) en een beleid van economisch en sociaal protectionisme zijn uitingen van deze gevoeligheid.

De Vlaamse migranten in Frankrijk kunnen in drie categorieën worden ingedeeld: de trekarbeiders, de arbeidsmigranten en de grensmigranten.

Trekarbeiders: De Fransmannen

Tegen de eeuwwisseling waren er reeds 55.000 Vlaamse arbeiders die ieder jaar naar Frankrijk trokken. Het versnipperde grondbezit in Vlaanderen verklaart de aantrekkingskracht van tijdelijke migratie; het was een welkome aanvulling van het karige inkomen uit het kleine landbouwbedrijf waaraan men zo gehecht was. Het invoeren in een aantal rurale regio's van Frankrijk (Le Nord en vooral het Parijse bekken) van het kapitalistische winststreven binnen de landbouwexploitatie zorgde voor een schok op de plaatselijke arbeidsmarkt. In deze regio's moest de traditionele subsistentie-exploitatie wijken voor een meer marktgerichte uitbating. Zo werd op grote schaal overgeschakeld op industriële gewassen die specifieke eisen stelden aan de arbeidskrachten. Terwijl een gediversifieerd landbouwbedrijf het jaar rond nood had aan arbeidskrachten, had een bedrijf dat industriële gewassen kweekte nood aan een groot aantal arbeidskrachten voor relatief korte periodes.

De grote doorbraak voor de trekarbeid uit Vlaanderen kwam er met de spectaculaire verspreiding van de suikerbietenteelt in Frankrijk.

Suikerbiet was een van de industriële gewassen waarmee de Franse herenboeren het rendement van hun bedrijven wilden opdrijven. Tegen 1850 waren er reeds 10.000 Vlamingen werkzaam in de suikerbietenexploitaties van het departement Nord. De Vlamingen hadden reeds in eigen streek een zekere vaardigheid verworven in de teelt en presteerden beter dan de plaatselijke arbeiders. Na 1850 nam de vraag naar suiker in de steden gevoelig toe. De goedkopere aanvoer van suiker uit de landbouwregio's door de ontsluiting van het rurale Frankrijk met een spoorwegennet en de daling van de prijs van steenkool, nodig in de suikerverwerkende industrie, maakten dat de suikerbietenteelt zich over heel wat departementen verspreidde. Ook de uitvinding van een nieuw procédé waarbij bieten werden gebruikt voor de destillatie van alcohol, zorgde voor een stijgende exploitatie. Bijgevolg steeg de vraag naar tijdelijke arbeidskrachten. De lokale landarbeiders konden het jaar rond geen inkomen meer verwerven. Zij ruilden het platteland voor de stad. Deze rurale exodus was uitgesproken in de Brie en de Beauce, regio's met grote boerderijen ten zuiden van Parijs. Ook ten oosten van Parijs, Picardië, in de departementen Oise en Aisne waren er geen lokale arbeiders meer beschikbaar om in de piekmomenten de nood aan tijdelijke arbeidskrachten op te vangen. De Vlaamse trekarbeiders boden soelaas. Hun verre reis werd gecompenseerd door de hoge lonen die de herenboeren bereid waren te betalen.

Een overproductie, te wijten aan de suikerbuitenproductie buiten Frankrijk, dwong de Franse suikerbietenindustrie tot een schaalvergroting en de exploitatie van suikerbieten met een hoog suikergehalte. Deze teelt concentreerde zich in het Parijse bekken en in het zuiden van Picardië. Heel wat meer Vlaamse landarbeiders moesten dan ook een verre reis ondernemen, maar de voordelige treintarieven in Frankrijk en België maakten het werk toch lonend. Uit West-Vlaanderen kwamen ongeveer 15.000 trekarbeiders, vooral uit de arrondissementen Diksmuide en Roeselare. De bestemming was duidelijk afgelijnd. Zo vertrokken de trekarbeiders uit Koekelare naar de Marne en deze uit de streek van Roeselare gingen tot aan de Calvados. Oost-Vlaanderen leverde tussen 20.000 tot 25.000 arbeiders vooral uit de regio's Oudenaarde, Aalst en Dendermonde.

Tijdens de tussenoorlogse periode daalde het aantal Fransmannen gevoelig. De arbeiders uit Oost-Vlaanderen vonden alternatieven dichter bij huis. Vandaar dat meer dan de helft van de 15.000 trekarbeiders in 1929 uit de West-Vlaamse vierhoek Diksmuide, Roeselare, Ieper en Brugge afkomstig was. De daling van het aantal Fransmannen was ook het gevolg van de mechanisering. Bovendien werden de Vlaamse arbeiders ingeruild voor Polen en Italianen, die soms wel ervaring hadden met de bietenteelt, maar die vooral geen eisen stelden op het vlak van de arbeidsvoorwaarden. De Vlamingen begonnen zich immers syndicaal te organiseren. In 1960 trokken nog 4500 arbeiders naar Frankrijk, een laatste overblijfsel van wat eens een massaal fenomeen was.

