Duitsland-Vlaanderen

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Grondslagen

Sinds het ontstaan van de V.B. was de belangstelling daarvoor in Duitsland meestal een marginaal verschijnsel. Ze bleef beperkt tot kleine groepen letterkundigen, intellectuelen, historici en nationalistische theoretici. Bij het grote publiek was en is Vlaanderen vrijwel onbekend. De enige periode waarin de Vlaamse kwestie in Duitsland ruimere openbare aandacht kreeg, waren de oorlogsjaren 1915 tot 1918 toen het lot van het bezette België een van de hoofdonderwerpen was in het debat over de Duitse 'oorlogsdoelen'.

De geschiedenis van de Vlaams-Duitse betrekkingen is dus aan Duitse kant het verhaal van de op verschillende tijdstippen almaar hernieuwde belangstelling in beperkte kringen van sympathisanten die om de een of andere reden poogden contacten in Vlaanderen te leggen en de aandacht van hun landgenoten op de Vlaamse kwestie te vestigen: uit geestdrift voor de Vlaamse letteren, een gevoelen van taal- en stamverwantschap of politieke beslommeringen. Dit verhaal begint enkele jaren na de Belgische onafhankelijkheid en eindigt in 1945. De breuk met vrijwel alle vooroorlogse nationale tradities na de ondergang van het Derde Rijk kreeg ook zijn beslag in de Duitse waarneming van het Vlaamse vraagstuk. Door het afbreken van een ruim honderdjarige traditie waarin die perceptie vooral ideologisch-nationaal getint was, verdween aan Duitse kant een belangrijk motief om zich met Vlaanderen bezig te houden.

In de eeuw na de stichting van België vallen er in Duitsland vier periodes te onderscheiden van verhoogde aandacht voor de Vlaamse zaak. Tussen 1836 en 1848 gingen in kringen van de liberale en nationale Duitse eenmakingsbeweging stemmen op die toenadering bepleitten tot de jonge Belgische staat en de ontluikende Vlaamse taal- en cultuurbeweging. Een halve eeuw later en in grondig veranderde politieke omstandigheden spande het Alldeutscher Verband zich tussen 1894 en 1902 intens, maar met weinig succes, in om de contacten met Vlaanderen opnieuw aan te knopen. De derde periode van een verhoogde Duitse belangstelling voor de Vlaamse kwestie was het decennium tussen 1910 en 1920, met vooral de Eerste Wereldoorlog, toen België in de kijker stond als sluitstuk in de Duitse expansieplannen in het Westen. De laatste fase van een intense Duitse belangstelling voor Vlaanderen, deze keer met het oog op een frontvorming van Duitse en Vlaamse nationalisten tegen de Franse hegemonie die volgens hen door het verdrag van Versailles in Europa was gevestigd, waren de jaren vanaf 1926.

Een aparte geleding in de Vlaamsvriendelijke Duitse opinie was het Neder-Duitse regionalisme dat zich vanaf de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelde. Toen groeide er in Noord-Duitsland onder de inspiratie van een nieuwe literatuur in de Plat-Duitse streektaal een netwerk van heemkundige verenigingen die ijverden voor het behoud van de inheemse dialecten, zonder dat ooit de voorrang van het Hoog-Duits betwist werd. De Neder-Duitse beweging en vooral de sterke gelijkenissen tussen Plat-Duits en Nederlands prikkelden nochtans de verbeelding van Vlaamse tijdgenoten die zich voelden behoren tot een Neder-Duitse taalgemeenschap "van Duinkerke tot Koningsbergen". De Antwerpse bibliothecaris Constant J. Hansen bepleitte vanaf 1860 een samensmelting van Neder-Duits en Nederlands op basis van een nieuwe 'Aldietse' spelling (Aldietse Beweging). Hij vond weliswaar amper respons in Plat-Duitse kringen. Maar zijn denkbeelden waren gesneden koek voor nationalistische theoretici van rond de eeuwwisseling om de stelling te staven van een bijzondere samenhorigheid van Duitsers en Vlamingen.

Het Duitse Vlaanderen-beeld

Het was die idee die steeds opnieuw Duitse belangstelling voor Vlaanderen aanwakkerde. De wortels ervan liggen in de romantiek die voor het eerst het verband had beklemtoond tussen taal en natie. Vanaf het einde van de 18de eeuw kwamen Duitse intellectuelen tot de overtuiging dat taalgemeenschap het beslissende kenmerk was om een natie te bepalen. De verscheidenheid van talen beantwoordde volgens hen aan een verscheidenheid van volksaard, terwijl taalkundige verwantschap wees op een verwantschap-in-wezen van de betrokken volkeren. De romantische opvattingen over het verband van taal en volksaard stimuleerden tal van nationale bewegingen in de 19de eeuw, niet in het laatst de Duitse en de Vlaamse.

Duitsland was na het congres van Wenen in 1814-1815 geen politiek, maar slechts een aardrijkskundig begrip: een allegaartje van zowat dertig min of meer zelfstandige koninkrijken en prinsdommen, bijeengehouden door een losse Duitse Bond. De gemeenschappelijke taal was het enige bindmiddel voor de politiek versnipperde natie. Voor de pleitbezorgers van een Duitse eenmaking was het dus maar logisch Duitsland te vereenzelvigen met het Duitse taalgebied in Europa. De taalgrenzen waren volgens hen de 'natuurlijke grenzen' van een toekomstige Duitse staat.

Dat de taal 'gansch het volk' was, was terzelfder tijd ook de overtuiging van de eerste generatie flaminganten. Taalkundige criteria bepaalden de geleidelijke groei van een Vlaamse subnatie binnen de Belgische staat. Duitse patriotten en Vlaamse bewegers hadden dus vanaf de 19de eeuw iets fundamenteels met elkaar gemeen: het besef van de grondslag van hun eigen identiteit.

De romantische denkbeelden over taal- en stamverwantschap waren de bron van de geijkte visie op Vlaanderen waaraan belangstellende Duitsers in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw steeds opnieuw refereerden. De krachtlijnen van dit Vlaanderen-beeld bleven in de grond ongewijzigd. Gedurende ruim een eeuw motiveerde eenzefde gedachtestroom op verschillende tijdstippen de belangstelling voor de Vlaamse kwestie.

De kern van die Duitse visie op Vlaanderen was de overtuiging dat Duitsers en Vlamingen verbonden waren door een speciale relatie die te danken was aan hun gemeenschappelijke afstamming. De motivering van deze stelling valt te herleiden tot drie hoofdargumenten: het feit dat de Vlamingen – maar uiteraard ook de Nederlanders – nakomelingen waren van dezelfde Germaanse stammen van Franken en Saksers die ook betrokken waren bij de vorming van het Duitse volk; het Vlaamse aandeel in de Duitse kolonisatie van de tot dan toe Slavische gebieden ten oosten van de Elbe in de 12de en 13de eeuw; de eeuwenlange gezamenlijke geschiedenis van Duitsland en de Nederlanden in het Heilige Roomse Rijk die voor de Belgische gewesten tot het einde van de 18de eeuw duurde. Tijdens de Eerste Wereldoorlog schreef Friedrich von Bissing, zoon van de toenmalige Duitse gouverneur-generaal in het bezette België: "De verhouding tussen Vlamingen en Rijks-Duitsers is een familiezaak die de vreemden niets aangaat, die ook niet stoelt op politieke machtsdrift... maar op het bewustzijn van gezamenlijke taal en cultuur, een samenhorigheid in een hogere zin dan de zuiver politieke."

De stelling van een speciale relatie van Duitsers en Vlamingen was vatbaar voor nuancering. Ze kon bedoeld zijn als uiting van een algemeen en vrijblijvend samenhorigheidsgevoel van – nochtans verschillende – Germaanse volkeren. Maar ze kon ook – en dat was dikwijls het geval – leiden tot een extreme conclusie: namelijk dat Vlamingen en Nederlanders helemaal geen eigen volkeren waren, maar gewoon Duitsers zonder het te beseffen. De Alduitser Hermann von Pfister-Schwaighusen verwoordde die opvatting in 1897 in een brief aan de Vlaamsche Volksraad: "Het is voor ons... onbegrijpelijk hoe u zich een apart volk kunt voelen. U bent eigenlijk zelfs geen aparte stam. De Vlamingen zijn van Frankisch-Saksische en Frankisch-Friese oorsprong. Hun taal is niet alleen verwant aan de Duitse taal, maar feitelijk de zuster van de Hoog-Duitse, een en dezelfde echter met de Neder-Duitse taal."

Dat betekende niet noodzakelijk dat Duitsers die zo dachten, meteen ook de invoering van het Duits als voertaal in Vlaanderen bepleitten. Dit idee was aan Duitse kant nog het meest aanwezig in de vroege periode voor 1848 toen de evolutie in Vlaanderen naar het Nederlands als cultuurtaal zich voor buitenstaanders nog niet zo duidelijk aftekende en alternatieven denkbaar leken. Weliswaar waren ook in latere publicaties nog her en der pleidooien voor verduitsing te vinden. Maar dat waren stemmen van enkelingen, terwijl de meeste belangstellende Duitse waarnemers de taalkundige eigenheid van Vlaanderen niet alleen aanvaardden, maar uitdrukkelijk waardeerden. De flaminganten, ook de activisten tijdens de Eerste Wereldoorlog, reageerden telkens kribbig tegen echte of vermeende voorstellen tot verduitsing. Hun achterdocht was echter veelal ongegrond.

Naast de voorstelling van een speciale relatie op basis van gemeenschappelijke afstamming bepaalde in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw ook het idee van een identiteit van belangen de Duitse visie op Vlaanderen. Als motief voor aandacht voor de Vlaamse zaak was het zeker even belangrijk. De V.B. bestreed de overheersende Franse cultuurinvloed in Vlaanderen. Een anti-Franse tendens was ook aanwezig in de nationale eenmakingsbeweging van de 19de eeuw in Duitsland, die immers tijdens de 'bevrijdingsoorlogen' van 1813-1814 tegen Napoleon uit de tegenstelling met Frankrijk was voortgesproten. Terwijl er voor 1848 nog stemmen waren voor verstandhouding met Frankrijk, haalde de Fransvijandige strekking uiterlijk met de oorlog van 1870-1871 de bovenhand. Het 'erfvijandschap' tegen Frankrijk waarvan ze het Belgische nationaliteitengeschil als een afspiegeling beschouwden, was volgens Duitse tijdgenoten de grondslag van een gezamenlijk belang van Duitsers en Vlamingen. In de constellatie van de Europese mogendheden hoorden beide volkeren thuis in hetzelfde anti-Franse kamp. Die opvatting liep aan Duitse kant als een rode draad doorheen de geschiedenis van de Vlaams-Duitse betrekkingen.

