Debeuckelaere, Adiel

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Handzame 12 december 1888 – Ninove 15 februari 1979).

Studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper en daarna aan de Rijksuniversiteit Gent, waar hij in 1911 promoveerde tot doctor in de wijsbegeerte en letteren, klassieke filologie, op een proefschrift over de hagiografische teksten betreffende Constantijn de Grote. In 1912 was Debeuckelaere laureaat van de Interuniversitaire Wedstrijd, van de Cumontprijs en van de Internationale Wedstrijd voor Reisbeurzen. Na invaller te zijn geweest aan de athenea van Gent, Ath, Verviers en Brugge werd hij in april 1913 als leraar benoemd aan het atheneum in Gent. Hij studeerde verder nog in Marburg, Leiden en Rijsel (oud-Grieks en Byzantijns) en stond klaar om naar Rome te vertrekken, toen de Eerste Wereldoorlog begon. Hij weigerde de officierenopleiding te volgen en werd korporaal. Op 18 september 1918 namen de Duitsers hem krijgsgevangen en brachten hem over naar een kamp in Duitsland. Op 1 februari 1919 werd hij leraar aan het atheneum in Brugge tot hij in september 1919 ontslag nam. Ondertussen was hij bezoldigd secretaris van Het Vlaamsche Front geworden. Op 10 november 1919 koos men hem in Antwerpen tot Kamerlid wat hij zou blijven tot 1921. Op 9 mei 1920 liet hij zich inschrijven aan de universiteit in Leuven, waar hij op 7 juli 1921 promoveerde tot doctor in de rechten. In 1925 werd hij provincieraadslid van Oost-Vlaanderen en bleef dit tot 1929, toen het arrondissement Aalst hem als Vlaams-nationalistisch vertegenwoordiger naar de Kamer zond, waar hij zetelde tot 1932. In 1939 werd hij provinciaal senator voor Oost-Vlaanderen. Ten slotte was hij van 1963 tot 1968 voorzitter van de Eural-Groep, een financiële instelling, en in 1969 medeoprichter van Eural-Co.

Debeuckelaere groeide op in de Rodenbachtraditie. In de studentenbeweging te Ieper werkte hij onder voorzitterschap van Miel Pil en leerde mensen kennen als Jules Callewaert, Dries Devos en anderen. Te Ath stichtte hij met Jozef Goossenaerts en Philip van Isacker de taalgrensactie en begon hij talrijke bijeenkomsten te organiseren, vaak voor Vlaamse mijnwerkers. In 1912 werd deze taalgrensbeweging gestimuleerd door het congres van het Davidsfonds. In 1912 werkte Debeuckelaere als leraar in Verviers van waaruit hij het grensgebied met Limburg, de streek van Landen, de Voergemeenten (Voeren) en de regio van Aubel bewerkte.

Als lid van het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond, en algemeen secretaris sinds 1912, behoorde hij tot de intellectuelen die tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het IJzerfront overgingen tot sociaal- culturele actie onder de frontsoldaten. Die was sterk Vlaamsvoelend en katholiek getint en beoogde de flamingantische opinie onder de soldaten te versterken. Hij trad toe tot de redactieraad van De Belgische Standaard en in 1916 voerde hij besprekingen om dit blad voor een radicaler Vlaams standpunt te winnen, echter zonder resultaat. Hij onderhandelde daarna met de uitgever van Ons Vaderland dat de spreekbuis van de radicale Vlaamsgezinde soldaten werd. Debeuckelaere was verder ook nog medeondertekenaar van de oproep voor Heldenhulde en begon in de herfst van 1916 met de organisatie van de Frontbeweging. De naam 'ruwaard' (leider), hem gegeven door Karel de Schaepdrijver, werd veel gebruikt. Debeuckelaere nam de beslissingen betreffende de acties van de Frontbeweging meestal na overleg met zijn secretarissen Filip de Pillecyn en Hendrik Borginon en de zogenaamde Legervergadering die vertegenwoordigers uit elke legerdivisie telde. Het doel was een politieke drukkingsgroep op touw te zetten. Hij was de opsteller van de eerste Open Brief van de Frontbeweging aan de koning der Belgen, Albert I. Het was eveneens Debeuckelaere die, in naam van de Legervergadering, aan Jules Charpentier vroeg naar de Duitse linies over te lopen met een opdracht van de Frontbeweging. Dit had de zaak van de zogenaamde Sublieme Deserteurs tot gevolg. Debeuckelaere zou in september 1918 gevangengenomen worden tijdens gevechten in Bikschote. De Duitsers wisten dat ze daarmee de leider van de Frontbeweging in handen hadden. Zij hoopten hem te kunnen gebruiken in hun propaganda en vooral in de psychologische oorlogvoering die zich op de Vlaamsgezinde soldaten richtte en het defaitisme en de opstandigheid tegenover de Belgische regering moest bevorderen. Debeuckelaere hield de boot af, ook tegenover de activisten die door de Duitsers op de hoogte waren gebracht van hun vangst (activisme). De Duitse legers waren op dat ogenblik al erg in het defensief gedrongen.

Na zijn terugkeer uit het krijgsgevangenenkamp behoorde Debeuckelaere tot de leiders van Het Vlaamsche Front al zou hij daar nooit het gezag verwerven dat hij aan het front had omdat de radicalen onder de soldaten en de gewezen activisten hem beschouwden als te weinig doortastend in de eindfase van de oorlog. Hij sprak op de officiële stichtingsvergadering van de Brusselse afdeling (22 juli 1919), op de grote meeting in Antwerpen (30 augustus 1919) en op het provinciaal congres in Gent (28 september 1919).

