Economie

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Historici hebben weinig aandacht besteed aan de relatie tussen "Economie en V.B". Geschiedschrijvers van de V.B. maakten er zelden een centraal onderzoeksthema van terwijl in werken van economische historici het 'Vlaams perspectief' doorgaans afwezig is of op methodologisch betwistbare gronden wordt behandeld. Kan deze schaarse belangstelling worden verklaard door verschuivingen in de onderzoekszwaartepunten? Of heeft dit gebrek aan interesse eerder te maken met het feit dat de V.B. zich pas laat (ten tijde van de tweede industriële revolutie) en niet continu met economische vraagstukken heeft ingelaten? Of met het gegeven dat belangstelling vaak kwam van onderdelen van de V.B. die niet tot de dominante Vlaams-nationale stroming behoorden? Hoe het ook zij, literatuur die rechtstreeks betrekking heeft op "Economie en V.B." is zeldzaam.

Het beperkte aantal voorstudies en het ontbreken van empirisch materiaal bemoeilijkt de synthese, die bovendien twee valkuilen moet vermijden: anachronisme en nationalistische geschiedschrijving. De eerste bestaat erin evoluties in het verleden te 'lezen' met hedendaagse referentiekaders, waarbij al in de eerste helft van de 19de eeuw wordt gespeurd naar antecedenten van de achterstelling/hinderpalen waarvan de Vlaamse economie vandaag het slachtoffer zou zijn. Een nationalistische lezing zou zonder verdere argumentatie aannemen dat er altijd iets heeft bestaan als een 'Vlaamse economie', niet beschouwd als een regionale economie met eigen kenmerken, maar als een (normatief) economisch model dat voor alle segmenten van de Vlaamse bevolking even gunstig zou zijn geweest. Hier worden uiteenlopende belangen tussen subregio's, sectoren of sociale groepen geabstraheerd. Het bestaan van een 'Vlaamse economie' is geen gegeven. Het ontstaan en de 'constructie' ervan is precies het onderwerp van deze bijdrage.

Om deze methodologische valstrikken te omzeilen wapent de wetenschappelijke literatuur ons beter. Zowel sociaal geografen als historici hebben fundamentele bijdragen geleverd, waarop het hier gehanteerde interpretatiekader steunt. Dit wordt aangevuld met bevindingen uit de politieke historiografie, waarin de problematiek van de macht centraal staat. Een combinatie van beide levert het raamwerk van deze bijdrage.

Eerst wordt dit kader nader gespecificeerd. Vervolgens zal het worden ingevuld in verschillende chronologische etappes. De stand en oriëntatie van het onderzoek laten evenwel niet toe alle periodes even uitgebreid te behandelen. Voor bepaalde onderdelen kunnen enkel exemplarisch tendensen worden aangegeven. Het begrippenpaar "Economie en V.B." laat toe het accent op een van de twee polen te leggen. Hier ligt de nadruk op de tweede. Dit impliceert dat de beschrijving en analyse van de economische evolutie gebeurt in functie van de opstelling van de V.B.

Regionale en structurele determinanten van de economische ontwikkeling (1770-1850)

Het economische kader waarin het economische denken en de economische actie van de V.B. gestalte kregen en zich ontwikkelden moet zowel geografisch (staatkundig kader) als structureel (productiewijze en politieke krachtsverhoudingen die ermee verband houden) worden afgelijnd. Het vertoont immers specifieke kenmerken die de opstelling en reacties van de V.B. mee bepaalden.

Het relevante geografische kader is dat van de Belgische staat. We kunnen pas na 1830 spreken van een V.B., die aanvankelijk vasthield aan de unitaire staat en pas in de 20ste eeuw opteerde voor het federalisme, mede onder impuls van economische factoren. Toch zal het chronologisch kader moeten worden verruimd tot de periode voor 1830. De economische structuur van de Belgische staat werd immers gedetermineerd door de industriële revolutie, een proces dat aanving rond 1770 en voortduurde tot het midden van de 19de eeuw. De industriële revolutie introduceerde in België het industrieel kapitalisme. Dit kapitalisme was van een bijzonder type. Dit vloeit voort uit de specifieke regionale spreiding van landbouw/huisnijverheid, moderne industrie en (financiële) diensten over het grondgebied van de nieuwe staat.

De industriële omwenteling zette zich door in vier sectoren: textiel, ijzer, steenkool en glas. IJzer en steenkool zijn sterk gebonden aan localisatiefactoren, namelijk de aanwezigheid van kolen en erts in de ondergrond. Deze sectoren ontwikkelden zich dan ook in Wallonië waar bovendien al een (proto-industriële) niet-gemechaniseerde exploitatie bestond van metaal en steenkool. Twee ontwikkelingsgebieden zijn hier te onderscheiden: Luik en Bergen-Charleroi. In het eerste lag het accent meer op metaal – de machinebouw zou er toonaangevend worden – terwijl Bergen in Henegouwen tamelijk eenzijdig gericht was op steenkoolexploitatie. In Charleroi kwamen ook de glas- en ijzerindustrie tot ontwikkeling. Bij de Luikse groeipool voegde zich Verviers, dat een traditie had van wolbewerking. Deze gepolariseerde ontwikkeling creëerde een geografische as die liep van de Hene tot de Vesder over Samber en Maas. De rest van de Waalse provincies bleef ruraal. In Vlaanderen brak de industriële revolutie enkel door in Gent, dat zich ontwikkelde tot een textielcentrum (eerst katoen, later ook linnen) van formaat. In enkele kleinere centra zoals Lier en Sint-Niklaas kwam ook een fabrieksmatige textielnijverheid op gang, maar deze centra overleefden niet. De eigenaars mechaniseerden onvoldoende of verplaatsten na de revolutie van 1830 hun activiteiten naar Nederland. In de rest van Vlaanderen bleef tot de jaren 1840 een niet-fabrieksmatige textielproductie bestaan. Deze huisnijverheid had haar zwaartepunt in delen van de provincies Oost- en West-Vlaanderen (Binnen-Vlaanderen) met de verwerking van vlas. In de Antwerpse Kempen werd vooral wol verwerkt. Deze huisnijverheid bleek echter niet opgewassen tegen de concurrentie van de gemechaniseerde nijverheid die veel goedkoper produceerde.

Een ietwat apart, maar integrerend deel van de industriële omwenteling was de Brusselse pool. Hij was tertiair van aard en werd gevormd door de financiële sector (Société Générale en Banque de Belgique) en de administratief-politieke functies van de nieuwe hoofdstad. Brussel vervulde die laatste rol al langer, maar de promotie tot hoofdstad van een nieuwe staat versterkte die positie. De Brusselse financiers verstrekten de ondernemingen de nodige commerciële kredieten, maar namen meer en meer rechtstreekse participaties in industriële ondernemingen die de vorm van naamloze vennootschappen aannamen. Dat was vooral het geval in Henegouwen, met een versnellingsfase tijdens de crisis van de jaren 1830. Het samengaan van financieel en industrieel kapitaal, waarvan de 'gemengde bank' die uitgroeide tot holding, gelocaliseerd in Brussel het symbool en het instrument was, werd een van de voornaamste specifieke kenmerken van het Belgisch kapitalisme.

In het Brusselse machtscentrum werden hechte banden gesmeed tussen de financiële elite, het Hof, de politieke wereld en de hoge ambtenaren. De voertaal was het Frans. Opgenomen worden in deze kring gebeurde door coöptatie en was enkel weggelegd voor diegenen die bewezen hadden in het nieuwe systeem succesvol te zijn en zich de cultuur van de dominante groep eigen te hebben gemaakt. Deze verstrengeling zou een aanknopingspunt vormen voor de formulering van een specifieke visie op de economie in de schoot van de V.B.

De combinatie tussen financieel en industrieel kapitaal zorgde ervoor dat er zich een samenhang vormde tussen de Waalse industriële groeipolen en de Brusselse regio, die in de nieuwe staat een overwicht had. Gent, waar het Brusselse financiekapitaal weinig impact had (de investeringen werden er gegenereerd door zelffinanciering), kon geen evenredig tegenwicht bieden.

Betekent dit dat er sprake was van een 'verdrukking' van Vlaanderen in de nieuwe Belgische staat en dat de 'Vlaamse economische belangen' stelselmatig opgeofferd werden aan de Waals-Brusselse? Deze conclusie wordt soms getrokken na een vergelijking tussen de economische politiek tijdens de Franse en Hollandse periode enerzijds en onder de nieuwe Belgische staat anderzijds. Zowel de Franse overheid als Willem I voerde een interventionistische en protectionistische economische politiek die voor bepaalde sectoren van de economie in Vlaanderen gunstige gevolgen had. Nieuwe uitvindingen werden gestimuleerd. Lieven Bauwens kon het Franse leger bevoorraden. De integratie in een groter economisch geheel (Frankrijk, Nederland met zijn kolonies) zorgde voor interessante afzetmogelijkheden en gaf de Antwerpse haven nieuwe trafiek. Vooral onder Willem I werd de verkeersinfrastructuur uitgebreid. Steenwegen en kanalen werden aangelegd, onder meer tussen Gent en Terneuzen, wat gunstig was voor de Gentse textielindustrie.

De Belgische Revolutie van 1830 zorgde voor een vertraging in de economische groei die ook voelbaar was in de Waalse nijverheid. De nieuwe staat brak evenwel niet met de tevoren gevoerde interventionistische politiek. Zij werd voortgezet in een meer gemoderniseerde variant. Hoewel deze politiek in het voordeel was van de industrie, was van een systematische anti-Vlaamse opstelling geen sprake.

Om het hoofd te bieden aan de economische crisis, om te zorgen voor een vlotte afzet van de industriële productie die in het gedrang dreigde te komen door de politieke gevolgen van de omwenteling en om te bouwen aan de integratie van de nieuwe staat werd begonnen met de aanleg van spoorwegen die zouden uitgroeien tot een netwerk. De eerste lijn moest Antwerpen met Keulen verbinden, met vertakkingen naar Oostende en Brussel. Mechelen was het knooppunt. De spoorwegaanleg stimuleerde de Waalse industrie, maar had ook op de economische activiteit in Vlaanderen een gunstige weerslag. Vooral de Antwerpse haven zou er profijt uit halen. De spoorwegen droegen er later ook toe bij dat voorheen louter regionaal georiënteerde economieën zoals die van het Land van Waas aansluiting vonden bij de economische ontwikkeling in de andere Belgische gewesten, wat nieuwe impulsen gaf aan de lokale nijverheid.

De economie in Vlaanderen kreeg ook rechtstreekse impulsen van de centrale overheid. Tijdens de hongercrisis van de jaren 1840 gaf de centrale overheid subsidies aan de noodlijdende landbouw en huisnijverheid.

De these van de Vlaamse achterstelling, die binnen de V.B. lang opgang maakte kan niet alleen weerlegd worden aan de hand van empirische tegenindicaties, ze kan ook en vooral worden ontkracht door een analyse van de economische krachtsverhoudingen in Vlaanderen en de politieke stellingnames die ermee samenhingen.

Het cijnskiesrecht bepaalde de verdeling van de politieke macht. Het grootgrondbezit was relatief oververtegenwoordigd. Deze groep stond sterk in het overwegend rurale Vlaanderen. Bovendien bevoordeelde het kiesstelsel het platteland. Ook dit versterkte de positie van de rurale Vlaamse politieke vertegenwoordigers. Het verhinderde bijvoorbeeld dat de Vlaamse liberale stedelijke burgerij tot de nationale politiek kon doordringen. De politieke vertegenwoordigers van de Vlaamse regio's verdedigden een economische politiek die strookte met de belangen van hun overwegend rurale achterban. Deze politiek viel echter niet noodzakelijk samen met die van de financiële en industriële burgerij die het economisch overwicht had in de Belgische staat. De structuur van de landbouw in Vlaanderen, met zijn combinatie van akkerbouw en huisnijverheid die werd beoefend op kleine bedrijfjes die grotendeels gepacht werden, was financieel voordelig voor de grondeigenaars. Deze exploitatievorm had in de 18de eeuw geleid tot een relatieve voorspoed en een sterke demografische groei. Hoewel de grond zeer intensief werd bewerkt, volstond de landbouw niet meer om de boer en zijn gezin in leven te houden. De landbouwer was verplicht een extra inkomen te zoeken in de huisnijverheid. Waar dit aanvullend inkomen in het ancien régime nog had bijgedragen tot een relatieve welvaart, werd het hoe langer hoe meer een noodzakelijk complement in een overlevingsstrategie. In de eerste decennia van de 19de eeuw zette zich een omkering door in de verhouding tussen huisnijverheid en landbouw: het aandeel van de huisnijverheid in het inkomen werd alsmaar belangrijker en zelfs noodzakelijk om de pacht te kunnen betalen. De pachtprijzen stegen als gevolg van een groeiende vraag die voortvloeide uit de bevolkingstoename. De situatie van de Vlaamse boer verslechterde zienderogen. Hij kon zich enkel staande houden door steeds langer te werken en genoegen te nemen met minder loon. In 1845 stortte het stelsel in: de huisnijverheid werd toen definitief verdrongen door de gemechaniseerde industrie en de landbouw werd getroffen door de aardappel- en roggeziekte. De specifieke structuur van de landbouw in Vlaanderen leidde tot exploitatie van de boer en zijn familie maar was gunstig voor de grondrente en de pachtprijzen die aan de grondbezitters ten goede kwamen. De politieke vertegenwoordigers van de Vlaamse regio's verdedigden door de band dan ook de traditionele gecombineerde productiewijze. Dit kwam zowel tot uiting in de algemene oriëntatie van hun opties inzake economische politiek als in de reacties op de crisis van de jaren 1840.