De 19de eeuw

Het was niet voor niets dat dit motief in 1815 aan het begin stond van de Duitse belangstelling voor de westerburen. De dichter Ernst M. Arndt, auteur van vurige patriottische liederen en fervent Franshater, was de eerste Duitse publicist die de aansluiting eiste van het hedendaagse Nederland en België als deelstaten bij een te herstellen Duitse rijk. In de eerste plaats om strategische redenen: het 'vreedzame', want politiek versnipperde Duitsland had volgens Arndt in het westen zijn "oude natuurlijke grenzen" nodig als beveiliging tegen Frankrijk dat zich onder het bewind van Napoleon voorgoed agressief en onberekenbaar had getoond. Maar uiteraard voerde Arndt ook historische en taalculturele argumenten aan: de voormalige verbondenheid van de Lage Landen met het Heilige Roomse Rijk en het karakter van hun bevolking die "door oorsprong, aard, zeden, taal" tot het Duitse volk behoorde. De Vlamingen vielen volgens hem bijzonder gemakkelijk te verduitsen.

Kennismaking met een jonge staat

Arndt herhaalde die stellingen na de Belgische Revolutie in twee brochures over Die Frage über die Niederlande (1831) en Die Rheinlande, Belgien und was daran hängt (1834). Het onderwerp was deze keer meer in trek dan gedurende het congres van Wenen. De verschijning van de nieuwe staat op het Europese toneel prikkelde de nieuwsgierigheid van Duitse tijdgenoten. Reisverhalen uit België lagen goed in de markt. Duitse professoren aan Belgische universiteiten die er meestal reeds ten tijde van het Hollandse bewind waren benoemd – de rechtshistoricus Leopold Warnkönig en de taalkundige Johann W. Wolf in Gent, de historicus J.F. Mone en de jurist Wilhelm A. Arendt in Leuven – beijverden zich om hun landgenoten voor te lichten. De conservatieve regeringen van de Duitse Bond zagen de Belgische onafhankelijkheid met lede ogen aan als een uitvloeisel van de revolutionaire geest die ze verfoeiden. Duitse liberalen en katholieken met name in het Rijnland keken met bewondering aan tegen de verworvenheden van de Belgische grondwet. In de jaren 1830 en zelfs nog in het decennium daarop leek het nochtans twijfelachtig of de jonge staat een lang leven beschoren zou zijn. De opvatting dat de Belgische onafhankelijkheid maar een tussenstap was op weg naar aanhechting door Frankrijk, was in Duitsland niet van de lucht. Daarbij waren in de Duitse opinie de belangstelling voor België en de aandacht voor de ontluikende V.B. met elkaar verstrengeld. Er werd veelal nog geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen Vlaanderen en België.

Voor de oude Ernst M. Arndt stond het buiten kijf dat de Belgische Revolutie een bewijs temeer was van de Franse 'achterbaksheid' ten nadele van Duitsland. Andere tijdgenoten hadden het wat genuanceerder begrepen. Waarnemers zoals de Leuvense professor Arendt, de publicisten Johann W. Loebell en Ignaz Kuranda bestreden het Duitse 'vooroordeel' dat België gewoon een verlengstuk van Frankrijk zou zijn. Zij beklemtoonden de eigenheid en het nationaal besef van de Belgen als een volk dat het midden hield tussen de Duitse en Franse mentaliteit. De Vlaams-Waalse tweeledigheid was volgens Kuranda en Arendt zelfs een voorafbeelding van een toekomstige verstandhouding tussen Duitsland en Frankrijk.

Een duidelijk ander deuntje zong toen al de liberale publicist Gustav Höfken, een van de meest gezaghebbende Duitse waarnemers in de jaren 1840. Hij noemde België het "hoofdtoneel van de wereldhistorische strijd tussen romanisme en germanisme". Volgens Höfken was het Nederlands een zelfstandige variant van het Duits en waren de Vlamingen dus in de grond Duitsers. De V.B. beschouwde hij als een onderdeel van het algemene Duitse streven naar nationale eenheid. Hij bepleitte de "federatieve opneming" van België in een "Duitse statenbond" en de aansluiting van het land bij een Midden-Europese tolunie onder Duitse leiding. De Belgische kust was volgens hem de geschikte basis voor een toekomstige Duitse oorlogsvloot die nodig was om de Duitse belangen wereldwijd te doen gelden. Höfken was daarmee een voorloper van het imperialistische denken van rond de eeuwwisseling.

De Duitse belangstelling voor België en de V.B. in de eerste helft van de 19de eeuw werd gekenmerkt door filologische, politieke en economische aspecten. Taalgeleerden zoals Jacob Grimm, grondlegger van de Duitse filologie, en August Hoffmann von Fallersleben hielden zich bezig met ontsluiting en publicatie van middeleeuwse Nederlandse literatuur. Zij correspondeerden met vakcollega's als Jan F. Willems, kwamen in Vlaanderen naar onuitgegeven handschriften speuren en legden zo contacten met de eerste generatie flaminganten. In politiek opzicht sloeg de belangstelling voor België op de verhouding van de nieuwe staat met de Duitse Bond waarvan het land volgens Arndt, Höfken en andere publicisten lid moest worden. Om economische redenen pleitten vooral West-Duitse kooplieden, bankiers en industriëlen als de Keulse Ludolf Camphausen en de Akense David Hansemann vanaf de jaren 1830 voor een betere verstandhouding met België, toenadering van het land tot de Duitse tolunie, de in 1834 opgerichte Zollverein, en voor de aanleg van een spoorweg tussen Antwerpen en Keulen.

Het Duits-Belgisch handelsakkoord van september 1844 was er dan ook niet vreemd aan dat de jaren 1840 een eerste hoogtepunt werden in de Vlaams-Duitse betrekkingen. België raakte in die tijd overstroomd met bezoekers uit het oostelijke buurland. In Brussel verschenen achtereenvolgens drie tijdschriften van pan-Germaans allooi die evenwel alle geen duurzaam succes kenden: in 1840-1841 Die Freie Presse, in 1841 Die Grenzboten, een blad dat een jaar later naar Leipzig verhuisde, en in 1845 De Broederhand. Niet te verwaarlozen waren in de jaren 1840 de periode van het Vlaemsch-Duitsch Zangverbond dat met de roemruchte zangfeesten in Brussel, Keulen en Gent tussen 1845 en 1847 de wederzijdse verbroedering culturele luister bijzette.

In de jaren onmiddellijk na de Belgische Revolutie toen de contacten met Nederland om politieke redenen waren verbroken, stelde de eerste generatie flaminganten de Duitse blijken van genegenheid voor hun zaak bijzonder op prijs. Ze waren voor hen een hart onder de riem in hun strijd tegen de oppermachtige Franse cultuurinvloed. Dat veranderde in de tweede helft van de 19de eeuw naarmate de V.B. weer aansluiting kon zoeken bij het Nederlandse geestesleven waardoor de relatie met Duitsland dus minder belangrijk werd.

Schaarse belangstelling na 1848

Ook aan Duitse kant was na de revolutie van 1848-1849, de mislukte poging om de Duitse eenheid van onderuit tot stand te brengen, de geestdrift voor Vlaanderen geluwd. Dat kwam doordat de Duitse eenmaking sindsdien geen zaak meer was van een romantisch bezielde volksbeweging waar genegenheid voor 'stamverwante' buren nogal voor de hand lag, maar een kwestie werd van Pruisische machtspolitiek. Nochtans vielen er tussen de jaren 1850 en 1880 nog enkele sporadische uitingen te noteren van belangstelling voor de Vlaamse zaak. Zij borduurden verder op de twee motieven van afstammings- en belangengemeenschap.

Jammerklachten dat de Duitsers zich niets aantrokken van de Vlaamse kwestie en de Duitse pers haar inlichtingen terzake alleen uit Franstalige bronnen haalde, waren daarbij schering en inslag. In 1861 publiceerde de dichteres Ida von Düringsfeld een driedelige bloemlezing van levensschetsen en vertaald werk van Vlaamse schrijvers onder de titel Von der Schelde bis zur Maas, pennenvrucht van een bezoek dat ze in 1856 aan Antwerpen had gebracht. In de voorrede motiveerde ze het project met een "algemeen Germaans gevoelen", beschreef ze de Belgische geschiedenis sedert de Oudheid als een opeenvolging van botsingen tussen het Romaanse en Germaanse beginsel en kwam ze aandragen met een soort darwinistische theorie van de Vlaamse kwestie: de Vlamingen mochten volgens haar van geluk spreken dat de Belgische staat op Franse leest geschoeid was omdat ze daardoor genoopt waren tot een heilzame overlevingsstrijd, voor hen de enige historische kans om zichzelf waar te maken.

De publicist J. Lehmann bracht in 1868 opnieuw de overeenstemming van Duitse en Vlaamse belangen onder de aandacht. In het Magazin für die Literatur des Auslandes stelde hij dat de V.B. ertoe kon bijdragen de Rijn- Scheldemonding vrij te houden van Franse invloed.

Rond dezelfde tijd maakte de journalist Friedrich Oetker kennis met Vlaanderen. Hij ontvluchtte Duitsland na de mislukte revolutie van 1848-1849 en vertoefde van 1854 tot 1859 als balling in België, waar hij zich weldra in het debat onder de flaminganten mengde. Oetker was in 1859 betrokken bij de uitgave van een nieuw Vlaams-Duits tijdschrift Der Pangermane, dat net zo weinig succes had als eerdere soortgelijke projecten uit de jaren 1840. Oetker maakte naam als pleitbezorger van een politisering van de V.B. Volgens hem was het een vergissing van de flaminganten zich in de eerste plaats toe te leggen op de literair-culturele bedrijvigheid en zich onzijdig op te stellen tussen liberalen en katholieken. Zij moesten integendeel binnen de bestaande partijen Vlaamsgezinde kernen vestigen om politieke veranderingen af te dwingen. In een bundel opstellen die hij in 1876 publiceerde, uitte hij zijn teleurstelling over de gang van zaken en toonde hij zich pessimistisch over de vooruitzichten van de V.B. omdat er van de verhoopte politisering niets in huis was gekomen. Het kon Duitsland nochtans niet onverschillig laten, stelde hij, "of het Fransdom enkele miljoenen Neder-Duitsers verslindt en zich uitbreidt tot de Scheldemonding".

