Dodd, Geeraard-Jan

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Antwerpen 6 september 1821 – Sint-Joost-ten-Node 8 november 1888).

Ging in zijn geboortestad op school bij Michiel van der Voort en verbleef van 1835 af enige tijd in een kostschool te Rijsel. Daarna werd Dodd leerling aan de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen en lid van de Kunstenaerskring (voorzitter E. de Block, secretaris Jan J. de Laet), waar ook Hendrik Conscience verkeerde. In 1844 volgde hij De Laet naar Brussel als medewerker aan het dagblad Vlaemsch België; na het verdwijnen van het blad trachtte hij in zijn onderhoud te voorzien door privé-lessen en vertalingen. In 1847 werd hij tekenleraar aan de Israëlitische school; in 1854 volgde hij Karel F. Stallaert op als archivaris van de Brusselse godshuizen. Op 16 november 1887 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.

Dodd werd Vlaamsgezind in de Antwerpse artistieke kringen en bleef het in Brussel; hij behoorde tot diegenen voor wie de V.B. "niet bloot een vraegpunt van letterkunde, maar een vraegpunt van volksbeschaving en volksbestaen" was (De Moedertael, 1849). Ook het partijbelang moest daarbij worden achtergesteld; van 1857 af evolueerde Dodd evenwel naar een strijdend liberalisme. Hij was een actief lid van alle Vlaamsgezinde verenigingen in de hoofdstad, zoals het Nederduitsch Tael- en Letterkundig Genootschap (waarvoor hij in april 1848 een sterk Belgisch-nationaal en anti-Frans gedicht, De Fransche Vrijheid, voordroeg), Het Taelverbond, De Wijngaerd, Vlamingen Vooruit, De Distel, jurylid bij talloze toneelwedstrijden, stichter van het tijdschrift De Moedertael (1849-1851, met de Fries O.J. Eekma), medestichter, in 1855, van het weekblad De Klauwaert en, in 1862, van het Nederduitsch Maandschrift. Hij schreef kunstkritische opstellen, verhalen, toneelspelen (onder meer in 1860 De Familietwist, met Désiré Delcroix, waarin de verzoening tussen Noord- en Zuid-Nederland wordt behandeld), een nooit opgevoerd zangspel (Breydel en de Coninc, op muziek gezet door E. van Syngel, 1876) en drie bundels gedichten, waarvan de eerste, Liedjens en Deuntjens, uit 1857, scherpe politieke en flamingantische gedichten in de trant van de Van Ryswycks bevat, onder meer een aantal bijtende gedichten tegen de in 1855 minister geworden, 'gearriveerde' flamingant Pierre de Decker.

Literatuur

Th. Coopman, 'Levensschets van Geeraard-Jan Dodd', in Jaarboek der KVATL (1890); 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, II-III, 1963-1964; 
E. Gubin, Bruxelles au XIXe siècle: berceau d'un flamingantisme démocratique, 1979.

Auteur(s)

Ludo Simons