Elias, Hendrik J.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Machelen 12 juni 1902 – Ukkel 2 februari 1973).

Was de oudste in een gezin van zeven. Elias verhuisde op zesjarige leeftijd van Machelen naar Vilvoorde waar zijn vader postbediende was. Hij volgde er de Grieks-Latijnse humaniora aan het bisschoppelijk Collège de Notre Dame du Bon Espoir. Zijn vader keek op naar de Franse taal en hoewel thuis Nederlands gesproken werd, sprak hij met zijn zoon zoveel mogelijk Frans. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vatte vader Elias nochtans sympathie op voor het activisme en aanvaardde een promotie tot bureeloverste in het door de activisten en de bezetter gesplitste ministerie van posterijen. Bij de bevrijding werd hij aangehouden en een korte tijd opgesloten. Hij werd afgezet en vond pas na negen maanden opnieuw een bescheiden job. Elias noemde deze moeilijke tijd beslissend voor zijn leven. Hij werd een emotionele anti-belgicist. In november 1919 ging hij mede door invloed van de diocesane inspecteur E.H. van Langendonck geschiedenis studeren aan de Katholieke Universiteit Leuven (KUL). Hij werkte keihard, haalde uitstekende resultaten (vier keer de grootste onderscheiding) zodat hij in aanmerking kwam voor een studielening van de Universitaire Stichting. Hij maakte een proefschrift over Kerk en Staat in de Zuidelijke Nederlanden onder de aartshertogen Albrecht en Isabella onder leiding van professor Alfred Cauchie. Gedreven door een flamingantisch engagement ging zijn ambitie veel verder dan de Spaanse Nederlanden. In december 1921 stichtte hij mee een Vlaamsch Historisch Genootschap, een door de universiteit erkende studiekring onder het voorzitterschap van professor Leo van der Essen. Rond dezelfde tijd reageerde hij in De Standaard (onder meer 7 november) op een oproep van Lodewijk Dosfel tot het redigeren van een 'ware' geschiedenis van de Nederlanden die uitsluitsel kon bieden over de politieke toekomst van Vlaanderen en die een antwoord kon bieden op de Belgische visie van Henri Pirenne. Elias meende dat daarvoor eerst nieuw onderzoek vereist was en bepleitte de oprichting van een Vlaamsch Geschiedkundig Tijdschrift. Op de Vlaamse Filologencongressen van 1922 (Brugge) en 1923 (Antwerpen) sprak hij over deze plannen en in het weekblad Vlaanderen (1922-1933) onderstreepte hij de noodzaak om een Vlaamse historische school te vormen die onafhankelijk stond van Pirenne. Er kwam niets van in huis, mede doordat Elias' academische carrière gedwarsboomd werd. Cauchie had hem een benoeming aan het Istituto Storico Belga te Rome beloofd. Door het voortijdige overlijden van Cauchie ging dit niet door. Zo werd Elias in september 1923 leraar ad interim aan het atheneum te Brugge (Waalse sectie).