Dat de flaminganten niet over een eigen politieke partij beschikten, betreurde ook de Zuid-Duitse jurist Eugen von Jagemann die in 1868 in Brussel een half jaar rechten kwam studeren en daar vooral bevriend raakte met de dichter Frans de Cort. Met publicaties in Duitse kranten poogde Jagemann een perscampagne uit te lokken voor de Vlaamse zaak en er ook de aandacht van de regering in Berlijn op te vestigen, want de Duitsers waren volgens hem verplicht de 'Duitse' cultuur in Vlaanderen te steunen en te beschermen. In een in 1876 gepubliceerd boek beklemtoonde Jagemann het gematigd karakter en de beperkte doelstellingen van de V.B. die volgens hem geenszins de voorrang van het Frans als bestuurstaal betwistte. Maar België moest met het oog op zijn historische roeping een brug vormen tussen Germaanse en Romaanse beschaving, zich ook cultureel neutraal opstellen en mocht dus de verfransing niet in de hand werken.

De Vlaamse blijken van sympathie voor de Duitsers tijdens de oorlog van 1870-1871 tegen Frankrijk zetten de Noord-Duitse publicist Gustav Dannehl in 1873 aan tot een geestdriftig opstel over de V.B. De uitgever van de Münchener Neueste Nachrichten, Georg Hirth, publiceerde in 1888 in zijn krant een reeks van vijf artikels waarin hij de Vlamingen onder meer in de verf zette als de "meest Duitse van alle Duitse volksstammen". Hirth stuurde zijn gewrocht naar rijkskanselier Otto von Bismarck met het verzoek openlijk in het krijt te treden voor de V.B. Dat raadde de Duitse ambassade in Brussel evenwel stellig af.

De Alduitse toenaderingspoging

Toen de Alduitsers de banden met Vlaanderen weer nauwer poogden aan te halen begaven ze zich dus allesbehalve op braakliggend terrein. Zij knoopten aan bij een traditie van belangstelling voor de V.B. die na 1848 weliswaar verzwakt, maar niet helemaal afgebroken was. Dat gebeurde al in de ontstaansperiode van het Alldeutscher Verband. Het eerste bekende contact, een briefwisseling tussen Jan-Matthijs Brans en Hermann von Pfister-Schwaighusen, dateerde uit 1893; vanaf 1894 verschenen in Alduitse en geestverwante bladen regelmatig stukken over de V.B. De Alduitse ideeën over Vlaanderen waren niet nieuw. Ze waren al terug te vinden in publicaties uit de eerste helft van de 19de eeuw. Wel was het Alduitse initiatief de eerste poging sedert de Duits-Vlaamse zangfeesten van vijftig jaar eerder om vanuit Duitsland weer een stelselmatig en georganiseerd contact met de V.B. tot stand te brengen.

Het Alldeutscher Verband werd in 1891 opgericht door een groep misnoegde professoren, militairen, leraars, publicisten, parlementsleden en dominees die de regering in Berlijn verweten de Duitse koloniale belangen aan de Britten te verkwanselen. Tegen de achtergrond van de industriële opgang van het jonge keizerrijk en de imperialistische concurrentie tussen de grote mogendheden kwamen de Alduitsers op voor een krachtdadige Duitse 'wereldpolitiek'. Als imperialistische drukkingsgroep was het verbond de spil in een heel netwerk van nationalistische verenigingen dat ijverde voor bewapening, koloniale expansie en de onderdrukking van de nationale minderheden. De Alduitsers bepleitten een Duits wereldrijk naar het voorbeeld van het Britse Empire. Dat betekende een herverdeling van het koloniaal bezit van de Europese mogendheden ten bate van Duitsland, maar ook de vestiging van een Duitse economische en politieke invloedssfeer in Midden-Europa.

De Duitse eenmaking van 1871 was volgens de Alduitsers onvolledig en dus maar voorlopig omdat ze niet de gehele Duitssprekende bevolking op het Europese continent behelsde. Het werk van von Bismarck voltooien door het "bewustzijn van saamhorigheid van alle Hoog- en Neder-Duitsers binnen en buiten de grenzen van ons rijk" aan te wakkeren, was de kern van hun programma. Uit die formule blijkt al dat ze daarbij uiteraard niet alleen de Duitstalige Oostenrijkers en Zwitsers op het oog hadden, maar evenzeer de 'Neder-Duitsers' in België en Nederland. Beide landen moesten volgens hen toetreden tot een 'Duitse' statenbond in Midden-Europa met Berlijn als centrum en de keizer als hoofd. "Vijf vingers heeft de Duitse vuist", schreef in 1897 de Alduitser Fritz Bley: "Vlamingen, Boeren, Hollanders, Neder-Duitsers, Hoog-Duitsers." Om een unie van alle Germaanse volkeren, Angelsaksers en Scandinaven incluis, was het de Alduitsers dus uitdrukkelijk niet te doen. Met het zo begrepen pan-Germanisme, zo beklemtoonden ze te pas en te onpas, hadden ze geen uitstaans.

In weerwil van wat wantrouwige flaminganten uit hun verklaringen opmaakten, was het de Alduitsers ook om andere dingen te doen dan om een taalkundige verduitsing van Vlaanderen. Indien Vlaanderen, zoals zij beweerden, al Duits was, dan hoefde dat ook niet. Volgens hen was de Nederlandse evenals de 'Hoog-Duitse' schrijftaal een variant van het Duits en had als zodanig uiteraard een eigen bestaansrecht zoals alle uitingen van de Duitse cultuur. Weliswaar bepleitten sommigen een plaats voor het Duits in België als bestuurstaal naast het Nederlands. Maar anderzijds wilden ze ook het Nederlands ingang doen vinden in Duitsland. Alduitse theoretici grepen naar de denkbeelden van Constant J. Hansen over een "Dietse" taalgemeenschap "tussen Duinkerke en Koningsbergen" en droomden van een opwaardering van de Plat-Duitse tongvallen op basis van een Nederlands-Neder-Duitse eenheidsspelling. Een soort vernederlandsing van Noord-Duitsland dus.

Hun propaganda in Vlaanderen leverde de Alduitsers amper een handvol sympathisanten op, onder wie de dichter Pol de Mont, Jan-Matthijs Brans en Omer Wattez. Het Vlaams Comité dat het verbond in 1898 oprichtte, bleef een doodgeboren kind. Het enige concrete resultaat van de Alduitse bemoeienissen was het tweetalige Duits-Vlaamse tijdschrift Germania dat tussen 1898 en 1905 verscheen. Het was kenschetsend dat de hoofdredacteur, de in Brussel wonende Duitse baron Adolf von Ziegesar, op twee Alduitse congressen "namens de Vlamingen" het woord voerde – kennelijk bij gebrek aan echte Vlamingen. Rond de eeuwwisseling deed de gezamenlijke verontwaardiging over de Britse agressie tegen de Boeren de Alduitse-Vlaamse sympathie even oplaaien. Maar uiterlijk na het einde van de oorlog in Zuid-Afrika in 1902 braken de relaties feitelijk af.

Tot 1945

Wel kwam de Vlaamse kwestie vanaf 1910 opnieuw aan bod in de Alduitse discussie, maar vanuit een heel ander oogpunt. Het motief was nu geen algemene ideologisch getinte belangstelling meer, maar concrete bezorgdheid om de Belgische houding in het Europese conflict dat de Alduitsers zagen aankomen. Was de V.B. in staat en bereid te beletten dat België in de oorlog die in het verschiet lag, de kant van Frankrijk zou kiezen? Het antwoord was ontkennend. De Alduitsers kwamen tot het besluit dat er op de flaminganten als bondgenoten niet te rekenen viel, wat hun geestdrift voor de Vlaamse zaak duidelijk temperde. Terwijl ze in de jaren 1890 de V.B. nog aan de winnende hand hadden gezien, betwijfelden ze er nu de slaagkansen van.

In de periode onmiddellijk voor de Eerste Wereldoorlog liet zich echter ook buiten de Alduitse kringen een nieuwe en duidelijk minder ideologisch getinte belangstelling voor de Vlaamse kwestie gelden. De lichting Vlaanderen-deskundigen die nu aantrad, met name Franz Fromme, Conrad Borchling en Robert P. Oszwald, zou ruim dertig jaar lang een Vlaamse lobby in Duitsland blijven vormen. De Noord-Duitse publicist Fromme, die blijkens opstellen over het Ierse en IJslandse vraagstuk in het algemeen geïnteresseerd was in nationaliteitenkwesties, had sinds 1911 contact met vooraanstaande flaminganten en bracht in 1913 twee bezoeken aan Vlaanderen. Uiterlijk sedert 1911-1912 was ook Borchling, professor voor Neder-Duitse taal- en letterkunde in Hamburg, begaan met de Vlaamse zaak. Oszwald, historicus aan de universiteit van Leipzig, schreef in 1913 een verhandeling over de geschiedenis van de V.B. waarin hij uitdrukkelijk de Alduitse stelling bestreed dat de Vlamingen "Neder-Duitse broeders" waren en hun beweging een "strijd van Duitse volksaard tegen het Fransdom". Oszwald beklemtoonde het Nederlandse karakter van Vlaanderen en de democratische strekking van de V.B. Rond 1910 kwamen ten slotte ook contacten tot stand tussen het katholieke Sekretariat Sozialer Studentenarbeit in Mönchen-Gladbach en het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS).

Als Vlaanderen-deskundigen speelden Oszwald, Fromme en Borchling een belangrijke rol in het debat tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ze bleven spilfiguren in de Vlaams-Duitse betrekkingen tot het einde van het Derde Rijk.

De Eerste Wereldoorlog

Vanaf september 1914 werd de V.B. voor het eerst sedert de Belgische onafhankelijkheid een onderwerp voor het Duitse regeringsbeleid, met een aanzienlijke weerslag op de publieke opinie. Tijdens de eerste maanden na de inval in België waren pleidooien voor rechtstreekse aanhechting van het veroverde land als Pruisische provincie of als nieuwe deelstaat van het Rijk in Duitsland niet van de lucht. In het verdere verloop van de oorlog deed een wat genuanceerdere visie opgeld, naarmate het besef veld won dat een geannexeerd België de inwendige stabiliteit van Duitsland in het gedrang kon brengen. Want wat zou er gebeuren als de Belgen met het Duitse staatsburgerschap ook het stemrecht kregen? Zij zouden dan voor een hoogst ongewenste versterking zorgen van de Elzassische, Poolse en Deense oppositie in de Rijksdag. Anders waren er alleen drastische maatregelen denkbaar om een tegenstribbelend België in het Duitse staatsverband in te passen: een militaire dictatuur waarbij de Belgen van alle politieke rechten verstoken zouden blijven, ofwel de totale uitdrijving van het 'Duitsvijandige' bevolkingsdeel, met name de Walen.