Naast de bietenexploitatie trok ook de graan- en de cichoreiteelt arbeiders uit Vlaanderen aan. Tot diep in de 19de eeuw zou in bepaalde Franse regio's de graanoogst in grote mate steunen op Vlaamse trekarbeiders, maar met de mechanisatie droogde deze migratiegolf aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog op. Wat de cichoreiteelt betreft had België tot 1880 de grondstof voor de Noord-Franse fabrieken geleverd. De hoge Franse douanerechten maakten daar een einde aan. Voor de Franse boeren was dit de gelegenheid om over te schakelen van de internationaal sterk aan concurrentie onderhevige suikerbietenteelt naar de cichoreiteelt. De Vlaamse arbeiders die voordien cichorei in Vlaanderen rooiden, trokken nu naar Frankrijk. Ook het drogen van cichorei werd aan deze Vlaamse vaklui uitbesteed. De gemeente Beveren (Roeselare) was koploper: 146 van haar 159 trekarbeiders deden het winterseizoen in de asten (de gebouwen waar de cichorei gedroogd werd) van Noord-Frankrijk.

Niet enkel in de landbouw vinden we Vlaamse trekarbeiders. Een belangrijke groep trekarbeiders waren de steenbakkers. Zij vertrokken het vroegst in het jaar, in februari, en gingen de kleigronden bewerken die dan in april werden uitgegraven. In 1898 waren er ongeveer 10.000 Vlaamse steenbakkers in Frankrijk actief. Ze waren afkomstig van een klein aantal gemeenten die nauwelijks arbeidskrachten leverden voor de Franse landbouw (Beselare en Zonnebeke in het arrondissement Ieper; Desselgem en Harelbeke in het arrondissement Kortrijk; Lichtervelde in het arrondissement Roeselare). Ook deze migratie droogde op door de mechanisatie van het steenbakken tijdens het interbellum.

Historici maar ook literatoren en syndicalisten hebben een hele boekenkast volgeschreven over deze trekarbeiders. Belangrijke literaire werken zijn onder meer Trimands van Edward Vermeulen of Waarden Oom (1914), De Oogst (1900) van Stijn Streuvels, Bieten (1956) van Felix Dalle en Suiker van Hugo Claus. De trekarbeiders kregen in de loop der jaren en tot op vandaag heel wat aandacht. Dit heeft zich onder meer geconcretiseerd in het Fransmanmuseum van Koekelare en in monumenten te Langemark, Klerken en Aalbeke. De trekarbeid is het dominante beeld van de migratie naar Frankrijk. Het werd ook systematisch gecultiveerd door een bepaalde Vlaamse elite die de verknochtheid van de zonen van Vlaanderen aan hun landelijke geboortestreek wilde illustreren. Ondanks de armoede van de 19de eeuw zouden de Vlamingen zo gehecht zijn aan Vlaanderen dat een definitieve migratie uitgesloten was.

Naast deze migratie aangepast aan het ritme van de seizoenen was er ook een migratie uit Vlaanderen naar de industriële arbeidsmarkt. Een migratie die nog nauwelijks bestudeerd is en waarvan we dan ook nauwelijks een analyserend overzicht kunnen geven. Deze migratie bestond uit arbeids- en grensmigranten.

De Vlaamse arbeidsmigranten: de eerste Franse proletariërs

Arbeidsmigranten zijn migranten die voor langere tijd hun regio verlaten om elders een inkomen te verwerven. Vóór 1848 werkten nauwelijks Vlaamse arbeidsmigranten in Frankrijk. Vanaf de tweede helft van de jaren 1840 werd de aantrekkingskracht van Frankrijk plots tot diep in de provincies West- en Oost-Vlaanderen gevoeld. Zelfs Antwerpen en Brabant bleven niet onberoerd. De massale uittocht richting Frankrijk werd veroorzaakt door de totale neergang van de huisindustrie in de Vlaamse textielproductie. Deze structurele factor werd nog versterkt door de aardappelziekte, een slechte graanoogst en het uitbreken van epidemieën. De emigratie was dus niet zozeer ingegeven door de mogelijkheden die Frankrijk bood, maar eerder vanuit een overlevingsdrang. Men kan deze plotse migratiestoot beschouwen als een vluchtelingenstroom. De onuitzichtloosheid in de zwartste jaren van Arm Vlaanderen maakte dat lokale besturen zelfs het vertrek van hun behoeftigen financierden. Het verstrekken van reisgeld was immers voordeliger dan deze armen te laten overleven op kosten van de openbare armenzorg; in de eigen regio waren immers geen alternatieven.