In Vlaanderen schreef hij tot einde 1924 een historische kroniek. Hij becommentarieerde het werk van Pieter Geyl als een voorbeeld voor de Vlaamse historici en wees op "het machtige middel der geschiedenis" dat moest aangewend worden om de Vlaamse strijd te legitimeren. In 1924 behaalde hij voor de Centrale Examencommissie de graad van kandidaat in de rechten met het perspectief een leerstoel in de rechtsgeschiedenis aan de KUL te verwerven. In 1925 werd hij laureaat in de Reisbeurzenwedstrijd van de staat. Hij werkte negen maanden in Rome in de Vaticaanse archieven en korte perioden in Luxemburg, Parijs en Bonn waar hij aan de universiteit de methodes van de Duitse seminaries bestudeerde. Tijdens zijn Italiaans studieverblijf ontwikkelde Elias een afkeer voor het fascisme. Het kwam onder meer tot uiting in een artikel, juli 1928, in het Internationaal tijdschrift voor Vredesvraagstukken Les Nouveaux Jours – De Nieuwe Dag en in een artikel in Jong Dietschland (januari 1929). Het heeft zonder twijfel zijn houding bepaald in het Vlaams-nationalisme dat op dat moment getekend werd door fundamentele debatten over staat en maatschappij. Elias was inmiddels in januari 1928 naar België teruggekeerd. Hij werd leraar aan het atheneum te Gent (Waalse sectie). Hij zette aan de Rijksuniversiteit Gent zijn opleiding in de rechten voort en promoveerde er in 1929 tot doctor in de rechten. Rond die tijd werd hij door Van der Essen als kandidaat voorgedragen voor een leerstoel moderne geschiedenis en rechtsgeschiedenis aan de Vlaamse Leergangen te Leuven. Hij weigerde een verklaring te ondertekenen waarin hij volgzaamheid ten opzichte van de academische overheid beloofde omdat dit volgens Elias afbreuk zou doen aan zijn Vlaams- nationalistische overtuiging. In een brief aan de academische overheid verwees hij naar een vroegere uitspraak van Frans van Cauwelaert waarin die verklaarde voor Vlaanderen te zullen kiezen mocht hij tot het besef komen dat er een onverzoenlijkheid was tussen België en Vlaanderen. Tot dat besef was Elias gekomen. Het kostte hem een professoraat. Ondanks protest van Vlaamsgezinde studenten werd hij niet benoemd. Ook in Gent had hij in 1926 naast een benoeming gegrepen. De droom van een academische loopbaan smeulde nog steeds. In de lente van 1931, toen hij de laatste hand legde aan zijn eerste boek Kerk en Staat in de Zuidelijke Nederlanden hoopte hij nog op een nieuw studieverblijf aan het Historisch Instituut te Rome. Nog datzelfde jaar nam hij ontslag als leraar om advocaat te worden. Elias had beslist in de actieve politiek te treden. Hij nam de leiding van het zieltogende partijpolitieke Vlaams-nationalisme in het arrondissement Gent. Door een akkoord met de populaire familie De Lille uit het arrondissement Eeklo behaalde hij bij de parlementsverkiezingen in 1932 een overwinning. Elias werd als lijsttrekker verkozen in de Kamer. Hij behaalde 424 voorkeurstemmen. Jozef de Lille had er op de tweede plaats meer dan 7000 gehaald. Het kersverse Kamerlid wilde onmiddellijk een nationale rol spelen. Al einde 1930 had hij een oproep gelanceerd om een eengemaakte Vlaams- nationalistische partij te vormen die de aan ideologische verdeeldheid te gronde gegane Frontpartij moest vervangen. De stichting van het Verdinaso in 1931 was de impuls om van start te gaan met de Vlaamsch Nationale Volkspartij (VNVP). In de statuten van november 1931 werd Elias vermeld als secretaris. In werkelijkheid was hij de drijvende kracht. Hij schreef een beginselverklaring waarin hij het democratische karakter van de VNVP beklemtoonde tegen de "ontaarding" van het "fascistisch nationalisme". De VNVP ging uit van de "etnische eenheid van het Nederlandse en het Vlaamse volk" maar stelde als onmiddellijk doel de herinrichting van België tot een federatieve staat Vlaanderen- Wallonië. Deze opvattingen maakten geen kans in een Vlaams- nationalisme dat steeds meer in de ban van het fascisme geraakte en/of het Dietse conditio sine qua non. De VNVP geraakte niet van de grond. In het weekblad Vlaanderen werd Elias inmiddels gedoodverfd als een neo- belgicist. Hij werkte sedert 1929 nochtans samen met de Groot-Nederlandse historicus Geyl in een mislukte poging om een reeks "Bijdragen tot de Geschiedenis van de Vlaamse Beweging" op te zetten. Elias' essay Onze wording tot natie: Inleiding tot de Geschiedenis van de Vlaamsche Beweging (1932) was als inleiding op de reeks bedoeld. Elias betoogde dat de V.B. een nationaal gevoel had opgewekt dat ontaard was door zich aan te passen aan het Belgische partijwezen en zich te verengen tot een cultuurflamingantisme. Pas in het activisme knoopte de beweging terug aan met zijn oorspronkelijke doel, namelijk de vestiging van Vlaanderens zelfstandigheid die terugging op de Nederlanden in de 16de eeuw terwijl het Vlaams-belgicisme een voortzetting was van de ontaarding. Zo zaaide Elias mee de opvattingen die aan de basis lagen van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), de nieuwe Vlaams-nationalistische eenheidspartij die in oktober 1933 ontstond. Het VNV had succes omdat het brak met het democratische partijwezen en door de Dietse volksstaat als niet te betwisten politiek einddoel naar voren te schuiven. Elias werd gouwleider voor Oost-Vlaanderen en trad in de Hoofdraad van het VNV ondanks het feit dat hij grote bezwaren maakte tegen de radicale uitgangspunten. Hij rekende erop het VNV spoedig in een meer gematigd spoor te brengen. Op 12 november 1933 publiceerde hij in de Vlaams-nationale weekbladpers een opgemerkt artikel onder de titel "Voor de organische democratie". Hij bepleitte het behoud van de burgerlijke vrijheden, "volkscontrole" over de regering en tegelijk voor de vervanging van "een ontaard en machteloos geworden parlementair stelsel" door een corporatief bestel dat partij- en klassenstrijd zou doen verdwijnen (corporatisme). Deze halfslachtige opvattingen werden bestreden door fascistisch-gezinde VNV'ers zoals Reimond Tollenaere. VNV-leider Staf de Clercq trachtte een middenweg te vinden. Elias eiste dat op de Vlaamsch Nationale Landdag van 1934 klaarheid zou komen. De Clercq gaf hem de opdracht zijn rede te schrijven. Op de landdag hoorde Elias hoe De Clercq een organische Dietse volksstaat waarin geen plaats was voor dictatuur als het ideaal van het VNV voorstelde. De Clercq had door enkele passages toe te voegen de essentie van Elias' tekst veranderd. Dit scenario zou zich de volgende jaren herhalen, waarbij het niet zo duidelijk is op welke punten precies De Clercq Elias' teksten veranderde. Veel meer dan het maatschappijmodel dat het VNV nastreefde, lijkt de Dietse scherpslijperij een twistpunt te zijn geweest. Begin 1935 kreeg Elias de opdracht een uitgewerkt programma te schrijven. Zijn tekst werd besproken in de VNV-leiding en op verscheidene belangrijke punten gewijzigd. Elias nam daarop ontslag uit al zijn functies waarop De Clercq ermee dreigde het VNV te ontbinden. Elias bond in. Zijn tekst werd in mei 1935 naamloos gepubliceerd onder de titel De Dietsche Volksstaat. Na de verkiezingsoverwinning van het VNV in 1936, waarin Elias als lijsttrekker in het arrondissement Gent-Eeklo herkozen werd (1197 voorkeurstemmen), was hij in de VNV-leiding een van de architecten van de concentratiepolitiek. Samenwerking met Vlaamgezinde en rechtse krachten moest het VNV uit het politieke isolement halen. Daarvoor was een matiging van het VNV-programma in federalistische zin noodzakelijk. In juli 1936 trad hij toe tot het leidingcomité van de Vlaamsche Concentratie. In september 1936 onderhandelde hij het politieke akkoord tussen Rex en het VNV en op 8 december 1936 ondertekende hij het Beginselakkoord met de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV). Mede onder zijn druk aanvaardde de VNV-leiding het concept van 'zelfregering' als tussenstap naar de Dietse volksstaat. Hij kon evenwel niet verhinderen dat De Clercq het Dietse opbod speelde om de implementatie van het akkoord met de KVV onmogelijk te maken. Al op de landdag van 1936 was hij afwezig gebleven uit protest tegen de Dietse scherpslijperij. Het nieuwe in maart verschenen VNV-programma, in druk gegeven als brochure onder de titel Hier is het Vlaamsch Nationaal Verbond: doelstellingen en programma, opgesteld door Elias, verklaarde dat de weg naar Dietsland over de zelfregering ging. Intern pleitte Elias er tevergeefs voor de zelfregering tot het sluitstuk van de VNV-politiek te maken. Zo geraakte het VNV opnieuw in een politiek isolement, ook omdat het volgehouden rechts-revolutionaire discours tegenstanders de gelegenheid gaf het VNV voor te stellen als een bondgenoot van het fascisme. Dit isolement nam nog toe na de verkiezingen van 1939 waarin Elias als lijsttrekker in het arrondissement in Gent-Eeklo voor de derde maal gekozen werd in de Kamer en zijn persoonlijke populariteit zag stijgen tot 1614 voorkeurstemmen. Zijn negen jaar activiteit in de Kamer beperkten zich tot de jaarlijkse bespreking van de rijksbegroting, tussenkomsten bij de behandeling van financiële wetsontwerpen en naar aanleiding van regeringsverklaringen. Net voor de verkiezingen van 1936 diende hij een wetsontwerp in om de grootwarenhuizen aan banden te leggen. In 1936 interpelleerde hij over de politiek van de regering tegen het VNV (uitgegeven in een brochure: De regering verklaart ons de oorlog! Het VNV antwoordt), in 1938 en 1939 over het niet-naleven van de taalwetgeving en de acties van Flor Grammens.