De annexionisten met gouverneur-generaal Moritz von Bissing op kop waren niet wars van zulke oplossingen. De meeste Duitse publicisten die zich tijdens de Eerste Wereldoorlog met het Belgische vraagstuk inlieten hadden het evenwel anders begrepen. Zij betwijfelden dat een totale aanhechting van het bezette land haalbaar was, strategische grenscorrecties in de provincie Luik die algemeen wenselijk werden geacht niet te na gesproken. Voor de rest zou België formeel zelfstandig blijven, maar feitelijk onder Duitse voogdij staan. Het moest politiek, militair en economisch een satellietstaat worden met beperkte soevereiniteit, zo luidde de formule die in de loop van de oorlog schering en inslag was.

Dit concept was niet zomaar een idee van een handvol publicisten. Het lag helemaal in het verlengde van een programma dat rijkskanselier Theobald von Bethmann-Hollweg op 9 september 1914 te boek stelde. Ook de kanselier zag geen brood in een rechtstreekse aanhechting van België. Hij gaf de voorkeur aan een oplossing waarbij het land een 'vazalstaat' zou worden met Duitse garnizoenen op de strategisch belangrijke punten, "economisch een Duitse provincie".

Over de wenselijkheid en de modaliteiten van een Duitse machtsuitbreiding over België bestond dus een ruime overeenstemming tussen de regering en het merendeel van de expansionistische opinie. Er was terzake ook geen fundamenteel meningsverschil tussen militaire en burgerlijke instanties, tenzij dat in leger- en vlootkringen meer belang werd gehecht aan een blijvende militaire aanwezigheid, terwijl de burgers desnoods ook vrede wilden nemen met economische waarborgen. Ook de militairen waren trouwens verdeeld over de toekomst van het bezette land. Zo gaf gouverneur-generaal Ludwig von Falkenhausen, die de annexionist Moritz von Bissing opvolgde de voorkeur aan de satellietstaat-optie.

Hoe valt het dan te verklaren dat von Bethmann-Hollweg nochtans spoedig onder vuur kwam van rechtse expansionistische drukkingsgroepen en militairen die een verbeten strijd ontketenden tegen de volgens hen slappe kanselier? De reden is minder in een principieel dan in een tactisch geschil te zoeken. Anders dan de radicale expansionisten hield von Bethmann-Hollweg vanaf eind 1914 rekening met de mogelijkheid dat Duitsland geen overwinning, maar hooguit een vrede door overleg zou behalen. In dit geval zou het bezette België als 'vuistpand' dienen en in ruil voor de teruggave van de Duitse koloniën door de geallieerden als onafhankelijke staat worden hersteld. Met het oog op deze mogelijkheid ontweek de kanselier elke bindende verklaring over de toekomst van het bezette land. Hij deed nooit een toezegging België onvoorwaardelijk vrij te geven, maar evenmin sprak hij in het openbaar uit wat de expansionisten wilden horen, namelijk dat het land eens en voorgoed onder Duitse heerschappij zou blijven. Met deze dubbelzinnige houding wekte hij het wantrouwen van de expansionistische opinie die zijn omfloerste toespelingen op Duitse "reële waarborgen" in België onvoldoende vond en hem zwakheid verweet.

Naar gelang van de militaire ontwikkeling schommelde het Duitse beleid tussen de twee opties 'satellietstaat' en 'vuistpand'. België helemaal loslaten wou von Bethmann-Hollweg echter in geen geval, ook niet als de afloop van de oorlog de Duitsers noopte hun greep op het bezette land te lossen. Met de bedoeling nog tijdens de oorlog de nodige voldongen feiten te scheppen die verzekerden dat Duitsland ook in een onafhankelijk België een vinger in de pap behield, zette de kanselier de Flamenpolitik op touw. De bezetters kozen de V.B. als hefboom om een onrechtstreekse heerschappij over of althans een duurzame invloed in België te vestigen, omdat de flaminganten volgens hen het grootste belang moesten hebben bij een wijziging van het bestaande Belgische bestel. Door een stelselmatig Vlaamsvriendelijk beleid vanaf begin 1915 slaagden ze erin een fractie van de flaminganten, de zogenaamde activisten (activisme), op hun hand te krijgen. De Flamenpolitik was een poging om in Vlaanderen een nieuwe Duitsvriendelijke elite aan de macht te brengen, als waarborg voor een duurzame Duitse invloed in België. Deze Flamenpolitiek evolueerde zienderogen in anti-Belgische zin. Aanvankelijk was het er nog om te doen de Belgische taalwetten stipt toe te passen. Met de vernederlandsing van de Gentse universiteit vanaf eind 1915 ging het bezettingsbestuur al een stap verder en begin 1917 werd met de bestuurlijke scheiding en de oprichting van de Raad van Vlaanderen voorgoed het kader van de Belgische wettelijkheid verbroken.

De Flamenpolitik kreeg ruime weerklank bij het Duitse publiek. De oorlog veroorzaakte er een nationalistische radicalisering in een gedeelte van de opinie waar de eis voor een grootscheeps expansie- en annexatiebeleid schering en inslag werd. In dit verband kwam ook Vlaanderen in de kijker. Tussen 1915 en 1918 raakte de Duitse boekenmarkt overstroomd met publicaties over de Vlaamse kwestie. Ook vertalingen van Vlaamse literatuur in het Duits verschenen opeens bij de vleet. In maart 1917 zagen in Düsseldorf een Gesellschaft zur Pflege der deutsch-flämischen Beziehungen en in Berlijn een Deutsch-Flämische Gesellschaft het licht. Zij smolten een half jaar later samen. In Hannover bestond in 1918 enkele maanden lang een plaatselijke Bund der Flamenfreunde. Vanaf 1916 vonden in tal van Duitse steden zogenaamde 'Vlaamse avonden' plaats met voordrachten met lichtbeelden over middeleeuwse Vlaamse architectuur en kunst, opvoeringen van Vlaamse liederen, lezingen van Vlaamse dichters en optredens van vooraanstaande activisten. Zo hield de dichter René de Clercq tussen november 1917 en mei 1918 ten minste twaalf spreekbeurten in acht verschillende Duitse steden.

De nieuwe geestdrift voor Vlaanderen kreeg zijn beslag in alle belangrijke geledingen van de Duitse opinie. De rechtse oppositie, Alduitsers, annexionisten en de Duitse lobby van de radicale Jong-Vlamingen (Jong-Vlaanderen), beriepen zich op de activisten om de volgens haar te makke officiële Flamenpolitik aan de kaak te stellen. Intens was de belangstelling voor de Vlaamse kwestie ook in kringen van het Duitse katholicisme en – uiteraard – in de Neder-Duitse beweging. Woordvoerders van beide groepen eisten een bijzondere competentie op voor de betrekkingen met de Vlamingen en dus voor het Duitse beleid in België; de katholieken om confessionele, de Plat-Duitsers om taalkundige redenen. Zelfs binnen de sociaal-democratie die eigenlijk geen uitstaans had met de oorlogspropaganda gingen stemmen op voor meer begrip voor de Vlaamse zaak als sociale ontvoogdingsstrijd tegen de Franstalige heersende klasse in België.

De spreiding van de belangstelling voor Vlaanderen over verschillende maatschappelijke groepen kwam ook aan bod in de officiële Flamenpolitik. Dit was vooral het geval in de tweede helft van de oorlog toen de bezetters voor de bestuurlijke scheiding hadden gekozen. Om de bevolking van de nieuwe Vlaamse deelstaat warm te maken voor het zelfbestuur waar een meerderheid niet om had gevraagd, deed de bezetter een beroep op bemiddelaars uit verscheidene geledingen van de Duitse samenleving. De Flamenpolitik kreeg zodoende een maatschappelijke en opmerkelijk pluralistische dimensie. Vanaf begin 1917 waren katholieke medewerkers van het bezettingsbestuur, Konrad Beyerle en Wilhelm Kisky bezig hun Vlaamse geloofsgenoten in activistische zin te bewerken. Sociaal-democratische ambtenaren, eerst Wilhelm Hausenstein, later Willy Altschul, namen het socialistisch activisme onder hun vleugels. Het bezettingsbestuur huurde zelfs een sociaal-democratische Duitse feministe, Adele Schreiber-Krieger, in om een activistische vrouwenbeweging van de grond te krijgen.

De Flamenpolitik leidde tot een duurzame splitsing van de V.B. in een radicale vleugel, die voortaan de vernietiging van de Belgische staat nastreefde, en een gematigde fractie. Deze politiek had ook tot gevolg dat de radicalen na de oorlog Duitsland als mogelijke bondgenoot tegen België bleven beschouwen. Toch was er in de Weimar-republiek geen sprake meer van een officiële Flamenpolitik. Een poging van enkele oud-ambtenaren van het bezettingsbestuur die op het ministerie van binnenlandse zaken bezig waren met de 'afwikkeling' van het Belgisch avontuur en de steun aan de flaminganten wilden voortzetten, liep uiterlijk in 1921 stuk op het verzet van buitenlandse zaken. Wel was er de onder de oorlog geradicaliseerde rechterzijde, de annexionistische oppositie van weleer, die nu wrok over de nederlaag bleef koesteren en republiek en democratie verfoeide. Het was in die kringen dat gefrustreerde oud-activisten in Nederlandse of Duitse ballingschap geestverwante partners vonden.

De massale Vlaanderen-geestdrift die gedurende de oorlog in Duitsland was opgelaaid, deemsterde na 1918 even vlug weer weg. Pas in de tweede helft van de jaren 1920 herleefde aan Duitse kant de belangstelling. Een nieuwe generatie Vlamingen-vrienden deed zich gelden in kringen van nationalistische en republiekvijandige jongeren. Het was vooral de rechtse Verein Deutscher Studenten (VDSt) die de banden met Vlaanderen weer nauwer poogde aan te halen. Hier nam de politoloog en econoom Hans O. Wagner het voortouw. Sinds het midden van de jaren 1920 was hij werkzaam in de Grenzlandstiftung van de VDSt en bepleitte in een rapport van december 1925 stelselmatige toenadering tot onder meer Vlaams-nationale studentenkringen. Bijzonder bedrijvig op het vlak van Vlaams-Duitse betrekkingen binnen de VDSt was ook de jurist Walther Reusch die tussen 1926 en 1929 elk jaar een uitgebreid bezoek aan Vlaanderen bracht en sinds 1928 medewerker van Wagner was in de Grenzlandstiftung. Wagner richtte later in Berlijn de Bund der Vlamenfreunde op; Reusch was van 1941 tot 1944 werkzaam in het Duitse militair bestuur in Brussel. Beiden beschouwden in de jaren 1920 de Vlamingen als mogelijke bondgenoten in de strijd om de internationale orde van het verdrag van Versailles omver te werpen. Want Vlaamse nationalisten hadden evenveel redenen als Duitse om zich verliezers te voelen van het stelsel van Versailles, de grondslag van een vermeende Europese hegemonie van de gezamenlijke vijand Frankrijk. De Duitsers, behept met het trauma van de Frans-Belgische bezetting van het Ruhrgebied in 1923, beschouwden de V.B. als de enige kracht die een Frans-Belgisch-Hollandse alliantie en daarmee een 'economische omsingeling' van Duitsland door afsluiting van de Rijnmonding kon beletten.

