Dienstweigering

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

van Vlamingen in het Belgisch leger, op grond van nationalistische, antimilitaristische en moreel-religieuze motieven, hoofdzakelijk in de jaren dertig.

Op het geval Jozef P. Pelsmakers in 1923 na begint de Vlaamse dienstweigeraarsbeweging in 1928 met Lode Bonten, die weigerde gevolg te geven aan Franse bevelen en werd afgekeurd. Herman Vos riep in De Schelde van 3 mei 1929 de Vlaamse dienstplichtigen op ter gelegenheid van de Belgische eeuwfeesten in 1930 massaal Bontens voorbeeld te volgen om met de steun van alle Vlaamse volksvertegenwoordigers "het Vlaams commando af te dwingen". Eén man beantwoordde Vos' oproep: Joris de Leeuw. Maar voor het overige slaagde het scenario. De Leeuw werd op 6 mei 1930 veroordeeld tot drieëneenhalve maand gevangenis, die dag zelf al vrijgelaten en op 21 augustus door het krijgshof vrijgesproken. Zijn actie kreeg in Vlaanderen veel bijval en dwong met de steun van de bijna volledige Vlaamse pers en de hele oppositie de regering tot een versnelde toepassing van de taalwet van 1928, die het gebruik van het Nederlands als commandotaal voor de Vlaamse regimenten vanaf 1 januari 1931 regelde (leger).

De Leeuw vervulde daarna zijn dienstplicht. Hij en Bonten, allebei actief in de Antwerpse Vlaamsch-Nationale Wacht, zouden met andere radicale nationalisten als August Borms, Ward Hermans en Raf Verhulst (De Noorderklok) campagne voeren voor anti-Belgische acties door jongeren. Dienstweigering leek hen daartoe de geschikte 'daad'.

In 1931 ging een tiental jongelui over tot volledige dienstweigering: Arseen de Schrijver, Lode van Dyck, Jozef Geerts, Jozef de Keersmaecker, Berten Fermont, Karel Nyssen, Maurits van den Broeck, Jeroom Vermandere, Willem de Roover en Jan Thielemans. Hun 'offer' kreeg zeer veel aandacht in De Schelde en andere nationalistische publicaties. Er werden heel wat propagandameetings georganiseerd en hun processen kregen vaak het karakter van politieke meetings. De grootste weerklank kreeg aanvankelijk de weigering van de Vlaams-Nationale Wachter Van Dyck. Hij achtte zich "gerechtigd en verplicht" dienst te weigeren in het Belgisch leger, omdat België "de Vlaamse volksgemeenschap haar recht onthoudt". Dit zou voor de meerderheid van deze dienstweigeraars het hoofdmotief worden.

De Schrijver, Geerts en Nyssen weigerden vooral om pacifistische redenen. Hun motivering was zeker niet de drijvende kracht achter de 'beweging', maar sloot wel aan bij de pacifistische en antimilitaristische ideeën die in Europa opgeld deden en die op de IJzerbedevaart, in De Vlaamsche Oudstrijder en in De Schelde gepropageerd werden. Over dienstweigering werd ook in een katholiek tijdschrift als Hooger Leven geschreven. 1931 was ook het jaar van de oprichting van drie pacifistische organisaties: de Vlaamsche Jongeren Vredes-Aktie, de Katholieke Jongeren Vredes-Aktie en de socialistische Anti-Oorlogsliga. Veel nationalistische dienstweigeraars noemden dan ook als bijkomend motief hun antimilitarisme. Antimilitarisme en pacifisme waren overigens tot op zekere hoogte bruikbaar in de strijd tegen België, dat met Frankrijk een militair akkoord had afgesloten. Borms, het idool en voorbeeld van de dienstweigeraars, sprak over 'Franco-België'.

Al deze dienstweigeraars werden veroordeeld en kwamen in de gevangenis terecht. Dat gebeurde in 1931 ook met een aantal, vooral Franstalige, protestantse gewetensbezwaarden, onder wie Camille Lejeune.

Hermans, toen al jaren geen pacifist meer, zou op 16 juni 1931 een wetsvoorstel indienen voor een statuut voor principiële gewetensbezwaarden. De inoverwegingneming werd verworpen; ze werd enkel gesteund door Fronters, socialisten en communisten. Het voorstel werd door de meerderheid beschouwd als anti-Belgische agitatie.

In 1932 en 1933 kwamen er nieuwe dienstweigeraars. Willem de Baere, Joris Kennes, Hendrik Verhelle, Lionel de Vlaminck, Hendrik Decleir en Jeroom Buysse weigerden zowel om nationalistische als om antimilitaristische redenen. Puur pacifistisch waren Julien Dehoperé en de seminarist August van Humbeeck. Deze laatste werd uit het seminarie gestuurd. Nieuw was dat leden van de Anti-Oorlogsliga, de socialistische antimilitaristen Frans Buyle en Herman van Volsem (in 1934 ook Aloïs Heyninck), dienst weigerden. Partij en Liga stelden zich terughoudend op tegenover hen. Er was ook de anarchist Rudger Simoens. Rond hem zou door Fronters en socialisten actie gevoerd worden, maar niet echt gezamenlijk. Door de steun van de socialisten en onder internationale druk kwam hij wel snel vrij.