Op het gebied van de buitenlandse politiek van het VNV heeft Elias geen eersterangsrol gespeeld. Op dit terrein schreef De Clercq zelf zijn redevoeringen. Elias onderschreef de officiële lijn van het VNV die de neutraliteitspolitiek steunde, maar tegelijk uitgesproken Duitsvriendelijk was. In 1939 wimpelde hij een uitnodiging van de Duitse ambassade af om als speciale gast deel te nemen aan de NSDAP- Reichsparteitag te Nürnberg. Bij de geheime contacten tussen De Clercq en Duitse organisaties speelde Elias geen rol. Hij heeft evenmin een actieve rol gespeeld in de machtsstrijd rond Volk en Staat waarbij de nazi-gezinde hoofdredacteur aan de kant werd geschoven. Wel ging hij in 1939 in opdracht van De Clercq naar Berlijn om de aandelen van de krant te kopen van het Duitse Propagandaministerium. Ook in de Militaire Organisatie (MO) van De Clercq speelde Elias geen rol, al ontmoette hij in april 1940 de Abwehr-agent Fritz Scheuermann. Hij werd in de meidagen niet opgepakt door de Belgische Veiligheid, al stond zijn naam aanvankelijk wel op de lijst op te pakken staatsgevaarlijke elementen. Op 14 mei 1940 was hij op de vergadering in het parlement waar de aanwezige verkozenen van het VNV het parool "geen tweede activisme" onderschreven.

