Ecrevisse, Pieter

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Obbicht 3 juni 1804 – Eeklo 16 december 1879).

Behaalde een onderwijzersdiploma (1827) en gaf les in Charneux, Amsterdam en Charleroi. Van 1830 tot 1833 studeerde Ecrevisse in Leuven en werd er doctor in de rechten. Hij vestigde zich als advocaat in Sittard – dat toen nog tot België behoorde – gaf er les aan het college en werd verkozen tot lid van de stadsraad; in die hoedanigheid ondertekende hij in 1838 een in het Frans opgestelde petitie waarin de wens werd uitgedrukt Belg te blijven. Toen de scheiding er in 1839 toch kwam koos hij bewust de Belgische nationaliteit en ontving hij een benoeming (3 juni 1839) tot vrederechter te Eeklo (tot 1879). De napoleontische oorlogen en de Franse bezetting hadden hem een anti-Frans gevoel gegeven dat hem ertoe aanzette te ijveren voor het 'Vlaams', de Vlaamse emancipatie en een samengaan van Noord en Zuid.

Ecrevisse werd voor het kanton Eeklo in 1840 verkozen tot provincieraadslid. Als zodanig deed hij zich opmerken door samen met Karel L. Ledeganck als een van de eersten sedert 1830 een tussenkomst in het Nederlands te houden naar aanleiding van de discussies bij de eerste voorstellen over het gebruik van het Nederlands in de provinciale administratie (17 juli 1840). Die toespraak werd gepubliceerd in Den Vlaming van 22 en 24 juli 1840. Aan zijn provinciaal mandaat kwam een einde door de wet van 1848 die het lidmaatschap van de provincieraad onverenigbaar verklaarde met zijn ambt van vrederechter. Ecrevisse begon dan aan een carrière in de sterk orangistisch gekleurde Eeklose gemeenteraad (1848-1860).

In Eeklo stichtte hij het blad De Eecloonaer, (1 januari 1849), waarin hij een middel tot volksontwikkeling zag. Ecrevisse werkte ook actief mee aan Vlaemsch België en De Vlaemsche Stem (1846-1853), dat ageerde tegen de Franse invloed in België. Ook in Eeklo stichtte Ecrevisse de literaire gezelschappen Met Moed en Vlijt (1846, samen met August van Acker) en De Kunstmin (1860). Hij koos partij voor Jan F. Willems in de spellingoorlog, onder meer in het Kunst- en Letterblad van Ferdinand A. Snellaert. Ecrevisse had ook contact met Ledeganck en Willems. Ontmoetingen vonden plaats op de Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen, waarvan Ecrevisse er negen bijwoonde en waarop hij drie belangrijke redevoeringen hield, voor verbroedering tussen Noord en Zuid. Dat maakte hij onder meer duidelijk in de verhandeling die hij naar voren bracht op het zesde congres (1860): Wat bedoelen wij, wat willen wij?, waarin hij al dacht in de richting van een douane-unie.

Op politiek vlak typeerde Ecrevisse zichzelf in zijn autobiografie als iemand die "de vlaamsche taal in leven (wilde) houden, als eene protestatie tegen de binnenpalmers van Frankrijk". Aanvankelijk unionist, sloot Ecrevisse zich na 1860 aan bij de liberale partij. Hij werd lid van het Willemsfonds (1863) en van de liberale afdeling van het Vlaamsch Verbond in Gent. Hij was ook lid van De Tael is gan(t)sch het Volk.

Ecrevisse verwierf vooral bekendheid door zijn historische romans. Zijn boek De Bokkenrijders (1845) droeg hij op aan gouverneur De Schiervel, De verwoesting van Maastricht aan gouverneur Desmaisières. Zijn meest productieve literaire periode ligt tussen 1856 en 1864, toen hij meewerkte aan de katholieke De Beurzen-Courant, het liberale Leesmuseum, romans en novellen schreef en leesboekjes voor de lagere school verzorgde.

Werken

De Teuten, eene zedenschets uit de XVIIde eeuw, 1844; 
De Bokkenrijders in het land van Valkenburg, 1845; 
De verwoesting van Maastricht, 1845.

Literatuur

G. Schuy, Een bokkenrijder in de Vlaamse Romantiek. Leven, werk en brieven van Mr. Pieter Ecrevisse, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1965; 
H.J. op den Kamp, 'Ecrevisse, Pieter', in NBW, III, 1968; 
id., Pieter Ecrevisse, de Limburgse Conscience, 1804- 1879, 3 dln., 1979; 
'Pieter Ecrevisse Nummer', in De Eik, jg. 4, nr. 2 (1979), p. 68-155 (bevat alle vroeger verschenen artikels en bijdragen over Pieter Ecrevisse); 
A. Deprez (e.a.), Literaire gids voor Oost-Vlaanderen (Literaire gidsen voor Vlaanderen, nr. 5, 1987); 
'Levensschets van den Vlaamschen schrijver Pieter Ecrevisse, opgedragen aan zijnen kunstvriend en stadgenoot Mijnheer Edward Contant Van Damme-Bernier, den edelmoedigen Voorstaander van het schone en goede, als een bewijs van vriendschap en hoogachting', in Heemkundige bijdragen uit het Meetjesland, jg. 1, nr. 3 (1987), p. 102-107 ; 
Zevenhonderdvijftig jaar Eeklo, 1990; 
W. Gobbers en A. Deprez (red.), Vlaamse literatuur van de 19de eeuw: dertien verkenningen, 1990; 
N. Lehoucq en T. Valcke, De fonteinen van de Oranjeberg. Politiek-institutionele geschiedenis van de provincie Oost-Vlaanderen van 1830 tot nu, II, 1997.

Auteur(s)

Nicole Lehoucq; Tony Valcke