Zijn politieke rol aan het IJzerfront en zijn gevangenschap was de Belgische nationalisten echter niet ontgaan. Op 10 november 1921, tien dagen voor de nieuwe wetgevende verkiezingen, waarin Debeuckelaere kandidaat voor Brugge zou zijn, werd hij gearresteerd op beschuldiging van samenwerking met de Duitsers en aansporing tot defaitisme. Aanleiding was de publicatie van Duitse documenten uit de oorlogstijd betreffende de ondervragingen van de gevangen Debeuckelaere. Zij werden opgenomen in het Brusselse dagblad Le Soir en in het boek Flamenpolitik van Armand Wullus dat uitvoerig en goed gedocumenteerd inging op de invloed van de activistische tendensen binnen de Frontbeweging. Op basis van dit materiaal trad de Belgische justitie op die Debeuckelaere van hoogverraad beschuldigde omdat zijn geheime organisatie de deserties zou hebben aangemoedigd. Vele Vlaamsgezinden waren ervan overtuigd, dat het proces om politieke redenen werd begonnen teneinde de Fronters te kunnen compromitteren. Dit standpunt werd door de verdediging en door de leiding van de Frontbeweging algemeen verspreid. Na negen maanden voorarrest in de gevangenis van Vorst kwam er een proces voor de krijgsraad in Brussel. De thesis van de verdediging, waargenomen door Hendrik Picard en Edmond van Dieren, luidde dat Debeuckelaere geen enkele verantwoordelijkheid droeg voor de feiten die hem ten laste werden gelegd. Talrijke leden van de Frontbeweging en ook Frans van Cauwelaert en de minister van staat Prosper Poullet kwamen te zijnen gunste getuigen. Niemand van de getuigen die meer wist over de interne keuken van de Frontbeweging, praatte zijn mond voorbij. Het proces eindigde op 24 augustus 1922 met vrijspraak. De systematische ontkenningen tijdens het proces zouden vele activisten erg tegen de borst stuiten en zij maakten de vergelijking met het proces-August Borms dat heel anders werd gevoerd.

Na 1918 was Debeuckelaere aanvankelijk ook nog in de katholieke Vlaamse studentenbeweging actief. Hij sprak op de eerste naoorlogse studentengouwdagen van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS) (hulde van Firmin Deprez, Torhout, 23 april 1919) en op de landdag voor de scholieren (Gent, 27-29 augustus 1923). Hij behoorde ook tot de stichters van het Verbond der Vlaamse Oud-strijders.

Debeuckelaere was eerder pragmatisch ingesteld en zag Het Vlaamsche Front niet als een louter anti-Belgisch wapen maar als een middel om op de Belgische politiek te wegen. Hij behoorde bijvoorbeeld tot de onderhandelaars van de Frontpartij die met Camille Huysmans een overeenkomst wilden bereiken voor het bestuur van Antwerpen, waarbij de gelijkheid tussen vrij en officieel onderwijs werd bedongen. Uiteindelijk sloot Huysmans een akkoord met Van Cauwelaert waardoor de Fronters uit de boot vielen. Debeuckelaeres parlementaire carrière verliep met horten en stoten. Zijn mandaat had geen continuïteit en zijn aanzien bij de partijleden die voortbouwden op de activistische erfenis was eerder laag omdat de Frontbeweging na de wapenstilstand zo krachteloos was gebleken. De anti-Belgische vleugel beschouwde hem steeds als een zwakkeling. Later behoorde Debeuckelaere nog tot de ondertekenaars van het Federaal Statuut dat op 25 maart 1931 in de Kamer werd ingediend.

In mei 1940 was Debeuckelaere het enige Vlaams- nationalistische parlementslid dat de Belgische regering naar Frankrijk volgde. Hij nam, na de overgave van Leopold III en het Belgisch leger, deel aan de bijeenkomst van de parlementsleden in Limoges. Hij keurde daar de motie tegen deze overgave goed. Omwille van deze stap werd hij uit het IJzerbedevaartcomité gezet. Het comité beschouwde dit als een pleidooi voor de voortzetting van de oorlog aan de zijde van de geallieerden en dus het opofferen van Vlaams bloed voor vreemde belangen.

Bij de bevrijding, in september 1944, werd Debeuckelaere geïnterneerd, maar reeds op 24 december 1944 zonder meer vrijgelaten. Na de oorlog oefende hij geen directe politieke activiteit meer uit, maar was bedrijvig in het zakenleven en in de actie voor amnestie en de IJzerbedevaarten. In 1958 werd hij voorzitter van een amnestiecomité en in 1959 organiseerde hij een amnestiebetoging. In 1969 koos men hem opnieuw tot voorzitter van een algemeen comité voor amnestie. Van 14 juni 1952 tot 3 april 1971 was hij ondervoorzitter van het IJzerbedevaartcomité.

Literatuur

J. Wullus-Rudiger, Flamenpolitik, 1921; 
H. Gravez, 'De Vlaamsche Frontbeweging. Herinneringen', in Tijdingen van de Raad van Vlaanderen (1933), p. 55-93; 
L. Devliegher en L. Schepens, Front 14/18, 1968; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, I, 1969; 
D. Vanacker, 'De zending van Charpentier', in WT, jg. 48, nrs. 3-4 (1989), p. 129-151 en p. 195-209; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams- nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994.

Verwijzingen

zie: Hendrik Borginon, Arthur de Bruyne, Frontbeweging, studentenbeweging Gent.

Auteur(s)

Miet Ureel; Luc Vandeweyer