Op het einde van de jaren 1840 kon de migratie uit Vlaanderen inspelen op de arbeidsnoden in Frankrijk. De arbeidsmigranten richtten zich in de eerste plaats op het Franse departement dat grensde aan Vlaanderen, Le Nord. Het was niet de nabijheid die deze keuze bepaalde, maar de specifieke economische structuur van dit departement. De driehoek Roubaix-Lille-Tourcoing, het centrum van de Franse textielindustrie en daarom ook het Franse Manchester genoemd, was de aantrekkingspool voor duizenden Vlamingen. De Noord-Franse textielregio was een anomalie in het Franse economische landschap, bijna nergens anders in Frankrijk heeft de eerste industriële revolutie zo'n diepe kerven geslagen in het sociaal-economisch weefsel.

De nood aan arbeidskrachten van deze textielindustrie is bijna uitsluitend gelenigd door Vlaanderen. De internationale migratie uit België heeft de demografische opgang van deze fabriekssteden mogelijk gemaakt. Dat Roubaix van 8000 inwoners in 1800 groeide tot 124.000 inwoners in 1896 was uitsluitend te danken aan de Vlaamse toevloed. De migratie uit Vlaanderen gebeurde voornamelijk in familieverband; de textielindustrie bood immers werk voor mannen, vrouwen en kinderen. 40% van de migranten die in 1906 in Roubaix leefde, was aangekomen in familieverband. De dynamische ontwikkeling van deze urbane centra bezorgden ook Vlaamse bouwvakkers en huishoudpersoneel een baan. Het betrof meestal alleenstaande arbeidsmigranten; mannen in de bouw en vrouwen in de dienstensector. In de beroepsstructuur van deze fabriekssteden namen de Vlaamse migranten een afgebakende plaats in; het betrof vooral de lagere, slechtbetaalde functies die de Fransen niet wensten.

Niettemin werd deze Vlaamse immigratie niet erg gesmaakt door de Franse arbeiders. De Vlaamse arbeiders werden ervan beschuldigd de Fransen tot de werkloosheid te veroordelen en een neerwaartse druk op de lonen te veroorzaken. De revolutie van 1848 bracht de Franse arbeiders in een machtspositie en zij oefenden met succes druk uit op de werkgevers en de overheid teneinde de Vlaamse arbeiders te ontslaan en uit te wijzen. Vaak werd ook fysiek geweld gebruikt. Tussen 24 februari en 21 april 1848 werden onder meer 2500 West-Vlaamse arbeiders gedwongen gerepatrieerd. De staatsgreep van 2 december 1851 maakte een einde aan dit sociaal protectionisme; de druk van de Franse arbeiders om de arbeidsmarkt af te schermen had in de nieuwe machtsconstellatie nog nauwelijks effect.

Over het aantal Vlamingen in Frankrijk zijn geen statistische gegevens voorhanden. Wel beschikken we dankzij de Franse volkstellingen over cijfers betreffende het aantal Belgen in dat land. De seizoen- en grensarbeiders werden niet geteld en er moet rekening worden gehouden met de substantiële immigratie uit het zuiden van het land. Bovendien verdwenen heel wat Belgen uit de statistieken toen zij de Franse nationaliteit verwierven. Niettemin stellen we vast dat het aantal Belgen in Frankrijk gestaag toeneemt tot 1891 (128.100 in 1851 tot 466.000 in 1891). Tot aan de Eerste Wereldoorlog was meer dan twee derde van deze Belgen woonachtig in het Département Nord. Het aantal Belgen in Frankrijk daalde gevoelig op het einde van de 19de eeuw (395.500 in 1896 tot 278.000 in 1911). De expansiefase van de Noord-Franse regio was beëindigd en gaf aanleiding tot een hernieuwde contestatie van de aanwezigheid van Vlaamse migranten. Tijdens deze xenofobe crisis namen de gewelddaden tegen de Vlamingen opnieuw toe. In de eerste decennia van de Derde Republiek ijverden de autoriteiten voor een versterking van de positie van de arbeiders en namen zij hun eis tot sociaal protectionisme over. Vanaf 1893 moesten de arbeidsmigranten zich bij aankomst bij het gemeentebestuur melden om een verblijfsvergunning te verkrijgen. In datzelfde jaar verloren immigranten het recht op goedkope Franse treinabonnementen. Een laatste politieke beslissing was dat de tweede generatie migranten de mogelijkheid werd ontnomen om hun oorspronkelijke nationaliteit te behouden. Vreemdelingen geboren in Frankrijk konden sinds de Franse Revolutie op eenvoudige wijze de Franse nationaliteit verwerven. Vele Vlamingen behielden evenwel hun Belgische nationaliteit, niet omwille van sentimentele redenen, maar omdat het verwerven van de Franse nationaliteit weinig of geen voordelen opbracht. Er was daarentegen een belangrijk nadeel aan verbonden: terwijl in België geen algemene dienstplicht bestond, moest iedere Fransman wel een tot drie jaar dienen in het Franse leger. Volgens de Franse arbeiders verkozen de werkgevers jonge buitenlanders op te leiden eerder dan jonge Fransen daar ze deze laatsten gedurende hun meest productieve jaren moesten missen. De nationaliteitswet van 1899 kende aan alle buitenlanders geboren in Frankrijk automatisch de Franse nationaliteit toe. Heel wat Vlaamse migranten van de tweede generatie werden zo vanaf 1889 Frans staatsburger en dienstplichtige.