Bij de capitulatie was Elias in Gent. Daags voordien werd hij al benaderd door de Abwehr en op 30 mei 1940 nam hij deel aan een bijeenkomst waarop de Abwehr het VNV om medewerking verzocht in de strijd tegen sabotage. Elias beweerde na de oorlog hier niet te zijn op ingegaan. Maar toen hij op 14 mei in Gent een vergadering belegde om het lokale VNV-kader in te lichten over het parool "geen tweede activisme" werd hij geconfronteerd met de collaboratiebereidheid van zijn volgelingen en met het feit dat de samenwerking de facto al was begonnen, onder meer door de inzet van VNV'ers als vertrouwensmannen op strategisch belangrijke posten. Elias, die zichzelf als 'de nummer twee' van het VNV beschouwde, stelde dat de basis de leiding voorbijholde. Over zijn precieze houding legde hij na de oorlog vage verklaringen af. Het is een feit dat De Clercq zijn nummer twee aan de kant liet toen hij op 3 juni 1940 de top van het Militaire Bestuur ontmoette en er de volledige medewerking van zijn beweging aanbood. Het is evenzeer een feit dat Elias zoals andere als gematigd beschouwde top-VNV'ers druk gesolliciteerd werd door leden van het Belgische establishment die het VNV wilden binden aan een aanwezigheidspolitiek rond Leopold III. Elias verdedigde tijdens deze gesprekken met onder meer Maurice Lippens, Robert Capelle en Hendrik de Man het officiële Groot-Nederlandse standpunt van zijn partij. Op 28 juli 1940 verklaarde hij op een VNV-bijeenkomst te Hasselt dat "het Vlaamse volk door de mond van het VNV zal spreken". In augustus en september 1940 trad Elias op als spreker in de campagne van de Volksbeweging waarmee het VNV zich probeerde te verruimen. Elias beweerde niet betrokken te zijn bij de voorbereiding van de zeer belangrijke redevoering die De Clercq uitsprak op 10 november 1940 waarin de VNV-leider zijn beweging voorbehoudsloos aan de politiek van Adolf Hitler onderwierp, een keuze waarvan hij beweerde reeds tijdens de Achttiendaagse Veldtocht te hebben blijk gegeven door de MO ten dienste van het Duitse leger te stellen. Elias beschouwde De Clercqs demarche als een zware politieke fout omdat ze de samenwerking met Belgische collaboratiegroepen hypothekeerde, een effect dat de VNV-leider precies nastreefde. Elias ondertekende wel mee een memorandum dat in december 1940 door De Clercq en enkele top-VNV'ers aan Hitler werd gericht en dat de uitgangspunten van de 10 november-rede bevatte. Kan er enige twijfel bestaan over Elias' houding binnenskamers, naar buiten uit onderschreef hij de vereenzelviging van het VNV met de nationaal-socialistische bezetter. Elias lijkt de evolutie van het VNV tussen mei en het einde van 1940 te hebben ondergaan en zijn 'nummer twee'-status niet te hebben waargemaakt. Betekenisvol is dat hij in die turbulente periode de tijd vond om zijn boek Priester Daens en de Christene Volkspartij te schrijven. Betekenisvol is evenzeer dat hij op 30 december 1940 de post aanvaardde van commissaris-burgemeester van de stad Gent, nadat hij nochtans in eerste instantie had geweigerd. Het lijkt erop dat Elias er zich bij neerlegde niet langer de nummer twee van het VNV te zijn. De radicale Tollenaere bekleedde voortaan die positie. Hij was het die met De Clercq de politiek uitstippelde die moest leiden tot de erkenning van het VNV als nationaal-socialistische eenheidspartij en dus de uitschakeling van de concurrentiële Vlaamse SS. Elias was niet betrokken bij de demarches en onderhandelingen die onder meer leidden tot het aanbod een kustwachteenheid met VNV'ers op te richten (maart 1941) en het bevel tot werving voor de Waffen-SS (april 1941). Hij was opgemerkt afwezig op de persconferentie, 10 mei 1941, waarop de oprichting van de Eenheidsbeweging-VNV werd afgekondigd omdat hij vond dat het VNV te veel toegevingen had gedaan aan het Verdinaso en Rex-Vlaanderen om de fusie mogelijk te maken. Evenmin onderhandelde hij over de oprichting van het Vlaamsch Legioen na het uitbreken van de Duits- Sovjetrussische oorlog. Naar buiten uit onderschreef hij het beleid. Op 9 maart 1941 sprak hij in een rede te Antwerpen zijn vertrouwen uit in Duitsland, op 25 mei 1941 sprak hij in Gent naast de kersverse VNV'ers Pol le Roy (Verdinaso) en Odiel Daem (Rex-Vlaanderen), hij was aanwezig op de afscheidsplechtigheid bij het vertrek van de eerste vrijwilligers voor het oostfront op 6 augustus 1941 en trad nadien nog herhaaldelijk op op propagandameetings voor de werving.

