Deutsch-Flämische Gesellschaft

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

propagandaorganisatie voor de Duitse Flamenpolitik in de Eerste Wereldoorlog die actief was tussen 1917 en 1922.

Had de taak de doelstellingen van de Flamenpolitik te helpen realiseren door vooral de wederzijdse culturele belangstelling van Duitsers en Vlamingen aan te wakkeren. De Deutsch-Flämische Gesellschaft verenigde zowel pleitbezorgers van de officiële Flamenpolitik als aanhangers van de expansionistische oppositie. Zij was een vergaarbak van alle personen en groepen in Duitsland die tijdens de oorlog belangstelling toonden voor de Vlaamse kwestie. In de praktijk stelde ze zich tot november 1918 op als maatschappelijk verlengstuk van het bezettingsbestuur in Brussel.

De Deutsch-Flämische Gesellschaft groeide uit twee kernen die in maart 1917 gelijktijdig het licht zagen: de Gesellschaft zur Pflege der deutsch-flämischen Beziehungen in Düsseldorf en de Deutsch-Flämische Gesellschaft in Berlijn. In Düsseldorf namen katholieken het voortouw. Zij werkten nauw samen met het bezettingsbestuur in Brussel en volgden de officiële lijn van de Flamenpolitik. Het initiatief ging uit van advocaat Julius Stocky; voorzitter van de nieuwe vereniging werd professor Franz Jostes, een eveneens katholieke germanist uit Münster. In Berlijn maakten radicale expansionisten de wacht uit. De spilfiguren waren hier de Alduitser Paul Simons, die in 1915 als ritmeester tijdelijk verbonden was aan het Militair Bestuur in Brussel, en professor Dietrich Schäfer, historicus en de leider van de Unabhängiger Ausschuss für einen deutschen Frieden, de spreekbuis van de expansionistische oppositie. Voorzitter van de Berlijnse vereniging werd een prominent lid van die organisatie, de diplomaat Franz von Reichenau.

Onder sterke druk van het bezettingsbestuur in Brussel, dat de propaganda voor de Flamenpolitik in Duitsland in een enkele organisatie wou bundelen en bovendien de expansionisten aan banden wou leggen, smolten de twee verenigingen eind september 1917 samen. De nieuwe Deutsch-Flämische Gesellschaft hield er twee zelfstandige centrales in Düsseldorf en Berlijn op na. Voorzitter werd Jostes, zijn plaatsvervanger was von Reichenau.

Vanaf november 1917 gaf de Deutsch-Flämische Gesellschaft het verbondsblad Vlamenland uit, eerst tweemaandelijks, sinds mei 1918 om de vier weken. Er ontstonden plaatselijke afdelingen in ten minste dertien Duitse steden en in Antwerpen, Brussel, Gent en Kortrijk. De praktische werking van de Deutsch-Flämische Gesellschaft gold vooral de 60.000 weggevoerde Vlaamse arbeiders in Duitsland. De vereniging trachtte hen door sociale voorzorg en ontspanningsactiviteiten in Duitsvriendelijke en flamingantische zin te beïnvloeden. Uit de Berlijnse kern klonken in de loop van 1918 nu en dan sterk expansionistisch getinte geluiden.

Na de Duitse capitulatie in november 1918 stuikte de Deutsch-Flämische Gesellschaft vlug ineen, maar ze bleef toch nog enkele jaren een schamel en financieel berooid bestaan leiden. De meeste plaatselijke afdelingen lieten het afweten. Het tijdschrift Vlamenland verscheen vanaf juni 1919 weer tweemaandelijks en verdween in februari 1921. In januari 1922 doekte de Düsseldorfse kern zichzelf officieel op; de Berlijnse tak hield het een paar maanden langer vol.

Literatuur

W. Dolderer, Deutscher Imperialismus und belgischer Nationalitätenkonflikt (Kasseler Forschungen zur Zeitgeschichte, nr. 7, 1989); 
id., 'Oorlogspropaganda rond de Vlaamse kwestie. De werking van de plaatselijke afdelingen van de Deutsch-Flämische Gesellschaft 1917-1918', in WT, jg. 49, nrs. 3-4 (1990), p. 129-145 en p. 193-206.

Auteur(s)

Winfried Dolderer