De grootgrondbezitters ijverden voor een protectionistische commerciële politiek. Die hield de graanprijzen op peil en maakte hoge pachten mogelijk. Onder druk van de agrarische belangen werd in 1834 de 'glijdende schaal' ingevoerd (telkens als de graanprijzen onder een bepaald niveau daalden werden invoerrechten geheven). Ze werd pas opgeschort tijdens de voedselcrisis. Dit protectionisme druiste in tegen de belangen van de industriëlen die de lonen laag konden houden als de voedselprijzen niet te snel stegen. De industriële burgerij ijverde voor vrijhandel, maar pas rond 1860 kon zij haar dominantie vestigen en werd afstand genomen van de protectionistische handelspolitiek. Dit geeft een idee van het politieke gewicht van de vertegenwoordigers van het grootgrondbezit.

Tijdens de crisis van de jaren 1840 poogde de elite in Vlaanderen met alle middelen het status-quo te handhaven. Om het overleven van de traditionele linnenindustrie te waarborgen werd een Association pour le progrès de l'ancienne industrie linière opgericht waarin ook de Société Générale en Waalse industriëlen participeerden. Deze werd snel omgedoopt tot Association pour la conservation et le progrès de l'ancienne industrie linière. Parlementsleden uit Vlaanderen speelden een leidende rol in het organisme. Het doel van de vereniging

was de oude gecombineerde productiewijze zo lang mogelijk te continueren en te laten overleven naast de gemechaniseerde productiewijze. Die laatste zou niet enkel minderwaardige producten afleveren en negatieve materiële gevolgen hebben voor grootgrondbezitters en handelaars, maar tevens de traditionalistische en gepacificeerde sociale structuur van het platteland ontwrichten en leiden tot als sociaal en religieus gevaarlijk beschouwde arbeidersconcentraties in de steden. De vereniging trachtte aan de huisindustrie nieuwe impulsen te geven door de oprichting van lokale comités die probeerden de kwaliteit en de productiemethodes te verbeteren. Deze initiatieven werden door de regering betoelaagd. Tijdens de crisis verstrekte de overheid daarenboven exportsubsidies en stond ze aan de getroffen gemeentebesturen leningen toe die hen in staat stelden arbeiders aan het werk te zetten in projecten van openbare werken. Al deze maatregelen konden het verval van de huisnijverheid nauwelijks tegenhouden. Het Vlaamse platteland kwam in een zware crisis terecht die de bevolking uitdunde of tot emigratie dreef, vooral naar Noord-Frankrijk. Toch bleef de uitwijking in de eerste plaats een stedelijk fenomeen. De Vlaamse boer had er veel voor over om in zijn geboortestreek te blijven, ook al was tijdelijke emigratie (pendel) nodig om over het levensminimum te beschikken.

In dit sociaal-economisch transformatieproces heeft de V.B. geen inbreng gehad. Ze was in deze fase van haar ontwikkeling nog louter een taalbeweging die niet rekruteerde in kringen van ondernemers. Als er aan het taalvraagstuk al een sociaal-economische invulling werd gegeven bleef deze beperkt tot klachten over de oververtegenwoordiging van Franstaligen in de groeiende overheidsbureaucratie. De Gentse en Antwerpse burgerij waren daarenboven volledig geassimileerd in het dominerende Franstalige milieu en hadden geen speciale redenen om zich gediscrimineerd te voelen omwille van een taalconflict. Gent was een moderne industriële groeipool waarvan de economische belangen in de regel samenvielen met die van de Waalse nijveraars. Hetzelfde gold voor de met de Antwerpse haven gelieerde ondernemers. Deze elite was daarenboven geheel verfranst. Het Frans was de taal van de nieuwe staat, van de elite in het algemeen en een element van sociale distinctie en sociale hegemonie. Aan de andere kant was het moeilijk om taal- en sociale aspecten te koppelen, te politiseren en te vertalen in termen van een conflict waarvan de 'Vlaamse achterstelling' de kern kon vormen. De gewone Vlaamse boer of arbeider ondervond in zijn onmiddellijke werkomgeving geen directe hinder van de verfransing. In hun dagelijkse omgang bedienden de grootgrondbezitter, zijn vertegenwoordigers en de notabele zich van een Vlaams dialect. In de fabriek werden de bevelen in een voor de arbeider te verstane taal gegeven. Louter materiële bekommernissen waren nijpender en wogen zwaarder dan de taalkwestie. De lagere sociale klassen vormden geen politieke bedreiging voor de machtspositie van de elite in Vlaanderen. Van een georganiseerde arbeiders- of boerenbeweging was nog geen sprake zodat een echte 'sociale kwestie' niet aan de orde was en de emancipatie en materiële vooruitgang van de lagere sociale groepen voor de elite geen zorg moesten zijn. Sociale protestbewegingen waren doorgaans eenmalig en er werd over het algemeen op een repressieve wijze mee afgerekend.

In de tweede helft van de 19de eeuw zou zowel de economische structuur van de Vlaamse gewesten als de politiek-sociale positie van de lagere sociale klassen veranderingen ondergaan. Daardoor wijzigde ook de opstelling van de V.B. tegenover de economie.

== Naar een economische doctrine voor de V.B.== In de jaren 1890 evolueerde de V.B van een loutere taalbeweging naar een beweging met een meer omvattend nationalistisch geïnspireerd maatschappijproject. Deze ommekeer, aangeduid met de term "cultuurflamingantisme" leidde ertoe dat ook economische vraagstukken onder de aandacht werden gebracht en dat een min of meer coherente visie op de economie werd ontwikkeld die een specifieke 'sociale' inslag had. Lodewijk de Raet was de voornaamste en meest scherpzinnige exponent van deze ideologische verruiming, maar hij was niet de enige. Ook in andere kringen en organisaties van de V.B. groeide de belangstelling voor economische vraagstukken. Voor het eerst ontstond een economische pressiegroep en binnen sociale organisaties kreeg een nieuwe invulling van de Vlaamse problematiek gestalte. Het min of meer synchroon verloop van dit proces geeft aan dat het fenomeen eenzelfde maatschappelijke achtergrond had. Die is dubbel. Enerzijds was er de zich ontwikkelende industrialisering, die ten dele paste in de zogenaamde tweede industriële revolutie. Anderzijds waren er de sociale en politieke mutaties die de Belgische maatschappij doormaakte rond de eeuwwisseling en die het best kunnen worden samengevat als het ontstaan van de 'sociale kwestie'. Beide fenomenen leidden tot het ontstaan van een economische ideologie en praktijk die zich aandienden als een emancipatorische kracht voor het 'Vlaamse volk'.

De ontwikkeling van de economie in Vlaanderen kreeg in het laatste kwart van de 19de eeuw nieuwe impulsen. De landbouw kwam weliswaar in een crisis terecht door de import van goedkoop graan – vrijhandel, gunstig voor de nijverheid werd vanaf 1860 het dominante paradigma van de economische politiek – maar kende een succesvolle reconversie naar veeteelt en tuinbouw. Antwerpen en Brussel bevestigden hun rol als tertiaire groeipolen maar kenden ook een industriële ontwikkeling. De industrialisering van de Vlaamse gewesten was de meest fundamentele vernieuwing. Het industrialiseringsproces was veelvormig en het kapitaal van diverse oorsprong.

Een eerste pool van industriële ontwikkeling zette zich door langs de kanalen. Het ging vaak om polluerende ondernemingen (non-ferro) in de Kempen, maar ook op de as Antwerpen-Brussel (Willebroek) kwamen nieuwe bedrijven. Dit laatste leidde tot de ontwikkeling van de as Antwerpen-Brussel-Charleroi naast de oude Waalse as Hene-Vesder. Het kapitaal voor deze nieuwe bedrijven kwam grotendeels van de holdings, die door hun koloniale expansie over nieuwe grondstoffen konden beschikken. Bij de aanvoer ervan had Vlaanderen, door de Antwerpse haven en het kanalenstelsel, waar de overheid veel in investeerde, een comparatief voordeel tegenover Wallonië, waar de ertslagen langzaam uitgeput raakten. De koloniale grondstoffen legden de basis voor nieuwe industrietakken, bijvoorbeeld binnen de voedingsnijverheid. De Kempen waren omwille van de lage bevolkingsdichtheid interessante vestigingsplaatsen voor vervuilende activiteiten.

De tweede bron voor de industrialisering van Vlaanderen was het uitzwermen van de textielindustrie van Gent naar het omliggende platteland en kleinere centra zoals Aalst en Ronse. Hier was de achtergrond de zoektocht naar een minder georganiseerde arbeidsreserve, cruciaal in een strategie gericht op goedkope productie.

Het sterk agrarische Vlaanderen gaf ook kansen aan nijverheden die specifiek met de landbouw verbonden waren. Een voorbeeld hiervan is de West-Vlaamse familie Bekaert, die vanaf 1880 prikkeldraad fabriceerde, later ook andere draadsoorten. De omschakeling van akkerbouw naar veeteelt gaf aan dergelijke bedrijven nieuwe expansiemogelijkheden. Dat was ook het geval voor de productie van kunstmest, wat onder meer in Oost-Vlaanderen gebeurde.

De industrialisering kreeg niet enkel vorm in grote gemechaniseerde bedrijven, maar ook in kleine, minder gemechaniseerde ateliers in kleinere (stedelijke) centra of in de huisnijverheid. Daarbij was sprake van regionale specialisatie. Turnhout werd een centrum van papierbedrijven en drukkerijen. In Herentals, Lier en Izegem ontwikkelde zich de schoennijverheid. Lokeren en Sint-Niklaas werden centra voor de productie van breigoed. In de Kempen werden steenbakkerijen gevestigd langs de kanalen. Het ging om semi-gemechaniseerde bedrijven die de overgang van een agrarische naar een moderne industriële economie vormgaven. Naast deze fabrieksmatige productie bleef de huisnijverheid nog zorgen voor een aanzienlijke (aanvullende) tewerkstelling. Cijfers voor Vlaanderen zijn niet voorhanden, maar in 1910 maakte de huisnijverheid 12% uit van de totale Belgische industriële tewerkstelling. De regionale verschillen waren aanzienlijk. Oost- en West-Vlaanderen bleven het zwaartepunt. Ook in de huisnijverheid was sprake van lokale specialisatie. Zele en Lokeren legden zich bijvoorbeeld toe op vellen- en hoedenproductie. Hamme kende talrijke touwslagers. In de Antwerpse Kempen kwam de diamantnijverheid tot ontwikkeling. De tertiaire polen Antwerpen en Brussel groeiden gestaag. Antwerpen kreeg nieuwe impulsen als gevolg van de trafiek die voortvloeide uit de activiteiten van de holdings buiten het Europese vasteland. In de twee tertiaire groeipolen kwam ook de industrie tot bloei. De Antwerpse haven zorgde voor een gemakkelijke aanvoer van grondstoffen en uitvoer van (half)afgewerkte producten. Rond de eeuwwisseling vestigden zich moderne bedrijven zoals Bell (telecommunicatie) en Minerva (motoren/auto's) in Antwerpen. Voor de voedingsindustrie was de nabijheid van de haven interessant voor de import van koloniale grondstoffen. Ook de chemische nijverheid deed haar intrede. Lieven Gevaert startte een bedrijf van fotopapier, in die tijd een spitssector. De herkomst van het kapitaal voor de industrialisering van de Antwerpse regio was uiteenlopend. Zowel de holdings, buitenlandse groepen als familiebedrijven behoorden tot de investeerders. De met de havenactiviteiten nauw verbonden financiële sector (banken, verzekeringswezen) ontwikkelde zich verder. Brussel kende een sterke demografische groei en een concentratie van een bevolkingslaag met een hoog inkomen. Dit gaf kansen aan de groei van luxenijverheden. Dit fenomeen zette zich zowel door in Brussel als in de rand (leer, chemie enzovoort). In Gent, de enige Vlaamse industriestad van formaat, leidde de industrialisering tot de ontwikkeling van de tertiaire sector, maar dan wel op een bijzondere wijze. Onder impuls van Edward Anseele was de Gentse sociaal-democratie begonnen met de opbouw van een eigen industriële sector, vooral in de textiel, maar ook in de visserij en bakkerij. Het geheel werd financieel overkoepeld door de socialistische Bank van den Arbeid.

In het bovenstaande overzicht werd de nadruk gelegd op lokalisatiefactoren voor de industrialisering. Ze bieden slechts een gedeeltelijke verklaring. Het sterk agrarische Vlaanderen bood vanuit het oogpunt van de productiekosten interessante perspectieven. Buiten Gent was er omzeggens geen arbeidersbeweging, die zoals in Wallonië verzet bood tegen lage lonen, lange werktijden en flexibilisering van de productie. Daarenboven trad in de loop van de 19de eeuw in bepaalde streken het fenomeen op van de 'verzakking' van de traditionele op de landbouw gebaseerde productiestructuur (polarisering en verarming). Dit desintegratieproces dwong de boer ertoe buiten de landbouw extra inkomen te zoeken. Tot een volledige breuk met de agrarische activiteit kwam het meestal niet. Dit liet aan de ondernemers toe lagere lonen te betalen omdat de arbeiders een deel van de kost van hun levensonderhoud zelfstandig opbrachten. De agrarische depressie van het einde van de 19de eeuw gaf de landbouw een nieuwe klap. Ze herstelde relatief goed door de omschakeling van graanbouw naar veeteelt en tuinbouw en een verder doorgezette combinatie met agrarische of industriële loonarbeid, vaak in de vorm van pendel. Deze werd mogelijk gemaakt door de uitbouw van een dicht spoorwegennet aangevuld met buurtspoorwegen die eveneens zorgden voor een gemakkelijker afzet van landbouwproducten en de agrarische sector meer marktgericht maakte.