Elias was door de bezetter als commissaris-burgemeester van Gent aangesteld omdat secretaris-generaal van binnenlandse zaken Jean Vossen zijn benoeming weigerde. Diens volgehouden verzet leidde tot zijn ontslag en dat van drie hoge ambtenaren en zo uiteindelijk tot de benoeming van Gerard Romsée tot secretaris-generaal. Romsee 'regulariseerde' de benoeming van Elias op 21 augustus 1941. Als burgemeester werkte Elias samen met sommige leden van het oude bestuur, onder wie schepen Edward Anseele (jr.). Anseele stapte op toen Elias' kabinetschefs Germain Lefever en August de Wilde tot schepen werden benoemd. Ook het overgrote deel van aanwervingen en aanstellingen op het lagere echelon bestond uit VNV'ers. Elias voerde in 1942 de oprichting van Groot-Gent door. In het kamp van de collaboratie baarde zijn rede ter gelegenheid van de door het Gentse stadsbestuur in samenwerking met de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) georganiseerde Duits-Vlaamse cultuurdagen, 14 augustus 1941, opzien. Elias keerde zich tegen diegenen die "de Germaansche rijksgedachte zouden willen opbouwen tot een opslorping der Nederlanden in een kunstmatig Duits Rijk".

Rond die tijd verkeerde de VNV-leiding in een vertrouwenscrisis wegens het uitblijven van een Duitse erkenning als politieke monopoliehouder. In de Raad van Leiding wees Elias op het gevaar van een verduitsing en bepleitte een verzoening met elementen uit het Belgische kamp op basis van federalisme. De Clercq ging er niet op in en verklaarde op 27 september 1941 de inschakeling van Vlaanderen in het "complex der Germaanse volkeren" tot het doel van het VNV. Een jaar later en reeds zwaar ziek, vroeg De Clercq of Elias bereid was de leiding over te nemen. Elias weigerde omdat hij niet verantwoordelijk wilde gesteld worden voor de gevolgde politiek. Toen op 22 oktober 1942 De Clercq overleed, stelde de opvolgingskwestie zich opnieuw. Hoewel De Clercq geen aanwijzingen naliet, was iedereen in de Raad van Leiding het erover eens dat Elias de aanwezen persoon was. Elias vroeg bedenktijd, maar Romsée en Victor Leemans, de twee VNV'ers die een ambt van secretaris-generaal bekleedden, drongen aan op een onmiddellijke beslissing om elk manoeuvre van de SS te voorkomen. Zo trad hij op 23 oktober 1942 in functie als nieuwe leider van het VNV. Velen verwachtten dat Elias een nieuwe koers zou varen. Pas op 20 december 1942 richtte hij zich in een grote openbare redevoering tot zijn volgelingen. Hij vroeg de erkenning van de Vlamingen als volk, met een eigen bestuur in een toekomstige Germaanse statenbond. Op dat gebied trok hij het spoor van zijn voorganger verder. Nieuw was dat de Groot- Nederlandse lotsbestemming een meer culturele inhoud kreeg en dat het behoud van de 'Belgische ruimte' met Vlamingen en Walen die Elias als geromaniseerde Germanen erkende, niet werd uitgesloten. Hiermee paste Elias zich aan aan de nieuwe situatie die ontstaan was doordat Rex-leider Léon Degrelle de machtige steun van de SS had verworven. Nieuw was ook dat Elias het systeem van de secretarissen-generaal aanviel om aldus een beslissing ten gunste van het VNV af te dwingen. In de redevoeringen die hij begin 1943 hield in de Vlaamse provinciehoofdplaatsen bleef de aanval op de secretarissen-generaal achterwege omdat hij er door medestanders van overtuigd werd dat dit ook de vervanging van het Militaire Bestuur door een voor de SS gunstig Burgerlijk Bestuur zou betekenen. Inmiddels had hij de zetbazen van zijn Groot-Duitse tegenstanders persoonlijk leren kennen. Op 30 oktober 1942 ontmoette hij voor het eerst Gottlob Berger, de chef van het SS-Hauptamt en 'Präsident' van de DeVlag. Die beschouwde Elias als een gevaarlijk tegenstander. Hij gaf de opdracht aan de DeVlag-leider Jef van de Wiele zijn organisatie uit te bouwen tot een concurrent van het VNV op elk gebied. In de brochure Op zoek naar een vaderland (januari 1943) viel Van de Wiele het VNV rechtstreeks aan. Elias reageerde in een redevoering te Gent op 14 april 1943. Hij sprak weer onverholen over de Groot-Nederlandse staat, verklaarde zich tegenstander van elk annexionisme en waarschuwde de bezetter voor een verdeel-en-heers-politiek. Voorts sprak hij over de "ontwikkeling van het nationaal- socialisme als Nederlands verschijnsel", daarbij refererend aan een uitspraak van Joseph Goebbels die verklaarde dat het nationaal-socialisme geen exportartikel was. Elias weigerde nog te spreken op afscheidsplechtigheden voor oostfronters naast Van de Wiele. De VNV-leider werd ook onder druk gezet door zijn eigen basis die steeds nadrukkelijker politieke klaarheid eiste. Opmerkelijk was een brief van Jules Callewaert aan Elias en de leiding van het VNV waarin de fundamenten van de VNV-politiek in vraag werden gesteld, namelijk de Duitse eindoverwinning en het vertrouwen in de Führer. Het maakte indruk in VNV-rangen. Elias werd geconfronteerd met ontslagen en dissidenties. In die omstandigheden richtte Elias zich op 7 mei 1943 schriftelijk tot het Militaire Bestuur met een ultimatum. Hij vroeg een officiële erkenning van het VNV, zo niet zou hij zijn beweging uit de collaboratie terugtrekken. Elias rekende erop dat hij nu zou gehoord en ontvangen worden door de allerhoogste instantie in het Derde Rijk. Voorlopig gebeurde er niets. Op 6 juni 1943 verklaarde hij het lidmaatschap van de DeVlag voor leidinggevende VNV'ers onverenigbaar. Op 23 juni 1943 werd hij opnieuw door Berger ontvangen voor een nieuw dovemansgesprek. De onrust bij zijn achterban nam nog toe toen medio 1943 bekend werd dat de vrijwilligers van het Vlaamsch Legioen in de Waffen-SS werden ingelijfd. Toen rond dezelfde tijd de West-Vlaamse VNV-gouwleider Jeroom Leuridan een spreekverbod kreeg opgelegd wegens een openlijke aanval op de DeVlag en als reactie twaalf