De paradox van de xenofobe crisis op het einde van de 19de eeuw was dat het de opname van de Vlaamse migranten binnen de Franse gemeenschap heeft versneld. Naast de bovenvermelde gedwongen nationaliteitsverwerving steeg ook het aantal Vlaamse naturalisatieaanvragen en wijzigde de demografische opbouw van de Vlaamse migratie van een overwicht aan jonge mannen naar een veroudering en feminisering van de Vlaamse gemeenschap. Dit wijst op een proces van stabilisatie.

Naast de bovenvermelde economische en politieke redenen, was de daling van de emigratie richting Frankrijk ook het gevolg van meer uitgebreide en goedkopere transportmogelijkheden. Een langdurig verblijf was niet meer noodzakelijk gezien een wekelijkse of zelfs dagelijkse migratie mogelijk werd. De grensmigratie won aan belang.

De grensmigrant: een creatie van de mobiele 20ste eeuw

Het pendelen tussen Vlaanderen en Frankrijk heeft altijd bestaan. Pas vanaf 1890 noteren we ook buiten de onmiddellijke grenszone een stijging van het aantal Belgische migranten die in Frankrijk werkten maar er niet verbleven. Deze grensarbeiders konden profiteren van de hogere lonen in Frankrijk zonder de hoge prijzen te betalen. De levensduurte in Frankrijk rond 1900 lag 20% hoger dan in België. Een halve eeuw vroeger was dit verschil slechts 10%.

Niet alleen de groeiende mobiliteit door de verspreiding van de fiets zorgde op het einde van de 19de eeuw voor de toename van de grensarbeid. Het beleid van de Belgische katholieke regeringen, gericht op het tegengaan van de rurale exodus, gaf eveneens een krachtige stimulans. Via goedkope spoorabonnementen probeerden de katholieke politici de sociale en politieke gevolgen van de verschuiving in de inkomensverwerving (van landbouw naar industrie) af te zwakken. Bedoeling was de plattelandsbewoners in staat te stellen hun inkomen uit de industrie te verwerven zonder dat ze het platteland hoefden te verlaten. Het aantal spoorabonnementen uitgereikt aan arbeiders in België steeg van 14.223 in 1870 over het miljoen in 1890 en meer dan 4,5 miljoen in 1900. In 1896 pendelden reeds 20.000 Vlamingen, vooral uit West-Vlaanderen, wekelijks of dagelijks naar Frankrijk. Na de Eerste Wereldoorlog nam hun aantal nog toe. Bovendien ging het dan hoofdzakelijk nog om een dagelijkse pendel. De achturendag maakte het mogelijk om na de werkuren nog een lange treinreis te ondernemen. In 1929 waren er reeds 70.000 Belgische pendelaars in Frankrijk waarvan meer dan de helft uit West-Vlaanderen.

De crisis van de jaren 1930 zwakte de grensarbeid gevoelig af. Deze crisis ging niet gepaard met het xenofobe geweld van de 19de-eeuwse contestatie. Heel snel nam de overheid maatregelen om in overleg met de Franse vakbonden en werkgevers in eerste instantie de buitenlandse arbeiders de zware last van de werkloosheid te doen dragen. De Franse overheid intervenieerde op de arbeidsmarkt door de migratie aan banden te leggen en arbeidsvergunningen niet te verlengen. In 1934 waren er volgens de Franse arbeidsbureaus nog 45.000 Belgische grensarbeiders aan het werk; in 1935 zou dat cijfer zelfs tot 28.000 gedaald zijn, maar volgens de Belgische cijfers pendelden er in dat jaar nog 51.000 West-Vlamingen naar Frankrijk. Na de Tweede Wereldoorlog daalde het aantal grensarbeiders gestadig. In 1970 ging het om nog een 20.000 personen.