Terwijl Vlaanderen zich industrieel begon te ontwikkelen, werden in de Waalse economie de eerste tekenen van stagnatie merkbaar. Dit was vooral het geval in de steenkoolmijnen, waar de productie afnam. Gelijktijdig werden in Limburg rijke kolenaders ontdekt en bereidden Franse en Belgische groepen zich voor op de exploitatie ervan. Zoals we eerder al vaststelden was een aanzienlijk deel van het kapitaal waarmee Vlaanderen werd geïndustrialiseerd afkomstig van de holdings. Deze verschuivingen vormden de achtergrond voor de ontwikkeling van een economische doctrine binnen de V.B. De positieve kanten ervan werden onderkend, maar tegelijk werd de nieuwe ontwikkeling geproblematiseerd. Ze hadden een taalpolitieke en een sociale achtergrond, zoals blijkt uit de geschriften van Lodewijk de Raet.

Lodewijk de Raet: een Nederlandstalige elite als motor van de sociale integratie van het Vlaamse volk

Lodewijk de Raet heeft binnen de V.B. vooral naam gemaakt met zijn pleidooien voor de vernederlandsing van de Rijksuniversiteit van Gent (RUG). Hij wou deze eis een breed fundament geven door haar te verbinden met de economische en sociale ontwikkeling van Vlaanderen. De analyses van De Raet, die voortbouwden op Julius Mac Leod, pasten in een nationalistische 'rassentheorie' maar waren tegelijk modern, in die zin dat hij de mogelijkheid zag om de levensstandaard van de werknemers te verhogen door de productiviteit op te drijven en af te stappen van de dominantie van de export van halffabrikaten met een lage toegevoegde waarde. Dat kon enkel door de scholingsgraad van de arbeidskracht te verhogen. Dat was de bestaansreden voor de vernederlandsing van de RUG, ook en vooral van de ingenieursopleiding en van een uitgebreid technisch onderwijs. Betere scholing kon voorkomen dat de Vlaamse arbeiders uitsluitend ongeschoold werk moesten blijven verrichten, zoals tot dan toe het geval was.

Technisch onderwijs was eveneens noodzakelijk voor de opleiding van Nederlandstalige lagere kaders. Als die niet voorhanden waren, zouden ze gerekruteerd worden in de Waalse nijverheid, wat gevaar voor verdere verfransing van Vlaanderen met zich meebracht. De op stapel staande exploitatie van de Limburgse mijnen maakte de kwestie acuut.

Meer nog dan het technisch onderwijs was de vernederlandsing van de RUG noodzakelijk. Hiervoor werden twee types argumenten naar voren geschoven. Nederlandstalig technisch onderwijs, gegeven door ingenieurs, was een dam tegen de verfransing en noodzakelijk voor de verdere ontwikkeling van de Vlaamse economie.

De tweede reden die De Raet zeer sterk benadrukte was de sociale vrede. Behalve technische competentie moesten de sociale vaardigheden van de ingenieur worden aangescherpt. Het verzekeren van de sociale pacificatie was even belangrijk voor Vlaanderens welvaart als economische groei. "Overwegende dat er groot gevaar voor den socialen vrede bestaat de ontwikkelde klassen, van den Vlaamsch-sprekende massa meer en meer te scheiden, door het geven van onderricht in het Fransch." In de conceptie van De Raet werd taal en sociaal-economische problematiek op een specifieke wijze gekoppeld: elitair en klassenverzoenend. De middeleeuwse corporaties werden als voorbeeld gesteld. De Raets sociale opvattingen kaderden in zijn nationalistische economische denkbeelden en analyses. Hij ging ervan uit dat de 'rassen' in een voortdurende strijd waren gewikkeld om de economische heerschappij. De volkeren dienden zich "sterk in (te) richten op verstandelijk gebied wil het zijn vijanden in den struggle for life van natie tot natie weerstaan". In de Belgische context speelde de strijd zich af tussen Vlamingen en Walen. De Vlamingen dienden zich onder leiding van een economische elite (captains of industry) op te maken voor de strijd om de economische heerschappij in de Belgische staat. Die strijd kon enkel worden gewonnen als er een einde kwam aan de emigratie van Vlaamse arbeiders. Ze moesten blijven werken in eigen streek, geleid door een Vlaamse elite van 'sociale ingenieurs'.

De opvattingen van De Raet zijn een mengeling van traditionalistische en moderne analyses. Ze pasten volkomen in de toen heersende opvattingen. De Raet behaalde naast zijn ingenieursdiploma ook een doctoraat in de economische en sociale wetenschappen aan het Institut de Sociologie van de Université libre de Bruxelles, geleid door Emile Waxweiler. De economische analyses die er opgeld maakten lagen niet in de lijn van het klassieke liberalisme, dat het individu als uitgangspunt nam, maar werden beïnvloed door de denkbeelden van de vooral Duits geïnspireerde historische economische school (B. Hildebrand, W. Roscher, G. von Schmoller, K. Bücher). Die meende dat niet alleen het individueel belang maar ook gemeenschapszin drijfveren waren van de menselijke activiteit. De adepten van de economische school gaven bestaansreden aan de natie als historische analyse-eenheid. Elke natie had specifieke, historisch bepaalde kenmerken. Dit gedachtegoed had eerder al Emile V. de Laveleye beïnvloed, voor wie De Raet veel bewondering had. De Laveleye had de Belgische landbouw bestudeerd zonder er een afgeronde politiek-economische doctrine aan te koppelen, wat De Raet wel deed.

De Raets ideeën kunnen evenwel niet alleen worden teruggevoerd tot zijn persoonlijke antecedenten aan het Institut de Sociologie. Ze kaderden in bredere politiek-maatschappelijke verschuivingen waarvan het Institut de Sociologie zelf een uitvloeisel was en waarop het tevens ook een antwoord gaf. De Raets economische denkbeelden pasten in twee nauw verbonden evoluties: de politieke democratisering die met de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht (1894) haar voorlopig eindpunt had bereikt en het ontstaan van een 'sociale kwestie'.

De socialistische arbeidersbeweging werd in het laatste kwart van de 19de eeuw een sociaal-politieke kracht. De in 1885 opgerichte Belgische Werkliedenpartij (BWP) concentreerde zich op de verovering van het algemeen stemrecht, een eis die met algemene stakingen werd ondersteund, en op een directe lotsverbetering voor de arbeiders. Deze eisen kregen een krachtige impuls na de stakingsgolf van 1886, die van de 'sociale kwestie' een politiek strijdpunt maakte. Het zou een strijdpunt blijven, zeker na de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht (1894). Zowel de staat als de maatschappelijke elites namen initiatieven om de arbeidersklasse te encadreren en stap voor stap hun integratie in het politieke en sociale systeem voor te bereiden.

De actie van de staat was aanvankelijk gericht op sociale wetgeving en studiewerk. Na de parlementaire onderzoekscommissie werden het Arbeidsambt en het ministerie van arbeid opgericht. De Raet was er ambtenaar van 1896 tot aan zijn dood.

In deze nieuwe socio-politieke context was de bovengeschetste economische ontwikkeling van Vlaanderen een potentieel gevaar omdat een proletariaat zou ontstaan dat de socialistische ideeën zou aanhangen, wat door de elite als bedreigend werd aangevoeld. De landbouwcrisis zou dit proletariseringsproces nog versterken als er geen tegentendensen in werking werden gesteld. Het feit dat deze groep door het algemeen meervoudig stemrecht politieke macht kon verwerven, maakte dat er een 'probleem' ontstond, waar een deel van de Vlaamse elites op reageerde door te trachten deze groep te leiden en haar in te passen in een maatschappijmodel gebaseerd op klassenverzoening en -samenwerking. De Raet was hiervan een exponent. Hij was echter in de eerste plaats een denker, die de oplossing zag in de vorming van een klasse van Vlaamse 'sociale ingenieurs', een idee dat ook aan het Institut de Sociologie opgang maakte en in de fabrieken van haar geldschieter E. Solvay in de praktijk werd toegepast. De Raet was echter niet de enige die een klassenintegrerend antwoord voorstond op de economische mutaties op het einde van de 19de eeuw. Een deel van de katholieke elite dacht er net zo over en poogde het 'Vlaamse' en het 'sociale' op een specifieke manier te koppelen. Dat was, zij het met verschillende nuances, het geval bij de Boerenbond, het daensisme en de christen-democratie.

Het daensisme wordt vooral geassocieerd met het latere centrum van de partij, de textielstad Aalst. Toch was het niet in de eerste plaats een arbeidersbeweging. Het daensisme vond zijn aanhang bij kleine boeren, middenstanders en pendelaars (onder anderen Fransmannen) op het Zuid-Oost-Vlaamse platteland. De leiding was in handen van lokale elites (onderwijzers, kleine ondernemers). De hoofdbekommernis was aanvankelijk de strijd tegen het socialisme. Deze strijd kon enkel worden gewonnen als de taalkloof tussen de elite en het gewone volk werd gedicht, zodat de elite het volk leiding kon geven en omkaderen in een taal die het verstond. Alleen op die manier kon de sociale pacificatie gewaarborgd blijven. Het programma van de daensisten benadrukte sterk de verdediging van de belangen van het platteland. Men vond dat de stad deze belangen miskende. Deze strategie sloeg echter niet aan bij de traditionele leiders van de katholieke partij, waardoor de beweging radicaliseerde en uiteindelijk een marginale politieke kracht werd.

Anders verging het de Boerenbond en diens financieel-economische werken. Deze zagen het licht tijdens de agrarische depressie. De Boerenbond stichtte niet alleen op corporatistische leest geschoeide gilden, maar nam ook initiatieven in de richting van veeverzekeringen, landbouwkrediet, perfectionering van teeltmethodes (landbouwonderwijs en zaadveredeling) en moedigde samenaankoop, vooral van kunstmest, aan. Tegenover de katholieke regering trad de Boerenbond op als drukkingsgroep, maar men slaagde er niet in een algehele protectionistische landbouwpolitiek af te dwingen. Dat zou immers ten nadele zijn van de industriële belangen. De regering was wel te bewegen tot beschermende maatregelen ten voordele van de veeteelt en ondersteunde op die manier de reconversie van de landbouw. Met de hulp van de Boerenbond die kon rekenen op een welwillende katholieke regering werd de landbouw in Vlaanderen gemoderniseerd en meer marktgericht. De kleine boer kon zijn activiteit voortzetten, meestal in combinatie met loonarbeid. Een goed uitgebouwd spoorwegen- en buurtspoorwegennet zorgde ervoor dat de Vlaamse boer in zijn dorp kon blijven wonen en naar de industrie kon pendelen. Op die manier bleef de sociale controle verzekerd. De spaarkassen volgens het systeem Raiffeisen mobiliseerden de reserves van het Vlaamse platteland en droegen op die manier bij tot de vorming van een Vlaamse financiële sector die pas na de Eerste Wereldoorlog een hoge vlucht nam.

Dezelfde fundamenteel corporatistische ideologie kenmerkte de christen-democratie. Daar werd de band gelegd tussen de verzuchtingen van de lagere sociale klassen (ruimer dan alleen de arbeiders) en een elite, die behoorde tot de middengroepen, die zich aandiende als representant van het Vlaamse volk en het volk tegelijk politiek en sociaal omkaderde. Het 'Vlaamse belang' werd daarbij aangewend als mobilisatiethema. Het Vlaamse werd gekoppeld aan het sociale. Dit gebeurde onder meer door het naar voren schuiven van eisen inzake sociale wetgeving, wat de oudere generatie katholieke flaminganten had nagelaten. Deze beweging kreeg nieuwe impulsen door de strijd voor het algemeen stemrecht.

Hoewel de vervlechting tussen het Vlaamse en het sociaal-economische zeker geen exclusieve katholieke aangelegendheid was – ook de BWP had Vlaamsgezinden en De Raet was een vrijzinnig liberaal – slaagde de koppeling bij de katholieken in de praktijk het best. Uit het onderzoek dat daarover werd verricht kunnen de volgende verklaringselementen worden aangestipt. Twee tendensen werkten wederzijds op elkaar in. Enerzijds was er het klassenintegrerend karakter van de katholieke sociaal-economische ideologie. Het fundament daarvan was de samenwerking tussen elite en lagere sociale klassen. Anderzijds kon die ideologie enkel met succes worden toegepast als de sociale relaties niet te scherp gepolariseerd waren. Dat was het geval in Vlaanderen waar, anders dan in Wallonië, de industrialisering geleidelijker gebeurde. Bovendien had deze industrialisering een minder grootschalig karakter en was de band met de agrarische structuur en de sociale hiërarchie van het platteland niet geheel verloren gegaan. Er was veel minder dan in Wallonië sprake van een proletarische concentratie in grote steden. De Vlaamse arbeider pendelde dagelijks of emigreerde tijdelijk voor een langere periode. Het proletariseringsproces verliep trager en geleidelijker. De onderneming waar de Vlaamse arbeider werkte was door de band ook kleinschaliger dan de grote Waalse fabrieken en mijnen. Daardoor was de persoonlijke band met de ondernemer nog aanwezig. Ten slotte was op het Vlaamse platteland de impact van de katholieke Kerk nog sterk. In die context kon nog met succes worden ingegrepen in het proletariseringsproces en kon het worden omgebogen in de door de katholieken vooropgestelde klassenintegrerende richting. Daarvoor was er echter een elite nodig die de volkstaal sprak en was een vertaling van sociaal-economische problemen en tegenstellingen in Vlaamse termen functioneel.

De tactiek was echter niet universeel toepasbaar. De lagen waarin de christen-democratie rekruteerde maken dat duidelijk. Haar aanhang moet overwegend worden gezocht binnen een specifieke laag van de arbeidersklasse. Het ging om loontrekkers uit kleine bedrijven, ambachtelijke sectoren en pendelaars. Deze laatste groep werd op een zeer tastbare wijze met de verfransing geconfronteerd.

Ook vergelijking tussen de opstelling van de Gentse en Antwerpse BWP-federatie wijst op de beperkingen van de klassenintegrerende aanpak. In Gent waren de sociale scheidingslijnen zeer duidelijk afgetekend. De Franssprekende katoenbaronnen stonden tegenover een proletariaat van laaggeschoolden en laagbetaalden, tewerkgesteld in grote fabrieken. In de Antwerpse federatie hadden de veelal beter betaalde metaalbewerkers en diamantarbeiders die dichter bij de traditioneel Vlaamsgezinde kleinburgerij stonden, veel meer invloed.