In de Duitse perceptie primeerde nu dus de gedachte van een Duits-Vlaamse belangengemeenschap; een pragmatisch motief. Het ideologische denkbeeld van de gemeenschappelijke afstamming dat tot en met de Eerste Wereldoorlog het Duitse beeld van Vlaanderen had bepaald, was in de tussenoorlogse periode naar het tweede plan verschoven. De nieuwe generatie maakte er geen punt meer van Vlamingen en Nederlanders als 'Duitsers' op te eisen. Zij toonde meer belangstelling voor het sociaal-economische dan voor het taalculturele aspect van de Vlaamse kwestie. Duidelijker dan de eerdere generaties Duitse Vlaanderen-minnaars zagen de jonge nationalisten bovendien het Vlaamse vraagstuk in een Groot-Nederlands perspectief. Hun pragmatische aanpak werd geïnspireerd door hun mentor Robert P. Oszwald, de man achter de schermen van de tussenoorlogse Vlaams-Duitse betrekkingen. Oszwald had zich immers al voor 1914 doen kennen als pleitbezorger van een nieuwe realistische kijk op de Vlaamse kwestie, in tegenstelling tot de ideologisch getinte en uit de 19de-eeuwse traditie overgeërfde visie van de Alduitsers. Wel zou ook hij in de jaren 1930 in racistische zin evolueren.

Neder-Duitsland en Vlaanderen

Daarentegen bleef het besef van 'stam-' of meer bepaald 'taalverwantschap' de belangstelling voor Vlaanderen bepalen in Neder-Duitse kringen die door de Eerste Wereldoorlog voor het eerst rechtstreeks met de V.B. in aanraking waren gekomen. Voordien kon er van echte relaties nauwelijks sprake zijn. Het debat over de 'Aldietse' denkbeelden van Constant J. Hansen in de jaren 1860 en 1870 was in de eerste plaats een Vlaams verschijnsel geweest dat op enkele vrijblijvende sympathiebetuigingen na in Noord-Duitsland amper respons vond. In de jaren 1890 bestond in kringen van het Allgemeiner Plattdeutscher Verband, een in 1886 opgerichte koepel van Neder-Duitse heemkundige verenigingen, nu en dan belangstelling voor de Vlaamse zaak, maar slechts als reflex op de gelijktijdige bemoeienissen van de Alduitsers.

De heraut en theoreticus van de Neder-Duits-Vlaamse betrekkingen tijdens de Eerste Wereldoorlog was de Noord-Duitse schrijver Hans F. Blunck, sedert de herfst van 1914 werkzaam in het bezettingsbestuur in Brussel en dus spilfiguur bij uitstek in de contacten tussen activisten en Plat-Duitsers. Volgens Blunck was het de "culturele roeping" van de Neder-Duitse beweging in Vlaanderen de geestelijke grondslagen te scheppen voor vrijwillige instemming met een Duitse hegemonie. Door de aandacht van de Vlamingen te vestigen op hun "taalverwanten" in Noord-Duitsland hoopte Blunck bij hen een bewustzijn te kweken van culturele samenhorigheid met de Duitse wereld. Maar ook de Neder-Duitse beweging was volgens sommigen van haar woordvoerders door het contact met Vlaanderen aan een heroriëntering toe. Zij moest zich strijdbaarder opstellen en naar Vlaams voorbeeld de erkenning eisen van het Plat-Duits als bestuurs- en onderwijstaal in Noord-Duitsland.

Dit was het programma van de Niederdeutscher Bund die in maart 1918 als koepel van dertig Plat-Duitse verenigingen het licht zag en onder meer de relatie met Vlaanderen in zijn vaandel schreef. Contacten tussen Neder-Duitse en Vlaamse kringen waren al eerder totstandgekomen. Tussen eind 1915 en 1917 traden zo'n twintig Brusselse activisten toe tot het Plattdeutscher Landesverband für Schleswig-Holstein, Hamburg und Lübeck in Kiel. De Hamburgse vereniging Quickborn telde vanaf eind 1915 een twaalftal Nederlandse vrienden van het activisme onder haar leden.

Na de oorlog hielpen uitgeweken activisten het contact instandhouden. Zo hadden in de commissie die in september 1919 het eerste ontwerp uitstippelde van een Plat-Duitse eenheidsspelling, de zogenaamde Lübecker Richtlinien, ook Vlamingen zitting.

Eind de jaren 1920 was het vooral Franz Fromme die de Neder-Duits-Vlaamse betrekkingen nieuw leven inblies. In Berlijn stichtte Fromme in 1926 samen met de oud-activist Godfried Rooms en de in Antwerpen geboren Duitser Herbert Martens een Niederdeutsch-Flämische Arbeitsgemeinschaft. Die was het jaar daarop betrokken bij de organisatie van een tweedaagse Neder-Duits-Vlaamse bijeenkomst op 26 en 27 februari 1927 in Lübeck. Eind 1927 hield René de Clercq in Berlijn twee voordrachten voor de werkgemeenschap. Op radio Hamburg verzorgde Fromme in 1928 enkele Plat-Duitse programma's over Vlaamse volks- en letterkunde. Ook Neder-Duitse jaarboeken en heemkundige tijdschriften zoals de Hamburgse Quickborn en de in Lübeck verschijnende Niederdeutsche Welt puilden in die tijd uit van artikels over Vlaanderen. Vanuit Hamburg beijverde professor Conrad Borchling zich voor uitwisseling van Vlaamse en Neder-Duitse studenten. In maart 1935 bracht Borchling met een Hamburgse studentengroep een bezoek aan het Leuvense Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond (KVHV).

De belangrijkste geldschieter van Vlaams-Neder-Duitse activiteiten was de schatrijke Hamburgse graanhandelaar Alfred Toepfer, wiens biezondere belangstelling voor de Lage Landen voortkwam uit een sterke Neder-Duitse bewogenheid. In zijn jeugd was Toepfer onder de indruk geraakt van de 'volkse' theoreticus Julius Langbehn die dweepte met het denkbeeld van een groot Neder-Duits rijk van Kales tot Riga in de traditie van de Hanze. In 1931 richtte Toepfer de Stichting F.V.S. op die prijzen uitreikte voor culturele prestaties van onder anderen bewoners van het Neder-Duitse taalgebied, de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Zo kwam er een Rembrandtprijs voor letterkundigen die in 1936 werd uitgereikt aan de West-Vlaamse dichters Cyriel Verschaeve, Stijn Streuvels en postuum René de Clercq. Op de hoeve van Toepfer in de Lüneburger Heide logeerden in de jaren 1930 tal van Vlaamse bezoekers, onder wie Jef Hinderdael en Wies Moens.

De tussenoorlogse periode

Op de oorlogsjaren 1915-1918 na waren de Vlaams-Duitse betrekkingen wellicht nooit zo hecht als in de tijd omstreeks 1930. Anders dan in vroegere periodes toen de pogingen tot toenadering vooral uitgingen van Duitse kant, was de belangstelling nu wederkerig. Dat was niet in het laatst te danken aan de groep activistische ballingen die zich na de oorlog in Duitsland kwamen vestigen, enkelen – zoals Raf Verhulst en later zijn schoonzoon Leo Delfosse in Göttingen of Antoon Jacob in Hamburg – vestigden zich als lectoren Nederlands aan Duitse universiteiten.

Duitse Vlamingen-vrienden en uitgeweken activisten vonden elkaar in tal van verenigingen die in de tweede helft van de jaren 1920 het licht zagen, maar waarvan in de bronnen meestal nauwelijks meer bewaard is dan de namen. Zo was er in 1927 sprake van een Deutsch-Flämische Kulturgemeinschaft en een Deutsch-Niederländische Kulturgemeinschaft waarvan de begin 1928 opgerichte Deutsche Arbeitsgemeinschaft für den niederländischen Kulturkreis misschien een samensmelting was. Voorzitter van die werkgemeenschap was Robert P. Oszwald. In Berlijn bestond uiterlijk sedert 1930, wellicht al vanaf de tweede helft van de jaren 1920 tot in de jaren 1930, een Bund der Vlamenfreunde. In Keulen stichtte een vertrouwensman van Oszwald, advocaat Franz Schönberg, samen met de lector Nederlands aan de universiteit Karl Menne en de oud-activist Leo Meert in 1927 een Deutsch-Niederländische Vereinigung.

Verschillende Duitse periodieken verschenen sedert de tweede helft van de jaren 1920 met speciale Vlaanderen-nummers: het tijdschrift Volk und Reich twee keer in december 1927 en zomer 1928, de Süddeutsche Monatshefte en het katholieke jongerenblad Leuchtturm eveneens in 1928, het Plat-Duitse tijdschrift Quickborn in de lente van 1939. Op congressen en seminaries in Duitsland was er in die jaren regelmatig gelegenheid tot ontmoetingen van geïnteresseerde Duitsers, Vlamingen en Nederlanders. In mei 1927 zette advocaat Schönberg een 'Nederlandse week' in Keulen en Bad Godesberg op touw. Op initiatief van Oszwald pleegden oud-activisten, belangstellende Duitsers en sympathiserende Nederlanders in april 1928 overleg in Kleef.

Politieke bedoelingen waren bij dit alles uiteraard nooit van de lucht. Onmiskenbaar groeide echter in de tussenoorlogse periode aan Duitse kant ook de culturele en wetenschappelijke belangstelling voor de Lage Landen. Deze belangstelling deed zich niet alleen gelden in kringen van politiek gemotiveerde vrienden van de Vlaams-nationale of Groot-Nederlandse beweging. Duidelijk buiten deze sfeer stond het Deutsch-Niederländisches Institut in Keulen dat na jarenlange discussies in februari 1931 het licht zag. De werking van het instituut was beperkt tot het wetenschappelijke terrein en vooral gericht op Nederland. De kring van Duitse sympathisanten van het Vlaams-nationalisme rond Oszwald kwam bij de oprichting van de Keulse instelling niet aan bod.