Duitsland en Nederland: weinig populaire bestemmingen

Naar Nederland, dat tot de jaren 1950 een belangrijk overschot aan arbeidskrachten had, vertrokken nauwelijks migranten uit Vlaanderen. Er was natuurlijk wel enige grensarbeid. Zo stelden de gloeilampenfabriek in Eindhoven en de sigarenfabrieken in Breda en Tilburg Vlaamse arbeiders tewerk. Er was gedurende de 19de eeuw ook enige trekarbeid, maar tegen het interbellum was die opgedroogd. Zo vonden in de jaren 1840 trekarbeiders uit Stekene (het Waasland) een inkomen in het wieden en oogsten in het noorden van Holland. Daar de Nederlandse landarbeiders hun concurrentie niet op prijs stelden moesten deze trekarbeiders zich steeds noordelijker begeven. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog trokken ieder jaar in april nog een vierhonderdtal inwoners van Stekene naar Nederland, nu moesten ze tot in de polder van Texel gaan. Eind oktober kwamen ze terug in Stekene aan. Hoogstwaarschijnlijk heeft deze migratiestroom de Eerste Wereldoorlog niet overleefd. Belangrijk in het kader van de V.B. is de migratie van activisten na de Eerste Wereldoorlog (activisme). Terwijl Vlaamse vluchtelingen die tijdens de oorlog in het neutrale Nederland hadden verbleven naar huis terugkeerden, werd Nederland het toevluchtsoord voor tal van activisten. Voor hun uitwijking speelden enkel politieke redenen een rol. Meer informatie over deze groep vindt u het artikel Nederland-Vlaanderen.

De migratie naar buurland Duitsland is eveneens weinig omvangrijk. Het aantal Belgen in het Duitse Rijk steeg in de periode 1871-1910 van een 5000-tal tot 13.455. Deze Belgen verbleven voornamelijk in de industriële regio Rheinland-Westfalen. Het aantal Vlamingen binnen deze migratie is niet gekend. De Duitse autoriteiten deden vanaf de eeuwwisseling inspanningen om de Vlaamse migrantenstroom naar de Duitse landbouw aan te zwengelen. Het was de bedoeling het monopolie van de Poolse arbeiders in de suikerbietenteelt te breken door een diversificatie van de herkomst van de landarbeiders.

Vlaanderen was een doelregio, maar de Duitse campagne slaagde er nauwelijks in Fransmannen te overhalen om Frankrijk voor Duitsland te ruilen. Net zoals dat voor Nederland het geval was geweest, nam na de Eerste Wereldoorlog een aantal activisten hun toevlucht tot Duitsland (bijvoorbeeld Raf Verhulst). Dit herhaalde zich na de Tweede Wereldoorlog, maar hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Zeker is dat het gaat om een zeer beperkt aantal personen. (Duitsland-Vlaanderen)

Intercontinentale migratie uit Vlaanderen naar het Amerikaanse continent

Migratiestromen

Voor de periode 1831-1940 wordt de migratie van België naar Noord-Amerika geschat op een 200.000-tal migranten. Wegens gebrek aan onderzoek kunnen we slechts een onvolledig overzicht geven van de dynamiek van deze migratiestromen. In elk geval is duidelijk dat Wallonië een aanzienlijk aandeel in deze intercontinentale migratie had.

De Vlaamse migratie naar de Verenigde Staten wordt pas rond de eeuwwisseling kwantitatief van enig belang. Van de 18.000 Vlamingen die tussen 1901 en 1912 als derdeklassepassagiers de overtocht van Antwerpen naar New York waagden, was 29% afkomstig uit West-Vlaanderen en 31% uit Oost-Vlaanderen. De andere provincies namen dus ook hier nauwelijks deel aan de migratie.

Vele migranten waren jonge alleenstaande mannen die hun reis niet beschouwden als een definitief afscheid van hun geboortestreek. Slechts een minderheid vestigde zich definitief in de Verenigde Staten. De anderen keerden terug na de realisatie van hun project of om het met de woorden van de pastoor van Ruiselede te zeggen: "De uitwijkelingen zijn meest jongelingen van 20 tot 25 jaar, die naar Amerika vertrekken teneinde zich de middelen aan te schaffen om later een familie te stichten. Het merendeel verblijven aldaar 4 à 5 jaar, keren dan terug en hernemen alhier hun vorig werk" (1911). De weinige families die de overtocht maakten deden dit niet gezamenlijk. Eerst vertrok de vader en slechts wanneer die zich gevestigd had en de nodige centen bijeen had vergaard volgde de rest van de familie. Financiële noodzaak noopte hen tot deze voorzichtige aanpak. De onzekerheid over wat de andere kant van de plas te bieden had was immers groot. De Vlaamse inwijking in de Verenigde Staten was sterk regionaal geconcentreerd zodat de meeste emigranten zich bij streekgenoten voegden. Vlamingen trokken vooral naar de Midwest. In de streek rond Moline en Atkinson (Illinois) vestigden zich onder meer migranten uit Oost-Vlaanderen en Antwerpen en in Green Bay (Wisconsin) hadden migranten uit het Hageland hun stek. Ook in Vlaanderen was de herkomst van de migranten sterk geconcentreerd. Zo koos bijvoorbeeld een groot deel van de bevolking van Sint-Laureins (gelegen ten noorden van Eeklo) in de loop van de 19de eeuw voor de Verenigde Staten. Dit illustreert treffend dat migratie niet zozeer een onderneming is van individuen, maar dat het eerder om een collectief proces gaat.