De toenemende aandacht binnen de V.B. voor economische kwesties uitte zich niet enkel op ideologisch vlak. Ze had ook organisatorische activiteit tot gevolg. In 1908 werd het Vlaamsch Handelsverbond opgericht door Leo Meert, Hippoliet Meert, De Raet, N. Orlay en Joris Fassotte. De vereniging kwam tot stand in Antwerpen en werd geleid door Lieven Gevaert. L. Meert, die het initiatief nam was een handelaar en beheerde een breigoedfabriek. Het oorspronkelijke doel van de vereniging was de vernederlandsing van het bedrijfsleven. In 1909 werden de statuten aangepast en nam de vereniging zich voor te ijveren voor de verdediging van de materiële belangen van het Vlaamse volk. Daarmee plaatste ze zich in de ideologische lijn van de economische denkers binnen de V.B. die hun optreden legitimeerden in naam van het hele Vlaamse volk. Tekenend is ook dat de vereniging zichzelf presenteerde als een organisatie van handelaren en niet als spreekbuis van de Vlaamse ondernemersgroep. Dit was niet enkel toe te schrijven aan het feit dat Meert een handelaar was en dat de oorsprong van het verbond in Antwerpen lag. Het weerspiegelde de realiteit van de economische ontwikkeling in Vlaanderen. De industrialisering gebeurde door uiteenlopende kapitaalgroepen. Van een echte Vlaamse burgerij die sterk genoeg was om een specifiek Vlaams eisenpakket naar voren te schuiven was nog geen sprake. Die evolutie kwam pas tijdens het interbellum op gang.

== Naar een heterogene 'Vlaamse burgerij' tijdens het interbellum== Net zoals voor de politieke ontwikkeling van de V.B. is de Eerste Wereldoorlog voor de economische actie van de V.B. een breekpunt geweest. Enkele leiders van het Vlaamsch Handelsverbond hadden zich gecompromitteerd met het activisme, (niet Lieven Gevaert die in Nederland verbleef) zodat het organisatiewerk van voren af aan moest beginnen. In 1926 werd het Vlaams Economisch Verbond (VEV) opgericht, niet langer een commerciële vereniging, maar een organisatie die zich aandiende als een brede economische belangengroep. Deze verbreding was symptomatisch voor een nieuwe evolutie die zich tijdens het interbellum aftekende: de vorming van een Vlaamse burgerij die haar wortels in de industrie en het financiewezen had en die als een aparte groep optrad, naast en tegen de holdingbourgeoisie. Die profilering had zowel organisatorische als ideologische uitingen, die uiteenlopende vormen aannamen. Zo zagen niet alle ondernemers in Vlaanderen zich als een onderdeel van de Vlaamse burgerij en integreerden zij zich in het door de holdings gedomineerde Belgische economisch-sociale systeem. Zoals in de jaren 1890 zijn deze processen het resultaat van een combinatie van 'zuiver' economische verschuivingen en maatschappelijk-politieke evoluties.

De industriële ontwikkeling van de Vlaamse regio's, begonnen aan het einde van de 19de eeuw, zette zich na de Eerste Wereldoorlog door. Tegelijk verloor de industrie in Wallonië terrein zodat in 1937 Vlaanderen ongeveer evenveel industriearbeiders telde als Wallonië. De industrialisering bouwde verder op de patronen van het einde van de vorige eeuw. In de Kempen zetten de holdings hun politiek van inplanting van sterk vervuilende bedrijven verder (bijvoorbeeld in Olen). Deze evolutie werd in de hand gewerkt door de toenemende belangen van de Generale in Kongo, dat meer grondstoffen bleek te herbergen dan aanvankelijk was gedacht. De vestiging van fabrieken nabij de havens en de kanalen nam toe in het verlengde van de maritimisering van de nijverheid. Chemie en papiernijverheid vestigden zich dicht bij het kanaal Gent-Terneuzen. De autoassemblage zocht de nabijheid van de Antwerpse haven (Ford, General Motors) of vestigde zich langs de as Antwerpen-Brussel-Charleroi die nu volop tot ontwikkeling kwam (Renault Vilvoorde). De nijverheden die er werden ingeplant waren zeer divers. Graanmolens stonden naast scheikundige bedrijven en scheepswerven.

De lokalisatiefactor speelde vanzelfsprekend ook voor nijverheden die waren aangewezen op de aanwezigheid van delfstoffen. Dat gold in de eerste plaats voor de Limburgse mijnen, waarvan de eerste (Waterschei) in 1917 kolen leverde. De exploitatie kwam pas goed op dreef in de crisisjaren 1930. De Limburgse mijnen produceerden meer dan de Waalse en waren meestal veel rendabeler. De hoop van vele Vlaamsgezinden dat de mijnen zouden leiden tot een brede industrialisatiebeweging werd echter niet bewaarheid. Het kapitaal daarvoor zou immers moeten komen van de holdings. Die waren tijdens de depressie niet geneigd een nieuwe productiecapaciteit op te bouwen. Dat zou ten koste gaan van de investeringen die in Wallonië waren gedaan door dezelfde kapitaalsgroepen. In 1939 werd het Albertkanaal opengesteld zodat het hele Kempens steenkolenbekken rechtstreeks verbonden werd met het Luikse industriegebied.

In Mol werd in 1921, met kapitaal van E. Solvay, een glasfabriek opgericht. Zand, grondstof voor de aanmaak van glas, was in de ondergrond aanwezig terwijl de uitputting van de Waalse koolmijnen het comparatieve kostenvoordeel van de brandstof in Charleroi meer en meer tenietdeed. Ook elders in de Kempen (Lommel, Herentals) kwam de glasindustrie tot ontwikkeling.

Ondanks de investeringen in grote complexen bleven kleine ondernemingen in Vlaanderen een doorslaggevende rol spelen. De veralgemening van de elektriciteit maakte ook daar een verdere mechanisering mogelijk. In Oost- en West-Vlaanderen groeide de textielindustrie, gedragen door familiale bedrijven, verder.

De verspreiding van de nijverheid mag niet doen vergeten dat Vlaanderen sterk agrarisch bleef. Naast boeren die zich enkel op de landbouw toelegden was er ook de groep van industriearbeiders die naast fabriekswerk nog een kleine hoeve uitbaatte. De landbouw ondervond de weerslag van de crisis van de jaren 1930 maar heeft zich tijdens de jaren 1920 goed kunnen handhaven door een doorgedreven mechanisering en het veralgemeend gebruik van kunstmest. Deze ontwikkeling had een positief effect voor het door de Boerenbond gepatroneerde landbouwspaarwezen, dat al sedert het einde van de 19de eeuw niet alleen de deposito's van de boeren aantrok, maar van de hele plattelandsbevolking.

Dit brengt ons bij de voornaamste economische vernieuwing in de tussenoorlogse periode: de groei van een zelfstandige Vlaamse financiële sector. Die bestond uit twee pijlers waarvan slechts één de crisis overleefde. De socialistische Bank van den Arbeid, die in de Gentse federatie van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) verankerd was, trad op als geldschieter voor socialistische ondernemingen. Zonder zich expliciet als 'Vlaams' te profileren droeg ze bij tot de economische ontwikkeling van de Vlaamse regio's. Op lange termijn belangrijker waren de zich als Vlaamsgezind aandienende katholieke financiële groepen, waarvan Leuven en Kortrijk de kernen vormden. In Kortrijk bestond de Bank voor Handel en Nijverheid. In Leuven waren de Volksbank en de Algemene Bankvereniging actief. De Middenkredietkas van de Boerenbond had een grote invloed in beide banken. De fusie van de Volksbank en Algemene Bankvereniging in 1928 gaf de groep meer armslag en versterkte de greep van de Middenkredietkas en de Bank voor Handel en Nijverheid. De fusieoperatie liep parallel met de concentratiebeweging die de hele banksector kenmerkte. Deze financiële structuur vergemakkelijkte de ontwikkeling van de Vlaamse industrie, vooral de textielnijverheid in Oost- en West-Vlaanderen, die overwegend in handen was van familiekapitaal. De katholieke banken groeiden immers uit tot gemengde banken, met industriële participaties zoals de Franstalige concurrenten. De Vlaamse kredietsector kwam in de jaren 1930 in een crisis terecht. De Bank van den Arbeid overleefde deze crisis niet. Op de overblijfselen van de Algemene Bankvereniging werd, met medewerking van de grootbanken, die een algemene financiële crisis vreesden, de Kredietbank gesticht.

Lokalisatiefactoren waren niet de enige verklaring voor de industrialisering van het noorden van het land. Vlaanderen kende een sterkere demografische groei dan Wallonië zodat de arbeidsreserve groot bleef, wat resulteerde in een neerwaartse druk op de lonen. Ze lagen 25 tot 30% lager dan in Wallonië. Bovendien had de arbeidersbeweging in Vlaanderen nog een ontwikkelingsachterstand tegenover de Waalse, die zich in bepaalde sectoren zoals de mijnen militant opstelde. Ook dat droeg bij tot een lager loonniveau.

De economische ontwikkeling, die voor een groot deel totstandkwam met buitenlands- en holdingkapitaal, leidde tot het ontstaan van een nieuwe burgerij, waarvan een fractie zich als Vlaams profileerde. Deze burgerij diende zich aan als concurrent van de holdingbourgeoisie en de unitaire patronale organisaties, die vooral steunden op de Waalse zware industrie. De Vlaamse burgerij in haar geheel had met de holdings echter een ambigue relatie en de autonomistische vleugel was niet in staat zich op te werpen als volwaardige tegenspeler. Ze was immers nog steeds aangewezen op de steun van de Belgische financieel-economische elite, zoals bleek uit de redding van de Vlaamse katholieke financiële sector. De verwevenheid oversteeg crisismomenten. Ondanks de groei van de industrie in Vlaanderen met familiekapitaal of geld van de Vlaamse financiële sector was het aandeel van de holdings in de industrialisering van Vlaanderen nog aanzienlijk. In 1920 was 46% van de Belgische investeringen van de Société Générale in Vlaanderen gelokaliseerd. Dit betekende dat zich tegelijk met de economische ontwikkeling van Vlaanderen, fundament voor de opkomst van een Vlaamse burgerij, een economische eenmaking van de Belgische economie door de integratie van de Vlaamse economie in de Belgische voltrok, zodat het overwicht van de Waalse groeipolen dat dateerde van de eerste industriële omwenteling werd aangetast. Dit integratieproces uitte zich in de ontwikkeling van de as Antwerpen-Brussel-Charleroi en de verdere groei van de Antwerpse haven, die van oudsher een 'nationale' roeping had. Dit leidde ertoe dat er geen Vlaamse burgerij totstandkwam die zich kon manifesteren als de spreekbuis van alle ondernemers in Vlaanderen, precies omwille van het fenomeen van de Belgische integratie. Een deel van de burgerij in Vlaanderen zocht aansluiting bij de Belgische bourgeoisie, wat niet belette dat zij Vlaamse accenten kon leggen. De stand van het onderzoek laat enkel toe deze tendensen op een exemplarische wijze te duiden aan de hand van enkele weliswaar representatieve voorbeelden van individuen en organisaties.

Het VEV was de voornaamste representant van de groep die zich opwierp als de verdediger van de als specifiek Vlaams gedefinieerde economische belangen. Deze doelstelling was veel breder dan de vernederlandsing van het bedrijfsleven, hoewel daar veel aandacht bleef naar uitgaan. Bij haar poging te kunnen optreden als enige vertegenwoordiger van de Vlaamse economische belangen stelde het VEV zich pluralistisch op. Zowel minimalisten als maximalisten waren welkom. Naast katholieken zoals voorzitter Gevaert en Gustaaf Sap speelden ook liberalen (Arthur Vanderpoorten, Julius Hoste (jr.)), sporadisch zelfs socialisten (R. Miry) in de organisatie een rol. De brede politieke profilering ging gepaard met een weinig kieskeurige rekruteringspolitiek. Naast industriëlen werd ook geworven bij middenstanders en winkeliers, omdat zij als cruciaal werden beschouwd bij de beperking van de verfransing. In de jaren 1930 toen het VEV in een strijd om de representativiteit met het unitaire Comité Central Industriel (CCI) was gewikkeld, werd ook op dat punt een minder strak standpunt ingenomen. Om het rekruteringsveld uit te breiden konden ook in Vlaanderen gevestigde ondernemingen die het niet zo nauw namen met het gebruik van het Nederlands toetreden. Dit alles kon niet verhinderen dat het VEV er niet in slaagde zich op te werpen als representatieve organisatie van de economie in Vlaanderen en voor een deel een middenstandsorganisatie bleef. De beste illustratie hiervan is de mislukte poging om sectorale organisaties op te richten naar het voorbeeld van het CCI. Van de bijna 60 die er bestonden was slechts één representatief, de Franstalige AGTB (Association des Groupements Textiles de Belgique).

De expansie van het VEV stootte op drie hinderpalen. De spreiding van de investeringen van 'Vlaams' en 'vreemd' kapitaal was zodanig dat alleen in Antwerpen en West-Vlaanderen een groot potentieel bestond van familiaal georiënteerde Vlaamse ondernemers. Beide polen waren niet toevallig de zwaartepunten van de VEV-werking en -leiding (Gevaert, later Boudewijn Steverlynck). Tweede hinderpaal was de niet-eenduidige identificatie van de Vlaamse ondernemers. De groep van Vlaamsvoelenden was wellicht groter dan de ledenaantallen van het VEV laten vermoeden. Ondernemers bepalen hun positie echter niet enkel aan de hand van hun verhouding met 'het Vlaamse'. Ook andere elementen determineren hun maatschappelijk-politieke opstelling. Voor de ondernemers was dat hun sociaal-economische belangenverdediging, die ze kennelijk beter gewaarborgd achtten door het CCI dan door het VEV. Derde hinderpaal was het heterogene karakter van de economie in Vlaanderen, waardoor het moeilijk was zich op te werpen als exclusieve spreekbuis van de Vlaamse economische belangen. De voortdurende spanningen tussen voorstanders van het protectionisme en van vrijhandel in de schoot van het VEV zijn daarvan een uiting.