West- Vlaamse VNV-burgemeesters hun ontslag in het vooruitzicht stelden, dreigde een openlijke crisis. Elias besloot tot een krachtig signaal dat zowel in Berlijn als bij zijn volgelingen zou gehoord worden. Op 14 augustus 1943 verbood hij elke samenwerking met de SS, inclusief de werving voor de Waffen- SS. Elias verwachtte een reactie van de Reichsführer-SS Heinrich Himmler. Die kwam er slechts binnenskamers in een brief aan het Militaire Bestuur met de aanbeveling het VNV te vervangen door de DeVlag. Het Militaire Bestuur reageerde niet mede omdat het VNV de militaire, administratieve en politionele collaboratie voortzette en aldus de meest bruikbare partner bleef. De VNV-achterban bedaarde niet, mede doordat Elias nog steeds niet kort en goed het lidmaatschap van de DeVlag onverenigbaar verklaarde met dat van het VNV. In de jeugdbeweging brak zelfs een rebellie los toen de Hitlerjeugd Vlaanderen werd opgericht. Elias dreef de zaken niet op de spits omdat hij er bleef op rekenen in Berlijn ontvangen te worden. Er gebeurde niets, ook niet toen hij op 17 oktober 1943 dan toch het dubbel lidmaatschap verbood, gelijktijdig overigens met het verbod op lidmaatschap van dissidente Groot-Nederlandse organisaties. Elias kon de impasse maar doorbreken door een knieval. Op 15 december 1943 richtte hij een brief aan Himmler waarin hij verklaarde bereid te zijn de Groot-Nederlandse eindbestemming op te geven als Himmler tenminste het Vlaamse volk wilde erkennen. Een week voordien verklaarde hij aan de hoogste SS-vertegenwoordiger in België bereid te zijn zich te onderwerpen aan de Reichsführer- SS ook als die zijn ontslag zou vragen. De demarche had resultaat. Op 29 februari en 1 maart 1944 ontmoette hij Himmler, samen met Van de Wiele. Hij vernam hoe Himmler slechts bereid was de Nederlandse taal te erkennen en dat van Duitsland niet kon worden verwacht de mondingsgebieden van de grote Duitse rivieren op te geven, waarop Elias zich bereid verklaarde het VNV te ontbinden. Himmler ging er niet op in en verzocht Elias 'de strijd' voort te zetten. De VNV-leider keerde dus met lege handen terug. Hij liet zich voortdrijven door de gebeurtenissen die steeds hachelijker werden voor het VNV. Het Militaire Bestuur trok langzaam zijn handen af van de partij en bereidde zich voor op de onvermijdelijk geworden regimewisseling die op 12 juli 1944 plaatsgreep. In het Burgerlijk Bestuur dat toen onder leiding van de Duitser Joseph Grohé werd geïnstalleerd was geen plaats meer voor het VNV en zijn leider. VNV'ers werden inmiddels ongenadig opgejaagd door het gewapende verzet. Elias stond onder druk om de tientallen moorden op VNV'ers te vergelden. Op 22 juli 1944 was hij aanwezig op de begrafenis van de vermoorde Limburgse VNV-arrondissementsleider Antoon Ariën. Hij verzette zich niet langer tegen het offensief inzetten van VNV'ers. Het leidde tot acties van tegenterreur geleid door de Limburgse VNV-leiding. In deze omstandigheden moet het antwoord worden gezocht waarom Elias de collaboratiepolitiek niet stopzette. Het VNV was een kleine belaagde minderheid geworden die met handen en voeten aan de bezetter was gebonden en in de gepolariseerde toestand geen aanknopingspunt meer vond om terug te keren. Elias hoopte nog een uitweg te vinden in de zogenaamde derde hypothese die hij samen met Romsée ontwikkelde. In geval van een Duitse terugtrekking en een onderhandelde vrede zou het VNV in een machtsvacuüm de orde handhaven. Wishfull thinking, want toen de bevrijding eraan kwam, restte Elias niet veel meer dan samen met enkele duizenden van zijn volgelingen naar Duitsland te vluchten er er het einde van de oorlog af te wachten. In een gesprek met Grohé op 13 september 1944 verklaarde hij geen politieke activiteiten meer te zullen ontplooien. Hij weigerde mee te werken en verklaarde dat zijn volgelingen niet konden toetreden tot de SS-Division Langemarck die toen in oprichting was. Zelf verbleef hij te Lippstadt waar hij op 18 december 1944 langs de radio vernam dat Van de Wiele als Leiter des flämischen Befreiungskomitee was aangesteld. Drie dagen later ontving hij het 'verzoek' zich te melden op het Reichssicherheitshauptamt waar hij voor de keuze werd gesteld mee te werken met Van de Wiele of "Vlaanderen nooit meer terug zien". Elias weigerde medewerking en werd op 9 januari 1945 geïnterneerd in een hotel in de Alpen te Oberstdorf waar hij op 27 mei 1945 door Franse troepen werd gearresteerd. Tot 16 oktober 1945 verbleef hij in diverse interneringskampen. Op die datum werd hij door twee officieren van de Belgische Militaire Veiligheid afgehaald en naar Brussel overgebracht, waar hij op 20 oktober aankwam. Ondertussen was hij reeds op 26 maart bij verstek ter dood veroordeeld bij vonnis van de krijgsraad te Gent. De substituut van de krijgsauditeur, E. Spanoghe, was met de instructie van zijn zaak gelast. Na een langdurig onderzoek verscheen hij opnieuw voor de krijgsraad te Gent in maart en april 1947. De behandeling der zaak nam verscheidene zittingen in beslag. Elias werd verdedigd door de advocaten Felix Beeckman, Jozef de Meester en Frans van der Elst. Bij vonnis van 14 mei 1947 werd het doodsvonnis bevestigd. In beroep werd de zaak behandeld voor het krijgshof te Gent op 19 en 20 september 1947. Bij arrest van 16 oktober 1947 werd het vonnis bekrachtigd en een voorziening in cassatie werd verworpen op 2 februari 1948. De doodstraf werd bij gratiebesluit van de regent de dato 2 april 1951, onder minister van justitie Ludovic Moyersoen, veranderd in levenslange hechtenis. Op de vooravond van Kerstmis 1959 werd hij officieel om gezondheidsredenen in voorlopige vrijheid gesteld. In de op gang gekomen amnestiebeweging werd zijn vrijlating geëist. De slogan "Elias vrij!" was niet van de lucht in amnestiebetogingen.