Veeleer wetenschappelijk dan politiek gemotiveerd was ook de belangstelling voor de Nederlanden van de historicus Franz Petri, die in de tweede helft van de jaren 1930 een belangrijke rol speelde in het Deutsch-Niederländisches Institut. Van 1940 tot 1944 was hij belast met het cultuur- en nationaliteitenbeleid van het Duitse Militair Bestuur in Brussel en na de oorlog werd hij de gezaghebbende Duitse deskundige bij uitstek voor Nederlandse en Belgische geschiedenis. Petri behoorde niet tot de kring nationalistische Vlamingen-vrienden rond Oszwald. Met de Vlaamse kwestie kwam hij misschien voor het eerst tussen 1926 en 1929 in Marburg in aanraking. Hij was daar assistent van Johann Wilhelm Mannhardt, directeur van het Institut für das Grenz- und Auslandsdeutschtum, die in een eigen tehuis voor Volksduitsers uit het buitenland herhaaldelijk ook Vlamingen onderdak verleende. Gelegenheid tot een grondige kennismaking met Vlaamse toestanden had Petri alvast tijdens zijn studieverblijf in Brussel en Leuven van 1930 tot 1935.

Indien hij in die periode een aanleuning van Vlaanderen bij Duitsland op het oog had, dan was dat voornamelijk in het wetenschappelijke domein. De jonge 'volksnationale' strekking in de Duitse geschiedeniswetenschap die de conceptie van samenhangende 'cultuurruimtes' plaatste tegen een zuiver staatkundig en politiek gerichte historiografie, kon volgens hem een inspiratiebron worden voor Vlaamse historici om zich af te zetten tegen de overheersende belgicistische visie. Duitse invloeden konden zodoende de 'ontluikende' Vlaamse Volkstumswissenschaft bevruchten. Zoals al een generatie eerder de school van Henri Pirenne, schreef Petri in juli 1934 aan de directeur van het Deutsch-Niederländisches Institut Friedrich von der Leyen. Voor het instituut waren volgens hem "belangrijke wetenschappelijke en nationaal-politieke mogelijkheden" weggelegd als het zijn werking verruimde naar Vlaanderen toe, uiteraard "zonder ontoelaatbare politisering van de wetenschap".

De Vlaamse Kunstdagen in Aken in september 1931 waren als het ware een manifestatie tegen de oprichting van het Deutsch-Niederländisches Institut waar Vlaanderen vooralsnog niet aan te pas kwam. Zij werden op touw gezet door een groep katholieke sympathisanten van het Vlaams-nationalisme rond prelaat Theodor Rehmann en op 14 september afgesloten door een voordracht van Cyriel Verschaeve met de titel Im Geiste Rubens. Het was het eerste publieke optreden in Duitsland van de priester-dichter die er in de loop van de volgende tien jaar nog vier andere voordrachten zou houden over aspecten van de Vlaamse kunst en Vlaamse mystiek. In augustus 1932 sprak Verschaeve in Stuttgart een congres toe van het verbond van katholieke academici; in juni 1934 trad hij weer in Aken op met een uiteenzetting over de Noordse geest in de Vlaamse mystiek; in mei 1936 sprak hij achtereenvolgens in Aken, Keulen en Hamburg over Rubens en in mei 1941 hield hij de openingstoespraak op een tentoonstelling van Vlaamse kunst in Berlijn. Door zijn publieke optredens en vertalingen van zijn werk raakte Verschaeve met name na 1933 in belangstellende Duitse kringen bekend als zowat de geestelijke leider van Vlaanderen, profeet van een Groot-Germaans rijk in de nationaal-socialistische perceptie, een katholiek mysticus in de ogen van christelijke waarnemers.

Een vooral cultureel initiatief, zij het niet helemaal zonder politieke bijbedoelingen in het teken van het nationaal-socialisme, was voor de Tweede Wereldoorlog ook de Deutsch-Flämische Arbeitsgemeinschaft (DeVlag), die in 1935-1936 het licht zag in Keulse, Leuvense en Gentse studentenkringen. Het voortouw nam aan Duitse kant Rolf Wilkening, leider van de Aussenstelle West van de Reichsstudentenschaft in Keulen. De DeVlag gaf van november 1936 tot december 1938 een gelijknamig tijdschrift uit, organiseerde elk jaar beurtelings in Duitsland en Vlaanderen Duits-Vlaamse cultuurdagen en zorgde voor de uitwisseling van studenten. De impact van de vereniging was voor de oorlog evenwel beperkt. De DeVlag telde in Duitsland en Vlaanderen samen hooguit zo'n 400 leden, de cultuurdagen trokken nooit meer dan 70 tot 80 deelnemers. Het tijdschrift kampte altijd met financiële moeilijkheden.

In het teken van de nationaal-socialistische ideologie kwam in het Duitse Vlaanderen-beeld opnieuw de klemtoon te liggen op de idee van de gemeenschappelijke afstamming, zij het met een nieuwe, aan de tijdgeest aangepaste motivering: de historische en taal-culturele argumenten die tot en met de Eerste Wereldoorlog werden ingeroepen om de speciale relatie van Duitsers en Vlamingen te staven, maakten plaats voor zuiver biologische categorieën. Vlamingen en Nederlanders, zo luidde het nu, waren weliswaar aparte naties, maar – wat in de nationaal-socialistische visie doorslaggevend was – van hetzelfde Noordse ras als de Duitsers. "Het ras is gans het volk", had Herbert Martens al in 1927 geschreven. Een verzamelbundel met de sprekende titel Deutsch-Niederländische Symphonie die Oszwald in 1937 uitgaf, was doordesemd met bloed-en-bodem-mystiek. Het biologische rasbegrip liet, anders dan de taalculturele redenering, toe ook streken waar sedert de Middeleeuwen geen Nederlands meer werd gesproken zoals Noord-Frankrijk buiten de Vlaamse Westhoek op te eisen voor het Germanendom.

In de Weimar-republiek was de toenadering tot het Vlaams- nationalisme uitgegaan van particuliere kringen. Vooral rond het Belgische eeuwfeest van 1930 had de pers eveneens blijk gegeven van intense belangstelling voor de V.B., terwijl de regering zich principieel afzijdig hield. Niet-inmenging in de Vlaamse zaak bleef ook in de eerste jaren van het nationaal-socialistisch bewind het officiële regeringsstandpunt. De toenmalige Belgische ambassadeur in Berlijn meende zich zelfs te kunnen verheugen in een verbetering van de relaties, omdat de pers die door de nieuwe machthebbers aan banden was gelegd, niet meer repte over het Vlaamse vraagstuk. Maar anderzijds raakten de particuliere Duits-Vlaamse initiatieven die in de jaren voordien waren ontstaan, in het totalitaire bestel van het Derde Rijk als het ware verstaatst. Zij verschoven naar het semi-officiële vlak wat betekende dat er nu opnieuw een – zij het verdoken – Duitse Flamenpolitik was.

Dit bleek onder meer uit het feit dat woordvoerders van de Vlaams-vriendelijke Duitse opinie nauwer dan voordien bij het officiële beleid werden betrokken. Zo nam Oszwald in 1935 deel aan een bespreking van vertegenwoordigers van de ministeries van buitenlandse zaken, propaganda en Reichswehr over een verzoek van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) om een uitkering van 120.000 mark. Deze transactie ging niet door, maar een discrete subsidiëring van het VNV was er toen wel. Zij gebeurde via het bureau in Essen van Robert Holthöfer, perswoordvoerder van het verbond van de Ruhr-mijnbouw, die tussen 1934 en 1938 belast was met de activiteiten van het ministerie van propaganda in Nederland, België en Luxemburg. Ook partij-instanties lieten zich niet onbetuigd. Uiterlijk sedert 1934 was Wolfgang Ispert, een van de acteurs in de studentikoze Duits-Vlaamse contacten van het einde van de jaren 1920, als zaakgelastigde voor 'westelijke grenslandkwesties' verbonden aan een plaatselijke afdeling van het 'rijkskommissariaat' van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) in Elberfeld. Ispert hield er in Vlaanderen een netwerk op na van informanten, veelal Duitse studenten, die regelmatig verslag uitbrachten. De werking naar Vlaamse studentenkringen toe werd vanaf 1934 gebundeld door de Aussenstelle West van de Reichsstudentenschaft in Keulen. De Keulse gouwleider Joseph Grohé belegde in juli 1936 in Bad Godesberg een vergadering van personen en afgevaardigden van instellingen die zich met Nederlands-Vlaamse kwesties bezighielden. Uiterlijk sedert 1937 kreeg de VNV-krant Volk en Staat regelmatig subsidies van het ministerie van propaganda en hield het VNV er een Vlaams secretariaat in Berlijn op na.

Met de materiële en politieke steun vanuit Duitsland ging een sterke uitstraling op het Vlaams-nationalisme gepaard van het gedachtegoed dat de staatsdoctrine van het Derde Rijk bepaalde. Deze ideologische invloed had zich evenwel al voor 1933 doen gelden. Dat de Vlaams-nationalisten in de jaren 1930 de fascistische toer opgingen, was mede een gevolg van het feit dat ze al in de jaren 1920 in het Duitsland van de Weimar-republiek juist in kringen van de rechtse oppositie hun bondgenoten zochten en vonden. De doorstroming van autoritaire iedeeën werd in de hand gewerkt door Vlaamse Duitsland-bewonderaars zoals Ward Hermans of Victor Leemans. Hermans was al in de jaren 1920 correspondent van onder meer de nazi-partijkrant Völkischer Beobachter, hield in november 1934 een voordracht aan de universiteit van Leipzig en bezocht in de jaren 1930 ook wel eens kampen van de Hitlerjugend. Leemans beschikte eveneens al sinds de jaren 1920 over menigvuldige contacten in Duitsland en werd in Vlaanderen de belangrijkste vertolker van rechtse Duitse denkers en hun theorieën, onder meer als hoofdredacteur van het tijdschrift Jong Dietschland tussen 1927 en 1930.

De Tweede Wereldoorlog

Zodoende werd de herhaling voorbereid van het Vlaamse collaboratie-avontuur. Bij hun tweede inval in België stuitten de Duitsers anders dan in 1914 op een Vlaams-nationale partij die al gereedstond en bereid was tot samenwerking. Het VNV deelde met de bezetter dezelfde autoritaire maatschappijvisie en streefde naar inschakeling van de Nederlanden in een nieuwe Europese orde onder de hegemonie van het Derde Rijk. Anders dan in de Eerste Wereldoorlog was de collaboratie deze keer duidelijk ideologisch getint. Op hun beurt beschouwden gezaghebbende functionarissen van het Duitse Militair Bestuur, dat van mei 1940 tot juli 1944 in België en Noord-Frankrijk de macht had, de Vlaams-Waalse tegenstelling als houvast bij uitstek voor Duitse inwerking. Dat was weliswaar nog het minst waar voor militair bevelhebber Alexander von Falkenhausen die zich persoonlijk van de Vlaamse kwestie niets aantrok. Maar hij deed ook niets om zijn bestuurschef Eggert Reeder, die van meet af aan een actieve Flamenpolitik voorstond, tegen te werken. Het belang van het nationaliteitenvraagstuk voor de Duitse politiek besefte ook Adolf Hitler. In juli 1940 drukte hij het Militair Bestuur op het hart de Vlamingen te steunen terwijl de Walen geen gunsten mochten krijgen. De bezettingsautoriteiten vulden die richtlijn in door nauwkeurig toe te zien op de toepassing van de taalwetten en zoveel mogelijk sleutelposities met Vlaams-nationalisten te bezetten.