Waar Gevaert model kan staan voor de autonome Vlaamse burgerij is Léon Bekaert de representant van die groep Vlaamse ondernemers die binnen de politieke en sociale structuren van de unitaire staat hun weg vonden, zelfs tot de top ervan doordrongen. Die integratie nam in het geval van Bekaert uiteenlopende vormen aan. Hij vond voor zijn onderneming allianties in de Waalse zware nijverheid (Ougrée) en werd opgenomen in de Bankcommissie. Later zou hij een vooraanstaande rol spelen in de sectorale organisatie van de metaalconstructie (Fabrimetal) en in het Verbond der Belgische Nijverheid (VBN). Zijn oorspronkelijke organisatiebasis was het katholieke patronaat dat zich in de jaren 1920 organiseerde op ideologische basis: (Landelijk) Algemeen Christelijk Verbond van Werkgevers (L)ACVW.

Bekaert bleef ook nauw verbonden met de katholieke partij (hij financierde in de jaren 1930 onder meer De Courant, het blad van de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (°1936)) en dat was ook het geval voor vele vertegenwoordigers van de burgerij in Vlaanderen. De achtergrond hiervan is onder meer de sterke inbreng van de Boerenbond in het ontstaan van een eigen Vlaams financiewezen. De katholieke partij had zich na de Eerste Wereldoorlog omgevormd tot een standenpartij en bood het beste kader voor een groep die zich wou opwerpen als vertegenwoordiger van de burgerij in Vlaanderen. De partij wilde die groep meer gewicht geven door haar, zoals op het einde van de 19de eeuw, te voorzien van een klassenverzoenende ideologie. Deze was aanvankelijk impliciet, in de jaren 1930 meer en meer expliciet corporatistisch van aard. Het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) had weinig aandacht voor economische vraagstukken. Er werden pogingen in die richting ondernomen, onder meer met Arbeidsorde, maar het succes bleef beperkt. Het VNV had daarenboven veel minder macht dan de katholieke partij en had in zijn schoot geen georganiseerde arbeidersbeweging die aan de klassenverzoenende ideologie van de Vlaamse burgerij een legitimerings- en massabasis kon verschaffen en het industrialisatieproces op een klassenintegrerende manier kon omkaderen. Elementen van politieke, ideologische en sociale aard, die in het verlengde lagen van evoluties die al op het einde van de 19de eeuw aan de orde waren, maakten dat dit proces zich met succes kon voltrekken na de Eerste Wereldoorlog.

De invoering van het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht in 1919 luidde het einde in van de machtspositie van de francofone bourgeoisie en gaf binnen de katholieke standenpartij meer armslag aan de vertegenwoordigers van de Vlaamse burgerij, met Frans van Cauwelaert als meest bekende figuur. Hij rekende erop dat het algemeen enkelvoudig stemrecht op termijn zou leiden tot de politieke suprematie van het demografisch sterk groeiende en cultureel geëmancipeerde Vlaanderen. Deze strategie impliceerde dat diende te worden samengewerkt met en gesteund op de Vlaamse arbeiders. Hier was de katholieke burgerij goed geplaatst omdat ze een rechtstreekse ideologische en structurele band had met de christelijke arbeidersbeweging die zich openstelde voor Vlaamse eisen. De factoren die ervoor zorgden dat de christelijke arbeidersbeweging op het einde van de 19de eeuw een betere uitgangspositie had dan de socialistische bij het in goede banen leiden van het proletariseringsproces werden na de Eerste Wereldoorlog nog versterkt.

De (partiële) transformatie van de kleine Vlaamse boer tot loonarbeider was op het einde van de 19de eeuw succesvol omkaderd door de Boerenbond. Die organiseerde de Vlaamse boer en maakte hem vertrouwd met een ideologisch complex waarvan eigendom en de samenwerking tussen de klassen de kern vormden. Hiermee was de basis gelegd voor het ontstaan van fabrieksarbeiders die konden worden geïntegreerd in een gemoderniseerd klassenintegrerend sociaal model dat door de christelijke arbeidersbeweging werd voorgestaan. Na de Eerste Wereldoorlog kon het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW) op die basis voortbouwen.

De christelijke arbeidersbeweging was op haar beurt versterkt na de Eerste Wereldoorlog, zowel structureel als politiek onder invloed van de politieke en sociale democratisering. De vakbeweging werd in de sleutelsectoren door de patroons erkend als gesprekspartner en de staat subsidieerde de door de vakbonden georganiseerde werklozenverzekering. Dit opende een nieuw terrein voor de omkadering van de arbeiders. Zuiver politiek gaf het algemeen stemrecht meer gewicht aan het ACW binnen de katholieke standenpartij. De christelijke arbeidersbeweging zocht aansluiting bij die strekkingen binnen het burgerlijke kamp die openstonden voor de democratisering, temeer daar het voor die groepen interessant was zich op een brede achterban te beroepen in hun machtsstrijd met de traditionele Franstalige elites.

Een ander verklaringselement voor de ontwikkeling van een klassenverzoenende ideologie binnen de V.B. is de opstelling van een deel van de ondernemersgroep in Vlaanderen. Bedrijven waren vaak niet alleen kleinschaliger, ze werden geleid door een 'autochtoon' en autonoom patronaat (familiebezit), waardoor zich gemakkelijker paternalistische klassenverzoenende sociale relaties konden ontwikkelen. Er zijn indicaties dat dit het ontstaan gaf aan lokale sociaal-politieke netwerken rond de persoon van de bedrijfsleider. Dit resulteerde in mechanismen van sociale controle, die de arbeidsmarkt en de arbeidsverhoudingen op een specifieke wijze vormgaven. Gevaert zocht zijn werknemers bij voorkeur in katholieke en flamingantische kringen. Bekaert was behalve ondernemer ook burgemeester van Zwevegem. Hij cumuleerde economische met lokale politieke macht. In Breendonk deed brouwer Moortgat hetzelfde. Het integratiemodel werd ook in de hand gewerkt door de opstelling van de ondernemers tegenover de arbeiders. In Vlaanderen was het patronaat in een aantal gevallen meer tegemoetkomend dan in Wallonië. Tekenend is de verschillende opstelling van de katholieke patroonsorganisaties tegenover de vakbonden in de jaren 1920. In Vlaanderen was samenwerking het ordewoord, terwijl in Wallonië gekozen werd voor confrontatie.

Deze constellatie zorgde ervoor dat in de katholieke zuil de tegenstellingen tussen de verschillende sociaal-economische groepen niet scherp waren afgelijnd. Een voorbeeld hiervan op het niveau van de elites is Philip van Isacker. Hij was een Vlaamsgezind intellectueel die werd verkozen met de steun van de christelijke arbeidersbeweging. Hij was tegelijk een vooraanstaand bestuurder van het VEV. De christelijke arbeidersbeweging beschouwde hem als een van haar vertrouwenslieden in de regering.

Die symbiose werd in de jaren 1930 nog versterkt door de aantrekkingskracht van het corporatisme. Het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) werkte hierover een coherent programma uit en zocht voor de uitwerking van een politiek haalbaar voorstel dienaangaande aansluiting bij het ACVW, hoewel het corporatisme dat deze organisatie voorstond op punten onverenigbaar was met het ACV-programma.

In de loop van de jaren 1930 werd binnen de V.B. gewerkt aan een coherente economische doctrine. Dit gebeurde op een systematische wijze door Leuvense economisten, in de eerste plaats de jonge Gaston Eyskens, maar ook diens leerling Karel Pinxten. Beiden grepen terug naar Lodewijk de Raet, maar bij Eyskens was er sprake van ideologische vernieuwing. Net zoals De Raet zag Eyskens in de industrialisering van Vlaanderen gevaren voor verfransing en voor "de zedelijke en culturele gaafheid van Vlaanderen". Uit een passage over de evolutie van de landbouw in Vlaanderen kan worden afgeleid dat deze vage omschrijving verwees naar een problematiek die ook bij De Raet centraal stond, de klassenintegratie: "Zij (de V.B.) heeft in den landbouw een dam opgeworpen tegen infiltratie van vervreemding en ontaarding en ons de landelijke bevolking gelaten als homogene groep." Dit integratieproces moest meer dan ooit worden voortgezet onder leiding van een Vlaamse elite.

Nieuw bij Eyskens, maar in de lijn van de verschuivingen die zich aan het voltrekken waren in de economische praktijk en het economisch denken, was het tanende vertrouwen in het zuiver economisch liberalisme en de roep naar meer staatsinterventie in de economie. Eyskens wees erop dat onvoldoende deposito's van Vlamingen werden gedraineerd naar economische initiatieven in Vlaanderen en vond de verklaring daarvoor in het economisch liberalisme: "Geringe nationale gebondenheid van crediet en kapitaal is, in een economie van vrijheid een algemeen verschijnsel." Een uitbreiding van de rol van de staat leek Eyskens noodzakelijk om de economische ontwikkeling van Vlaanderen te stimuleren. Hij haalde het voorbeeld aan van de Boerenbond die er op het einde van de 19de eeuw in geslaagd was de overheid te stimuleren tot interventie ten voordele van de landbouw. De onderontwikkeling van de zeevisserij was dan weer toe de schrijven aan de ontoereikende inspanningen van de overheid. Eyskens eiste staatstussenkomst ten voordele van de Vlaamse rederij en koopvaardij. De Leuvense economist benadrukte dat Vlamingen leidinggevende posities moesten innemen in de staatsinstellingen die cruciaal zouden worden voor de verdere economische ontwikkeling. De evolutie waar Eyskens naar verwees was al ingezet na de Eerste Wereldoorlog, met de oprichting van de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid (NMKN), waar een reële Vlaamse invloed bestond en die vooral investeerde in de lichte industrie die in Vlaanderen relatief meer gewicht had dan in Wallonië. In de jaren 1930 werd de invloed van de staat op de economie vergroot. Er werden nieuwe parastatalen opgericht en de kaders van het ministerie van economische zaken werden uitgebreid. Leuvense economisten, ook Vlaamsgezinden zoals G. Craen, drongen door tot de top. Eyskens plaatste zijn Vlaamsgezindheid evenwel expliciet in een Belgisch kader. De hoge productiviteit van de Kempische steenkoolmijnen werd door Eyskens naar voren geschoven als een troef voor de Belgische economie.

De idee dat de staat de economie moest stimuleren brak pas door na de Tweede Wereldoorlog en was gegrondvest op het keynesianisme. Een deel van de V.B. wist daarop in te spelen en het is in het kader van de dominantie van het keynesiaanse paradigma dat de economische ontwikkeling van Vlaanderen in een stroomversnelling terechtkwam. Deze evolutie die Eyskens anticipeerde in de jaren 1930, werd evenwel gebroken door de Tweede Wereldoorlog, wat toelaat na te gaan welk gewicht de verschillende fracties van de Vlaamse burgerij precies in de schaal konden werpen.

Hoe sterk is de Vlaamse economische elite? De Tweede Wereldoorlog als graadmeter

Oorlogen geven een bevoorrecht zicht op maatschappelijke en economische verhoudingen. Dat geldt zeker voor de Tweede Wereldoorlog. De Duitsers initieerden op nazistische leest geschoeide sociaal-economische organisaties (warencentrales, groepen, Nationale Landbouw- en Voedingscorporatie-NLVC, comités van sociale experts en algemeen gevolmachtigde voor de arbeid, commissariaat voor prijzen en lonen). Ze moesten een einde maken aan de liberale orde en België voorbereiden op de integratie in een door Duitsland geleide Grossraumwirtschaft. Ze waren vooral functioneel om de Belgische economie zoveel mogelijk te laten produceren voor de Duitse oorlogsinspanning. In hetzelfde licht moet de aanduiding van Victor Leemans tot secretaris-generaal voor economische zaken worden gezien.

De Tweede Wereldoorlog deed ook de traditionele politieke structuren wegvallen zodat de 'zuiver' economische krachtsverhoudingen meer ruimte kregen en de machtsstrijd tussen de economisch-financiële elites onbeperkt zijn beslag kon krijgen. De Vlaamse economische elite die er sedert het interbellum naar streefde de Franstalige bourgeoisie naar de kroon te steken had in principe een gunstige uitgangspositie. In hoeverre konden zij die ook effectief verzilveren?

Het Galopin-comité vormde het centrale beleidsorgaan van de top van de Belgische zakenwereld. De oorsprong ervan gaat terug tot 15 mei 1940, toen de Belgische regering de leiders van de belangrijkste financiële groepen vroeg in te staan voor de betaling van de ambtenaren en van de sociale steuntrekkers. Paul-Henri Spaak en Camille Gutt ontvingen behalve Alexandre Galopin (gouverneur van de Société Générale ) en Max-Léo Gérard (Bank van Brussel) ook Fernand Collin (Kredietbank). Daarmee plaatste de regering de Vlaamse bank op hetzelfde niveau als de Generale en de Bank van Brussel. De ministerraad had ook baron Vaxelaire en Emiel van Dievoet (Boerenbond) uitgenodigd, maar die waren niet ter plaatse geraakt. De uitnodiging van een vertegenwoordiger van de Boerenbond is het tweede bewijs dat de regering de Vlaamse burgerij, die een plaats zocht naast de Franstalige economische elite, als machtsfactor erkende en voldoende representatief achtte.

Het Galopin-comité zag zijn taak ruimer dan oorspronkelijk door de regering was gevraagd. Het comité werkte een gedragslijn uit voor het bedrijfsleven en zorgde voor een legitimering ervan (Galopin-doctrine). Het comité werd uitgebreid met onder meer Léon Bekaert.