In zijn meer dan veertienjarige gevangenschap was Elias teruggekeerd tot de historische wetenschap en deed hij voorbereidend werk voor de van 1963 tot 1965 verschenen vier delen van zijn Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, een werk dat bekroond werd met de Prijs der Vlaamse Provincies en met de Frans van Cauwelaertprijs. Het was een ideeëngeschiedenis over de V.B. van 1780 tot 1914 steunend op een enorme hoeveelheid gedrukt bronnenmateriaal dat hem in de gevangenis was bezorgd door onder meer Van der Elst. Hij knoopte terug aan bij zijn voornemen van veertig jaar voordien een synthese te schrijven tegen die van Pirenne. Tegen de bekroning door de Vlaamse Provincies van het werk van een gewezen collaboratieleider rees protest uit socialistische hoek. In 1969 verscheen nog het vierdelige Vijfentwintig jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, geschreven vanuit het perspectief van de gematigde vleugel van het Vlaams- nationalisme. Van 1969 tot 1973 trad hij op als wetenschappelijk adviseur van de redactie van de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging. Gedurende de laatste jaren van zijn leven schreef hij nog een omvangrijke studie onder de titel Het Vlaams-nationalisme tijdens de Tweede Wereldoorlog die evenwel niet meer gepubliceerd geraakte. Samen met zijn omvangrijk archief kwam ze in handen van Van der Elst die Elias' intellectuele nalatenschap beheerde. Van der Elst heeft nog stappen ondernomen om de derde grote studie uit te geven, maar zag van dat plan af toen een voorpublicatie van zijn hand over het beleid van Elias als leider van het VNV (1974) op ernstige historisch kritische bezwaren stootte van Albert de Jonghe in het Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis (1975-1976). Elias heeft geen openlijke politieke rol meer gespeeld, al is een persoonlijke invloed op Van der Elst niet uit te sluiten. In een van de eerste brieven aan zijn advocaat, de latere voorzitter van de Volksunie, 18 maart 1946, gaf hij advies zo snel mogelijk het Vlaams-nationalisme te organiseren "om te voorkomen dat waardevolle krachten in de huidige verwarring zouden verloren gaan".

