Distel, De

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

opgericht in 1881 door Jan-Matthijs Brans en Jan B. Janmoulle te Brussel als letterkundig genootschap onder het motto "Hekelig, niet stekelig".

Toen na drie jaar de kring voldoende aanhang had verworven, werd het werkterrein uitgebreid en de kring tot kunstgenootschap herdoopt. Van dat ogenblik af werden ook plastische kunstenaars bij het gezelschap betrokken en werden de zittingen meestal opgeluisterd door muziekuitvoeringen. die onder het impuls van Prosper van Langendonck (1862-1920), Alfred Hegenscheidt en vooral van Franz Ruhlmann een behoorlijk peil bereikten. Kenschetsend was de voorliefde voor buitenlandse muziek (voornamelijk uit de Duitse romantiek), in tegenstelling tot bijvoorbeeld de cultuurfondsen het Davidsfonds en het Willemsfonds, die in de eerste plaats werk van eigen bodem brachten.

Niettemin bleven de voornaamste bezigheden van De Distel van literaire aard. Op de wekelijkse zaterdagse bijeenkomsten werd eigen werk voorgelezen en aan de kritiek van de medeleden onderworpen. Ook werden teksten van andere binnenlandse maar dikwijls ook van buitenlandse auteurs voorgesteld en besproken (bijvoorbeeld H. Swarth, H. Gorter, W. Kloos, F. Dostojevsky). De bedoeling was dat de leden elkaar over het letterkundig leven in binnen- en buitenland zouden informeren en in een gezonde concurrentie hun eigen werk op een hoger peil zouden brengen.

De betekenis van De Distel als Vlaams geestelijk brandpunt in het Brussel van die tijd mag niet onderschat worden. Cultuurminnende Vlaamse Brusselaars beschikten in De Distel over een ontmoetingscentrum waar ze samen konden feesten, waar tijdschriften ter inzage lagen en waar een bibliotheek te hunner beschikking stond. Ze konden er onder gunstige omstandigheden debatteren over culturele en maatschappelijke problemen en er hun talenten ontwikkelen.

Hoewel De Distel zich van elke partijpolitieke binding onthield en zich in Vlaamse aangelegenheden naar buiten toe nooit heftig militant gedroeg, hield zij zich toch ook bezig met de Vlaamse strijd van die tijd en nam zij af en toe een duidelijk standpunt in: Vlaams onderwijs in de hoofdstad, aansluiting bij het Nationaal Vlaamsch Verbond (NVV), toenadering tot Noord-Nederland en Duitsland. Ook voor de verdere ontwikkeling van de Vlaamse letterkunde was De Distel niet zonder belang. Latere Van Nu en Straksers (als Hegenscheidt, August Vermeylen, Gustaaf Schamelhout, Herman Teirlinck, Fernand V. Toussaint) leerden elkaar daar kennen en ontdekten er in de oudere Van Langendonck, jarenlang secretaris en dikwijls ook voorzitter van De Distel, de man die hen in de strijd voor de ontwikkeling van Vlaanderen de nodige geestelijke leiding kon geven. Verder vonden ze in het meestal nogal oubollig en uitgeleefd romantisch aandoend gezelschap van ouderen (waaronder vooral Brans, L. Leefson en L. Buyst, en in mindere mate ook Teirlinck en Reimond Stijns) een hardnekkige, maar daardoor juist vruchtbare oppositie, waaraan ze later vaak met een soms ietwat hautain plezier terugdachten. Toen omstreeks de eeuwwisseling vrijwel alle jongeren zich van De Distel gedistantieerd hadden, leefde het gezelschap nog tot ongeveer 1908 stil voort. Het zou uiteindelijk in de letterkundige afdeling van de Brusselse tak van het Algemeen-Nederlands Verbond worden opgenomen.

Literatuur

H. Teirlinck, De Kroonluchter, 1904; - - L. Opdebeek, Bloemekens van den Vlaamschen Rozelaar, 1928; 
G. Schamelbout, 'Uit de jaren 1892-1901', in Gendenkboek A. Vermeylen, 1932, p. 111-116; 
G. Schmook, 'Prosper van Langendonck en zijn verhouding tot de Distel (1882-1908)', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1957); 
id., 'Prosper van Langendonckiana. Enige aanvullingen op Prosper van Langendonck en zijn verhouding tot De Distel', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1959); 
id., 'Het letterkundig genootschap De Distel musiceert (1882-1900)', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1966) 

Auteur(s)

Laetitia Jansseune; Machteld de Metsenaere