Het feit dat Vlaamse ondernemers zetelden naast de vertegenwoordigers van de Franstalige financiële groepen betekent nog niet dat ze even invloedrijk waren. Voor zover het beschikbare bronnenmateriaal toelaat daarover te oordelen, domineerde de Generale het Galopin-comité. Zijn gouverneur schreef de befaamde nota's waarin de doctrine werd vastgelegd. Ook de bezetter zag Galopin als de "ongekroonde koning van de Belgische economie".

Daarmee is niet gezegd dat de Vlamingen in het Galopin-comité slechts een figurantenrol speelden. Als strafrechtspecialist gaf Collin mee vorm aan de uitwerking van een juridische fundering van de door het Galopin-comité aanbevolen politiek. Bovendien was de aanwezigheid van representatieve ondernemers uit het noorden van het land cruciaal om een economische politiek te kunnen voeren die in het teken stond van het behoud van Belgiës economische en politieke eenheid. Ten slotte was de aanwezigheid van Vlaamse economische leiders onontbeerlijk om de geloofwaardigheid van de Galopin-doctrine te verzekeren. Die was gebaseerd op solidariteit tussen alle ondernemers die allemaal dezelfde lijn moesten volgen. Het kwam eropaan een front te vormen en dissidenties van invloedrijke bedrijven of groepen te vermijden. Het is overigens de vraag of de coalitievorming tussen Vlaamse en Franstalige ondernemers al te veel problematisering behoeft. Meer dan door taalkundige bekommernissen werd de opstelling van de economische elite gedicteerd door economische belangenafweging. De belangen van Vlaamse en Franstalige ondernemers liepen tijdens de Tweede Wereldoorlog nog vaak parallel, gezien het integratieproces van de Belgische economie dat zich in het interbellum had voltrokken.

De analyse van de krachtsverhoudingen in de corporatieve organen toont daarenboven aan dat bewegingen die een exclusief Vlaams standpunt innamen slechts een beperkte invloed konden verwerven (corporatisme). De oprichting van warencentrales en groepen was het toneel van een machtsstrijd tussen het Vlaams Economisch Verbond (VEV) en het Comité Central Industriel (CCI) en zijn federaties. Het VEV zag hierin een kans om het al sinds lang nagestreefde monopolie van de vertegenwoordiging in Vlaanderen te veroveren. Het werkte nauw samen met de bezetter (vooral de oud-activist Piet Bessem was hiervan de promotor) en stelde zich minder restrictief op inzake economische samenwerking met Duitsland dan het CCI. Het VEV streefde ernaar de corporatieve organen volgens een taalkundig criterium op te splitsen en 'betrouwbare Vlamingen' in de top te benoemen. Geen van beide strategieën was succesvol. De taalkundige opsplitsing botste op het verzet van het CCI en werd ook door de Duitsers niet in overweging genomen. Met uitzondering van de textiel en de diamant werd geen enkele warencentrale of groep geleid door een kandidaat die door het VEV of het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) naar voren was geschoven.

Deze mislukking illustreert de zelfoverschatting van de Vlaamse patroonsorganisatie. De organisatie was veel minder sterk ingeplant in de industrie dan het CCI en de kandidaten van het VEV hadden zelden het niveau dat kon worden verwacht voor dergelijke topfuncties. Nergens kon het VEV of het VNV de positie van het CCI en zijn federaties ernstig bedreigen. Een argument a contrario voor deze stelling is de textielsector. Het feit dat daar wel Vlaams-nationalisten de leiding in handen kregen, is toe te schrijven aan de afwezigheid van een in het CCI geïntegreerde overkoepelende federatie. Die kwam pas bij het begin van de bezetting tot stand.

Vlaams-nationale invloed was er wel in de NLVC (Piet Meuwissen), het commissariaat voor prijzen en lonen (Paul-Felix Beeckman) en de algemeen gevolmachtigde voor de arbeid (Leo Wouters). De NLVC slaagde er niet in legitimiteit te verwerven bij de landbouwers. Meuwissen moest een beroep doen op de bezetter om zijn gezag te handhaven en ook Beeckman bleek nauwelijks tegen zijn taak opgewassen. De onder impuls van Wouters opererende comités van sociale experts hadden weinig impact omdat de patronale organisaties zich niet wensten te compromitteren met de collaborerende eenheidsvakvond en omdat een deel van het patronaat toen al bezig was met de voorbereiding van de naoorlog in het perspectief van een Duitse nederlaag.

In dat kader zagen verschillende plannen het licht. De meest toonaangevende en voor de toekomst belangrijkste werden opgesteld door studiecommissies die werkten onder auspiciën van het Galopin-comité. Een groep hield zich bezig met economische, een andere met sociale vraagstukken. De coördinatie ervan werd toevertrouwd aan respectievelijk Henri Velge en Bekaert. De groep Bekaert pleitte voor een nieuw sociaal systeem waarin de grondtrekken van het fordisme werden aangekondigd, namelijk economische groei op basis van stijgende koopkracht van de loontrekkers en een sociaal zekerheidsstelsel, gefinancierd door stijging van de productiviteit; het geheel gereguleerd door een systeem van overleg. Bij deze initiatieven waren die groepen die zich hadden geprofileerd als vertegenwoordigers van een naar autonomie strevende Vlaamse burgerij niet betrokken.

Bekaert heeft zich tijdens de bezetting kunnen ontwikkelen als een vooraanstaand ondernemer die nauw samenwerkte met de vertegenwoordigers van de holdings. Hij hield er relatief originele opvattingen op na. Die vloeiden echter niet voort uit het feit dat hij een Vlaming was, noch waren zij de emanatie van specifiek Vlaamse sociaal-economische opvattingen. Illustratief hiervoor is dat ze door de afdeling aartsbisdom Mechelen van het Algemeen Christelijk Verbond van Werkgevers (ACVW) niet werden gedeeld omdat ze te zeer zouden geïnspireerd zijn door de Waalse economische situatie, waar grote bedrijven toonaangevend waren maar onvoldoende aansloten bij de noden van de kleinere Vlaamse ondernemingen. Ook Bekaerts katholiek-organisatorische achtergrond is maar een gedeeltelijke verklaring voor zijn sociaal-economische opvattingen. Om zijn opstelling te begrijpen is het aangewezen zijn specifieke economische situatie voor ogen te houden. Sociaal-economische opvattingen die in de richting gingen van het fordisme leefden sterk in de sector van de metaalconstructie. Daar groeide het besef dat het mogelijk was de consumptie van de werknemers te laten stijgen op voorwaarde dat er werd overgeschakeld op de productie van goederen met een hogere toegevoegde waarde. Ook moest de arbeidsproductiviteit worden opgevoerd. Een aantal impulsen daarvoor werd gegeven door de hoofdgroep metaalverwerkende nijverheid waarvan Bekaert de leiding had. Dezelfde opvattingen werden verdedigd door E. Solvay. Oppositie was er van de staal- en mijnpatroons en de Generale. Ook die oppositie moet niet 'communautair' geduid worden maar was het gevolg van de economische structuur van deze sectoren. Zij waren bij uitstek leveranciers van producten met een lage toegevoegde waarde en het opvoeren van de productiviteit was er moeilijker dan in de metaalconstructie.

De oorlogsperiode werpt een licht op de machtspositie van de burgerij in Vlaanderen. De autonomistische vleugel was, ook al zocht ze de steun van de bezetter, te zwak om op te wegen tegen de leiding van de holdings die de touwtjes stevig in handen hield. De holdings coöpteerden wel vertegenwoordigers van de Vlaamse ondernemers die de unitiare Belgische staat aanvaardden. Die fractie won daardoor aan macht en prestige en verwierf een betere uitgangspositie om in het kader van het keynesiaans paradigma de verdere economische ontwikkeling van de Vlaamse regio's mee gestalte te geven. Eerst moest echter worden afgerekend met de erfenis van de bezetting.

De erfenis van de oorlog

De repressie van de collaboratie is voor de V.B. het centrale referentiepunt in de naoorlogse periode. Vlaanderen zou tekort zijn gedaan door het Belgische gerecht, ook inzake economische collaboratie. Vooraleer daarop in te gaan moet worden benadrukt dat de bestraffing van de economische collaboratie slechts één facet was van het economisch herstel en dat andere aspecten zeker even doorslaggevend zijn geweest voor de economische ontwikkeling van de Vlaamse regio's.

De economische reconstructie was een van de topprioriteiten voor de regeringen die elkaar snel opvolgden na de Tweede Wereldoorlog. Er werd gekozen voor het herstel van de vrijemarkteconomie, maar niet in haar 'zuivere' liberale vorm. Die was tijdens de crisis van de jaren 1930 ook in zakenkringen in diskrediet geraakt en al ten dele hervormd. De arbeidersbeweging was versterkt en geradicaliseerd uit de oorlog gekomen en het communisme had aan prestige gewonnen zodat de druk voor sociale hervormingen groter werd. Onder invloed van beide factoren kwam een economisch systeem tot stand dat kapitalistisch bleef, maar waarin sociale toegevingen werden gedaan (verplichte sociale zekerheid en sociaal overleg), waar op economisch vlak sprake was van meer staatstussenkomst (subsidies aan sectoren en bedrijven, meer impact op de financiële sector) en waarbij de vakbonden betrokken werden bij het economisch beleid, al mochten ze alleen adviezen geven. In tegenstelling tot Frankrijk werden geen bedrijven genationaliseerd.

Hiermee is het structurele kader aangegeven waarbinnen de bestraffing van de economische collaboratie zijn beslag kreeg. De meeste politici waren van oordeel dat de repressie niet te streng mocht zijn en geen instrument mocht zijn om de positie van de traditionele economisch-financiële elite te contesteren. De rechterlijke macht, in de eerste plaats auditeur-generaal Walter Ganshof van der Meersch huldigde een minder restrictief standpunt inzake vervolging en bestraffing van de economische collaboratie. De kleine ondernemers moesten evenwel in de regel worden ontzien. Politieke en economische druk en de algehele evolutie naar een mildere behandeling van de collaboratie die zich meer en meer aftekende naarmate de oorlog verder verwijderd was, zorgden ervoor dat Ganshof zijn plannen niet helemaal ten uitvoer kon leggen. Bekijkt men het uiteindelijke resultaat van het vervolgingsbeleid, dan kan de stelling dat de repressie van de economische collaboratie anti-Vlaams was moeilijk worden hardgemaakt, ook al laat het hoge aandeel Vlaamse ondernemers dat werd vervolgd zulks vermoeden. 66,3% van alle vonnissen had betrekking op Vlaamse ondernemers. Deze op het eerste gezicht scheefgetrokken verdeling – meer vervolgingen in het industrieel minder ontwikkelde Vlaanderen – kan worden verklaard wanneer met een aantal parameters rekening wordt gehouden.

Een eerste nuance is de geografische spreiding van het aantal ondernemingen over het Belgische grondgebied. In 1937 was 49% van alle ondernemingen in Vlaanderen gevestigd, 30% in Wallonië. De ondernemingen waren in Vlaanderen weliswaar kleiner, maar er waren er meer, zodat het aantal ondernemers dat kon worden vervolgd groter was. Tweede nuance is de aard van de economische activiteit. Vlaanderen had talrijke militaire installaties (kazernes, vliegvelden) en een kustlijn die moest worden verdedigd (Atlantikwall). Voor deze werken werd eerder een beroep gedaan op Vlaamse dan op Waalse aannemers. Derde verklaringsfactor voor de geografische spreiding van de vervolgingen is de concentratie van zware nijverheid in Wallonië. In deze sectoren werd in het algemeen de Galopin-doctrine gevolgd, wat toch een zekere rem zette op de leveringen aan Duitsland, en werd er na de bezetting minder vervolgd (de steenkoolmijnen, ook de Kempische werden onmiddellijk buiten vervolging gesteld). Dat de Vlaamse ondernemers niet in het bijzonder werden geviseerd blijkt ten slotte uit een aantal concrete dossiers. Het Vlaams Economisch Verbond (VEV), dat een minder restrictieve houding had aangenomen tegenover de Duitsers dan het Comité Central Industriel (CCI), werd sneller buiten vervolging gesteld dan haar Franstalige tegenhanger. In de overwegend in Vlaanderen gelokaliseerde textielsector, waar vooral de door W. van Hee geleide warencentrale zich slaafs opstelde tegenover de bezetter werd geen vervolging ingespannen tegen de leiders van de corporatieve organen.

Ondanks het feit dat de fracties binnen de Vlaamse burgerij die hadden samengewerkt met de bezetter niet geheel werden uitgeschakeld door de repressie, beïnvloedden de oorlog en zijn nasleep toch de positionering van de Vlaamse burgerij in haar geheel. Het VEV borg zijn ambities op om zich op te werpen als concurrent van het CCI. Deze organisatie werd in 1946 omgedoopt tot Verbond der Belgische Nijverheid (VBN). Er werd een samenwerkkingsakkoord gesloten met het VEV dat trachtte in de schoot van de unitaire organisatie op te komen voor Vlaamse eisen.

De economische wederopbouw verliep voor het overige bijzonder succesvol. De Antwerpse haven bleef nagenoeg intact en werd onmiddellijk ingeschakeld bij de bevoorrading van de geallieerden. Door de politiek van het Galopin-comité was het productieapparaat relatief ongeschonden gebleven en kon het onmiddellijk na de bevrijding worden benut voor de geallieerde oorlogsinspanning en later profiteren van de wederopbouw van Europa. De koopkracht werd op een relatief hoog peil hersteld, zodat het beeld van een 'Belgisch wonder' ingang vond. Dit 'wonder' was echter van conjuncturele en niet van structurele aard. Het behoud van de economische infrastructuur bleek op korte termijn een voordeel, maar op langere termijn een nadeel. De Belgische economie was minder gemoderniseerd dan die van de concurrenten en bleef eenzijdig geörienteerd op de export van halffabrikaten. In 1949 kwamen die zwakheden duidelijk aan het licht. De gevolgen ervan waren verstrekkend. De Belgische economische infrastructuur was niet aangepast aan omschakeling naar het fordisme die zich aan het voltrekken was en die zou worden geschraagd door een keynesiaanse overheidspolitiek. Deze discrepantie tastte de hegemonie van de holdings voor het eerst op een ernstige wijze aan. In dit proces, dat zich in de jaren 1950 voltrok, had ook de V.B. een aandeel.