De migratie naar Canada won pas vanaf de 20ste eeuw aan enig belang. Het was een alternatief voor de Verenigde Staten die in de jaren 1920 hun deuren tot op een kier na sloten. De Vlamingen vestigden zich vooral in het westen van Canada (Manitoba), waar nog land kon worden verworven. De uitbouw van de suikerbietencultuur lokte ook Vlamingen naar de Canadese provincie Ontario. Er waren zelfs trekarbeiders onder de Vlamingen. In de lente trokken ze naar Canada, om na het oogsten van de suikerbieten in de herfst terug te keren.

De migratie uit België naar Zuid-Amerika bedroeg tussen 1831-1940 een 5000-tal personen. In Zuid-Amerika hebben Brazilië en Argentinië gedurende een korte tijd Vlamingen kunnen aantrekken. In de tweede helft van de jaren 1880 waren beide landen immers bereid de overtocht te betalen voor immigranten, maar toen deze stimulans verdween bleef van de aantrekkingskracht van deze landen nog maar weinig over.

Pers en verenigingsleven

In de meeste van deze emigratiegebieden hebben Vlamingen hun eigen informatie- en contactkanalen gecreëerd.

De eerste Nederlandstalige weekbladen in de Verenigde Staten verschenen in De Pere (Wisconsin). Van 1879 tot 1907 kwam daar De Pere Standaard van de persen. Het blad had als ondertitel "Toegewijd aan God en land – voor Hollandsche en Vlaamsche Katholieken in Amerika – voor waarheid en voor recht". Deze publicatie van Eynerman en Van de Kasteele had vooral het geestelijk welzijn van de katholieken, ver weg van hun veilige Vlaamse dorpskom, voor ogen. Bijna gelijktijdig verscheen van 1890 tot 1917 De Volksstem van Heyrman en Kuypers. Dit weekblad had een meer uitgesproken Vlaams en strijdbaar karakter. Voor beide elkaar beconcurrerende publicaties gold echter dat de oplage zeer laag was en beperkt bleef tot de weinige Vlamingen in Wisconsin.

In Moline (Illinois), waar zich substantieel meer Vlamingen vestigden, gaf Frank Spriet uit Egem het weekblad Gazette van Moline uit. Het initiatief was uitgegaan van pastoor Jan B. Ceulemans uit Hever. Dit blad werd verspreid in alle Vlaamse gemeenschappen in de Verenigde Staten en Canada en kende een ruime afname.

Een van de correspondenten van de Gazette van Moline was Camille Cools, die als 15-jarige samen met zijn ouders in Detroit terechtkwam. De enorme groei van de auto-industrie trok heel wat migranten aan. In Detroit was dan ook de grootste Vlaamse nederzetting gevestigd. Dit feit zette deze groep aan tot het opstarten van een eigen krant; men wenste immers niet meer afhankelijk te zijn van distributie en berichtgeving uit een andere streek. Cools was de initiatiefnemer van de op 13 augustus 1914 voor het eerst verschenen Gazette van Detroit. Eerder had deze jongeman als voorzitter van de vereniging Voor Vlaamsch en Recht gereageerd tegen de uitsluitend Franstalige Belgische diplomaten in de Verenigde Staten. Cools zette zich ook in voor de culturele verheffing van zijn volksgenoten. Hij zorgde voor Vlaamse boeken en startte een drukkerij waar eind 1913 zijn Vermakelijken Almanak van de persen rolde. Voor de Gazette van Detroit, dat als motto "Het Licht voor 't Volk" koos, deed Cools een beroep op personen die nauwelijks aan hun eerste spaarcenten toe waren. Geschreven in een eenvoudig Nederlands bevatte het weekblad, waarvan Cools hoofdredacteur was, verhalen, reportages en nieuws over de activiteiten van de verenigingen en de parochies, sportnieuws, adressenlijsten van de nieuwelingen en ook nieuws over het oorlogsgebeuren in Vlaanderen. Na het overlijden van Cools nam de daensist Frank Cobbaert, afkomstig van Nederhasselt de fakkel over en voegde volgend motto aan de krant toe: "Het Recht voor 't Volk" (Daensistische Beweging). Het succes van de Gazette van Detroit lokte de oprichting van De Detroitenaar uit, maar gezien beide bladen eenzelfde informatie brachten voor eenzelfde publiek, smolten ze onmiddellijk na de oorlog in 1918 samen onder de titel Gazette van Detroit.