Werken

(strikt historische studies en in de bijdrage vermelde studies werden niet opgenomen) Artikelen in De Schelde 
Volk en Staat (1932-1945); De Voorwacht (1931-1935); Strijd (1936-1940); De Nationaal- Socialist (1941-1944); 
Voor een geschiedenis der Vlaamsche beweging (lezing op het VIIIste congres voor Philologie te Gent), 1926; 
Bijdragen tot de geschiedenis der Vlaamsche beweging (lezing op het IXde congres voor Philologie te Leuven), 1928; 
'De Vlaamsche Gedachte', in Vlaamsche Arbeid (1930); 
'Het verleden van het Vlaamsch Volk', in J. Denucé en J.A. Goris (red.), Vlaanderen door de eeuwen heen, I, 1931-1932; 
Het Vlaamsch Nationaal Verbond in de politieke branding, 1936; 
Heldenherdenking (rede uitgesproken op 24 januari 1943), 1943; 
Rede van Leider Dr. Elias gehouden op de Landdag van het VNV-Studentenfront op 14 april 1943, 1943; 
Rede uitgesproken door H.J. Elias, Leider van de Eenheidsbeweging-VNV op de Kaderdag VNV te Brussel, 6 juni 1943, 1943; 
Proclamatie van Dr. H.J. Elias Leider van het VNV ter gelegenheid van de Guldensporenviering 11 juli 1944, 1944.

Literatuur

F. van der Elst, 'Dr. Elias als leider van het VNV', in Bijdragen tot de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, nr. 3 (1974), p. 83-105; 
A. de Jonghe, 'H.J. Elias als leider van het Vlaams Nationaal Verbond. Kanttekeningen bij een artikel van Frans Van der Elst', in BTNG, jg. 6, nr. 3-4 (1975), p. 197-238; jg. 7, nr. 3-4 (1976), p. 329-423; 
E. de V., 'Dr. Hendrik Elias, leider van het VNV', in 't Pallieterke (27 januari 
30 juni 1983); 
L. Wils, 'Elias of het gevecht met de geschiedenis', in WT, jg. 51, nr. 4 (1992), p. 193-209; 
B. de Wever, 'Hendrik Elias: historicus in de politiek', in België 1940: een maatschappij in crisis en oorlog, 1993; 
id., Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994.

Verwijzingen

zie: historiografie, collaboratie, Vlaams Nationaal Zangfeest.

Auteur(s)

Bruno de Wever