Zoals de meeste gezagdragers van het Militair Bestuur was Reeder geen overtuigd nationaal-socialist, maar wel een Duits nationalist en expansionist. Voor hem stond buiten kijf dat België na de oorlog een Duits "voorland", dus een satellietstaat, zou blijven. In 1941-1942, toen een Duitse overwinning nog in het verschiet leek, achtte hij het bovendien mogelijk het veroverde land ook cultureel in de Duitse sfeer in te schakelen. Na de oorlog moest het Duits volgens hem in Brussel en Wallonië spoedig het Frans verdringen. In Vlaanderen zou het zich wellicht op lange termijn als voertaal vestigen en het Nederlands geleidelijk doen verschuiven naar de positie van dialect.

Dat waren de persoonlijke ideeën van Reeder. Officieel werd het politieke lot van België gedurende heel de bezetting in het midden gelaten. Hitler had de beslissing daarover tot na de oorlog uitgesteld en de militaire bevelhebber uitdrukkelijk verboden aan politiek te doen. Dat weerhield andere Duitse instanties er niet van nog tijdens de oorlog het gezag van het Militair Bestuur te ondermijnen met propaganda van een heel concrete politieke conceptie. Diensten van het ministerie van propaganda, SS en partij die zich in de loop van de bezetting in België vestigden, ijverden openlijk voor de vernietiging van de Belgische staat en de inlijving van Vlaanderen in een "Grootgermaans Rijk der Duitse Natie". In de strijd tussen de verschillende Duitse instanties ging het nochtans niet in de eerste plaats om uiteenlopende politieke concepten maar gewoon om de macht. Daarbij dolven de militairen het onderspit tegen SS en partij en ze moesten uiteindelijk in juli 1944 plaatsmaken voor een burgerlijk bestuur.

De strijd onder de bezetters ging gepaard met een breuk in de Vlaamse collaboratie. De Duitse ijveraars voor een Germaans rijk kregen de DeVlag op hun hand. Tegen de wil in van het Militair Bestuur werd deze in augustus 1940 heropgericht en sinds mei 1941 werd ze officieel ingeschakeld in het SS-apparaat. Anders dan het VNV, dat tenminste de Nederlandse cultuur in een Dietse staat wou vrijwaren, was de DeVlag geheel en al op nationaal-socialistische en Duitse leest geschoeid. Op zijn beurt voelde het VNV zich van langsom meer door iedereen in de steek gelaten: het vond met zijn Dietse conceptie nauwelijks respons bij het Militair Bestuur en zag zich anderzijds zienderogen in het nauw gedreven door de groeiende macht van de DeVlag die er met behulp van haar Duitse bondgenoten ten slotte in slaagde de rivaal in het Vlaamse collaboratiekamp uit te schakelen. Maar einde 1944 was dit uiteraard een overwinning van korte duur en van zeer betrekkelijke waarde.

Het collaboratiebeleid werd, zolang de oorlogsomstandigheden het toelieten, geschraagd door een intensieve cultuurpropaganda. Zo was al in december 1940 een groep Vlaamse kunstenaars een week op reis in Duitsland. In juni 1941 waren er Duits-Vlaamse cultuurdagen in Keulen, in juli een Vlaamse week in Darmstadt, in augustus een seminarie voor Vlaamse studenten in Lüneberg, in september een ontmoeting van Westfaalse en Vlaamse dichters in Paderborn en een Neder-Duits-Vlaams congres in Lübeck. In oktober 1942 was Hannover het toneel van een Vlaams-Duitse cultuurweek. De steden Keulen en Antwerpen zetten in juni 1943 de Keulse Hanze-cultuurdagen op touw; twee maanden later was het de beurt aan Brussel met Vlaams-Duitse cultuurdagen. De uitgeverij Eugen Diederichs in Jena publiceerde in 1942-1943 een reeks Vlaamse geschriften, onder meer over geschiedenis, muziek, middeleeuwse architectuur en letterkunde.

Sinds 1945

De traditie van een coherent Vlaanderen-beeld in Duitsland werd in 1945 afgebroken. Door de volledige discreditering van de overgeërfde etnisch-nationalistische ideologie viel het leidmotief weg dat tot dan toe de grondslag had gevormd van de herhaalde toenaderingspogingen: voor de idee van een speciale relatie van Duitsers en Vlamingen op basis van gemeenschappelijke afstamming was er geen publieke voedingsbodem meer. Met de verandering van de Europese constellatie in de naoorlogse periode verdween met de Duits-Franse tegenstelling een ander beslissend motief voor de Duitse belangstelling voor Vlaanderen. Met de ideologisch getinte perceptie eindigde in Duitsland de waarneming van de Vlaamse kwestie als een politiek probleem.

Wel bleven enkele vooroorlogse veteranen in hun laatste levensjaren het oude Vlaanderen-beeld belijden. Franz Fromme sprak nog in april 1956 in Bremen een bijeenkomst toe van schrijvers uit de provincie Oost-Vlaanderen en een tachtigtal leden van de Plat-Duitse Vereniging voor Neder-Saksische Volkskunde. Tien jaar later had de grijze Paderbornse professor Ferdinand Wippermann, ten tijde van de Eerste Wereldoorlog al een kampioen van de Neder-Duits-Vlaamse betrekkingen, het in de voorrede tot een bloemlezing van Vlaamse lyriek over het "oergermaanse volkje aan Maas en Schelde" waarvan hij de Duitsers "het grotere broedervolk" noemde.

Ook in Neder-Duitse kringen bleef in de traditie van Conrad Borchling een cultureel getinte belangstelling voor Vlaanderen levendig. Getuige daarvan in augustus 1966 de Nederlands-Neder-Duitse studieweek in Kortrijk met deelnemers uit Nederland, Vlaanderen en Noord-Duitsland, of de regelmatige aanwezigheid van Vlaamse auteurs op de jaarlijkse bijeenkomst van Neder-Duitse schrijvers in Bad Bevensen tussen 1966 en 1970. In het kader van de samenwerking tussen het district Westfalen-Lippe en de provincie West-Vlaanderen vergaderden in november 1962 opnieuw West-Faalse en Vlaamse kunstenaars en dichters in Paderborn waar 21 jaar eerder al een soortgelijke ontmoeting had plaatsgevonden. De belangstelling voor de Vlaamse literatuur in Duitsland was in ruime mate de verdienste van de vertaler Georg Hermanowski die in de jaren 1950 en 1960 zo'n 170 Vlaamse romans op de Duitse boekenmarkt bracht. Hermanowski was in maart 1963 ook betrokken bij de stichting van een Gesellschaft zur Förderung der flämischen Kultur in zijn woonplaats Bad Godesberg. De vereniging telde vier leden die elk een eigen sectie – literatuur, onderwijs, kunst, pers – verzorgden. Om de zes weken gaf ze op zo'n dertig exemplaren een gestencild blaadje uit met de titel Flandern-Dienst dat naar kranten en persbureaus werd verstuurd. Maar al in de zomer van 1964 ging de Gesellschaft ter ziele.

Een zekere belangstelling voor Vlaanderen bleef uiteraard ook aanwezig in uiterst rechtse kringen die in het naoorlogse West-Duitsland teerden op het protest tegen de mentale breuk van 1945, maar anders dan in de Weimar-republiek nog nauwelijks beschikten over enige maatschappelijke impact. Hun bemoeienissen met de Vlaamse zaak knoopten veelal aan bij vooroorlogse acteurs of tradities. Zo hield de historicus Robert van Roosbroeck in 1963 een voordracht in Annweiler op een congres van de Verein Deutscher Studenten (VDSt) dat gewijd was aan de Vlaamse kwestie. Een uitgebreide versie van zijn betoog verscheen vijf jaar later als Geschichte Flanderns in de boekenreeks van de VDSt. In de voorrede werd uitdrukkelijk verwezen naar de traditie van contacten in Vlaanderen die bij de VDSt sedert 1896 bestond, en de rol van Robert P. Oszwald daarin. In 1977 verscheen in de Hamburgse reeks Junges Forum een brochure over het Vlaams-nationalisme van de hand van Jos Vinks, toenmalig hoofdredacteur van Dietsland Europa met een verleden in het VNV en de Duitse Luftwaffe.

Gelegenheid tot kennismaking tussen gelijkgezinden was er op de gemeenschappelijke kampen die het Antwerpse Algemeen Vlaams Nationaal Jeugdverbond (AVNJ) tussen 1970 en 1976 herhaaldelijk met de Duitse Wiking-Jugend organiseerde alsmede in de jaren 1980 op regelmatige Pinksterkampen van de Vlaamse Voorpost met de Duitse Junge Nationaldemokraten. De IJzerbedevaart werd vanaf het begin van de jaren 1970 ook voor rechtse Duitsers een pleisterplaats. De aanwezigheid van Duitse neonazi's in Diksmuide kwam herhaaldelijk aan bod in de pers en was in september 1994 zelfs het onderwerp van een interpellatie van de linkse PDS in de Bondsdag. Met de opkomst van het Vlaams Blok werd Vlaanderen in de jaren 1980 internationaal aanknopingspunt voor de electoraal veel minder succesrijke politieke rechterzijde in de Bondsrepubliek. Een werkgroep van de sociaal-democratische Bondsdagsfractie stelde in 1994 een "heel sterke inwerking" vast van het Blok op de uiterste rechter rand van het Duitse partijenstelsel. "Regelmatige contacten" waren er volgens de werkgroep sinds oktober 1987 met de National-Demokratische Partei Deutschlands (NPD), sinds november 1988 met de Deutsche Volksunion (DVU) en sinds juni 1992 met de Deutsche Liga. Afgevaardigden van het Blok namen volgens de Duitse binnenlandse veiligheidsdienst in september 1995 deel aan een ontmoeting bij Keulen waar een frontvorming werd besproken van de versplinterde rechtse bewegingen in de Bondsrepubliek.

Nostalgische ophemeling van het recente oorlogsverleden, feitelijk dus de apologie van het nationaal-socialisme, was in de rechtse Duitse visie op Vlaanderen schering en inslag. Zo zette de Vlaamsminnende schrijfster en vertaalster Ilse Carola Salm de jaren 1940 tot 1944 in de verf als literaire en culturele bloeitijd voor Vlaanderen en bracht onkritische hulde aan de "uitmuntende dapperheid" van de Vlaamse vrijwilligers aan het oostfront. Ook de letterkundige Hermanowski stelde dat de bevrijding in 1944 voor de Vlamingen een "bevrijding van de vrijheid" was.