De economische expansie van de Vlaamse regio's in het kader van een 'keynesiaanse' Belgische staat

De Belgische economie vertoonde in de jaren 1950 de kenmerken van een structurele crisis. De symptomen ervan waren verschillend in Vlaanderen en Wallonië. Gemeenschappelijke kenmerken waren een lage groeivoet en een hoge werkloosheidsgraad. Die cijfers verborgen een verschillende realiteit in Vlaanderen en Wallonië. Vlaanderens hoge (officiële) werkloosheidsgraad was toe te schrijven aan een gebrek aan economische ontwikkeling, een probleem dat zich vooral in Oost- en West-Vlaanderen voordeed. Daarenboven was er een ruime, niet geregistreerde verborgen werkloosheid op de kleine landbouwbedrijven. Ten slotte moest een groot deel van de industriële arbeidskracht een grote afstand afleggen tussen woon- en werkplaats. De pendel, zowel de dagelijkse (bijvoorbeeld Limburgse mijnen) verplaatsing als de seizoenarbeid bleven hoog. Hoewel deze fenomenen vooral in enkele regio's zeer acuut waren, leenden ze er zich toe economische problemen te vertalen als sociale problemen met een Vlaams karakter. In Wallonië moeten de oorzaken van de werkloosheid elders worden gezocht. Deze regio werd geconfronteerd met een dreigend desindustrialisatieproces, dat de afbouw impliceerde van de groeipolen tot ontwikkeling gekomen tijdens de eerste industriële omwenteling en dat tot uiting kwam in de sluiting van weinig rendabele Waalse mijnen.

De fundamentele achtergrond van deze ontwikkelingsachterstand was de structurele zwakheid van de Belgische economie die te veel gericht bleef op de traditionele sectoren (kolen, staal, textiel), en producten voortbracht met een lage toegevoegde waarde. De economische structuur was niet aangepast aan het zich ontwikkelende fordistisch groeimodel. De sociale gevolgen werden minder acceptabel geacht in een tijdperk waarin "mede gevolg van de evolutie van de sociaal-politieke opvattingen, van ervaren ellende zoals oorlogen en depressies, (...) het 'sociale' zeer sterk op de voorgrond geplaatst wordt", zoals professor A. Devreker in zijn in 1958 door het Willemsfonds uitgegeven studie over Welvaartproblemen in Vlaanderen stelde.

De structurele onderontwikkeling werd in de loop van de jaren 1950 zowel in Vlaanderen als in Wallonië geanalyseerd en aangeklaagd. In de lijn van de uiteenlopende sociaal-politieke ontwikkeling van beide regio's werd de problematiek op een andere wijze vertaald en werden andere oplossingen voorgesteld.

In Wallonië speelde de renardistische vleugel van het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) een sleutelrol in dit proces. Onder impuls van de Luikse syndicale leider André Renard, die zag welke implicaties de in opbouw zijnde fordistische verhoudingen op lange termijn zouden hebben, werden in 1954 en 1956 buitengewone congressen gewijd aan de 'economische structuurhervormingen'. Daarmee werd een geplande economie bedoeld, die de teloorgang van de te traditionalistische door de holdings gedomineerde volkshuishouding moest tegengaan. Het programma diende zich aan als antikapitalistisch en voorzag nationalisaties.

Ook in Vlaanderen werd de oplossing gezocht in een groeiende staatsinterventie, maar van antikapitalisme was hier geen sprake. De nieuwe economische rol van de staat werd gekaderd in een ideologie van klassensamenwerking. Het geraamte waaraan dit denken nu werd opgehangen was de 'regionale economische ontwikkeling' in keynesiaans perspectief. Verschillende geledingen binnen de V.B. waren het erover eens dat de staat tot taak had rechtstreeks tussen te komen om de groei van economisch achtergebleven gebieden te stimuleren. In de eerder geciteerde studie wees professor Devreker de overheid aan als hoofdverantwoordelijke voor de economische ontwikkeling van de Vlaamse gewesten. De staat moest daarenboven een contracyclische conjunctuurpolitiek voeren via openbare werken om de werkloosheid op te slorpen. Deze politiek zou niet enkel de economische groei ten goede komen maar er ook voor zorgen dat de sociale gevolgen van de economische achterstand werden weggewerkt, wat even belangrijk was in een periode waarin het 'sociale' zeer sterk op de voorgrond stond.

Het thema van de regionale economische ontwikkeling was een van de centrale werkingspunten van het VEV na de Tweede Wereldoorlog. Tussen 1951 en 1956 ontstonden diverse economische raden die onder meer de sociaal-economische achterstand van diverse subregio's in kaart brachten. Ook in de academische wereld werd deze problematiek onder de loep genomen. In dit verband moet worden gewezen op de Vlaams Wetenschappelijke Economische Congressen (Vlaamsche Wetenschappelijke Congressen). De bureaucratie die ontstond in het kader van de Marshallhulp gaf kansen aan jonge Vlaamse academici zoals André Vlerick, die later een befaamde managmentschool uitbouwde.

De op het keynesianisme gebaseerde regionale economische politiek werd sterk uitgedragen door de Christelijke Volkspartij (CVP), die in 1958 haar keynesiaans Sleutelplan presenteerde, waarin Gaston Eyskens een grote inbreng had. De regionale ontwikkeling was een uitstekend mobilisatiethema dat alle geledingen van de katholieke zuil kon aanspreken. Naar de verschillende groepen toe konden specifieke accenten worden gelegd. De boeren werd een modernisering van de landbouw in het vooruitzicht gesteld. Voor de arbeiders werd het thema 'Werk in eigen streek' naar voren geschoven als antwoord op werkloosheid en pendel. Vernederlandsing van het bedrijfsleven sprak de bedienden meer aan, die hun individuele carrièremogelijkheden beperkt zagen omdat in vele in Vlaanderen gevestigde bedrijven het Frans nog de voertaal was in de administratie. Binnen het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) werden Vlaamse thema's belangrijke mobilisatiepunten. Aan de ondernemers ten slotte werden overheidsstimuli beloofd voor de expansie van de nijverheid.

Hiermee is de globale achtergond aangegeven van de verschillende expansiewetten die vanaf 1953 totstandkwamen. Ze waren het antwoord van de overheid op de groeiende kritiek zowel van de Waalse socialistische beweging als van de V.B. op het traditionalisme van de economische groepen die de Belgische economie beheersten. De expansiewetten hadden als gemeenschappelijk kenmerk dat de staat rechtstreeks tussenkwam in de financiering van investeringen, vooral in zogenaamde 'ontwikkelingsgebieden'. Dit gebeurde met rentesubsidies en vermindering van fiscale lasten.

De volledige doorbraak van het keynesianisme kwam pas in de jaren 1960. Op institutioneel vlak werd ze geconsacreerd door de oprichting in 1959 van het Bureau voor Economische Programmatie. Dit was een antwoord op de staking in de Borinage, op haar beurt een reactie op de steenkolencrisis die in deze eenzijdig op mijnbouw gerichte regio zeer scherp was. Datzelfde jaar werd het arsenaal expansiewetten verder uitgebreid. De grote staking van 1960-1961 brak het laatste verzet tegen de vernieuwde economische politiek. Overwegend rooms-rode coalities beheerden daarop de economie volgens keynesiaans recept. De renardistische opties werden uiteindelijk niet doorgezet – de politiek die gevolgd werd sloot meer aan bij het neokapitalisme van de CVP – maar de actie van de Waalse arbeidersbeweging was een belangrijke voorwaarde opdat het keynesianisme zich kon doorzetten.

Dit neokapitalisme gaf sterke impulsen aan de economie in Vlaanderen die door Belgiës toetreden tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG) was geïntegreerd in een beginnende Europese economische ruimte. In de loop van de jaren 1960 vestigden verschillende bedrijven zich in deze regio. De investeringen gebeurden niet enkel in de nabijheid van de havens (Antwerpen, Gent) maar ook in industrieparken aangelegd in kleinere steden en dorpen. De expansie geschiedde vooral in sectoren gericht op de productie van gestandaardiseerde massacomsumptiegoederen (auto, petrochemie, elektriciteit en elektronica), die in het fordisme een centrale plaats innamen. De oorsprong van de investeringen was overwegend van multinationale aard (ongeveer 2/3). Ze werden aangetrokken door de financiële stimuli van de overheid, de infrastructuur waarin sedert de jaren 1950 veel werd geïnvesteerd door de centrale staat (Wegenfonds, havens). Vlaanderen werd daardoor verkeerstechnisch ontsloten. Belangrijke etappes zijn de afwerking van de autosnelweg Brussel-Oostende, de bouw van de Kennedytunnel en de verbetering van het kanaal Gent-Terneuzen (onder meer bouw van een nieuwe sluis). Bovendien lagen de loonkosten in Vlaanderen relatief laag en was er een minder ontwikkelde syndicale traditie. Vlaanderen paste goed in de ruimtelijke investeringspolitiek van de multinationale ondernemingen. Zij fragmentariseerden hun productieproces en decentraliseerden perifere activiteiten naar gebieden met lagere kosten. De meer hoogwaardige activiteiten bleven geconcentreerd in het moederland. Ook de holdings maakten gebruik van de expansiewetten om in Vlaanderen te investeren. Het bekendste voorbeeld is SIDMAR (Zelzate), dat werd opgericht door onder meer de Société Générale en ARBED, maar waarin ook de staat een belangrijk aandeel had (het oorspronkelijk kapitaal kwam voor 10 miljard van privé-investeerders en voor 8 miljard van de overheid). De vestiging van een staalfabriek in Vlaanderen is symptomatisch voor de divergerende ontwikkeling van Vlaanderen en Wallonië. Vlaanderen kende een sterke groei en talrijke nieuwe vestigingen, terwijl in Wallonië de rationaliseringsinvesteringen domineerden. Anders dan in Vlaanderen verhoogden deze investeringen, waarvoor ook een beroep kon worden gedaan op expansiesteun, de werkloosheid. 1966 was een keerpunt. Voor het eerst was de productie per inwoner in Vlaanderen hoger dan in Wallonië. Ondanks de snelle groei van de economie in Vlaanderen bleven ook daar probleemgebieden. De Limburgse mijnen raakten in regressie. In 1966 werd de mijn van Zwartberg gesloten. Om de gevolgen op te vangen werd de expansiesteun opgevoerd. In 1967 werden alle Limburgse mijnen gegroepeerd in de naamloze vennootschap Kempische Steenkoolmijnen. In 1992 werd de mijnexploitatie ook in Vlaanderen definitief stopgezet.

De divergerende economische ontwikkeling wakkerde de eisen voor meer regionale autonomie op economisch vlak aan. Aan Waalse zijde kwam het federalisme na de staking van 1960-1961 in een stroomversnelling terecht en werd de analyse gemaakt dat de Vlamingen te veel macht hadden in het centrale staatsapparaat en de economische ontwikkeling van Wallonië belemmerden. In dat kader werd in 1970 met de kaderwet- M. Terwagne meer economische autonomie toegekend aan de regio's. Naast een centrale instelling, de Dienst voor Nijverheidsbevordering werd het Planbureau met 3 regionale secties in het leven geroepen. De regionale dimensie kwam vooral tot uiting in de paritair (privé-publiek) samengestelde regionale economische raden (Gewestelijke Economische Raad voor Vlaanderen, GERV) en ontwikkelingsmaatschappijen. Wallonië en Brussel kregen elk één ontwikkelingsmaatschappij, in Vlaanderen kwam er één Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) per provincie. In 1978 werd de regionalisering verder doorgezet met de oprichting van regionale investeringsmaatschappijen. In dat kader zag in 1980 de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen (GIMV) het licht. De uitdieping van de regionale dimensie van het economisch beleid viel chronologisch samen met de economische crisis van de jaren 1970.

Economische crisis, neoliberalisme en Vlaamse economische autonomie

De versterking van deze tendens naar meer economische autonomie had behalve een zuiver economische achtergrond ook een ideologische component: het neoliberalisme nam de plaats in van het keynesianisme als dominante economische doctrine. De economische crisis van het begin van de jaren 1970 trof het hele land. Bedrijven sloten hun deuren, de werkloosheid nam toe. In functie van de specifieke structuur van elke regio was de impact evenwel verschillend. Wallonië is, zoals aangestipt, na de Tweede Wereldoorlog minder geïntegreerd in de moderne fordistische productiecyclus. De oude industriële sectoren, waarvan de oorsprong teruggaat tot de eerste industriële omwenteling legden een groter economisch gewicht in de schaal. Vooral de staalnijverheid had zwaar onder de crisis te lijden en was voor haar overleven aangewezen op staatssteun.

In Vlaanderen raakte de textielnijverheid, eveneens een oude sector die veel werk verschafte aan laaggeschoolden, in moeilijkheden. De steenkoolmijnen konden niet rendabel produceren zonder steun van de overheid. Een aantal vestigingen van multinationale ondernemingen die na de Tweede Wereldoorlog Vlaanderen uitkozen als vestigingsplaats sloot zijn deuren. Dit gebeurde niet altijd conform de regels van het sociaal overleg dat sedert de jaren 1960 een pijler van de economische politiek was geworden en ging gepaard met nieuwe vormen van sociale actie zoals bedrijfsbezettingen. De centrale staat schoot de traditionele nijverheden te hulp met verschillende 'plannen', (Staalplan, Textielplan) en trok het economisch beleid over die traditionele sectoren naar zich toe. Het ging om vijf 'nationale' sectoren, gespreid over het grondgebied van de staat: steenkoolmijnen, textiel, staal, glas en scheepsbouw. Tot deze centraliseringsoperatie werd besloten omdat de hulp aan het Waalse staal uitgroeide tot een communautaire splijtzwam die de stabiliteit en het functioneren van de Belgische staat in het gedrang dreigde te brengen. De subsidies aan het Waalse staal werden vanuit Vlaamse hoek immers geproblematiseerd. De Volksunie (VU) nam hierbij het voortouw. De intensiteit van het conflict had evenwel ook ideologische achtergronden, die verband hielden met de visie op de rol van de staat in het sociaal-economisch leven.