De meeste andere dienstweigeraars werden (vooral in de jaren 1931-1933) zwaar gestraft. Ze werden meestal veroordeeld als deserteurs. Gewoonlijk werd wie doorging met weigeren verscheidene keren gestraft, iedere keer strenger. Dienstweigeraars kregen het gewone gevangenisregime. Het wetsvoorstel van senator Edmond van Dieren (2 juni 1932) om hen als politieke gevangenen te behandelen werd niet in overweging genomen. Zij werden als een bedreiging voor de Belgische staat gezien, welke ook hun motivering was. Dat bleek duidelijk in het Kamerdebat van 9 februari 1932 over het verbod dat de Nederlandse theoloog Kors kreeg om voor Leuvense studenten over pacifisme te komen spreken.

Het harde gevangenisregime was voor Fermont noodlottig. Ook de gezondheid van De Keersmaeker, De Baere en Thielemans had zwaar te lijden. Bovendien was de morele druk op deze jongeren heel sterk. De hoogste kerkelijke autoriteiten veroordeelden hun ongehoorzaamheid aan het wettelijk gezag. In de gevangenis toonden bewaarders, dokters en aalmoezeniers hun antipathie. De meesten werden voor het gerecht verdedigd door Vlaams-nationalistische advocaten. Maar de groeiende verdeeldheid in het Vlaams-nationale kamp van het begin van de jaren 1930 vergrootte hun isolement. Velen vervulden uiteindelijk hun dienstplicht, vaak onder druk van prominenten van het Verdinaso en het Vlaamsch Nationaal Verbond.

Na het overlijden van Fermont bloedde de beweging dood. Vrij geruchtmakend was nog de zaak rond Joris Kennes, die in 1935 voor de vierde maal veroordeeld werd. Door de druk van Vlaamse en internationale vredesorganisaties van verschillende strekking kwam hij nog dat jaar vrij. De enkele nieuwe dienstweigeraars beriepen zich uitsluitend op pacifistische motieven: de gebroeders Stan en Rik Spiessens, Keustermans, Jules Draeyers, Albert Verbaenen, Albert Eyckerman en de christen-socialist Louis van Kerckhoven. Behalve de laatste behoorden zij tot de KJVA. Die probeerde de discussie over dienstweigering uit de nationalistische hoek te halen. Hoe nauw de KJVA toch bij het Vlaams-nationalisme aansloot, bleek toen op de IJzerbedevaart van 1938 Frans Daels pleitte voor een officieel erkend statuut voor de dienstweigeraars. Het wetsvoorstel-Flor Grammens (begin 1940) werd door de voorzitter van de Kamer zelfs niet in druk aanvaard.

Alles samen ging het om 32 dienstweigeraars, meestal van eenvoudige afkomst (arbeiders, bedienden, een paar onderwijzers). Zij kwamen voor de helft (15) uit de provincie Antwerpen. Zes kwamen er uit Oost-Vlaanderen, vier uit Brabant, en telkens twee uit Limburg en West-Vlaanderen.

Literatuur

J. Vinks, Borms, 1974; 
B. Govaerts, Berten Fermont, 1974; 
I. Driesen, Het antimilitarisme van de BWP 1928-1936, VUB, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1976; 
R. Cardoen, Het probleem van de dienstweigering tussen de twee wereldoorlogen, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1977; 
R. Vanlandschoot, Michiel Vandekerckhove. Leven en werk, 1980; 
A. de Bruyne, Joris Van Severen. Droom en daad, 19832; 
J. Schildermans, Hem Day en het franstalig Belgisch anarchisme tussen de twee wereldoorlogen, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1983; 
M. Lamot, Voorgeschiedenis en ontstaan van pacifistische bewegingen in Vlaanderen (1919-1931), KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1984; 
A. Smits, Dom Modest Van Assche. Kersten en Vlaming, 1986; 
J. Creve, Recht en trouw. De geschiedenis van het Verdinaso en zijn milities, 1987; 
J. Thys, 'Eerste dienstweigeraar in België uit het VOSsenmidden van Lichtaart (1923)', in De Vos (20 februari 1987); 
E. Truyens (red.), Huldeboek Nestor Gerard-Ward Hermans, 1987; 
A.E. Eyckerman, 'De Vlaamse dienstweigeraars tussen de twee wereldoorlogen', in Jaarboek Vlaamse Beweging (1987); 
H.F. Jespers, 'Dienstweigering', in De Vos (28 december 1987 tot 10 maart 1989); 
E. van Neygen, Wegbereiders. Portretten van Vlaamse pacifisten, 1990; 
L. Vandeweyer, 'Katholieke Vredesactie in bedreigd België', in R. Burggraeve, J. de Tavernier en L. Vandeweyer (ed.), Van rechtvaardige oorlog naar rechtvaardige vrede. Katholieken tussen militarisme en pacifisme in historisch-theologisch perspectief (KADOC-studies, nr. 15, 1993).

Auteur(s)

Etienne van Neygen