De specifieke belangstelling voor Vlaanderen was op enkele restanten in geïsoleerde maatschappelijke en politieke milieus na in het naoorlogse Duitsland verdwenen. Door de Europese ontwikkeling ontstonden evenwel nieuwe mogelijkheden tot uitwisseling op gemeentelijk en gewestelijk vlak. In de naoorlogse Duits-Belgische contacten nam Vlaanderen duidelijk de belangrijkste plaats in. Zo was van de 128 Duitse steden en gemeenten die tot en met 1995 een samenwerkingsakkoord hadden gesloten met een stad of gemeente in België, ruim 73% verbroederd met partners in het Vlaamse landsgedeelte. De uitwisseling tussen het Noordrijn-Westfaalse Landschaftsverband Westfalen-Lippe en de provincie West-Vlaanderen die in juli 1960 totstandkwam, leidde in 25 jaar tot 130 gezamenlijke culturele manifestaties en ontmoetingen. Impulsen op de Vlaams-Duitse relaties gingen ook uit van de Belgische staatshervorming. Daarvan getuigen de akkoorden over uitwisseling van informatie en over samenwerking op de gebieden economie, cultuur, wetenschap, verkeers- en milieubeleid die de Vlaamse regering in mei 1990 sloot met de Duitse deelstaat Baden-Württemberg en in november 1991 met de deelstaat Noordrijn-Westfalen.

Niet te onderschatten valt het Vlaamse aandeel in de naoorlogse expansie van de Nederlandse filologie in Duitsland. Nieuwe leerstoelen voor Nederlandse taal- en letterkunde ontstonden sinds halverwege de jaren 1960 achtereenvolgens aan de universiteiten van Keulen, Münster, West-Berlijn en Oldenburg. Reeds in de jaren 1950 werden aan tal van Duitse hogescholen lectoraten Nederlands opgericht of opnieuw opgericht. Dit gebeurde onder meer na 1956 door bemiddeling van de Vlaamse germanist Gilbert de Smet in Marburg, Giessen, Erlangen, Saarbrücken en Frankfurt. Voor de literaire Duits-Vlaamse contacten spande zich in de jaren 1960 de in Minden gevestigde Europese auteursvereniging Die Kogge in die ook enkele Vlaamse leden telde. De vereniging vergaderde in 1965 in Brugge en wijdde een jaar later een congres in Duisburg aan de receptie van de Nederlandstalige literatuur in Duitsland. In Kleef werd in februari 1990 een Duitse sectie gesticht van het Felix Timmermansgenootschap. Een belangrijke rol als centrum van Vlaamse cultuur in Duitsland speelde sedert de jaren 1960 het Belgisch Huis te Keulen, opgericht in februari 1950. Dit organiseerde sinds 1966 onder meer regelmatig tentoonstellingen van Vlaamse kunst en concerten en gastvoordrachten van Vlaamse wetenschappers.

Dit alles nam nochtans niet weg dat Vlaanderen voor het grote publiek in Duitsland onbekend terrein bleef. Hoe diep de mentale breuk van 1945 was, bleek niet in het laatst uit de schaarse berichtgeving in Duitse kranten over de naoorlogse ontwikkeling in België. Deze berichtgeving was en is door de band gekenmerkt door een opmerkelijk gebrek aan gevoeligheid voor Vlaamse problemen en standpunten. Dankzij de aanwezigheid van Europese Unie en NAVO telt Brussel vandaag wellicht meer correspondenten van Duitse media dan ooit tevoren. Uit de voorlichting van het Duitse publiek over Vlaanderen heeft Vlaanderen zelf tot nog toe nooit voordeel gehaald. In de verslaggeving over communautaire geschilpunten van de voorbije decennia – de Marsen op Brussel, de zaak-Leuven (onderwijs), het debat over de 'Europese wurggreep' op Vlaams-Brabant – valt één ding steevast op: de Duitse waarnemers beperken zich niet tot analyse, maar kiezen partij, en wel altijd tegen de respectieve Vlaamse eisen en voor het behoud van de bestaande Belgische structuren.

In de Duitse berichtgeving kwam in het begin van de jaren 1960 de Vlaamse eis voor afbakening van de taalgebieden uit de verf als belachelijk idee, werd de eenheid van België bepleit tegen het federalisme, werd gewaarschuwd tegen de splitsing van de Leuvense universiteit en werden Vlaamse drukkingsgroepen in de Brusselse Rand afgeschilderd als een stelletje anti-Europese 'extremisten'. De onbekwaamheid het Belgische nationaliteitenvraagstuk ook maar te begrijpen, komt doordat Duitse waarnemers hun licht vooral in de Franstalige pers opsteken. Maar ze wijst bovendien op een wijziging van de politieke perceptie. Voor 1945 werd de Duitse belangstelling voor de V.B. in ruime mate gevoed door anti-Franse motieven. De naoorlogse generatie Duitse waarnemers is opgegroeid in de sfeer van de geestdriftig bedreven Duits-Franse verzoening. Het irriteert hen als ze de Duits-Franse harmonie niet terugvinden in de Belgische context en ze leggen de verantwoordelijkheid daarvoor bij de V.B. als "eisende partij". In de grond bleef het beeld dat Duitsland van Vlaanderen had dus een weerspiegeling van Duitslands relatie met Frankrijk.

Literatuur

R.P. Oszwald, Deutsch-niederländische Symphonie, 1937; 
H. Schütt, e.a., Flandern-Niederdeutschland. Ein Gemeinschaftswerk von Flamen und Niederdeutschen, 1939; 
H.W. Gatzke, Germany's Drive to the West, 1950; 
J. Behets, 'Het Germanisme in de Vlaamse Beweging', in WT, jg. 20 (1960), p. 5-12 en 201-210; 
F. Fischer, Griff nach der Weltmacht, 1961; 
J. Behets, 'De Vlaamse Beweging tegenover het Dietslandisme en het Pangermanisme', in WT, jg. 22 (1962), p. 441-458; 
id., 'Diets of Duits?', in WT, jg. 23 (1963), p. 211-228; 
id., 'De breuk tussen de Vlaamse Bewegers en de Pangermanisten', in WT, jg. 23 (1963), p. 451-464; 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, II-IV, 1963-1965; 
F. Petri, 'Zur Flamenpolitik des ersten Weltkrieges', in Dauer und Wandel der Geschichte. Festgabe für Kurt von Raumer, 1965; 
H. von der Dunk, Der deutsche Vormärz und Belgien, 1966; 
P. Nelde, Flandern in der Sicht Hoffmanns von Fallersleben, 1967; 
L. Simons, Oostnoordoost. Facetten van de uitstraling van Vlaanderens taal en literatuur, 1969; 
F. Wende, Die belgische Frage in der deutschen Politik des ersten Weltkrieges, 1970; 
H. Lademacher, Die belgische Neutralität als Problem der europäischen Politik, 1971; 
I.C. Salm, Flandern (Eckartschriften, nr. 46, 1973); 
J. Behets, H. von der Dunk en F. Petri, 'Duitsland-Vlaanderen', in EVB, I, 1973; 
L. Buning, 'Meer licht op de von Ziegesars', in WT, jg. 32, nr. 6 (1973), p. 303-330; 
L. Wils, Flamenpolitik en Activisme, 1974; 
L. Buning, 'Reismann-Grone, het Alldeutscher Verband en de Vlamingen', in WT, jg. 34 (1975), p. 223-262; 
id., 'De Quickborn en Vlaanderen', in WT, jg. 35 (1976), p. 81-102 en 137-154; 
L. Simons, Van Duinkerke tot Königsberg. Geschiedenis van de Aldietse Beweging, 1980; 
W. Dolderer, 'De zaak-Leuven en de Duitse pers', in Vlaanderen Morgen, nr. 3 (1982), p. 33-46; 
F. Meire, 'De DeVlag voor mei 1940', in BTNG, jg. 13, nr. 2-3 (1982), p. 419-466; 
B. de Corte, Het tijdschrift 'Germania' (1898-1905) in het kader van de Vlaams-Duitse betrekkingen, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1982; 
L. Simons, Vlaamse en Nederduitse literatuur in de 19de eeuw, 2 dln., 1982-1985; 
C. Nunn, Belgien zwischen Deutschland und Frankreich (1925-1934), 1985; 
W. Dolderer, 'De nieuwe Duits-Vlaamse toenadering na de Eerste Wereldoorlog', in WT, jg. 46 (1987), p. 211-223; jg. 47 (1988), p. 109-139; 
E. Verhoeyen, 'De financiering van het dagblad "De Schelde 
Volk en Staat" (1929-1940)', in WT, jg. 46, nr. 4 (1987), p. 224-240; jg. 47, nr. 1 (1988), p. 35-58; 
P. Klefisch, Das Dritte Reich und Belgien 1933-1939 (Europäische Hochschulschriften, dl. 531, 1988); 
B. de Wever, Staf de Clercq, 1989; 
W. Dolderer, Deutscher Imperialismus und belgischer Nationalitätenkonflikt (Kasseler Forschungen zur Zeitgeschichte, nr. 7, 1989); 
F. Seberechts, Geschiedenis van de DeVlag: van cultuurbeweging tot politieke partij 1935-1945, 1991; 
C. Lejeune, Die deutsch-belgischen Kulturbeziehungen 1925-1980 (Beiträge zur Geschichte der Kulturpolitik, dl. 3, 1992); 
M. Baerlecken, 'Cyriel Verschaeve, ein Mythos in Deutschland?', in Verschaeviana (1993), p. 131-173; 
E. Verhoeyen, 'De Duitse Abwehr in België (september 1939-mei 1940', in Belgisch Tijdschrift voor Militaire Geschiedenis, jg. 30, nrs. 3-4-5 (1993-1994), p. 183-198, p. 265-285 en p. 369-387; 
B. de Wever, Greep naar de macht, 1994; 
J. Ipema, 'Alfred Toepfer, Nederduitser, Pan-Germaan of Groot-Nederlander', in WT, jg. 53, nr. 1 (1994), p. 34-55; 
W. Dolderer, De republiek van Weimar en de Vlaamse beweging. Eerste deel: de complottheorie WT, jg. 56, nr. 2 (1997) p. 101-123; 
W. Dolderer, 'De republiek van Weimar en de Vlaamse beweging. Tweede deel: de betrekkingen', in WT jg. 56, nr. 3 (1997) p. 131-151. 

Auteur(s)

Winfried Dolderer