In Wallonië werd geopteerd voor een meer interventionistische politiek van de overheid, die strookte met de keynesiaanse opvattingen. De socialistische arbeidersbeweging, die een federalistische koers voorstond was er sterker en oefende druk uit om die optie door te voeren (federalisme). In Vlaanderen lagen de kaarten anders. Het neoliberalisme kreeg er meer en meer voet aan de grond – het Vlaams Economisch Verbond (VEV) was daarbij een belangrijke stuwende kracht – en parallel daarmee werd meer en meer afstand genomen van de interventionistische overheidspolitiek zoals die tot dan toe werd gevoerd. De argumentatie luidde dat deze evolutie alleen haar beslag kon krijgen als Vlaanderen meer autonomie zou verwerven op sociaal-economisch vlak. Dat zou niet alleen toelaten om eigen keuzes te maken binnen de regio, maar ook een einde maken aan de verlammende werking die uitging van de subsidiëring van het Waalse staal, die – zo meende het VEV – aan Vlaanderen de nodige instrumenten ontnam om de ontwikkeling van nieuwe sectoren te ondersteunen. Niet alleen het VEV opteerde bij de verschillende stappen van de staatshervorming voor meer economische autonomie voor de regio's. Ook binnen andere partijen en organisaties, zoals het Vlaams Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) werd in die richting gedacht. In 1983 werden de nationale sectoren geregionaliseerd. In het kader van de staatshervorming van 1988 ging het gehele economische beleid naar de regio's. De Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen (GIMV), die aanvankelijk opereerde naast andere nationaal gebleven organen zoals het Fonds voor Industriële Vernieuwing won daardoor aan belang. De GIMV kreeg ook de verantwoordelijkheid voor de voormalige nationale sectoren. Om die taak tot een goed einde te brengen werd in 1992 het filiaal GIMVINDUS opgericht. Net zoals op nationaal niveau kwam er ook op Vlaams vlak paritair overleg tot stand. In 1985 zag de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) het licht.

Uit het beleid dat door de opeenvolgende Vlaamse executieven en regeringen werd gevoerd, bleek dat het VEV zijn beleidsopties ten dele kon doorzetten. Het VEV kantte zich tegen staatsinterventie in de economie, maar dit betekende niet dat elke vorm van staatstussenkomst werd afgewezen. De organisatie hechtte veel belang aan allerhande vormen van subsidies op de verschillende niveaus van de staat. Ze trachtte ervoor te zorgen dat compensaties in het kader van overheidsbestellingen (bijvoorbeeld in het kader van defensie) in voldoende mate naar Vlaamse bedrijven gingen. De organisatie bekritiseerde de subsidiëringspolitiek ten aanzien van de 'nationale sectoren', maar was wel vragende partij voor steun aan de nieuwe technologieën en richtte haar actie daarbij op de Vlaamse Executieve ('Derde Industriële Revolutie in Vlaanderen'). Ook de Flemish Aerospace Group (FLAG) werd door de Vlaamse Executieve gesteund. Bij de reconversie die geschiedde in het kader van de sluiting van ondernemingen uit de 'nationale sectoren' werd een minder grote rol weggelegd voor de staat. De GIMV werd voor een deel geprivatiseerd.

De doorbraak van neoliberale ideeën en beleidsopties onder meer op Europees vlak, had nog gevolgen voor de economische opstelling van delen binnen de V.B. Eén centraal punt in het neoliberale beleid is de privatisering van overheidsbedrijven. Ook België zette die stap. Het is in dat kader dat de idee van een 'Vlaamse verankering' van bedrijven vorm kreeg. Er diende te worden gezorgd dat de strategische sectoren (telecommunicatie, banken) niet aan elke Vlaamse controle ontsnapten. Naast de privatiseringen moeten nog twee onderling verbonden factoren in rekening worden gebracht: de overname van de Société Générale door het Franse Suez, een onderdeel van een mondialisering van productieprocessen, wat op zijn beurt werd vergemakkelijkt door de liberalisering van het financieel verkeer. In deze Vlaamse verankering is voor de GIMV een centrale rol weggelegd. De verankeringsstrategie is geen onverdeeld succes te noemen. Ondernemers geven in een aantal gevallen meer prioriteit aan financieel rendement dan aan hun Vlaamse identiteit. Bovendien is er een zekere terughoudendheid om zich te binden aan één strategische optie, vanuit de vrees dat daardoor misschien andere economisch interessante expansiemogelijkheden worden geblokkeerd.

De idee achter het verankeringsbeleid is dat een regio er voordeel bij heeft dat ondernemers uit de eigen gemeenschap strategische beslissingsmacht in handen houden. In een economische omgeving die als 'globaliserend' wordt gekenmerkt zouden 'verankerde' bedrijven meer waarborgen bieden voor de toekomst. De verankeringsidee is, wanneer men ze bekijkt in een breder perspectief, een onderdeel van een denken in termen van een Vlaamse economische identiteit. Dit denken wordt, op het eerste gezicht paradoxaal, gestimuleerd door de dominantie van het discours van de competitiviteit, die in de eerste plaats wordt gezien in termen van beheersing of verlaging van loonkosten. In dat kader wordt een vertoog ontwikkeld waarin de overweging centraal staat dat Vlaanderen specifieke belangen heeft, die enkel dan voldoende efficiënt kunnen worden behartigd wanneer Vlaanderen over voldoende sociaal-economische autonomie beschikt. Patroons en arbeiders dienen daarbij samen te werken in een geest van consensus, wat niet mogelijk is of bemoeilijkt wordt door Wallonië waar nog te veel wordt gedacht in termen van conflict. De analyse in termen van een Vlaamse economische identiteit heeft zich onder meer geuit in het debat over de 'transfers' in de sociale zekerheid van Vlaanderen naar Wallonië. Verschillende pogingen werden ondernomen om de aard, omvang en oorzaken van deze transfers te duiden. Vooralsnog bestaat er geen consensus over de wenselijkheid en haalbaarheid van een volledige splitsing van de sociale zekerheid, ook niet in Vlaanderen. De commissie die door de Vlaamse Regering aan het werk werd gezet bracht een verdeeld advies uit. De impliciete veronderstelling achter de wens om de sociale zekerheid te splitsen is dat Vlaanderen daarbij financieel voordeel zou doen en dat dit ten goede komt aan de hele Vlaamse bevolking. Per saldo is er immers meer geld te verdelen. Tweede uiting van dit identiteitsdenken kan worden gevonden in de discussie over het sociaal overleg. Hoewel het sociaal overleg een federale materie is gebleven, bestaat er ook na de staatshervoming van 1993 een streven naar het afsluiten van een Nieuw Sociaal Pact op Vlaams niveau. Ook hier luidt de redenering dat het federale kader niet voldoende ruimte laat aan de Vlaamse economie die behoefte heeft aan consensus om zich te ontwikkelen ten voordele van alle Vlamingen. Het beleid dat wordt gevoerd door de Vlaamse Regering is voor een niet onbelangrijk deel geïnspireerd door dit economisch identiteitsdenken (Vlaamse verankering, transfers in de sociale zekerheid). De impact ervan reikt bovendien verder dan de economische componenten van de V.B.

Ook op de IJzerbedevaarten kan men pleidooien horen voor een grote sociaal-economische zelfstandigheid van Vlaanderen. Dit vertoog in termen van een Vlaamse regio die meer beslissingsmacht dient te krijgen over sociaal-economische materies kan op een zeker succes rekenen. De verwachting wordt immers gewekt dat meer economische autonomie voor Vlaanderen zal leiden tot meer welvaart voor de Vlaamse bevolking. Zo wordt aansluiting gevonden bij het dominante klassenintegrerende sociaal-economisch vertoog binnen de V.B. waarvoor de basis werd gelegd door Lodewijk de Raet.

Literatuur

L. de Raet, Over Vlaamsche Volkskracht. Vlaanderens cultuurwaarden, 1913; 
id., Over Vlaamsche Volkskracht. Vlaanderens economische ontwikkeling, 1920; 
G. Jacquemyns, Histoire de la crise économique des Flandres (1845-50), 1929; 
K. Pinxten, Het Kempisch Steenkolenbekken, 19392; 
G. Eyskens, Vlaamsche Volkskracht van heden. Lichtpunten en schaduwzijden in de economische ontwikkeling van Vlaanderen, 1940; 
A. Devreker, Welvaartproblemen in Vlaanderen, 1958; 
J. Meynaud (e.a.) (red.), La décision politique en Belgique. Le pouvoir et les groupes, 1965; 
T. Luykx, Geschiedenis van de economische bewustwording in Vlaanderen 1926-1966. De rol van het VEV, 1967; 
J. Herremans, 'Le "Vlaams Economisch Verbond', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 637 (15 maart 1974); 
H. Coppejans-Desmedt, 'Het Land van Waas in de XIXe eeuw. Van "autarkische regio" naar geïntegreerd Belgisch gewest', in BTNG, jg. 8, nrs. 1-2 (1977), p. 53-79; 
J. Craeybeckx, 'Arbeidersbeweging en Vlaamsgezindheid voor de Eerste Wereldoorlog', in Mededelingen van de KAWLSKB, klasse der Letteren, jg. 40, nr. 3 (1978); 
M. Quevit, Les causes du déclin wallon, 1978; 
V. van Rompuy, 'De economie van eind 1944 tot heden', in Twintig eeuwen Vlaanderen, VIII, 1978, p. 213-233; 
H. van der Wee en K. Veraghtert, 'De economie van 1814 tot 1944', in Twintig eeuwen Vlaanderen, VIII, 1978, p. 129-211; 
P. Lebrun, M. Bruwier, J. Dhondt en G. Hansotte, Essai sur la révolution industrielle en Belgique, 1979; 
De industrie in België. Twee eeuwen ontwikkeling 1780-1980, 1981; 
C. Vandenbroeke, Sociale geschiedenis van het Vlaamse volk, 1981; 
A. Mommen, De teloorgang van de Belgische bourgeoisie, 1982; 
G.L. de Brabander, Regionale structuur en werkgelegenheid. Een economische en geografische studie over de Belgische lange-termijn-ontwikkeling, 1983; 
S. Goovaert, 'Le VEV dans la Belgique des régions', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nrs 1003-1004 (1983); 
H. van der Wee en M. Verbreyt, Mensen maken geschiedenis. De Kredietbank en de economische opgang van Vlaanderen. 1935-1985, 1985; 
L. van Molle, Katholieken en landbouw. Landbouwpolitiek in België 1884-1914, 1989; 
G. Vanthemsche, 'De reorganisatie van het Belgisch patronaat. Van Centraal Nijverheidscomité naar Verbond der Belgische Nijverheid (1946)', in E. Witte, J.C. Burgelman en P. Stouthuysen (eds.), Tussen restauratie en vernieuwing. Aspecten van de naoorlogse Belgische politiek (1944-1950), 1989, p. 109-147; 
E. Witte en R. de Preter (eds.), Samen sparen. De geschiedenis van de Spaarbank Codep en haar voorlopers, 1989; 
S. Leblanc, 'La fédéralisation de la sécurité sociale', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nrs. 1282-1283 (1990); 
Werkgroep Mort Subite, Barsten in België. Een geografie van de Belgische maatschapij, 1990; 
E. Vanhaute, 'Wolverwerking op het Turnhoutse platteland (1750-1850). Enkele bedenkingen bij het verstomd proto-industrieel debat', in Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, jg. 27, nr. 1 (februari 1991), p. 28-49; 
id., Heiboeren. Bevolking, arbeid en inkomen in de 19de eeuwse Kempen, 1992; 
J.F. Crombois, L'univers de la sociologie en Belgique de 1900 à 1940, 1994; 
A. Mommen, The Belgian Economy in the Twentieth Century, 1994; 
E. Vanhaute, '"De meest moordende van alle industrieën." De huisnijverheid in België omstreeks 1900', in Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, jg. 20, nr. 4 (november 1994), p. 461-483; 
J. Hannes, 'Met de fiscale bril bekeken. Vlaanderen in België 1830-1914', in L. Pareyn (ed.), Huldeboek prof. dr. M. Bots. Een bundel historische en wijsgerige opstellen, 1995, p. 167-194; 
B. van der Herten, 'Nieuwe interpretaties over besluitvorming rond de eerste spoorlijnen in België 1830-1834', in BTFG, jg. 73 (1995), p. 379-400; 
B. Huygebaert, Splitsen of delen. Naar een federalisering van de sociale zekerheid?, 1995; 
G.Kurgan-van Hentenryk, Gouverner la Générale de Belgique. Essai de biographie collective, 1996; 
D. Luyten, Burgers boven elke verdenking? Vervolging van economische collaboratie in België na de Tweede Wereldoorlog, 1996; 
P. Scholliers, Wages, Manufacturers and Workers in the nineteenth century: the Voortman Cotton Mill in Ghent, 1996; 
A. Vincent, Le pouvoir économique dans la Belgique fédérale. Ancrage et délocalisations, 1996; 
D. Luyten, Ideologie en praktijk van het corporatisme tijdens de Tweede Wereldoorlog in België, 1997.

Verwijzingen

zie: Arm Vlaanderen, christelijke arbeidersbeweging.

Auteur(s)

Dirk Luyten