In 1920 verwierven Peter Corteville (Rumbeke) en zijn schoonbroer Leo Leplae (Esen) de meeste aandelen. Corteville bouwde een eigen drukkerij uit om het voortbestaan van de krant te verzekeren. In 1922 nam Hortense Leplae, nicht van Leo, het hoofdredacteurschap van Corteville over. Onder haar leiding kende de krant een grote bloei met als hoogtepunt zo'n 10.000 abonnementen. Het lezersbereik zou echter veel groter geweest zijn. In 1926 kwam er vanuit Vlaams-nationale middens reactie op de Gazette van Detroit die te weinig flamingantisch werd bevonden. Maar De Straal en De Goedendag waren slechts zeer kortstondige initiatieven.

In 1940 werd de Gazette van Moline door de Gazette van Detroit opgeslorpt, maar dit kon niet beletten dat het abonneebestand geleidelijk afnam. Het afsterven van de eerste generatie migranten en de integratie van de tweede generatie in de Engelssprekende samenleving waren de twee belangrijkste oorzaken. Toen de krant haar vijftigste verjaardag vierde bedroeg het aantal abonnees 5000, anno 1995 was dat aantal tot een paar duizend teruggelopen. Om de terugloop af te remmen werden vanaf 1967 Engelstalige bijdragen opgenomen.

Leon Buyse (Ingelmunster) volgde in 1974 Godelieve van Reybrouck (Sint-Andries Brugge) op, die twintig jaar aan het roer van de Gazette van Detroit had gestaan. Momenteel is Karel Denys (Roeselare) hoofdredacteur. In 1979 ontving het blad nog de Visser-Neerlandia Prijs, maar pogingen om haar in te schakelen in de Vlaamse economische en toeristische promotie in de Verenigde Staten, mislukten. Door de overschakeling naar een tweewekelijkse uitgave en de reductie van het aantal pagina's kan het blad tot op heden het hoofd net boven water houden.

Naast publicaties zijn er ook contracten via de radio. Radio Vlaanderen Internationaal, de vroegere Wereldomroep brengt niet enkel programma's vanuit Brussel maar ondersteunt ook uitzendingen van uitgeweken Vlamingen door het op band opsturen van berichten en muziekprogramma's. Uitzendingen via lokale zenders dateren van na de Tweede Wereldoorlog en werden mogelijk door de inbreng van geschoolde groepen nieuwe migranten en de technologische vooruitgang.

Aanvankelijk bestond het verenigingsleven in Noord-Amerika uit het houden van solidariteitsbijeenkomsten. Zeer snel echter werden meer doelgerichte clubs zoals toneelgroepen, mutualiteiten, sport- en vrouwenclubs opgericht. Kort voor en na de Eerste Wereldoorlog waren er nog een paar Vlaamse schooltjes, die de inwijkelingen hielpen een brug te slaan met het gastland. Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden er verenigingen die zich Vlaamsbewust noemden. Voorbeelden zijn de Vlaamse Familiekring in Detroit, de Vlaamse Kring in Montreal en Vlamingen in New York. In San Antonio, Texas, Alexandria en Louisiana werden verenigingen opgericht door nakomelingen die hun Vlaamse afkomst levendig wilden houden. Anno 1995 zijn er in Noord-Amerika nog een dertigtal verenigingen van Vlamingen en nakomelingen actief; sommige tellen twee- tot drieduizend leden.

In kader van de V.B. vermelden we dat na de Tweede Wereldoorlog een aantal collaborateurs (collaboratie), op de vlucht voor de repressie, naar Argentinië uitweek. Een eerste contactmiddel tussen deze politieke vluchtelingen was De Vlaamsche Nieuwsbode (1951), een blad dat verscheen op initiatief van Alfons van Nievelt, maar na het eerste nummer weer verdween. Van Nievelt was in 1921 naar Canada uitgeweken en kwam na jarenlange omzwervingen in 1944 in Argentinië aan. Zijn opzet was duidelijk: "Wij moeten een vaste band smeden rond al de Vlamingen, waar ze ook zitten, in Noord-Amerika, in Kongo, in Zuid-Afrika, in Azië en natuurlijk in 't vaderland. Dan pas zullen we een macht vormen. Dan pas zal de strijd van de Vlamingen op het thuisfront steun vinden."

Drie jaar later werd op initiatief van Willem Smekens een nieuwe poging ondernomen. Met B>De Schakel – El Lazo dacht Smekens aan "een bindteken tussen alle volksgenoten in Argentinië, een brug naar Vlaanderen en alle Vlamingen over de wereld verspreid". Alhoewel Jeanne de Bruyn, tijdens de Tweede Wereldoorlog actief in het Vlaamsch Nationaal Vrouwenverbond, aanvankelijk als hoofdredactrice vermeld stond, nam oud-Dinaso (Verdinaso) en stafleider van de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen, Leo Poppe, reeds vanaf 1955 het roer over. De Schakel, werd eind 1995 opgedoekt. De belangrijkste medewerkers waren Karel Engelbeen, Jetje Claessens, Agnete Beckers, Dries Willemyns, Hugo Byttebier, Ivo Bonnaerens, Leo Friant en André Delbaere die de illustraties verzorgde. Ook in de in 1960 opgerichte vereniging Vlamingen in Argentinië treffen we dezelfde groep mensen aan. Er waren afdelingen in Mar del Plata, Buenos Aires en Capitan Miranda.

Besluit

De Vlaamse migratie was geen eenrichtingsverkeer. Het was een interactief proces tussen onthaal- en oorsprongsregio. Bij de sociale en economische structuur van de ontvang- en zendregio moeten ook politieke elementen betrokken worden om de logica van de migratie te begrijpen. Vooral Oost- en West-Vlaanderen, regio's waar de teloorgang van de rurale textielindustrie in het tweede helft van de 19de eeuw voor ellende zorgde, leverde de mankracht voor de migratie. Frankrijk was de bestemming bij uitstek, maar alternatieve reisroutes waren voorhanden.

Migraties is evenwel niet enkel een politiek en economisch, maar ook een sociaal proces. Dat inwoners van Sint-Laureins naar de Verenigde Staten, de trekarbeiders uit Koekelare naar de Marne en die van Stekene naar Nederland trokken, geeft aan dat de logica achter de migratiestromen niet louter beantwoordt aan economische wetmatigheden. Migratiestromen zijn zelfs niet enkel een antwoord op brede maatschappelijke ontwikkelingen, maar berusten ook op de beslissingen van migranten zelf. De passiviteit die verondersteld wordt in de metafoor migratiestromen negeert deze cruciale dimensie in het migratieproces. Migratie an sich – nog meer zo de duur en de richting die deze migratie aanneemt – blijft een bewuste keuze. Het is niet zozeer de keuze van het individu, maar eerder van de sociale groep waarbinnen deze zich beweegt. Informatie en ondersteuning vanuit de sociale groep stuurt de migrant. Kettingmigratie als de meest courante vorm van georganiseerde migratie steunt op de door deze sociale groepen opgebouwde netwerken. Deze sociale invalshoek maakt de geografische concentratie van het vertrek en de inwijking begrijpbaar.

Literatuur

J. Frost-Brussel, Belgische Wanderarbeiter, 1908; 
L. Schepens, Van Vlaskuster tot Franschman. Bijdrage tot de geschiedenis van de West-Vlaamse plattelandsbevolking in de negentiende eeuw, 1973; 
F. Lentacker, La frontière franco-belge. Etude géographique des effets d'une frontière internationale sur la vie de relations, 1974; 
A. Verthé, Vlamingen in de Wereld, 3 dln., 1972-1976; 
A. Chatelain, Les migrants temporaires en France de 1800 à 1914, 1976; 
G. Kurgan en E. Spelkens, Two Studies on Emigration Throught Antwerp to the New World, 1976; 
J. Stengers, Emigration et immigration en Belgique au XIX et au XXe siècle, 1978; 
J. Goddeeris en R. Houthave, Flandria Americana, een studie van Vlaamse emigranten naar het Amerikaanse continent, 1983; 
G. Cross, Immigrant Workers in Industrial France: The making of a new laboring class, 1983; 
A. Verthé, 130 jaar Vlamingen in Detroit, 1983; 
E. Stols, 'Emigratie en immigratie in historisch perspectief', in A. Martens en F. Moulaert (ed.), Buitenlandse Minderheden in Vlaanderen-België, 1985, p. 123-144; 
J. van Hauthem, Een Vlaamse kolonie aan de Plata. De emigratie van Vlamingen naar Argentinië na de Tweede Wereldoorlog, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1985; 
G. Noiriel, Les ouvriers dans la société française XIXe-XXe siécles, 1986; 
R. Houthave, Cools Camille en zijn Gazette van Detroit, 1989; 
C. Strikwerda, 'France and Belgium Immigration of the Nineteenth Century', in C. Guerin-Gonzales en C. Strikwerda (ed.), The Politics of Immigrant Workers, 1993; 
L. Poppe, Herinneringen uit een bewogen tijd, 1995; 
R. van den Driessche, De emigratie van Vlaamse collaborateurs na de Tweede Wereldoorlog, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1996.

Verwijzingen

zie: Arm Vlaanderen.

Auteur(s)

Frank Caestecker; Arthur Verthé